Identiteit en zelfacceptatie
Wie ben ik als niemand kijkt?
Hoofdstuk 1
De kameleon
Mijn naam is Dennis. Ik ben vierendertig jaar en ik woon in Deventer. Als mensen mij vragen wat ik doe, zeg ik altijd met een strakke glimlach: schade-expert bij een grote verzekeraar. Klinkt zakelijk. Klinkt alsof ik alles onder controle heb. Ik bekijk de deuken in auto’s, de scheuren in muren na een lekkage, en ik bepaal wat het waard is. Ik ben er goed in. Waarom? Omdat ik precies weet wat mensen willen horen. Ik weet wanneer een boze man gerustgesteld moet worden en wanneer een bange vrouw een grapje nodig heeft. Ik pas me aan. Ik ben een spiegel.
Het was een dinsdagavond in november toen het masker voor het eerst scheurde. Buiten regende het zachtjes, van die miezer die overal tussendoor kruipt. Ik kwam thuis van een inspectie in Zwolle. Mijn sleutel draaide soepel in het slot van mijn voordeur aan de Boxbergerweg. Een mooi jaren-dertig-huis. Houten vloer, strakke witte muren, een dure bank in een neutrale grijze tint. Als je mijn woonkamer binnenstapte, zag je een foto uit een woonmagazine. Je zag alleen niets van mij.
Ik deed de deur dicht. De klik van het slot klonk dof. En ineens was het stil. Doodstil.
Ik bleef in de gang staan, met mijn natte jas nog aan en mijn leren aktetas in mijn hand. Mijn schouders, die ik de hele dag hoog had gehouden om zelfverzekerd te lijken, zakten met een schok naar beneden. Mijn rug deed zeer. Mijn kaken deden zeer van het glimlachen naar de zoveelste klant die kwaad was over een eigen risico van honderdvijftig euro. Ik had geknikt. Ik had gezegd: ‘Ik begrijp u volkomen, meneer De Jong. We gaan dit netjes oplossen.’
Maar ik begreep er niets van. Het kon me op dat moment helemaal niets schelen.
In de gang hing een grote spiegel met een zwarte stalen rand. Mijn ex, Sanne, had die twee jaar geleden uitgezocht voor ze haar koffers pakte. Ik keek erin. Mijn haar zat nog netjes in model dankzij een lik goedkope gel. Mijn blauwe overhemd zat strak in mijn pantalon. Maar mijn ogen stonden leeg. Niet verdrietig, niet boos, maar gewoon leeg. Alsof er niemand thuis was achter die pupillen.
‘Wie ben jij eigenlijk?’ zei ik hardop.
Mijn eigen stem klonk vreemd in de gang. Hol. Alsof ik luisterde naar een bandopname van een vreemde. Ik liet mijn tas op de grond vallen. Hij plofte zwaar neer op de deurmat. Mijn telefoon trilde in mijn broekzak. Drie korte trillingen. Een bericht van Mark, een vriend van de voetbalclub.
*Kom je zo nog even naar het clubhuis? Biertje doen, Ajax kijken.*
Mijn vingers bewogen automatisch over het scherm. Ik hoefde er niet eens over na te denken. Mijn duim typte:
*Top man, ben er over twintig minuten!*
Ik keek naar het scherm. Mijn duim hing boven de verzendknop. Mijn maag trok samen in een keiharde kramp. Ik wilde helemaal niet naar het clubhuis. Ik haatte voetbal kijken in een luidruchtige kantine waar iedereen schreeuwde tegen een televisiescherm. Ik dronk niet eens graag bier op dinsdagavond. Ik wilde gewoon op de grond gaan zitten met mijn rug tegen de radiator en mijn ogen dichtdoen.
En toch verstuurde ik het bericht. De blauwe vinkjes verschenen bijna direct.
Dat was mijn leven. Een aaneenschakeling van automatische reacties. Ik was de vriend die altijd meeging, de collega die altijd overwerkte, de zoon die elke zondag keurig om elf uur zijn moeder belde. Iedereen vond Dennis een geweldige vent. ‘Zo lekker sociaal,’ zeiden ze. ‘Dennis is altijd vrolijk.’
Ik liep naar de keuken, dronk een glas kraanwater leeg en veegde mijn mond af met de rug van mijn hand. Mijn handen trilden lichtjes. Ik voelde een druk op mijn borst, alsof er een zware zandzak op mijn ribben lag. Ik trok mijn natte jas weer recht, pakte mijn autosleutels van het haakje en liep de deur uit, de regen weer in. Naar de club. Naar het publiek dat op me wachtte.
Hoofdstuk 2
De glimlach die pijn doet
In de kantine rook het naar oud frituurvet en natte jassen. Er hingen felle tl-buizen aan het plafond die elk rimpeltje in ieders gezicht genadeloos lieten zien. Aan de bar stonden de mannen al. Mark, Jeroen en Bas. Ze lachten luid om een grap die ik net gemist had.
‘Daar is onze man!’ riep Mark toen hij me zag. Hij sloeg me hard op mijn schouder. Te hard. Het deed pijn door mijn jas heen, maar ik lachte direct. Een brede, open lach. Mijn tanden bloot, mijn ogen een beetje samengeknepen. De lach die ik al vijftien jaar perfectioneerde.
‘Biertje, Den?’ vroeg Bas al, terwijl hij naar de barman knikte.
‘Lekker, doe maar,’ zei ik. Mijn stem klonk opgewekt. Geen spoor van de vermoeidheid die als lood in mijn benen hing.
Het glas werd voor me neergezet. Een fluitje met een dikke schuimkraag. Ik nam een slok. Het bier was koud en bitter, maar ik deed alsof het het beste was wat ik die dag had geproefd. We keken naar de wedstrijd. Ajax stond met 1-0 achter tegen een club uit Frankrijk. Iedereen vloekte en wees naar het scherm. Mark draaide zich naar me om.
‘Wat vind jij ervan, Dennis? Die wissel was toch volkomen idioot?’
Ik keek naar Mark. Ik wist dat Mark een hekel had aan de trainer. Als ik zou zeggen dat de wissel logisch was, zou er een discussie ontstaan. Een discussie betekende wrijving. En wrijving was gevaarlijk. Wrijving zorgde ervoor dat mensen je lastig vonden, dat ze afstand namen.
‘Totaal idioot,’ zei ik meteen, met precies genoeg verontwaardiging in mijn stem. ‘Hij snapt er echt helemaal niks van. Haalt hij de enige man met diepgang eruit.’
Mark knikte tevreden en sloeg weer op de bar. ‘Zie je wel! Dat zeg ik toch!’
Ik voelde me misselijk worden. Ik wist helemaal niets van die wissel. Het kon me werkelijk geen reet schelen of Ajax won of verloor. Maar ik had weer een puntje gescoord. Ik hoorde er weer bij. Ik was weer de betrouwbare bondgenoot.
Na de wedstrijd bleven we hangen. Het werd één bier, twee bier, vier bier. Bij het vijfde biertje begon Jeroen over zijn relatie. Het liep niet lekker met Sophie. Ze praatten niet meer. Ze sliepen met hun ruggen naar elkaar toe.
‘Wat moet ik nou, Dennis?’ vroeg Jeroen. Hij keek me aan met waterige ogen. Hij zocht steun bij mij, want Dennis wist altijd raad. Dennis was zo begripvol.
Ik legde een hand op zijn arm. ‘Je moet haar de tijd geven, Jer. Ze heeft het druk op haar werk. Verras haar eens met iets kleins. Een bos bloemen, gewoon zomaar. Laat zien dat je haar ziet.’
De woorden rolden mijn mond uit als een vooraf opgenomen cassettebandje. Het klonk warm. Het klonk wijs. Maar vanbinnen voelde ik helemaal niets. Het was een trucje. Een toneelstukje dat ik opvoerde om de avond door te komen zonder dat iemand me echt aankeek. Want als iemand me echt aankeek, zouden ze zien dat de acteur aan het instorten was.
Rond middernacht stapte ik op mijn fiets. De regen was opgehouden, maar het asfalt glom zwart in het licht van de lantaarnpalen. Ik fietste langs de IJssel. De rivier stroomde traag en donker voorbij. Ik trapte hard, mijn benen brandden, maar de kou leek niet door te dringen tot mijn huid. Mijn kaken deden pijn. De spieren aan de zijkant van mijn wangen stonden zo strak dat het voelde alsof ze verkrampt waren van het lachen.
Ik stopte even bij de spoorbrug. Ik zette mijn voeten op de grond en leunde over het stuur. Mijn adem wolkte wit in de nachtlucht.
‘Hou op,’ fluisterde ik tegen mezelf. ‘Hou er gewoon mee op.’
Maar waarmee moest ik ophouden? Met aardig zijn? Met leven? Als ik stopte met me aanpassen, wat bleef er dan over? Ik probeerde te bedenken wat ik zélf eigenlijk vond van die voetbalwedstrijd. Niets. Wat vond ik van Jeroen zijn relatie? Geen idee. Wat wilde ik zelf eten morgenavond? Ik wist het niet eens. Als er niemand was om voor te kiezen, bestond mijn smaak simpelweg niet.
Hoofdstuk 3
Vreemden aan tafel
Op zondagmiddag werd er van me verwacht dat ik aanschoof bij mijn ouders in Diepenveen. Dat was al zo sinds ik uit huis was gegaan. Elke zondag, half een, soep met broodjes. Mijn zus Linda was er ook, samen met haar nieuwe vriend, Peter. Peter werkte in de IT en praatte alsof hij elk moment een presentatie aan een raad van bestuur moest geven.
Mijn moeder zette een dampende pan groentesoep op de kurken onderzetter. De geur van selderij en rundergehaktballetjes vulde de kleine keuken. Het rook exact zoals het dertig jaar geleden rook.
‘Dennis, jongen, je ziet zo pips,’ zei mijn moeder terwijl ze een grote scheplepel soep in mijn bord liet glijden. ‘Werk je niet te hard?’
‘Welnee, mam,’ zei ik met mijn meest ontspannen stem. Ik pakte een pistoletje en brak het doormidden. ‘Gewoon druk. Veel schadeclaims na die storm van vorige week. Maar het is leuk werk, je weet toch.’
‘Peter heeft het ook druk,’ zei Linda trots, terwijl ze over de arm van haar vriend streek. ‘Zijn bedrijf groeit zó hard. Ze gaan misschien verhuizen naar een groter kantoorpand in Apeldoorn.’
‘Mooi man,’ zei ik tegen Peter. Ik keek hem recht aan en knikte bewonderend. ‘Knap hoor, in deze markt.’
Peter begon te vertellen over marges, servers en personeelstekorten. Ik knikte op de juiste momenten. Ik zei ‘goh’ en ‘wat een stap’. Mijn vader zat aan het hoofdeind van de tafel en at zwijgend zijn soep. Hij keek af en toe naar mij. Mijn vader was een man van weinig woorden, een gepensioneerde timmerman met eeltige handen. Hij had altijd gezien wanneer een plank scheef was, maar hij had nooit geleerd om te praten over dingen die niet recht waren in je hoofd.
‘En jij, Dennis?’ vroeg Peter plotseling, terwijl hij een hap van zijn broodje kaas nam. ‘Nog aan het daten? Of bevalt het vrijgezellenbestaan nog wel?’
Er viel een korte stilte aan tafel. Mijn moeder stopte met kauwen. Mijn zus keek me nieuwsgierig aan. Ze wilden allemaal dat ik weer iemand vond. Sanne was al twee jaar weg. Ze wilden dat het plaatje weer compleet was.
‘Het bevalt prima,’ zei ik lachend. ‘Lekker rustig. Ik heb alle tijd voor mijn eigen dingen.’
‘Welke eigen dingen dan?’ vroeg Linda plagend.
De vraag trof me als een stomp in mijn maag. Het was een simpele vraag. Een normale vraag tussen broer en zus. Maar mijn hersenen blokkeerden volledig. Mijn vork bleef halverwege mijn bord en mijn mond hangen. Welke eigen dingen?
Ik las geen boeken meer. Ik luisterde naar de muziek die op de radio voorbijkwam, zonder voorkeur. Ik had mijn racefiets al maanden niet aangeraakt omdat niemand me had gevraagd om mee te gaan. Ik keek series op Netflix die me werden aangeraden door collega’s, puur om mee te kunnen praten bij het koffiezetapparaat.
‘Nou,’ stamelde ik, en voor het eerst in jaren haperde mijn stem. ‘Gewoon. Een beetje klussen in huis. Hardlopen.’
Ik had nog nooit in mijn leven hardgelopen.
Linda keek me even vreemd aan. Peter ging alweer verder met zijn verhaal over cloudoplossingen. De spanning gleed weg van de tafel, maar bij mij bleef het gif achter. Mijn hart bonkte hard in mijn keel. Ik keek naar de mensen aan de tafel. Mijn eigen vlees en bloed. Mijn moeder die zich zorgen maakte om mijn vitamine-inname. Mijn vader die zwijgend zijn broodkorst opat. Mijn zus die gelukkig probeerde te zijn. En ik zat ertussen als een spion in vijandelijk gebied. Een vreemde die de taal sprak, die de gewoontes kende, maar die hier eigenlijk helemaal niet thuishoorde.
‘Ik moet zo weg,’ zei ik plotseling, midden in een zin van Peter.
Peter stopte met praten. Mijn moeder keek op. ‘Nu al? Ik heb appeltaart gemaakt, Dennis. Warme appeltaart met slagroom.’
‘Sorry mam,’ zei ik. De glimlach zat er weer, maar hij voelde scheef, alsof mijn gezicht niet meer meewerkte. ‘Ik ben vergeten dat ik om half drie nog een afspraak heb met een klant. Een spoedgeval. Brandschade.’
Het was een leugen. Een keiharde, schaamteloze leugen op de zondagmiddag. Mijn moeder keek teleurgesteld, maar knikte gelaten. ‘Werk gaat voor, hè jongen. Maar neem een stuk mee voor vanavond.’
Ze pakte een stuk taart in aluminiumfolie. Ik nam het van haar aan alsof het een doos dynamiet was. Buiten, bij mijn auto, gooide ik het zilveren pakje op de bijrijdersstoel. Ik stapte in, sloot de deuren en liet mijn voorhoofd op het stuur rusten. Mijn ademhaling ging veel te snel. De geur van warme kaneel vulde de auto en maakte me intens misselijk.
Hoofdstuk 4
Het breekpunt in de gang
Het gebeurde op een donderdag, twee weken later. Het was niet eens een bijzondere dag. Geen grote ruzie, geen slecht nieuws van een arts, geen ontslagbrief. Het was simpelweg de druppel die de emmer deed overlopen, en die druppel heette Thuisbezorgd.
Ik was om half zeven thuisgekomen. De dag was een aaneenschakeling geweest van brandjes blussen. Een aannemer die had gefraudeerd met facturen. Een vrouw die huilend aan mijn bureau had gezeten omdat haar hele kelder onder het rioolwater stond. Ik had geluisterd, getroost, gecorrigeerd, geregeld. Ik had acht uur lang precies de Dennis gespeeld die iedereen nodig had.
Nu zat ik op mijn grijze bank. De tv stond aan op een willekeurige zender, het geluid gedempt. Mijn maag knorde luid. Ik had sinds de ochtend niets meer gegeten behalve twee droge biscuitjes bij een klant.
Ik opende de app op mijn telefoon om eten te bestellen. Sushi? Nee, sushi at ik alleen met Sanne. Pizza? Pizza at ik met de jongens van het voetbal. Thais? Dat bestelde ik als Mark bleef eten. Ik scrolde door de lijst met restaurants. Italiaans, Indiaas, burgers, stamppot, pokébowls.
Ik scrolde en scrolde. De minuten tikten weg. Tien minuten. Twintig minuten.
Mijn vinger veegde over het scherm tot mijn scherm warm werd van de wrijving. Een golf van pure paniek sloeg vanuit mijn buik omhoog naar mijn borst. Het was een fysieke klap. Mijn keel kneep dicht.
*Wat wil ik?*
Ik wist het niet. Ik wist werkelijk niet wat ik lekker vond. Als ik nu een pizza bestelde, deed ik dat dan voor mezelf, of omdat ik dacht dat een man van mijn leeftijd pizza hoorde te eten op donderdagavond? Hield ik eigenlijk wel van sushi? Vond ik die rauwe vis echt lekker, of had ik mezelf dat vijf jaar lang wijsgemaakt om een interessante partner te zijn voor een vrouw die van hip eten hield?
De telefoon begon zwaar te wegen in mijn hand. Het apparaat leek wel honderd kilo. Mijn ademhaling haperde. Ik liet de telefoon vallen op het tapijt. Hij landde met het scherm naar boven, het felle blauwe licht scheen tegen het plafond.
Ik stond op. Mijn benen voelden slap, alsof ze van rubber waren. Ik liep naar de gang. Waarom naar de gang? Ik had geen idee. Ik wilde weg. Weg uit de kamer, weg van het scherm, weg van mezelf.
In de gang keek ik weer in die verdomde spiegel. Mijn gezicht zag er grauw uit. Er zat geen glimlach meer op. Mijn mondhoeken hingen naar beneden. Mijn ogen waren donkere kassen.
‘Kies dan,’ zei ik tegen de spiegel. Mijn stem trilde. ‘Kies gewoon wat te eten, klootzak.’
Er kwam geen antwoord. Alleen het suizen van de wind tegen de voordeur. En toen knapte er iets. Het was geen knal, maar een zacht, droog scheuren diep in mijn binnenste. Alsof een strakgespannen elastiekje het eindelijk begaf.
Mijn knieën bogen door. Ik probeerde me vast te grijpen aan het schoenenrek, maar ik greep mis. Mijn hand veegde een paar schoenen omver. Met een doffe klap kwam ik op de houten vloer terecht, met mijn rug tegen de voordeur.
Ik begon te huilen. Niet zachtjes, niet beheerst. Het was een lelijk, rauw geluid dat uit mijn tenen leek te komen. Ik trok mijn knieën op tegen mijn borst en sloeg mijn armen om mijn benen. Tranen brandden over mijn wangen en liepen in mijn mondhoeken. Het smaakte zout en bitter.
Ik huilde niet om een verloren liefde. Ik huilde niet om de dood van een familielid. Ik huilde omdat ik vierendertig jaar oud was, gezond, een goed salaris had, een mooi huis bezat, en toch helemaal niet bestond. Ik was een schim. Een verzameling van andermans meningen, andermans grappen, andermans verlangens. Als je al die laagjes van me afpelde, bleef er niets over. Helemaal niets. Een lege kamer waar de wind doorheen blies.
Ik bleef daar zitten op de koude vloer tot de klok in de woonkamer elf uur sloeg. Mijn kleren waren nat van het zweet en de tranen. Mijn spieren waren stijf van de koude tocht onder de deur door. Mijn telefoon in de kamer trilde nog een paar keer, maar ik bewoog niet. Ik zat in het donker, op de drempel van mijn eigen huis, en voor het eerst in mijn leven probeerde ik niet op te staan.
Hoofdstuk 5
Geen masker meer
De volgende ochtend werd ik wakker op de bank. Ik wist niet eens meer hoe ik van de gang naar de kamer was gekropen. Mijn hoofd voelde zwaar, alsof iemand er een handvol grind in had gegooid. Mijn ogen waren opgezwollen en deden pijn bij het knipperen.
Het was kwart over zeven. Mijn wekker op mijn telefoon ging af. Het irritante, opgewekte deuntje dat me normaal gesproken het bed uit joeg om op tijd bij de eerste klant te zijn.
Ik pakte het toestel. Ik veegde de wekker uit. Mijn vingers waren koud. Er stonden vier gemiste oproepen op mijn scherm. Twee van kantoor, één van Mark, één van mijn moeder. Ik staarde naar de namen. Ze zagen eruit als letters uit een vergeten alfabet.
Ik tikte op het icoontje van kantoor. Mijn chef, Ronald, nam na twee keer overgaan op.
‘Dennis! Waar zit je man? Je had om half acht in Raalte moeten zijn voor die brandschade.’
Normaal gesproken zou ik me duizend keer verontschuldigen. Ik zou een smoes verzinnen over een lekke band, een zieke kat, een stroomstoring. Ik zou beloven dat ik het inhaalde, dat ik vanavond wel zou overwerken om het goed te maken.
Ik haalde adem. De lucht voelde scherp in mijn keel.
‘Ik kom niet, Ronald,’ zei ik. Mijn stem was hees, breekbaar als droog hout.
Het bleef stil aan de andere kant van de lijn. Ronald was dit niet gewend. Dennis zei nooit nee. Dennis loste altijd alles op.
‘Wat bedoel je? Ben je ziek?’ vroeg Ronald, met een ondertoon van lichte irritatie.
‘Ja,’ zei ik. ‘Ik ben ziek.’
‘Wat heb je dan? Griepje? Kun je vanmiddag wel even die rapporten digitaal afhandelen? Het is echt een gekkenhuis hier met die stormschades.’
Daar was de vraag weer. De eis om mezelf weg te cijferen. Even de tanden op elkaar. Even doen wat het bedrijf nodig heeft.
‘Nee,’ zei ik. Het woord voelde vreemd op mijn tong. Alsof ik een steen uitspuugde. ‘Ik kan vandaag helemaal niets doen. En volgende week ook niet.’
‘Nou zeg, Dennis, doe eens rustig. Zo kennen we je helemaal niet. Wat is er aan de hand?’
‘Ik weet het niet,’ zei ik naar waarheid. ‘Maar ik ben er niet.’
Ik verbrak de verbinding voor hij iets terug kon zeggen. Mijn hart bonsde in mijn oren als een drilboor. Mijn handen trilden zo hevig dat ik de telefoon bijna liet vallen. Ik had 'nee' gezegd tegen Ronald. Mijn chef. De man die mijn functioneringsgesprekken deed. De man van wie ik altijd een negen wilde krijgen.
Ik zette mijn telefoon helemaal uit. Het scherm werd zwart. Een dood, glimmend rechthoekje op mijn salontafel.
De stilte die volgde was oorverdovend. Geen mailtjes die binnenkwamen met een pling. Geen WhatsApp-berichten van vrienden over het weekend. Geen telefoontjes van schade-experts die advies wilden. Helemaal niets.
Ik liep naar de keuken. Ik zette een kop koffie. Zwart. Vond ik zwarte koffie eigenlijk wel lekker? Ik nam een slok. Het was heet en bitter. Nee, eigenlijk vond ik het smerig. Ik gooide het door de gootsteen en pakte een glas water. Water smaakte naar niets. Dat paste wel bij me.
Ik liep door mijn huis. Drie verdiepingen. Een logeerkamer met een bed dat nooit beslapen werd. Een werkkamer met mappen vol keurige administratie. Een zolder waar dozen stonden met spullen uit mijn studententijd die ik nooit meer openmaakte.
Ik ging op de grond zitten in het midden van de woonkamer. De gordijnen waren nog dicht. De grijze novemberochtend filterde dof door de stof heen. Er was niemand om tegen te lachen. Niemand om te behagen. Niemand die een mening van me vroeg. Niemand die me aardig hoefde te vinden.
Het was angstaanjagend. Het voelde alsof ik aan de rand van een afgrond zat en naar beneden keek in een peilloze, donkere diepte. Maar tegelijkertijd, ergens heel ver weg onder die angst, voelde ik een minuscuul zuchtje opluchting. De kameleon hoefde even geen kleur te bekennen. Hij mocht gewoon grijs zijn, op een grijze vloer, in een grijs huis.
Hoofdstuk 6
Het eerste eerlijke nee
Vier dagen lang kwam ik mijn huis niet uit. Ik at wat er nog in de vriezer lag: diepvrieserwten met witte rijst. Het smaakte nergens naar, maar het hield me op de been. Ik douchte niet elke dag. Ik schoor me niet. Mijn wangen werden ruw van de stoppels. Ik sliep veel. Twaalf, soms veertien uur per etmaal. Alsof mijn lichaam de vermoeidheid van tien jaar aanpassen in één keer probeerde in te halen.
Op maandagmiddag ging de deurbel. Twee harde, ongeduldige drukken.
Ik schrok op van de bank. Mijn eerste impuls was om me stil te houden. Te doen alsof ik niet thuis was. Maar toen hoorde ik een sleutel in het slot. Sanne had haar sleutel destijds ingeleverd, maar mijn moeder had een reservesleutel. Mijn maag kromp ineen.
De deur zwaaide open. Het was Mark.
‘Dennis?’ riep hij door de gang. ‘Ben je hier? Je moeder belde me helemaal over de rooie omdat je je telefoon al vier dagen uit hebt staan.’
Hij liep de woonkamer binnen en bleef stokstijf staan. Hij zag eruit zoals hij er altijd uitzag: spijkerbroek, gewatteerde jas, sportieve sneakers. Fris geschoren. Klaar voor het leven.
Hij keek naar mij. Naar mijn oude joggingbroek, mijn ongekamde haar, de gordijnen die nog half dicht waren, de stapel afwas op het aanrecht.
‘Jezus man,’ zei Mark zacht. ‘Wat is er met jou aan de hand? Ben je overvallen of zo?’
Ik bleef op de bank zitten. Ik voelde de neiging opkomen om overeind te springen, een grapje te maken over een zware griep, snel de afwas weg te moffelen en koffie aan te bieden. Het script lag alweer klaar in mijn hoofd. *Even lachen, Dennis. Zeg dat het een grapje was. Zeg dat je gewoon even een baaldag had.*
Ik klemde mijn kaken op elkaar tot mijn tanden zeer deden. Ik slikte het script in. Woord voor woord.
‘Nee,’ zei ik. Mijn stem klonk rauw en vreemd in mijn eigen oren.
‘Wat nee?’ Mark deed een stap dichterbij en keek bezorgd. ‘Kerel, je ziet eruit als een zwerver. Ronald heeft me ook al gebeld. Ze maken zich zorgen op je werk. We dachten allemaal dat je in een sloot lag.’
‘Ik lig niet in een sloot,’ zei ik. ‘Ik zit hier.’
‘Ja, dat zie ik. Maar wát doe je hier? Kom op man, trek even wat fatsoenlijks aan. We gaan een rondje lopen langs de kade. Frisse lucht halen. Dan knap je op.’
Hij pakte mijn arm. Zijn greep was stevig, bedoeld als vriendschappelijke aanmoediging. De Dennis van vorige week zou zijn opgestaan, dankbaar geknikt hebben en braaf zijn schoenen hebben aangetrokken om Mark een plezier te doen.
Ik trok mijn arm terug. Niet agressief, maar hard genoeg om zijn hand los te laten schieten.
‘Nee, Mark,’ zei ik.
Mark keek naar zijn eigen hand, alsof die plotseling verbrand was. ‘Wat doe je nou raar? Ik probeer je alleen maar te helpen, gast.’
‘Ik wil geen frisse lucht halen,’ zei ik. Mijn hart klopte in mijn keel, maar ik keek hem recht in zijn ogen. Zonder te knipperen. Zonder te glimlachen. ‘Ik wil hier zitten. Alleen.’
‘Alleen? Je zit hier al vier dagen te rotten in het donker! We hebben vanavond zaalvoetbal. We hebben je nodig in de spits, Patrick heeft zijn enkelbanden gescheurd.’
Daar was het weer. *We hebben je nodig.* Niet omdat ze Dennis wilden zien, maar omdat ze een spits nodig hadden. Omdat ik het gaatje vulde dat iemand anders had achtergelaten.
‘Ik stop met voetbal,’ zei ik.
Mark lachte, een kort, zenuwachtig lachje. ‘Hou toch op man. Je voetbalt al vanaf je zesde. Je vindt het geweldig.’
‘Ik vind het niet geweldig,’ zei ik, en met elk woord dat ik uitsprak voelde het alsof er een loden gewicht van mijn borstkas gleed. ‘Ik vind het vreselijk. Ik haat de kleedkamer. Ik haat het geschreeuw. Ik haat het bier drinken na afloop. Ik doe het alleen maar omdat jij me vijftien jaar geleden meevroeg en ik niet wist hoe ik nee moest zeggen.’
Mark deed een stap naar achteren. De bezorgdheid in zijn ogen maakte plaats voor verwarring, en toen voor irritatie. ‘Nou, bedankt dan. Blijkbaar ben ik al vijftien jaar een klootzak in jouw ogen.’
‘Nee,’ zei ik rustig. ‘Jij bent geen klootzak. Ik ben degene die loog. Ik loog over wie ik was. Maar ik stop ermee. Alsjeblieft, geef die sleutel terug en ga weg.’
Mark staarde me aan. Een paar lange seconden was het doodstil in de kamer. Ik zag zijn ademhaling versnellen. Hij legde de sleutel op de rand van de eettafel met een venijnig tikje.
‘Succes ermee dan, Dennis,’ zei hij bitter. ‘Zoek het lekker zelf uit.’
Hij draaide zich om en beende de gang door. De voordeur viel met een harde klap dicht.
Ik bleef zitten. De afwijzing hing als een koude mist in de kamer. Hij vond me niet meer aardig. Hij was boos. Misschien sprak hij me nooit meer aan. De oerangst die me mijn hele leven had geregeerd – de angst om verlaten te worden als ik niet precies deed wat men wilde – spoelde over me heen.
Maar ik ging niet dood. Mijn hart klopte nog steeds. Mijn longen haalden adem. Het plafond stortte niet in. Ik was alleen, in een rommelige kamer, maar voor het eerst in mijn hele leven had ik iets gezegd dat honderd procent waar was.
Hoofdstuk 7
Gewoon Dennis
Het is nu acht maanden later. Het is een zaterdagmiddag in juni. De zon staat hoog boven de IJssel en het licht valt in brede banen door de ramen van mijn woonkamer.
Er is veel veranderd, en tegelijkertijd bijna niets. Ik woon nog steeds in hetzelfde huis aan de Boxbergerweg. Ik werk nog steeds bij dezelfde verzekeraar, maar ik werk nu vier dagen in plaats van vijf, en ik doe alleen nog maar binnendienst. Geen keukentafelgesprekken meer waarbij ik moet schipperen tussen het belang van de baas en het verdriet van de klant. Gewoon cijfers, rapporten, feiten. Het betaalt minder, maar het kost me mijn ziel niet meer.
Mark spreek ik niet meer. We kwamen elkaar twee maanden geleden tegen bij de Albert Heijn op de Brinkgreverweg. Hij keek naar een schap met pastasaus toen ik langsliep. Onze ogen kruisten elkaar. Hij knikte kort, strak. Ik knikte terug. We zeiden niets. Geen ‘hé man’, geen ‘hoe is het’. Het deed pijn, een doffe steek ergens onder mijn ribben. Maar het was een eerlijke pijn. Geen neppe vriendschap die overeind werd gehouden door mijn toneelspel.
Met mijn moeder was het moeilijker. Er zijn heel wat tranen gevloeid aan haar keukentafel in Diepenveen. De eerste keer dat ik zei dat ik geen zin had in soep en niet kwam, dacht ze dat ik een depressie had. Misschien had ik dat ook wel. Maar toen ik haar eindelijk uitlegde – stamelend, zoekend naar woorden die ik nooit eerder had gebruikt – dat ik mezelf kwijt was geraakt, hield ze mijn hand vast. Ze begreep het niet helemaal. Voor haar generatie was 'gewoon doorgaan' de enige therapie. Maar ze kookt nu geen soep meer als ik kom. We drinken koffie, en als ik na een uur weg wil, zeg ik dat. En zij laat me gaan.
Ik ben niet plotseling een zelfverzekerde man geworden die precies weet wat hij wil van het leven. Ik heb geen verlichte inzichten gekregen. Er zijn nog steeds dagen dat ik in de supermarkt sta en minutenlang twijfel over welke jam ik moet kopen, simpelweg omdat ik niet weet wat mijn eigen smaak is. De oude neiging om te scannen wat de caissière van me vindt, of om overdreven vriendelijk te lachen naar de buurman als hij klaagt over de heg, steekt nog dagelijks de kop op. Het automatisme zit diep. Het is een spoor dat dertig jaar lang is uitgesleten in mijn hersenen.
Maar het verschil is: ik zie het nu.
Als ik voel dat mijn mondhoeken omhoog willen schieten in die gemaakte, onderdanige lach, hou ik ze tegen. Ik laat mijn gezicht zakken. Neutraal. Ernstig, als het zo voelt. Ik hoef niemand te vermaken.
Vanochtend heb ik de grote spiegel in de gang van de muur gehaald. Het stalen gevaarte dat Sanne had uitgezocht. Ik heb hem naar de zolder gebracht en tegen de muur gezet, met het spiegelende glas naar de houten planken toe gekeerd.
In plaats daarvan hangt er nu een simpele houten kapstok. Er hangt één jas aan. Een donkergroene jas. Ik kocht hem drie weken geleden in een winkel in Arnhem. De verkoper zei dat blauw me beter stond. Hij zei dat blauw zakelijker was, moderner. Ik keek naar de blauwe jas, en ik keek naar de groene.
‘Ik neem de groene,’ zei ik tegen de man.
Hij keek me even verbaasd aan, haalde zijn schouders op en liep naar de kassa.
Het was een overwinning van niets. Een jas kopen die een ander niet mooi vindt. Maar voor mij voelde het alsof ik een vlag op de top van een berg plantte.
Ik loop naar de keuken en zet een kop thee. K建设kamille. Dat vind ik wél lekker, heb ik ontdekt. Het smaakt zacht en een beetje saai, maar het is van mij. Ik ga aan de keukentafel zitten. Er staat geen radio aan. Er is geen televisie die flikkert op de achtergrond. De kamer is stil. Buiten rijdt een fietser voorbij, het getik van de ketting is even hoorbaar en sterft dan weg.
Ik adem in. Ik adem uit.
Er kijkt niemand naar me. Er is niemand die me beoordeelt, niemand die iets van me verwacht, niemand voor wie ik de clown, de redder of de vriendelijke buurman hoef te zijn. Ik ben hier gewoon. Dennis. Vierendertig jaar. Een man die nog moet leren wat hij van de wereld vindt, maar die eindelijk is gestopt met doen alsof hij het al wist.
Het is stil in huis. En voor het eerst in mijn leven is die stilte niet leeg, maar vol.