Verlies en rouw
Wie ben ik zonder jou?
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
De deurbel om elf uur
Mijn naam is Jeroen van Dijk. Ik ben tweeënveertig jaar en ik woon in Gouda. Al vijftien jaar werk ik als zelfstandig meubelmaker. Ik werk met eikenhout, met staal en met lak. Dingen die je kunt meten met een rolmaat. Dingen die recht zijn als je ze waterpas legt, en die blijven staan als je ze goed in elkaar schroeft. Hout liegt niet. Als een verbinding wringt, heb je zelf verkeerd gezaagd. Zo keek ik altijd naar het leven: als je je best doet en goed oplet, gebeuren er geen ongelukken.
Tot die donderdag in november. Het was bijna half tien ’s avonds. Het regende niet zomaar, het hoosde. De wind sloeg tegen het raam van onze woonkamer aan de Vossenburchkade. Ik zat op de bank met een fles bier. Mijn benen waren zwaar van een lange dag kasten plaatsen in Rotterdam. Mijn rug deed pijn. Op televisie stond een herhaling van een politieserie waar ik half naar keek.
Sanne was bij haar vriendin Ellen in Bodegraven. Ze hadden samen gegeten. Mijn telefoon trilde op de salontafel. Haar naam lichtte op.
'Hé lieverd,' zei ze toen ik opnam. Haar stem klonk zacht, een beetje moe. 'Het weer is echt vreselijk. De ruitenwissers van de Polo redden het amper. Zou jij me misschien willen ophalen met jouw bus? Die ligt veel vaster op de weg.'
Ik keek naar mijn voeten op de salontafel. Ik had mijn werkkleren net uitgetrokken. Ik rook naar stof en zweet, maar ik zat eindelijk warm. 'Meen je dat nou?' zei ik. Mijn stem klonk harder dan ik bedoelde. 'Bodegraven is twintig minuten rijden. Ik zit net.'
'Het waait echt heel hard, Jeroen,' zei ze. 'En die N-weg staat half blank. Ik vind het eng.'
'Je rijdt al tien jaar auto, San,' zei ik, en ik zuchtte overdreven in de hoorn. 'Doe gewoon rustig aan. Blijf achter een vrachtwagen hangen. Die Polo doet het prima. Ik ben kapot, ik moet morgenochtend om zeven uur weer in de werkplaats staan.'
Het bleef stil aan de andere kant van de lijn. Ik hoorde op de achtergrond de ruitenwissers piepen. Het ritmische, droge geluid van rubber op nat glas.
'Oké,' zei ze toen. Haar stem klonk ineens heel plat. Niet boos, maar koud. 'Dan rijd ik zelf wel.'
'Sanne, doe nou niet zo dramatisch,' begon ik nog. Maar ze had al opgehangen.
Ik legde de telefoon neer. Ik voelde een steek van irritatie in mijn maag. Waarom moest ze altijd zo overdrijven als het een beetje stormde? Ik nam een slok bier. De bittere smaak bleef in mijn keel hangen. Ik dacht er nog aan om terug te bellen, om te zeggen dat ik toch wel kwam. Maar mijn koppigheid won het van mijn verstand. Ik bleef zitten.
Een uur later was ze er nog niet. Ik keek op de klok boven de eettafel: 22:45 uur. Vanaf Bodegraven was het hooguit twintig minuten. Ik pakte mijn mobiel en toetste haar nummer in. Hij ging over. Eén keer, twee keer, vier keer. Toen de voicemail. 'Dit is de voicemail van Sanne. Spreek een berichtje in.'
'San, waar blijf je?' zei ik tegen het apparaatje. 'Het is kwart voor elf. Laat even weten waar je bent.'
Ik liep naar het raam en keek naar buiten. De straatlantaarns wierpen gele vlekken op het glimmende asfalt. Het regende nog steeds even hard. Een tak van de berk van de buren lag afgebroken op het trottoir.
Om 23:14 uur ging de deurbel. Geen kort belletje zoals Sanne altijd deed, maar twee lange, harde halen. Mijn hart sloeg een slag over. Waarom gebruikte ze haar sleutel niet? Was ze haar tas vergeten?
Ik liep naar de gang en trok de voordeur open. Er stonden twee mensen op de stoep. Een man en een vrouw in donkerblauwe jassen met gele strepen. De regen droop van de klep van de pet van de man. Achter hen, op straat, stond een politieauto met draaiende motor. Geen zwaailichten, alleen de koplampen die door de regen sneden.
'Goedenavond,' zei de mannelijke agent. 'Bent u Jeroen van Dijk?'
'Ja,' zei ik. Mijn stem klonk heel hoog, vreemd. 'Wat is er gebeurd? Waar is Sanne?'
'Mogen we even binnenkomen, meneer Van Dijk?' vroeg de vrouw. Haar ogen stonden ernstig en voorzichtig. Dat was het moment waarop de grond onder mijn voeten begon te schuiven. De vloerplanken leken mee te geven. Ik wist het al voor ze het zeiden. Je weet het gewoon als ze zo kijken en vragen of ze binnen mogen komen. Maar toch schudde ik mijn hoofd. Ik hield de deurpost vast met beide handen.
'Nee,' zei ik. 'Zeg het gewoon hier. Waar is ze?'
'Er is een ernstig ongeluk gebeurd op de N207,' zei de man zacht. 'Uw vrouw is met haar auto van de weg geraakt. Ze is tegen een boom tot stilstand gekomen.'
'En?' schreeuwde ik bijna. 'Waar is ze? In het ziekenhuis in Gouda? Ik pak mijn jas.'
De vrouwelijke agent legde een natte hand op mijn arm. 'Meneer Van Dijk. Het spijt me verschrikkelijk. De hulpdiensten waren snel ter plaatse, maar ze konden niets meer voor haar doen. Uw vrouw is ter plekke overleden.'
De regen bleef vallen op het afdakje boven de voordeur. Tik, tik, tik. Precies op het ritme van de ruitenwissers die ik door de telefoon had gehoord. Mijn hele lijf werd ijskoud.
Hoofdstuk 2
Het profiel op de achterband
Mensen zeggen dat je na een schok in een roes raakt. Dat je brein je beschermt tegen de ergste pijn. Bij mij werkte het niet zo. Mijn hoofd werkte juist veel te helder. Elk beeld, elk geluid sneed direct naar binnen.
De dagen tussen het ongeluk en de begrafenis trokken voorbij als een rij zware goederentreinen. Familieleden die koffie zetten in mijn keuken. Haar moeder die huilde tot ze geen geluid meer maakte. Mijn eigen zus die vroeg of ik iets wilde eten, telkens weer: 'Een tosti dan, Jeroen? Of wat soep?' Ik at niets. Mijn maag zat potdicht, alsof iemand er vloeibaar cement in had gegoten.
Maar het ergste was de stilte nadat iedereen weer weg was. Na de begrafenis, na de koffie met cake in het uitvaartcentrum, na de laffe handdrukken van mensen die zeiden dat ze aan me dachten. De voordeur viel in het slot. Zaterdagmiddag, vijf uur. Het huis rook naar de lelies die mensen hadden meegegeven en naar natte jassen.
Ik liep naar de bijkeuken. Daar hingen onze jassen aan de kapstok. Haar rode winterjas hing er nog. Haar sjaal zat nog half in de mouw gepropt. Ik durfde hem niet aan te raken, bang dat de geur van haar haar eraf zou waaien.
Op de keukentafel lag de bruine envelop die de politie me twee dagen eerder had overhandigd. Haar portemonnee, haar trouwring in een plastic zakje, en een kopie van het voorlopige rapport van de Verkeersongevallenanalyse. Ik had de envelop tot dan toe dicht gelaten. Nu schoof ik de inhoud naar buiten.
Ik las de kille, ambtelijke zinnen. *Betrokkene 1 reed in noordelijke richting over de N207. Ter hoogte van hectometerpaal 24,8 trad vermoedelijk aquaplaning op. Het voertuig raakte in een onbeheersbare slip, schoof over de linkerrijbaan en raakte met de rechterflank een boom in de berm.* Aquaplaning. Water op het wegdek.
Ik legde het papier neer en liep de tuin in, door de motregen naar mijn werkplaats achterin. De schuur rook naar zaagsel, lijnzaadolie en ijzer. Mijn vertrouwde wereld. Maar vooraan in het gangpad lag iets wat ik al drie weken had zien liggen.
Twee nieuwe autobanden. Nog in het plastic gewikkeld.
Ik voelde mijn keel dichtknijpen. Drie weken geleden had Sanne tegen me gezegd: 'Jeroen, het lampje van de bandenspanning brandt soms, en in de bocht naar de snelweg voelde de achterkant raar glibberig toen het regende.'
Ik had destijds naar buiten gelopen, gehurkt bij het linkerachterwiel van haar rode Volkswagen Polo. Ik had mijn duim in de groef van het profiel geduwd. Het was glad. Veel te glad. Hooguit anderhalve millimeter. Zeker onder de wettelijke norm van 1,6 millimeter, en levensgevaarlijk bij zware regenval.
'Ik bestel vanavond meteen twee nieuwe online,' had ik gezegd. 'Zet ze er zaterdag wel even onder. Kost me een uurtje.'
Ik had ze besteld. Ze waren bezorgd. Ze stonden hier, tegen de werkbank. Maar die zaterdag had ik een spoedklus gekregen voor een notariskantoor: een op maat gemaakte vergadertafel die af moest. En de zaterdag daarna had ik met vrienden naar het voetballen gekeken. 'Rijd gewoon voorzichtig,' had ik tegen haar gezegd toen ze er opnieuw naar vroeg. 'Volgende week doe ik het echt. Zo hard regent het toch niet.'
Nu stond ik in de halfdonkere schuur en keek naar de glimmende zwarte cirkels van rubber. Ongebruikt. De stickers van de fabrikant zaten er nog op.
Aquaplaning. Het water had zich opgehoopt voor de banden. De banden hadden het water niet kunnen afvoeren omdat er geen groeven meer waren om het water weg te duwen. De auto was gaan drijven. Ze was stuurloos geweest.
Ik viel op mijn knieën op de betonnen vloer van de schuur. Mijn handen grepen zich vast in het koude rubber van de banden. 'Nee,' fluisterde ik. 'Nee, nee, nee.'
Het was niet het noodweer. Het was niet de wind. Het was niet de pech. Ik had haar niet willen ophalen omdat ik liever bier dronk op de bank. En ik had haar laten rijden op banden waarvan ik wist dat ze levensgevaarlijk waren. Ik, de man die alles mat, die alles repareerde, die overal de controle over wilde houden.
Ik had haar de weg op gestuurd in een doodskist op wielen. Het schuldgevoel kwam niet als een gedachte, maar als een fysieke slag in mijn buik. Ik boog voorover tot mijn voorhoofd het koude beton raakte en gaf over, gal en maagsap, vlak naast de nieuwe banden.
Hoofdstuk 3
Koken voor één
De weken daarna leerde ik wat gemis werkelijk betekent. Het zit niet in grote, poëtische momenten. Het zit in de vreselijke, stomme details van een doodgewone dag.
Ik stond in de supermarkt, de Plus bij ons om de hoek. Ik had een mandje aan mijn arm. Ik liep door het gangpad van de groenten en pakte automatisch een netje met vier paprika’s. Twee rode, een gele, een groene. Sanne hield van die gele, ik vond de rode lekkerder. Pas toen ik het netje in mijn mandje wilde leggen, verstijfde ik.
Er was niemand meer voor de gele paprika. Ik was alleen.
Ik smeet het netje terug in de krat. Twee vrouwen met kinderwagens keken verschrikt op. Een van hen was Gerda, een buurvrouw uit onze straat. Ze zag me staan. Ik zag de paniek in haar ogen: *O god, daar staat Jeroen, wat moet ik zeggen?* Ze keek snel naar het schap met de potten appelmoes, draaide haar wagentje om en liep met haastige passen het gangpad uit. Ze deed alsof ze me niet had gezien.
Ik werd er niet eens boos om. Ik begreep het wel. Dood maakt mensen bang. Mijn soort dood vooral: plotseling, oneerlijk, te jong. Sanne was negenendertig geworden.
In de keuken thuis was het nog erger. Koken voor één persoon lukte me niet. Als ik aardappels schilde, schilde ik er altijd te veel. Als ik pasta kookte, lag er genoeg spaghetti in de pan voor een klein weeshuis. De stilte in het huis zoemde in mijn oren als een koelkast die te hard draait.
Op een dinsdagavond kwam Martijn langs. Martijn was al sinds de middelbare school mijn beste vriend. Hij had een pan nasi meegenomen die zijn vrouw Linda had gemaakt.
'Hier,' zei hij, terwijl hij de pan op het fornuis zette. 'Even opwarmen. Linda heeft er extra kroepoek bij gedaan.'
We zaten aan de eettafel. De tafel die ik vijf jaar geleden zelf had gemaakt van massief Frans eiken. Sanne had toen geholpen met schuren. Haar fijne schuurkrasjes zaten nog onder de lak, als je goed keek in het strijklicht.
Martijn dronk een biertje. Ik dronk water. Mijn maag verdroeg nog steeds nauwelijks alcohol.
'Hoe gaat het met slapen?' vroeg Martijn. Hij keek me bezorgd aan. Hij had kringen onder zijn ogen, alsof hij zich meer zorgen om mij maakte dan goed voor hem was.
'Niet,' zei ik kortaf. 'Ik lig in dat bed en ik draai me om. Haar kussen ligt er nog. Het ruikt naar haar shampoo. Naar kokos en amandel. Als ik mijn ogen dichtdoe, hoor ik die klap weer. Alsof ik erbij was.'
Martijn zuchtte en leunde naar voren. 'Jeroen, je kunt jezelf dit niet blijven aandoen. Het was een ongeluk. Een noodlottig ongeluk. Het KNMI had code oranje afgegeven. Niemand kon voorzien dat die weg zo snel onder water zou lopen.'
Ik keek naar mijn handen op het hout. Mijn nagels waren kort afgesleten, mijn vingers zaten vol oude littekens van beitels en zagen. 'Ik had haar moeten halen, Martijn. Ze belde me. Ze vroeg het letterlijk. En ik zei nee omdat ik te lui was.'
'Hou op,' zei Martijn fel. 'Dat wist je toch niet? Als jij de weg op was gegaan, was jij misschien wel geslipt. Of had je haar gemist. Je kunt de tijd niet terugdraaien door jezelf kapot te maken met 'wat als'.'
Ik zei niets over de banden. Ik hield mijn kaken stijf op elkaar geklemd. Niemand wist van die banden in de schuur. Zelfs de politie had er in het rapport niet zwaar aan getild; het profiel was minimaal, ja, maar het water op de weg was zo diep geweest dat zelfs nieuwe banden hadden kunnen slippen, zeiden ze. Maar dat was een leugen. Een troostprijs van justitie om nabestaanden te sparen.
'Ik ga weer aan het werk,' zei ik om het onderwerp te veranderen.
Martijn fronste. 'Is dat wel verstandig? Je bent pas vier weken verder.'
'Als ik hier op deze stoel blijf zitten staren, word ik gek,' zei ik. 'Ik moet iets met mijn handen doen. Hout vraagt geen domme vragen. Hout zwijgt gewoon.'
Martijn knikte langzaam. Hij geloofde me niet, dat zag ik wel. Maar hij wist ook niet wat hij anders moest zeggen. Toen hij wegging, liet hij een doosje pepermuntjes achter op het dressoir. Naast de twee tandenborstels in het glas in de badkamer die ik nog steeds niet over mijn hart kon verkrijgen om weg te gooien.
Hoofdstuk 4
De zaagtafel
De geur van vers gezaagd essenhout hielp precies twee dagen. Toen sloeg de waanzin pas echt toe.
Ik had mezelf opgesloten in de werkplaats. Ik had een grote opdracht aangenomen: een complete kastenwand voor een villa in Reeuwijk. Veel strak werk, ingewikkelde hoeken, lades met zwaluwstaartverbindingen. Precisiewerk waar je je kop bij moet houden. Elke millimeter telt. Als je één millimeter afwijkt bij de eerste staander, sluit de vijfde deur aan het eind niet meer.
Het was vrijdagochtend. Buiten scheen een felle, koude winterzon. De radio in de schuur stond zachtjes aan op NPO Radio 2. Er speelde een liedje van vroeger, iets vrolijks uit de jaren negentig.
Ik stond bij de grote formaatzaag. Een zware machine van gietijzer met een cirkelzaagblad van driehonderd millimeter doorsnee. Het blad draaide met vierduizend toeren per minuut. Het jankte door de schuur. Ik duwde een lange plaat multiplex over de tafel.
En opeens was het er weer. Haar stem door de telefoon.
*Jeroen, het waait echt heel hard. Ik vind het eng.*
En mijn eigen stem, hard en ongeduldig:
*Je rijdt al tien jaar auto, San. Doe gewoon rustig aan.*
Mijn handen begonnen te trillen. Niet een klein beetje, maar zo hevig dat het hout begon te klapperen tegen de geleider van de zaag. De zaagsnede liep scheef. Het hout begon te roken, de geur van verbrand zaagsel vulde mijn neus.
Ik probeerde adem te halen, maar er kwam geen lucht binnen. Mijn borstkas zat klem in een bankschroef. Ik keek naar het zaagblad. Het zilveren metaal leek stil te staan, zo snel draaide het. Een wazige, dodelijke schijf.
*Als ik mijn hand erin duw,* dacht ik plotseling. De gedachte kwam niet langzaam op, hij schoot erin als een bliksemschicht. *Als ik gewoon mijn hand naar voren schuif. Dan voel ik tenminste iets wat erger is dan dit. Dan is de schuld misschien betaald. Dan heb ik tenminste een straf.*
Ik zette een stap dichterbij. Mijn vingers krampten om de houten rand van de plaat. Ik voelde de wind van het zaagblad tegen mijn knokkels blazen. Het was zo eenvoudig. Eén seconde. Eén beweging van tien centimeter.
'Doe het dan,' zei ik hardop tegen mezelf boven het lawaai van de motor uit. 'Als je zo’n laffe klootzak bent, doe het dan.'
Ik schoof mijn hand naar voren.
Op drie centimeter van het blad sloeg de zekering in mijn hoofd door. Ik gilde. Een rauwe, dierlijke kreet die uit het diepste van mijn longen kwam. Met een woeste zwaai smeet ik de zware plaat multiplex van de machine af. Het hout kletterde tegen de stenen muur en spleet in stukken. Ik ramde met mijn vuist op de rode noodstop van de zaag.
De stilte die viel nadat de motor uitliep, was oorverdovend.
Ik zakte in elkaar tegen de gietijzeren poot van de zaagmachine. Mijn borst ging wild op en neer. Het zweet liep over mijn rug, ijskoud onder mijn trui. Ik keek naar mijn handen. Ze waren heel. Geen bloed. Alleen zaagsel en stof.
Ik begon te trillen over mijn hele lichaam. Ik kon niet meer stoppen. De woede sloeg om in een bodemloos verdriet. Ik had gedacht dat ik sterk was. Ik had gedacht dat ik dit kon 'verwerken' zoals je een plank glad schaaft: laagje voor laagje, tot de oneffenheden weg zijn. Maar er viel niets te schaven. De hele plank was verrot tot op de kern.
Ik kon haar niet terughalen. Hoeveel kasten ik ook bouwde, hoeveel nachten ik ook wakker lag, hoe hard ik mezelf ook haatte. Ze lag op de begraafplaats aan de Vorstmanstraat, onder een zerk van grijze natuursteen. Twee meter onder de grond. Koud en voor altijd stil.
Ik bleef uren op die betonnen vloer zitten. De zon schoof over het dakraam en verdween achter de huizen. Het werd donker en koud in de schuur. Ik bewoog niet. Ik dacht aan niets meer. Ik voelde me leeggezogen, alsof iemand een stop uit mijn ziel had getrokken en alles wat me 'Jeroen' maakte was weggestroomd.
Pas rond acht uur ’s avonds stond ik op. Mijn gewrichten kraakten. Ik liep naar het hoekje waar de nieuwe banden nog steeds stonden. Ik pakte een stanleymes van de werkbank, sneed het plastic open en sleepte de twee banden één voor één naar buiten, naar de steeg. Daar zette ik ze bij het grofvuil. Ik kon ze niet meer zien. Maar het weghalen van het rubber haalde de schuld niet weg. Die zat inmiddels in mijn botten gegroeid.
Hoofdstuk 5
Laura en de kledingkast
Twee maanden na het ongeluk stond Laura voor de deur. Laura was de jongere zus van Sanne. Ze leek op haar. Dezelfde donkerbruine ogen, dezelfde manier van haar hoofd een beetje schuin houden als ze luisterde. Elke keer als ik Laura zag, deed het fysiek pijn aan mijn ogen, alsof iemand met een zaklamp in mijn pupillen scheen.
Ze had twee grote kartonnen verhuisdozen bij zich.
'We moeten het doen, Jeroen,' zei ze zacht toen ze de dozen in de gang zette. Ze gaf me een snelle, ongemakkelijke knuffel. 'Mama trekt het niet als die kleren hier over een half jaar nog hangen. En jij gaat eraan onderdoor als je elke dag tegen haar jas aan blijft kijken.'
Ik knikte traag. Ze had gelijk. Het moest gebeuren. Maar het voelde als heiligschennis. Alsof we het laatste bewijs dat Sanne had bestaan, door de papierversnipperaar gingen halen.
We liepen de trap op naar de slaapkamer. De kamer was precies zoals Sanne hem die ochtend in november had achtergelaten. Het dekbed lag netjes rechtgetrokken. Op haar nachtkastje lag een halfgelezen thriller van Saskia Noort met een omgevouwen ezelsoor op bladzijde 142. Een leeg theeglas met een bruin opgedroogd randje onderin.
Laura opende de deuren van de kledingkast. De geur kwam meteen vrij: haar wasmiddel, lavendel, en de geur van haar huid. Laura slikte hoorbaar. Ik zag haar kaken verstrakken.
'Jij pakt de hangers, ik vouw ze op,' zei Laura. Haar stem trilde, maar ze zette door.
We werkten een half uur in stilte. Truien, jurken, broeken. Kledingstukken die ik kende van feestjes, van luie zondagen, van die vakantie naar Frankrijk twee zomers geleden. Elke lap stof had een herinnering. De blauwe linnen jurk: het terras in Sarlat waar we ruzie maakten over de rekening en daarna zo hard moesten lachen dat Sanne haar wijn over haar jurk morste.
Toen pakte Laura een vestje. Een donkergroen wollen vest met houten knopen. Sanne droeg het altijd als ze het koud had op de bank.
Laura drukte het vest tegen haar gezicht en brak. Ze zakte op de rand van ons bed en begon zachtjes te snikken, met haar schouders schokkend naar voren. 'Het is zo oneerlijk, Jeroen,' huilde ze. 'Ze was pas net begonnen met haar nieuwe baan. Ze wilden dit jaar toch nog kijken voor... jullie wilden toch nog naar de dokter voor kinderen? Waarom zij? Waarom op die kloteweg?'
Ik stond met een lege kledinghanger in mijn handen. Het hout voelde glad aan in mijn handpalm. De drang om het uit te schreeuwen werd zo groot dat het mijn keel leek dicht te knijpen. Ik kon het niet meer voor me houden. De leugen vrat me van binnenuit op als termieten in een oud kozijn.
'Laura,' zei ik. Mijn stem klonk hees en schor.
Ze keek op met betraande ogen, haar wangen rood. 'Wat?'
'Het was geen stom toeval,' zei ik. De woorden vielen zwaar, als loden kogels op het tapijt.
'Wat bedoel je?' vroeg ze, en veegde met haar mouw onder haar neus.
'Ze belde me die avond,' zei ik, starend naar de lege kast. 'Vanuit Bodegraven. Ze was bang. Het stormde te hard. Ze vroeg of ik haar wilde ophalen met de bus. Omdat de bus zwaarder is. Omdat ze zich niet veilig voelde in de Polo.'
Laura bleef stil. Ze keek me aan, haar mond half open.
'En ik zei nee,' ging ik verder. Mijn stem begon te breken, maar ik dwong mezelf door te praten. 'Ik zei nee omdat ik lui was. Omdat ik op de bank zat met een pilsje en net mijn schoenen uit had. Ik zei dat ze niet zo dramatisch moest doen. Dat ze gewoon moest rijden.'
Laura liet het vestje langzaam op haar schoot zakken. 'Jeroen...' fluisterde ze.
'En dat is nog niet alles,' zei ik, en de tranen brandden nu achter mijn ogen, heet en zuur. 'De achterbanden van haar auto waren spekglad. Ze had het al twee keer gezegd. Ik had nieuwe banden besteld, ze stonden al weken in de schuur. Ik had ze er alleen maar onder hoeven schroeven. Maar ik had geen zin. Ik had betere dingen te doen. Ze is gaan glijden omdat ik te lui was om twintig bouten los en vast te draaien. Het is mijn schuld, Laura. Als ik haar had opgehaald, of als ik die klootzakkige banden had vervangen, zat ze hier nu nog.'
Het was eruit. De waarheid lag op de slaapkamervloer tussen de kartonnen dozen en de opgevouwen truien.
Ik wachtte op haar woede. Ik hoopte er bijna op. Ik wilde dat ze me zou slaan, dat ze zou schreeuwen dat ik een moordenaar was, dat ze de familie zou inlichten en dat ze me allemaal zouden uitkotsen. Dat zou passend zijn. Dat zou rechtvaardig zijn.
Maar Laura deed niets van dat alles. Ze stond op van het bed. Ze liep naar me toe. Haar gezicht was vertrokken van verdriet, maar haar ogen waren niet woedend. Ze pakte de lege houten hanger uit mijn handen en gooide hem op de grond.
'Denk je echt dat dat helpt?' zei ze fel. Er liepen tranen over haar kin. 'Denk je echt dat Sanne gewild had dat jij jezelf tot levenslang veroordeelt?'
'Het zijn de feiten,' bracht ik uit.
'Nee,' zei Laura, en ze schudde haar hoofd met een woeste ruk. 'Dat zijn geen feiten, Jeroen. Dat is jouw manier om controle te houden over iets wat je niet kunt controleren. Het was een klotenacht. Het weer was een ramp. Je was moe. Duizend mensen zeggen op zo’n avond: "Rijd zelf maar voorzichtig naar huis." En negenduizendnegenhonderd keer gaat het goed. Bij haar ging het mis. Dat is geen moord. Dat is domme, afschuwelijke, oneerlijke pech.'
'Maar die banden...' hikte ik.
'Ja, die banden had je moeten wisselen!' schreeuwde ze ineens, en even zag ik de woede toch oplaaien. 'Natuurlijk had je dat moeten doen! Sanne vergat ook weleens wat. Ik vergeet mijn auto naar de keuring te brengen. We doen allemaal maar wat, Jeroen! Maar als jij nu net doet alsof jij haar dood hebt gewild, dan maak je haar dood nog zinlozer dan hij al is. En dat pik ik niet van je.'
Ze greep mijn schouders vast. Haar vingers knepen hard door mijn overhemd heen. We huilden samen, midden in die halflege slaapkamer, tussen de kleren van de vrouw die we allebei misten. Het veranderde niets aan de werkelijkheid. De pijn werd er geen greintje minder om. Maar het monster in mijn hoofd, dat monster dat fluisterde dat ik een beul was, werd voor het eerst even het zwijgen opgelegd.
Hoofdstuk 6
Hectometerpaal 24,8
In maart, vier maanden na die bewuste nacht, reed ik voor het eerst zelf over de N207.
Ik had die weg al die tijd vermeden. Als ik naar Alphen aan den Rijn of Leiden moest voor een klus, reed ik dertig kilometer om via de A12 en de A4. Alles om maar niet over dat lange, kaarsrechte stuk asfalt langs de polder te hoeven rijden.
Het was een zaterdagmiddag. Droog weer, bleke zon, een koude oostenwind die het gras in de berm deed buigen. Ik reed in mijn eigen werkbus. Mijn handen klemden om het stuur tot mijn knokkels wit zagen. Mijn hart bonsde in mijn keel, zo hard dat het pijn deed bij elke slag.
Ik wist precies waar het was. Hectometerpaal 24,8.
Toen ik het groene bordje in de berm zag naderen, trapte ik op de rem en zette de bus op de vluchtstrook. Ik zette de alarmlichten aan. Tik-tak, tik-tak. Het dashboard knipperde oranje.
Ik stapte uit. De wind sneed meteen door mijn spijkerjasje heen. Voorbijrazende auto’s veroorzaakten luchtwervelingen die aan mijn kleren rukten. Niemand minderde vaart. Voor de rest van de wereld was dit gewoon een provinciale weg tussen Gouda en Waddinxveen, een plek waar je tachtig mocht en waar je vooral snel voorbij wilde.
Ik liep over het natte gras van de berm naar de bomenrij. Het waren oude, dikke populieren met knoestige schors.
Bij paal 24,8 hoefde ik niet te zoeken. De boom liet het litteken duidelijk zien.
Op ongeveer een meter hoogte was een enorme hap uit de donkere schors geslagen. Het hout eronder was geelwit, beschadigd, maar alweer bezig met dichtgroeien. Tussen de boomschors zaten nog steeds kleine stukjes rood plastic geklemd. Rood metallic lak. Het achterlicht van de Polo.
Er lag een verregend bosje bloemen onderaan de stam, achtergelaten door vriendinnen van Sanne, twee maanden geleden. De stelen waren zwart en slijmerig geworden.
Ik ging op mijn hurken voor de boom zitten. Ik raakte het litteken in het hout aan met mijn vingertoppen. Mijn vakmansoog zag meteen hoeveel kracht hierop had gestaan. Hout geeft mee, maar staal breekt en buigt. Een auto die met tachtig kilometer per uur zijwaarts tegen zo’n massieve stam klapt, heeft geen schijn van kans.
'Dag San,' zei ik hardop. De wind blies mijn woorden meteen weg over de lege weilanden.
Ik had verwacht dat ik hier zou instorten. Dat ik opnieuw zou overgeven van ellende, of dat ik op mijn knieën zou smeken om vergiffenis. Maar er gebeurde niets van dat alles. Er kwam geen openbaring. De lucht scheurde niet open. Er daalde geen warme rust over me neer.
Er was alleen deze boom. Dit stomme stuk hout dat toevallig al vijftig jaar op deze plek stond te groeien. En dit stuk asfalt waar water op had gestaan. En mijn eigen herinnering aan een kort telefoongesprek waarin ik had gezegd dat ik kapot was.
Ik liet mijn hand van de schors glijden. Ik realiseerde me iets wat me bijna de adem benam: de natuur geeft niets om ons. De regen gaf er niets om dat Sanne bang was. De boom gaf er niets om dat ze een goed mens was, een dochter, een zus, mijn vrouw. En de wereld ging gewoon door, of ik nou kapotging van schuld of niet.
Het schuldgevoel was er nog steeds. Het zou nooit meer weggaan. Ik zou tot mijn tachtigste blijven denken: *Had ik nou maar 'ja' gezegd.* Dat was het vonnis dat ik mezelf had opgelegd, en geen enkele therapeut of troostend woord van Laura kon dat wegnemen.
Maar ik zag nu ook iets anders: het schuldgevoel hield me bezig, zodat ik het echte verdriet niet ten volle hoefde te voelen. Want zolang ik boos was op mezelf, zolang ik mezelf de schuld gaf van haar dood, had ik nog een rol in het verhaal. Alsof ik de regisseur was van een tragedie. Als ik de schuldige was, had het tenminste nog íéts met mij te maken.
De bittere waarheid was veel simpeler en veel wreder: ik had geen controle gehad. Ik was gewoon een luie vent geweest die op de bank bleef zitten, en zij had pech gehad. Verschrikkelijke, fatale pech.
Ik trok het bosje verrotte bloemen uit het gras en gooide het in een plastic zakje dat ik uit de bus had meegenomen. Ik veegde de aarde van mijn knieën.
'Het spijt me, San,' zei ik tegen de boom. 'Het spijt me dat ik niet ben gekomen. Maar ik kan het niet meer overdoen.'
Ik liep terug naar de bus. Een vrachtwagen denderde voorbij en toeterde luid omdat ik te dicht langs de witte lijn liep. Ik stapte in, sloeg het portier dicht en draaide de sleutel om. De motor sloeg aan. Ik keek in mijn spiegels, gaf richting aan en voegde in tussen het verkeer.
Hoofdstuk 7
Het hout en de stilte
Het is nu bijna een jaar later. Het is weer herfst. De bladeren van de bomen langs de grachten in Gouda kleuren geel en bruin. Als ik ’s ochtends vroeg naar mijn werkplaats fiets, ruikt de lucht naar vochtige aarde, rook uit schoorstenen en naderende kou.
Wie ben ik zonder jou?
Die vraag spookte het eerste halfjaar dag en nacht door mijn hoofd. Veertien jaar lang was mijn antwoord op de vraag wie ik was simpel geweest: ik ben Jeroen, de man van Sanne. De man die de meubels maakt terwijl zij de administratie deed en ervoor zorgde dat er planten in huis stonden die niet doodgingen. Wij waren een eenheid. Een tandem. Als de één stopte met trappen, trapte de ander door.
En toen trapte zij ineens niet meer. De fiets viel om. En ik bleef liggen in het grind.
Nu, na een jaar, begin ik langzaam te ontdekken wie die overgebleven helft is. Hij is stiller dan vroeger. Hij lacht minder snel om flauwe grappen. Hij heeft meer rimpels rond zijn ogen en zijn slaappatroon is voorgoed naar de knoppen; om vijf uur ’s ochtends ben ik steevast wakker. Maar hij ademt nog wel.
Ik werk weer volop. De schuur is weer warm. De geur van houtstof hangt er weer als een vertrouwde deken. Vorige week heb ik een grote eettafel afgeleverd bij een jong gezin in Bloemendaal. Drie kleine kinderen die met hun handjes over het pas gelakte blad wreven en gilden van plezier.
'Meneer Van Dijk, hij is prachtig,' zei de moeder met een grote glimlach. 'Hier gaan we jaren aan eten.'
Ik knikte en slikte een brok in mijn keel weg. 'Ja,' zei ik. 'Hij kan tegen een stootje. Daar is hij voor gemaakt.'
Vroeger zou ik zo’n compliment hebben weggewuifd. Nu voelde ik het diep vanbinnen. Het maken van dingen, het creëren van iets stevigs uit een ruwe plank, is mijn reddingsboei gebleken. Je kunt de wereld om je heen niet sturen, maar je kunt wel zorgen dat de verbinding die je vandaag maakt, kaarsrecht en oersterk is.
Thuis is het huis veranderd. De dozen van Laura zijn naar het Leger des Heils gegaan. Haar rode jas hangt niet meer aan de kapstok. Ik heb de woonkamer gewit. Niet om haar uit te wissen, maar omdat de muren grauw waren geworden van de stilte. Er staat een foto van haar op het dressoir. Geen staatsieportret van de uitvaart, maar een snapshot dat ik van haar maakte op Terschelling: haren in de war door de zeewind, een scheve grijns, een zonnebril op haar hoofd.
Soms betrap ik mezelf erop dat ik hardop tegen haar praat. Als de koffiebonen op zijn: 'San, we hebben geen koffie meer.' En dan glimlach ik even om mijn eigen idiotie.
Het schuldgevoel is niet verdwenen. Het is veranderd van vorm. In het begin was het een scherpe pianosnaar die strak om mijn keel zat en bij elke ademhaling dieper in mijn vlees sneed. Nu is het een zware kiezelsteen geworden. Een steen die ik in mijn broekzak draag. Soms voel ik hem de hele dag niet. En dan ineens, als ik mijn sleutels pak of mijn hand in mijn zak steek, stoot ik ertegenaan. Koud, hard, onverwoestbaar.
Ik zal die steen mijn hele leven bij me houden. Ik kan hem niet weggooien, want hij hoort bij wat er is gebeurd. Hij herinnert me eraan dat keuzes gevolgen hebben, maar ook dat we kwetsbaar zijn op een manier die geen mens kan repareren.
Vanavond regent het weer. De druppels tikken tegen de ruiten van de Vossenburchkade. De wind jaagt door de straat.
Ik zit aan de tafel die ik ooit met haar schuurde. Geen televisie aan, geen radio. Ik drink een beker hete thee. Ik kijk naar de lege stoel tegenover me. Het gemis scheurt niet meer door me heen als een cirkelzaag; het zeurt als een oude botbreuk wanneer het koud wordt.
Wie ben ik zonder jou?
Ik ben Jeroen. Ik ben meubelmaker. Ik ben de man die te laat was, de man die fouten maakte, de man die achterbleef. Maar ik ben er nog. En voor nu, op deze natte dinsdagavond in november, is dat het enige eerlijke antwoord dat ik kan geven.