Naar de inhoud
Terug naar het boek

Ziekte en gezondheid

Zorgen om degene die altijd zorgde

Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.

Hoofdstuk 1

Het glas op het aanrecht

Mijn naam is Mark Lindeboom. Ik ben tweeënveertig jaar en ik woon in Almelo, in een doodgewone tussenwoning met een kleine tuin op het zuiden. Ik werk als facilitair beheerder op een brede scholengemeenschap. Lampen vervangen, lekkages oplossen, roosters van schoonmakers controleren. Praktisch werk. Als er iets stuk is, pak ik mijn gereedschapskist en maak ik het. Zo heb ik altijd in het leven gestaan. Voor elk probleem is er een sleutel of een schroef.

Linda, mijn vrouw, was precies hetzelfde, maar dan met mensen. Ze was wijkverpleegkundige. Al vijftien jaar stapte ze elke ochtend om kwart voor zeven op haar fiets, weer of geen weer. Ze deed steunkousen aan bij bejaarden, verzorgde open wonden, troostte eenzame weduwen en regelde tussen de bedrijven door ons hele huishouden. Als onze zoon Bram van twaalf zijn gymtas vergat, had Linda al een buurvrouw gebeld voordat ik überhaupt doorhad dat de tas nog in de gang stond. Onze dochter Sophie van negen noemde haar 'de wervelwind'. Linda stond altijd aan. Ze zorgde voor haar patiënten, voor haar demente vader, voor onze kinderen en voor mij. Zelf klaagde ze nooit. Pijnstillers vond ze onzin. 'Gewoon doordouwen, Mark,' zei ze altijd als ze grieperig was. 'Niet miepen.'

Het begon op een dinsdagavond in oktober. De herfststorm sloeg tegen de ruiten. Bram zat aan de keukentafel te zuchten boven zijn wiskunde en Sophie tekende paarden op de grond. Ik stond gehaktballen te draaien bij het fornuis. Linda kwam thuis na een lange avonddienst. Haar jas was nat, haar wangen rood van de kou. Ze hing haar sleutels aan het haakje en liep naar het aanrecht om een glas water in te schenken.

Ik keek op en zag hoe haar hand trilde. Niet een klein beetje, maar alsof er een stroomstoot doorheen ging. Ze pakte het glas op, bracht het halverwege haar mond en liet het toen zomaar los. Het glas kletterde stuk op het harde granieten blad. Water en scherven over de vloer, tussen de voeten van Sophie.

'Verdomme,' zei Linda zacht. Ze bleef doodstil staan.

'Pas op, Sophie, blijf zitten,' riep ik meteen. Ik pakte de stoffer en blik. 'Geeft niks, Lin. Gewoon moe. Ga maar zitten, ik ruim het wel op.'

Normaal gesproken zou Linda direct een theedoek hebben gepakt en mij hebben weggeduwd. 'Laat mij maar, jij maakt er een kliederboel van,' zou ze dan zeggen met een lach. Maar nu deed ze niets. Ze keek alleen maar naar haar rechterhand. Haar vingers stonden vreemd gekromd, alsof ze niet meer wisten hoe ze moesten ontspannen.

'Mijn hand deed het even niet,' zei ze. Haar stem klonk vlak. Te rustig.

'Wat bedoel je, deed het niet?' vroeg ik terwijl ik de natte scherven in de emmer gooide.

'Het gevoel was weg. Alsof het een klomp hout was.' Ze schudde haar arm uit, alsof ze een slapende poot wakker wilde schudden. 'Zal wel een beknelde zenuw zijn door het tillen van meneer Jansen vanochtend. Die man weegt negentig kilo en wilde niet meewerken.'

Die verklaring klonk logisch. We zochten altijd naar logica. Linda was moe, ze werkte te hard, ze tilde te zwaar. Klaar. Maar de dagen erna verdween het niet. Als ze 's avonds op de bank zat, wreef ze ongemerkt over haar rechterbovenbeen. Toen we op zaterdag naar het winkelcentrum liepen, merkte ik dat ze achterbleef. Haar rechtervoet sleepte een fractie van een seconde over de stoeptegels. Een schurend geluid. Sjt, sjt, sjt.

'Loop eens normaal,' zei ik nog half als grapje. 'Je lijkt wel tachtig.'

Ze lachte niet. Ze keek me aan met een blik die ik niet kende. Een blik waarin een piepklein randje paniek zichtbaar werd, heel diep weggestopt onder haar vertrouwde vastberadenheid.

'Ik struikel steeds over mijn eigen tenen, Mark,' zei ze zacht. 'Er zit geen kracht meer in.'

Maandag ging ze naar de huisarts. Ze dacht aan een hernia. De huisarts dacht dat eerst ook, maar stuurde haar voor de zekerheid door naar de neuroloog in het ziekenhuis. Er moest een MRI-scan gemaakt worden. Toen we die afspraakbrief in de bus kregen, lag hij drie dagen ongeopend op de magnetron. Alsof een gesloten envelop het gevaar kon tegenhouden. Ik pakte de envelop uiteindelijk zelf open. De afspraak stond op 14 november om negen uur 's ochtends. De spanning kroop langzaam onder onze vloerbedekking, koud en venijnig.

Hoofdstuk 2

Witte vlekken

De gang van de afdeling Neurologie rook naar chloor en goedkope automaatkoffie. We zaten op harde houten stoelen tegenover kamer 14. Naast ons zat een oudere man in een elektrische rolstoel met een deken over zijn knieën. Linda keek strak naar haar schoenen. Haar hand lag in de mijne. Hij voelde klam aan. Dat was niets voor haar; Linda had altijd warme, droge handen.

'Meneer en mevrouw Lindeboom?'

Dokter Veenstra was een jonge man met een baardje en een bril zonder montuur. Hij gaf ons een stevige hand en wees naar de twee stoelen voor zijn bureau. Op zijn computerscherm stonden al beelden open. Zwart-wit doorsnedes van een menselijk hoofd. Het leek op een abstract schilderij, vreemd en buitenaards.

'We hebben de beelden van de scan van vorige week,' begon Veenstra direct. Hij draaide zijn scherm een kwartslag naar ons toe. 'En ook de uitslag van de lumbaalpunctie van afgelopen vrijdag.'

Ik keek naar Linda. Ze zat kaarsrecht. Haar schouders stonden strak, in de houding die ze altijd aannam als ze op haar werk slecht nieuws moest overbrengen aan familieleden van een patiënt. Ze ging in haar professionele stand. Ze beschermde zichzelf door te doen alsof ze hier als verpleegkundige zat en niet als patiënt.

'U ziet hier op de beelden van de hersenen en het ruggenmerg verschillende ontstekingshaarden,' zei Veenstra rustig. Hij wees met de punt van een balpen naar kleine, witte vlekjes in het donkere weefsel. 'Witte vlekken. Dat duidt op demyelinisatie. De beschermlaag rond de zenuwen raakt beschadigd, waardoor signalen vanuit de hersenen niet goed doorkomen naar de spieren.'

'Multiple sclerose,' zei Linda. Het was geen vraag. Het was een constatering. Haar stem trilde niet eens.

De arts knikte. 'Relapsing-remitting MS, om precies te zijn. Gezien de ontstekingen in de liquor en de beelden op de scan is er helaas geen twijfel mogelijk.'

Er viel een stilte die aanvoelde alsof iemand alle lucht uit de kamer zoog. De klok aan de muur tikte genadeloos door. Zes seconden. Zeven seconden. Ik keek naar de witte vlekjes op het scherm. Ze zagen er zo onschuldig uit, als kleine pluisjes op een donker laken. Maar die pluisjes vraten het lichaam van mijn vrouw aan.

'En nu?' vroeg ik. Mijn stem klonk veel te luid in het kleine kantoortje. 'Wat gaan we doen? Medicijnen? Een operatie?'

'Genezen kunnen we het niet, meneer Lindeboom,' zei Veenstra eerlijk. 'Dat moet ik meteen duidelijk maken. MS is een chronische aandoening. Maar we kunnen het wel behandelen. We gaan proberen de aanvallen af te remmen en de schade te beperken. We starten morgen meteen met een driedaagse prednisonkuur via een infuus om deze actieve ontsteking de kop in te drukken.'

Toen we naar buiten liepen, scheen de winterzon fel op de parkeerplaats. De kou sneed in onze wangen. We stapten in onze oude Ford Focus. Ik deed de deuren op slot. Pas toen brak Linda. Ze boog voorover, haar voorhoofd tegen het dashboard, en begon te huilen. Het was geen stil verdriet. Het was een rauw, hikkend geluid dat diep uit haar borstkas kwam. Haar hele lijf schudde.

Ik legde mijn arm om haar heen. Ik wist niet wat ik moest zeggen. 'Ik ga de kinderen niet zien opgroeien,' snikte ze. 'Ik word een kasplantje. Ik ken die mensen op mijn werk, Mark. Ik zie wat het doet. Ze takelen af tot er niets meer over is.'

'Hou op,' zei ik, harder dan ik bedoelde. Ik pakte haar schouders vast en dwong haar om me aan te kijken. 'Hou daarmee op, Lin. We weten nog helemaal niks. De dokter zei dat er medicijnen zijn. We gaan dit aanpakken. Stap voor stap. Je bent niet alleen. We fiksen dit.'

Ik zei het omdat ik iets moést zeggen. Ik zei het omdat ik een man van oplossingen ben. Maar terwijl ik haar vasthield en haar tranen op mijn jas voelde, keek ik door de voorruit naar de betonnen gevel van het ziekenhuis. Voor het eerst in mijn leven voelde ik een loodzware machteloosheid. Dit was geen kapotte kraan. Dit was geen lekkend dak. Dit kon ik niet lijmen.

Hoofdstuk 3

Het tapijt onderaan de trap

De prednison sloeg aan, zeiden de artsen. Maar de werkelijkheid thuis voelde heel anders. Linda kreeg een opgeblazen gezicht van de steroïden, een zogenaamd 'vollemaansgezicht'. Ze sliep nachten achter elkaar niet meer dan twee uur. Ze liep dan om drie uur 's nachts door het huis, doelloos kasten opruimend met een rusteloze, manische blik in haar ogen. Tegen de ochtend stortte ze in, uitgeput en misselijk van de metaalsmaak die het infuus in haar mond had achtergelaten.

Toch weigerde ze toe te geven. Ze ging na een maand weer halve dagen werken. 'Ik ben geen zieke, ik ben wijkverpleegkundige,' beet ze me toe als ik voorstelde dat ze zich ziek zou melden. Ze probeerde het krampachtig vol te houden. Het avondeten koken, Sophie helpen met haar vlechtjes, de wasmand naar boven sjouwen.

Het dieptepunt kwam op een woensdagmiddag in maart.

Ik was vroeg thuis van school omdat de cv-ketel in het noodgebouw kuren had vertoond en ik overuren had gemaakt. Ik fietste onze straat in. Het was stil, een typische grijze woensdag. Ik zette mijn fiets in de schuur en liep via de bijkeuken naar binnen. Zodra ik de keukendeur opendeed, hoorde ik een zacht gekreun.

'Linda?' riep ik.

Geen antwoord. Alleen dat schurende, piepende geluid.

Ik liet mijn tas vallen en rende naar de gang. Onderaan de trap lag ze. Haar lichaam lag in een vreemde, verwrongen bocht op het bruine tapijt. De grote plastic wasmand lag naast haar; witte handdoeken en ondergoed lagen overal verspreid over de vloer. Haar benen lagen nog half op de onderste treden, haar bovenlijf op de grond. Ze probeerde zich op te drukken aan de trapleuning, maar haar rechterarm zakte telkens door.

'Lin!' Ik viel op mijn knieën naast haar. Mijn hart bonsde in mijn keel alsof het door mijn ribben wilde breken. 'Blijf liggen. Niet bewegen. Waar heb je pijn?'

Haar gezicht was asgrauw. Er zat een schram op haar voorhoofd en haar bril lag een meter verderop onder het tafeltje van de vaste telefoon. Ze keek me aan met ogen vol tranen en pure woede.

'Mijn been,' fluisterde ze door haar tanden. 'Hij knikte gewoon om. Boven aan de trap. Ik wilde de mand pakken en ineens was mijn hele been weg. Alsof het er niet aan zat.'

Ik tastte voorzichtig haar armen en benen af. Geen botbreuken, zover ik kon voelen, maar ze rilde over haar hele lichaam. Ik schoof mijn armen onder haar oksels en probeerde haar overeind te tillen. Ze woog zwaar, als dood gewicht. De vrouw die vroeger moeiteloos zware patiënten in een tillift manoeuvreerde, kon nu haar eigen gewicht niet meer dragen.

'Niet zo lomp, Mark, het doet zeer!' gilde ze opeens.

'Ik doe voorzichtig!' beet ik terug, puur uit angst en adrenaline. 'Waarom til je die rottige wasmand ook naar beneden? Ik heb honderd keer gezegd dat je dat aan mij moet overlaten!'

'Omdat het míjn huis is!' schreeuwde ze terug, terwijl de tranen over haar wangen gutsten. 'Omdat ik verdorie nog wel mijn eigen handdoeken mag wassen! Ik ben geen debiel, Mark! Ik ben niet invalide!'

Op dat moment ging de voordeur open. Bram en Sophie stapten binnen, rugzakken over hun schouders, lachend om een grapje van school. Het lachen verstomde in een fractie van een seconde.

Sophie bleef stokstijf staan op de mat. Haar ogen werden groot en donker. Bram liet zijn rugzak vallen en zette een stap naar voren. 'Mama?' zei hij. Zijn stem sloeg over.

Daar lagen we. Linda half op mijn schoot, tussen het vuile wasgoed, met een bebloed voorhoofd. Ik met het zweet op mijn voorhoofd, hijgend als een dier. De illusie van 'alles komt wel goed' spatte op die gangvloer definitief uit elkaar. Onze kinderen zagen voor het eerst dat hun moeder, het baken van rust en zekerheid, gebroken was.

'Niks aan de hand, schatjes,' probeerde Linda meteen, en ze forceerde een lach die eruitzag als een grimas van pijn. 'Mama is gewoon een beetje onhandig gestruikeld.'

Niemand geloofde haar. Bram keek naar de vloer en balde zijn vuisten in zijn jaszakken. Sophie begon zachtjes te snikken en kroop tegen haar broer aan. Ik tilde Linda op, zette haar op de onderste traptree en wist: vanaf vandaag wordt niets meer zoals het was. De rollen waren omgedraaid. En niemand had ons gevraagd of we dat wilden.

Hoofdstuk 4

De smaak van vernedering

Tegen de zomer ging het hard bergafwaarts. De ziekte hield zich niet aan de statistieken van de neuroloog. Linda kreeg de ene schub na de andere. De arboarts trok definitief aan de rem: ze werd honderd procent afgekeurd. Het bordje met haar naam op de wijkpost werd weggehaald. Haar uniform hing gewassen en gestreken in een hoek van onze kledingkast, als een spook uit een vorig leven.

We startten met een zwaarder tweedelijns medicijn: maandelijkse infusen in het ziekenhuis. Die infusen moesten haar immuunsysteem lamleggen zodat het haar eigen zenuwen niet meer aanviel. Het betekende dat ze na elk infuus drie dagen doodziek op de bank lag met griepverschijnselen, rillend onder twee dekbedden terwijl het buiten dertig graden was.

Ik nam de zorg over. Alles. Ik stond om half zes op om het ontbijt te maken, de lunchtrommels voor de kinderen te vullen en de was te draaien. Om zeven uur hielp ik Linda uit bed. Dat was een heel ritueel geworden. Eerst haar benen over de rand van het bed tillen. Even wachten tot de duizeligheid zakte. Dan haar armen om mijn nek, aftellen: één, twee, drie, staan. Haar knieën bogen vaak meteen door. Ik hield haar strak tegen me aan, voelde haar broze ribbenkast, haar ademhaling tegen mijn borst.

De ergste dag was een zaterdag in augustus. De kinderen waren een middagje naar mijn zus in Zwolle om even aan de spanning in huis te ontsnappen.

Ik was in de tuin bezig met het snoeien van de heg. De heggenschaar maakte een monotoon, verdovend geluid. Even dacht ik nergens aan. Alleen aan takken en bladeren. Tot ik binnen een doffe bons hoorde, gevolgd door een kreet.

Ik smeet de schaar in het gras en rende naar binnen. In de badkamer lag Linda op de witte tegels, vlak voor het toilet. Ze had haar joggingbroek half naar beneden getrokken. De vloer was nat. Er hing een scherpe geur van urine.

Ze had haar handen voor haar gezicht geslagen. Haar schouders schokten.

'Ik haalde het niet,' bracht ze er hortend uit. 'De rits zat klem. Mijn vingers deden het niet. En toen... toen kon ik het niet meer ophouden.'

Ik pakte een handdoek van het rek en knielde naast haar neer. 'Maakt niet uit, Lin. Geeft niks. Het is maar een ongelukje.'

'Het is géén ongelukje!' schreeuwde ze ineens, en ze sloeg wild met haar vuist tegen de zijkant van de wastafel. 'Ik pis in mijn broek, Mark! Ik ben eenenveertig jaar oud en ik pis op de badkamervloer als een kleuter! Raak me niet aan! Ga weg!'

'Ik ga niet weg,' zei ik kalm, al trilde mijn hele lijf van binnen. 'Kom op, laat me je helpen.'

'Ik wil je hulp niet! Ik wil dat je me met rust laat! Laat me hier maar gewoon liggen verzuipen!' Ze sloeg naar mijn handen toen ik haar probeerde vast te pakken. Haar nagels schampten mijn wang. Het deed geen pijn, maar het sneed dwars door mijn ziel.

Ik greep haar polsen vast. Niet hard, maar stevig genoeg zodat ze me niet meer kon slaan. 'Linda, hou op. Kijk me aan.'

Haar ogen puilden uit van woede, schaamte en verdriet. Ze hijgde zwaar. Langzaam vloeide de spanning uit haar armen. Ze gaf het op. Haar hoofd zakte tegen mijn schouder.

Ik tilde haar overeind en zette haar onder de douche. Ik zette de kraan op lauw warm water. Ik trok haar doorweekte kleren uit en gooide ze in de wasmand. Daarna pakte ik de douchekop en waste haar benen, haar heupen, haar voeten. Het water spoelde de urine weg door het putje. Ze stond met haar handen tegen de natte tegels geleund, haar rug naar me toe gekeerd, geruisloos huilend onder de straal.

Terwijl ik de zeep over haar rug wreef, over de vertrouwde moedervlek tussen haar schouderbladen, besefte ik dat er iets fundamenteels was gestorven tussen ons. De gelijkwaardigheid van geliefden was weggespoeld. Ik was niet meer alleen haar man. Ik was haar verzorger geworden. En zij was degene geworden die moest incasseren, die zich moest laten wassen door de man met wie ze ooit nachtenlang had gedanst in de kroeg. Het voelde als een nederlaag voor ons allebei.

Hoofdstuk 5

De gebroken pot jam

In september begon mijn eigen lichaam te protesteren. Ik sliep nog maar vier uur per nacht. Mijn nekspieren zaten muurvast, ik had dagelijks knallende hoofdpijn en op mijn werk liet ik steken vallen. Ik vergat een bestelling voor schoonmaakmiddelen door te geven, beet een conciërge af die een gewone vraag stelde en zat tijdens de pauzes in mijn eentje in het ketelhuis om maar geen mensen te hoeven zien.

'Je moet hulp vragen, Mark,' zei mijn zus Karin aan de telefoon. 'Je trekt dit niet alleen. Er is thuiszorg voor dit soort dingen.'

'Linda wil geen vreemden over de vloer,' zei ik bot. 'Ze schaamt zich dood. Ze was zélf die thuiszorg. Moeten haar oud-collega's haar straks komen wassen? Dat weigert ze.'

'Dan ga jij eraan onderdoor,' zei Karin. 'En wat hebben de kinderen dan nog?'

Ik hing op. Ik wilde het niet horen. Ik moest gewoon beter mijn best doen. Harder lopen. Beter plannen.

De ontploffing kwam op een druilerige zaterdagochtend. Het was kwart over acht. Sophie moest om negen uur op het hockeyveld staan in Borne. Bram kon zijn scheenbeschermers niet vinden en liep stampvoetend door de gang. Linda zat aan de keukentafel, ingezakt op haar stoel, te wachten tot ik haar medicijnen had uitgezet in het plastic doseerdoosje. Zeven verschillende pillen. Twee voor de spasmen, één voor de vermoeidheid, maagbeschermers, vitamine D in hoge dosering.

'Mark, schiet eens op met die boterhammen,' zei Linda vanaf de tafel. Haar stem klonk vermoeid, zeurderig. 'Sophie komt te laat.'

Ik stond bij het aanrecht. Ik sneed brood met een bot mes. 'Ik ben bezig, Linda.'

'Ja, maar je doet het zo langzaam. En vergeet haar bidon niet, die staat nog in de afwasmachine.'

'Ik wéét dat die bidon daar staat,' zei ik kortaf. Mijn kaken deden pijn van het klemmen.

'Nou, word niet meteen zo geprikkeld. Ik vraag het alleen maar.'

Ik pakte een nieuwe pot aardbeienjam uit het keukenkastje. Het deksel zat muurvast. Mijn handen waren klam van het zweet. Ik wrong, zette kracht, maar het deksel gaf geen krimp. Vanuit de gang schreeuwde Bram: 'Pap! Waar ligt die stomme tas nou?!'

'Even wachten, Bram!' schreeuwde ik terug.

'Gebruik gewoon die ontluchter uit de la,' zei Linda betweterig achter me. 'Die ligt links.'

Dat was het. Die ene opmerking. De druppel die de emmer niet deed overlopen, maar liet ontploffen.

Ik draaide me om en smeet de glazen pot met volle kracht op de keukenvloer. Het glas explodeerde. Rode jam kletterde tegen de keukenkastjes, tegen de koelkast, over mijn schoenen. Een grote, bloederig ogende vlek midden op het linoleum.

'HOU JE KOP!' brulde ik. Mijn stem sloeg over in een rauwe schreeuw die door het hele huis galmde. 'HOU GEWOON EEN KEER JE VERDOMDE KOP!'

De stilte die volgde was oorverdovend. Bram stond stokstijf in de deuropening van de gang, met één schoen aan. Sophie keek om het hoekje van de woonkamer, haar ogen vol tranen. Linda deinsde achteruit op haar stoel. Ze trok haar schouders op alsof ik haar fysiek had geslagen.

Ik stond te hijgen boven de scherven jam. Mijn vuisten waren gebald. Ik voelde een verzengende haat. Niet tegen de jam, niet tegen de kinderen, maar tegen háár. Tegen haar ziekte. Tegen het feit dat zij daar maar zat commentaar te leveren terwijl ik mezelf kapot werkte om haar wereld overeind te houden. En direct na die haat kwam de schuld. Een verpletterende, giftige schuld die me bijna deed kotsen.

'Ik doe alles,' fluisterde ik. Mijn stem brak. Ik wees met een trillende vinger naar haar. 'Ik doe de was. Ik kook. Ik breng de kinderen weg. Ik werk veertig uur. Ik veeg je kont af als het moet. En het enige wat jij doet, is zeggen dat ik het verkeerd doe. Ik kan niet meer, Linda. Ik kan verdomme niet meer.'

Ik zakte op mijn knieën in de keuken, vlak naast de scherven en de rode smurrie. Ik lette niet eens op het glas dat door mijn spijkerbroek prikte. Ik begroef mijn gezicht in mijn handen en huilde. Niet zachtjes, maar met zware, lelijke uithalen. Maanden van opgekropte angst, vermoeidheid en eenzaamheid kwamen er in één keer uit.

Niemand bewoog. Toen hoorde ik het schuiven van de houten stoelpoot.

Linda stond op. Ze hield zich vast aan de rand van de tafel. Stap voor stap, voetje voor voetje, schoof ze over de vloer. Ze wiebelde gevaarlijk. Bram wilde naar voren stappen om haar te grijpen, maar ze stak een hand op. 'Blijf daar, Bram.'

Ze bereikte het aanrecht, liet zich op haar knieën zakken – langzaam, kreunend van de pijn in haar gewrichten – en kwam naast me op de grond zitten. Ze trok zich niets aan van de jam op haar joggingbroek. Ze sloeg haar armen om mijn nek en trok mijn hoofd tegen haar borst.

'Het spijt me,' fluisterde ze in mijn haar. 'Het spijt me zo, Mark. Ik zag het niet. Ik was zo bezig met mijn eigen verdriet dat ik jou helemaal niet meer zag.'

We zaten daar tien minuten lang op de keukenvloer tussen de scherven. Twee volwassen mensen, volkomen verslagen door het lot. Maar op die koude vloer, in de geur van aardbeien en schoonmaakazijn, viel er ook een masker af. We hoefden niet meer te doen alsof we dapper waren. We waren niet dapper. We waren gewoon doodsbang.

Hoofdstuk 6

Het Roessingh en de traplift

Die instorting bracht geen magische oplossing, maar wel de noodzaak om de feiten onder ogen te zien. We konden dit niet met z'n tweeën oplossen. Twee weken later zat Linda voor een intakegesprek in Het Roessingh, het revalidatiecentrum in Enschede. Een team van artsen, fysiotherapeuten, ergotherapeuten en maatschappelijk werkers boog zich over ons leven.

De ergotherapeut, een nuchtere vrouw van een jaar of vijftig genaamd Joke, zette Linda meteen op haar nummer. Geen zoetsappige praatjes, maar duidelijke taal.

'Je hebt een batterij die nog maar voor dertig procent oplaadt, Linda,' legde Joke uit terwijl ze een simpele tekening maakte op een whiteboard. 'Als jij die dertig procent om negen uur 's ochtends al opmaakt aan de vaatwasser uitruimen en je haren föhnen, dan ben je de rest van de dag failliet. Je moet keuzes maken. Wil je energie overhouden om 's avonds met je kinderen een spelletje te doen? Dan moet je stoppen met het huishouden. Punt.'

Het klonk hard, maar het was precies wat Linda nodig had. Van mij nam ze dat niet aan; van een professional wel. Ze leerde hoe ze haar energie moest verdelen. Ze leerde hulpmiddelen gebruiken zonder zich te schamen. Een kruk met een ergonomisch handvat. Een grijper om dingen van de grond te pakken. Een speciale snijplank voor in de keuken.

En er kwamen aanpassingen in huis. De gemeente stuurde een Wmo-consulent langs. Drie weken later stonden er twee monteurs in onze gang met zware boormachines. Ze monteerden een traplift.

Ik zal nooit vergeten hoe Linda keek toen die lift voor het eerst langs de trap omhoog gleed. Een glimmende aluminium rail op onze oude eikenhouten trap, met een foeilelijke beige stoel erop. Het zag eruit als de entree van een bejaardentehuis. Linda stond onderaan de trap en beet op haar lip.

'Het is afschuwelijk,' zei ze zacht.

'Het is een machine,' zei ik. 'Machines zijn er om het werk makkelijker te maken. Net als mijn boormachine op school.'

Ze ging zitten. Ze gespte de riem vast alsof ze in een achtbaan stapte. Ze duwde het pookje op de leuning naar voren. Met een zacht zoemend geluid bracht de stoel haar naar boven. Geen hijgen. Geen wankele benen. Geen gevaar om te vallen met een wasmand. Toen ze boven aankwam, draaide de stoel automatisch bij. Ze stapte uit op de overloop. Ze keek naar beneden naar mij.

'Ik ben niet moe,' zei ze verbaasd.

'Dat is het hele idee, schat,' riep ik naar boven.

De grootste horde was de rolstoel. Een lichtgewicht opvouwbaar ding met zwarte wielen. Hij stond eerst twee weken in de gangkast, achter de winterjassen, alsof we hem daar konden verstoppen. Linda weigerde erin te zitten. 'Dan kijken de mensen me zo meewarig aan,' zei ze. 'Dan ben ik ineens een patiënt.'

Op een zondag in november – precies een jaar na de fatale diagnose – scheen er een waterig zonnetje. De herfstbladeren in het beekdal van Almelo kleurden diep rood en geel. De kinderen wilden naar het bos om kastanjes te zoeken.

'We gaan,' zei ik kordaat. Ik haalde de rolstoel uit de kast en klapte hem met een harde klik open in de woonkamer. 'En jij gaat mee. In dit ding.'

Linda keek naar de stoel, toen naar Sophie die met haar laarzen aan bij de voordeur stond te springen. 'Ik wil niet dat ze me zo zien.'

'Mama,' zei Sophie, en ze pakte Linda's hand vast. 'Als je loopt, moeten we na tien meter stoppen omdat je pijn hebt. Als je zit, kunnen we helemaal naar de vijver bij de eendjes. Alsjeblieft?'

Die kinderlijke logica brak het laatste restje trots af. Linda slikte, knikte en ging zitten. Ik legde een warme geruite deken over haar benen.

We liepen door het park. De wielen knerpten over het grind en de natte bladeren. In het begin hield Linda haar hoofd gebogen, bang om bekenden tegen te komen. We kwamen inderdaad een oud-collega van haar tegen, een verpleegkundige met wie ze talloze nachtdiensten had gedraaid. De vrouw schrok zichtbaar toen ze Linda zag zitten, maar herstelde zich snel. Ze maakten een praatje. Geen dramatische verhalen, gewoon over het weer en over wie er nu op wijkroute 4 reed.

Toen we verder liepen, voelde ik dat Linda's schouders ontspanden. Ze leunde achterover tegen de canvas rugleuning. De wind blies door haar haren. Sophie rende vooruit en gooide een handvol eikels in de lucht. Bram liep naast me en duwde af en toe met één hand mee tegen het handvat van de rolstoel.

'Mark?' zei ze over haar schouder.

'Ja?'

'Het ruikt hier heerlijk naar nat bos.'

Het was een klein moment. Geen overwinning, geen genezing. Maar we waren buiten. We waren samen. En de wereld was niet vergaan.

Hoofdstuk 7

Koude koffie en pannenkoeken

We zijn nu drie jaar verder. Als mensen me vragen hoe het gaat, geef ik nooit meer het standaard antwoord: 'Goed hoor.' Ik zeg: 'Het gaat zoals het gaat. We redden het.' Dat is de waarheid.

De MS is niet weggegaan. Hij zal nooit weggaan. Linda heeft blijvende schade aan haar ruggenmerg. Lopen binnenshuis gaat nog net, schuifelend van stoel naar aanrecht, altijd met één hand aan de muur of aan een meubelstuk. Voor alles buiten de voordeur gebruikt ze haar rolstoel of haar scootmobiel. De spontaniteit is definitief uit ons leven verdwenen. Even snel een weekendje weg boeken kan niet meer; elk hotel moet gecheckt worden op drempels, liftbreedtes en aangepaste douches. Als we naar de bioscoop willen, moeten we dagen van tevoren bellen om de rolstoelplek te reserveren.

Er komt nu twee keer per week een thuiszorgmedewerker over de vloer om te helpen met de zware huishoudelijke taken en om Linda te ondersteunen bij het douchen op dagen dat haar balans gevaarlijk slecht is. Het was een bittere pil voor haar om die sleutel aan een ander te geven, maar het heeft onze relatie gered. Ik ben weer haar man. Niet meer alleen haar verpleger.

Het is zondagochtend. Buiten tikt een zachte lenteregen tegen het raam. In de keuken ruikt het naar gebakken spek en pannenkoekenbeslag.

Ik sta achter het fornuis. Bram, inmiddels vijftien en langer dan ik, staat naast me en keert met een soepele polsbeweging een pannenkoek om in de tweede pan. Hij heeft mijn praktische inslag geërfd; hij repareert tegenwoordig zelf zijn fiets en klaagt zelden. Sophie zit aan de tafel haar huiswerk te maken, met haar koptelefoon half op haar hoofd.

Linda zit aan het hoofd van de tafel. Ze heeft haar ochtendjas aan. Haar haar zit nog een beetje door de war. Ze zit er niet meer verslagen bij. Ze zit rechtop, met een kop thee binnen handbereik. Ze snijdt appels in partjes voor op de pannenkoeken. Het gaat langzaam. Haar vingers zijn stijf en het schilmesje beweegt houterig, maar ze doet het zelf. Niemand pakt het van haar af. We hebben geleerd om te wachten. Geduld is de belangrijkste spier geworden die we de afgelopen jaren hebben getraind.

'Mark,' zegt ze, terwijl ze een partje appel in haar mond steekt. 'De afspraak bij de neuroloog staat voor donderdag om twee uur. Heb je vrij kunnen krijgen?'

'Geregeld,' zeg ik, terwijl ik een pannenkoek op een groot bord laat glijden. 'Conciërge Jan vangt mijn middagdienst op. Ik ben om één uur thuis.'

'Mooi.' Ze kijkt naar Bram. 'En jij zorgt dat je om vier uur thuis bent voor je wiskundebijles, meneer. Geen geslenter bij de supermarkt.'

Bram rolt met zijn ogen, maar er speelt een glimlach om zijn mondhoeken. 'Ja, mam. Rustig maar.'

Ze is weer de spil van het gezin. Niet meer met haar benen, niet meer door door het huis te rennen en alles fysiek op te lossen, maar met haar stem, haar aandacht en haar niet-aflatende wilskracht. Ze regelt de administratie, ze overhoort de Franse woordjes van Sophie, ze beheert onze agenda's met militaire precisie. Ze zorgt nog steeds voor ons, alleen op een andere manier. En wij zorgen voor haar.

Veerkracht is een modewoord geworden. Mensen gebruiken het op televisie alsof het een elastiekje is dat altijd weer vrolijk terugveert in zijn oude vorm. Maar zo werkt het niet in de echte wereld. Als een vaas breekt en je lijmt de scherven aan elkaar, veert hij niet terug. Hij blijft gelijmd. De barsten blijven zichtbaar. Je kunt er weer water in doen, je kunt er weer bloemen in zetten, maar je moet hem voorzichtiger oppakken dan vroeger.

Ons leven is die gelijmde vaas.

Ik pak mijn mok koffie van het aanrecht. Ik neem een slok. Hij is lauw geworden; ik was te druk met het bakken van de pannenkoeken om hem heet te drinken. Vroeger zou ik gevloekt hebben en een nieuwe hebben ingeschonken. Nu haal ik mijn schouders op en drink hem leeg.

Linda kijkt me aan vanaf de overkant van de tafel. Ze knikt even naar me. Een klein gebaar, bijna onzichtbaar. Geen grote woorden, geen sentimenteel gedoe. Gewoon een blik die zegt: we zijn er nog. We staan niet meer op het punt om te vallen. We hebben onze grond gevonden, hoe oneffen die ook is.

'Pannenkoeken zijn klaar!' roept Bram en hij zet de stapel dampend op tafel.

Sophie trekt haar koptelefoon af, Linda pakt de strooppot en ik ga zitten op de stoel naast mijn vrouw. We eten. Het leven gaat door, precies zoals het is.