Verlies en rouw
Wat blijft, is liefde
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
Het telefoontje in de modder
Mijn knieën stonden in de koude klei. Het was een dinsdag in november, rond een uur of twee. Ik snoeide een verwilderde beukenhaag in een nieuwbouwwijk in Colmschate, net buiten Deventer. De regen hing als een koude nevel tussen de huizen. Mijn werkhandschoenen waren doorweekt en mijn vingers deden zeer van het vocht. Mijn naam is Dennis van Leeuwen. Ik ben achtendertig jaar oud en ik werk als hovenier. Gewoon, met mijn handen in de aarde, bomen planten, tegels leggen en tuinen netjes maken. Het is simpel werk, maar ik hield ervan. Je ziet tenminste direct wat je die dag hebt gedaan.
In mijn jaszak trilde mijn telefoon. Ik veegde met de achterkant van mijn pols het zweet en de motregen van mijn voorhoofd. Op het schermpje zag ik de naam van Marit staan. Mijn vrouw. We waren toen negen jaar getrouwd. Ze werkte parttime op de administratie van een transportbedrijf bij de haven. Normaal gesproken belde ze me nooit onder werktijd, behalve als er een pakketje was bezorgd of als ze wilde vragen wat we gingen eten.
"Hé schat," zei ik. Mijn stem klonk schor van de buitenlucht.
Aan de andere kant van de lijn hoorde ik geen vrolijke begroeting. Ik hoorde een snel, piepend ademhalen. Alsof ze net een sprint had getrokken, maar dan zwaarder. Een naar, hol geluid.
"Dennis," bracht ze uit. Haar stem trilde. "Je moet naar huis komen. Nu."
De snoeischaar gleed uit mijn hand en viel dof op het natte gras. "Wat is er? Wat voel je?"
"Pijn," zei ze. Ze snakte naar lucht. "In mijn borst. Tussen mijn schouderbladen. Ik krijg... ik krijg bijna geen lucht meer, Dennis. Ik lig op de keukenvloer."
"Heb je 112 gebeld?"
"Nee. Ik kon alleen jou..."
"Ik hang nu op en bel een ambulance," schreeuwde ik bijna. "Ik kom eraan. Blijf liggen. Niet bewegen."
Ik gooide mijn gereedschap achter in de laadbak van mijn witte caddy. De achterdeuren sloegen met een harde klap dicht. Mijn handen trilden zo erg dat ik de contactsleutel twee keer liet vallen op de rubberen vloermat. Terwijl de motor aansloeg, belde ik de meldkamer. De vrouw aan de lijn stelde rustige, zakelijke vragen. Waar woont u? Is ze aanspreekbaar? Heeft ze pijn die uitstraalt naar haar arm? Ik gaf antwoord op de automatische piloot, terwijl ik met zeventig kilometer per uur door de bebouwde kom reed. De ruitenwissers piepten ritmisch over de voorruit. Het leek minutenlang te duren voor elk verkeerslicht op groen sprong.
Toen ik onze straat inreed, zag ik de blauwe zwaailichten al reflecteren tegen de natte bakstenen van de rijtjeshuizen. De voordeur stond wagenwijd open. De tocht waaide de warmte van de gang naar buiten. Twee ambulancebroeders knielden op de houten vloer van de woonkamer, tussen de salontafel en de bank in. Marit lag op haar zij. Haar gezicht was grauw, bijna asgrijs. Haar lippen hadden een vreemde, blauwe rand. Ze had haar wollen sokken nog aan, die met de rode strepen die ze altijd binnenshuis droeg tegen haar koude voeten.
Een van de broeders keek op toen ik binnenstormde. "U bent de partner? Rustig blijven meneer. Geef ons even de ruimte."
Ik bleef stokstijf staan bij de kapstok. De geur van haar sjaal hing er nog: lavendelwasmiddel en regen. Ik voelde me gigantisch en lomp in mijn modderige werkbroek en zware werkschoenen. Ik hoorde apparaten piepen. Ze plakten ronde stickers op haar borstkas. Draden liepen naar een grijze koffer op wieltjes. Marit keek me aan. Haar ogen waren groot en donker van angst. Ze probeerde iets te zeggen, maar het zuurstofmasker over haar neus en mond besloeg direct.
Ik stapte naar voren, zakte door mijn knieën en pakte haar hand. Haar vingers voelden klam en ijskoud. "Ik ben hier," zei ik. Het was het enige wat ik kon bedenken. Het klonk stom en machteloos, maar ik bleef het herhalen. "Ik ben hier, Marit. Ik ben bij je."
Twintig minuten later reden we met sirenes over de Deventer ringweg naar het ziekenhuis. Ik zat voorin naast de chauffeur. Hij zei niks, hield zijn ogen strak op het natte asfalt gericht. Achterin hoorde ik de andere broeder praten tegen Marit, met een rustige, bijna eentonige stem. Ik keek naar mijn eigen nagels. Er zat nog zwarte tuinaarde onder. Die ochtend hadden we nog ruzie gemaakt over wie het vuilnis buiten zou zetten. Ik had mijn koffie te snel opgedronken en was weggegaan zonder haar een kus te geven. Die gedachte sneed dwars door mijn maag heen, scherper dan het koudste snoeimes.
Hoofdstuk 2
De geur van ziekenhuislinnen
De eerste week in het ziekenhuis leek wel een slechte droom waarin alles te snel en tegelijkertijd tergend langzaam ging. Witte gangen, piepende deuren en artsen die met ernstige blikken papieren dossiers vasthielden. Ze dachten eerst aan een zware longembolie. Een bloedprop die vastzat. Dat gaf me hoop; een propje kun je oplossen met medicijnen. Maar de scans vertelden een heel ander verhaal. Een hard, meedogenloos verhaal.
We zaten in een klein kamertje zonder ramen. De dokter, een man van achter in de vijftig met een kalend hoofd en een zachte stem, vouwde zijn handen op het bureau. Hij keek ons om de beurt aan. "Mevrouw Van Leeuwen, meneer. De uitslagen van de biopten zijn binnen. Het is geen embolie. Het is een zeldzame, zeer agressieve vorm van bindweefselkanker. Het zit in uw borstholte en het drukt tegen uw longen en grote bloedvaten."
Marit hield mijn hand vast. Haar greep werd zo hard dat mijn knokkels wit wegtrokken. "En nu?" vroeg ze. Heel direct, zoals ze altijd was. Ze hield niet van omwegen. "Gaan we bestralen? Opereren?"
De dokter schudde langzaam zijn hoofd. "De tumor is te ver doorgegroeid. Hij zit verweven met de slagaders. Een operatie is technisch niet mogelijk. Bestraling of chemotherapie zal u alleen maar zieker maken zonder dat het uw leven verlengt. We kunnen niets meer doen om u te genezen."
Het woord genezen bleef tussen ons in hangen als een giftige damp. Het was muisstil in dat kamertje. Alleen het gezoem van een tl-buis boven onze hoofden was te horen. Marit liet mijn hand niet los. Ze keek naar het bureau, naar een zwarte balpen die naast een kladblok lag. Ze huilde niet eens meteen. Ze leek te verstijven, alsof ze plotseling van steen was geworden.
"Hoe lang nog?" vroeg ik. Mijn eigen stem klonk vreemd, alsof iemand anders via mijn keel sprak.
"Weken," zei de dokter zacht. "Misschien een paar maanden, als we geluk hebben. Maar we moeten realistisch zijn. Het gaat heel snel."
Binnen drie dagen verhuisde Marit terug naar huis. We wilden niet dat ze tussen de witte gordijnen en het piepende verpleegoproepsysteem zou blijven. De woonkamer werd in één middag omgebouwd. De grote eettafel, waar we met vrienden aan hadden gegeten en gelachen, schoof ik naar de uiterste hoek. Twee mannen van de thuiszorg brachten een hoog-laagbed. Een lomp, stalen gevaarte met een dik matras in een blauwe plastic hoes. Ze zetten het bed dwars voor het grote raam, zodat Marit uit kon kijken op onze achtertuin. Op de appelboom die we vorig voorjaar samen hadden geplant.
Vanaf dat moment veranderde ons huis in een soort medische post. De geur van versgebakken brood en koffie verdween. Het werd vervangen door de geur van ziekenhuislinnen, latex handschoenen en desinfectiemiddel. De wijkverpleegkundigen kwamen drie keer per dag over de vloer. Vriendelijke vrouwen met praktische kapsels en plastic klompen die zacht piepten op onze vloer. Ze leerden me hoe ik het zuurstofapparaat moest bedienen. Ze lieten me zien hoe ik de pomp met morfine moest controleren. Een klein doosje met een digitaal schermpje dat met een dun slangetje in haar bovenbeen zat.
"Je doet het goed, Dennis," zei Carla, de oudste van de verpleegkundigen, toen ik voor het eerst zelf een ampul klaarmaakte. "Veel mannen trekken dit niet. Die lopen weg naar de schuur."
"Ik kan nergens heen," zei ik. Het was niet stoer bedoeld; het was gewoon de waarheid. Waar moest ik in godsnaam naartoe?
Marit sliep veel. Haar lichaam leek alle energie nodig te hebben om te kunnen blijven ademen. Maar als ze wakker was, praatten we. Geen lange verhalen over vroeger, daar had ze de lucht niet voor. Het waren korte, losse flarden. Ze vroeg of ik de planten water had gegeven. Ze wees naar buiten als er een roodborstje op het vogelhuisje zat. Soms hielden we elkaars hand gewoon een uur lang vast zonder een woord te zeggen.
Op een avond in januari, toen de wind om het huis gierde en de regen tegen het glas kletterde, deed ze haar ogen open. Het licht van het schemerlampje maakte diepe schaduwen in haar gezicht. Ze was in zes weken tijd bijna vijftien kilo afgevallen. Haar jukbeenderen staken scherp af.
"Dennis," fluisterde ze.
Ik schoof mijn stoel dichterbij. "Ja meisje?"
"Je moet die beukenhaag in het voorjaar terugsnoeien. Anders groeit hij helemaal over het pad heen."
Ik schoot in de lach, maar halverwege brak mijn lach in een snik. "Ben je nou serieus bezig met die haag?"
"Iemand moet het doen," zei ze, en een klein lachje trok heel even over haar bleke lippen. "En jij vergeet altijd de hoeken."
Het was de laatste keer dat ik haar zag lachen.
Hoofdstuk 3
De laatste nacht
In de tweede week van februari begon het te vriezen. Buiten werd alles hard, wit en stil. Binnen was het heet. We moesten de verwarming hoog houden omdat Marit haar eigen lichaamstemperatuur niet meer kon regelen. Ze rilde voortdurend onder drie dikke dekens, terwijl haar voorhoofd gloeide van de koorts. Het zuurstofapparaat in de hoek van de kamer blies dag en nacht met een eentonig, raspend geluid. Het werd het ritme van ons leven: zoeft-tsjj, zoeft-tsjj.
Het was een vrijdagnacht, rond drie uur. Ik sliep al weken niet meer in ons eigen bed boven. Ik lag op de bank, twee meter van haar vandaan, in mijn joggingbroek en een vaal T-shirt. Elk zuchtje, elke beweging van haar maakte me wakker. Plotseling veranderde het geluid van haar ademhaling. Het diepe, regelmatige zuchten hield op. Het werd korter. Onregelmatiger. Er zat een reutel in, alsof er water diep in haar keel stond dat ze niet meer kon wegslikken.
Ik sprong van de bank. Mijn voeten raakten de koude vloer. Ik knipte het kleine nachtlampje aan.
Marit lag met haar hoofd opzij gedraaid. Haar ogen waren half open, maar ze keek nergens naar. Haar blik was troebel, alsof ze door het plafond heen naar een verre, donkere lucht staarde. Haar mond stond een stukje open. Haar adem kwam in schokken: vier tellen snel hijgen, en dan opeens tien tellen helemaal niets. Een stilte waarin mijn eigen hart zó hard bonkte dat ik het in mijn oren voelde kloppen.
"Marit?" fluisterde ik. Ik ging op de rand van haar stalen bed zitten. Het frame kraakte zachtjes onder mijn gewicht.
Ze reageerde niet. Ik pakte haar rechterhand. Haar vingertoppen voelden al anders aan. Niet gewoon koud van de winter, maar een diepe, kille kilte die van binnenuit leek te komen. De huid onder haar nagels begon paarsblauw te kleuren.
Ik wist wat dit betekende. De wijkverpleegkundige had het me uitgelegd, zakelijk en vriendelijk: "Als het zover is, Dennis, verandert de ademhaling. Het kan even duren, maar je merkt het vanzelf. Word dan niet bang. Het hoort erbij."
Maar ik was wel bang. Doodsbang. Mijn hele keel zat dichtgeknepen. Ik boog me over haar heen en legde mijn voorhoofd tegen haar wang. Haar huid rook naar talkpoeder en naar iets bitters, iets medicinaals dat ik niet thuis kon brengen. "Ik ben hier, schat," zei ik tegen haar slapen. "Je bent thuis. Je bent veilig. Het is goed zo. Je hoeft niet meer te vechten."
Het voelde als verraad om die woorden te zeggen. Ik wílde helemaal niet dat ze stopte met vechten. Ik wilde dat ze opstond, haar slippers aantrok en zei dat ze trek had in thee. Ik wilde onze oude, saaie zondagen terug waarop we niks deden behalve de krant lezen en zeuren over de afwas. Maar toen ik naar haar gezicht keek, zag ik de uitputting. De diepe groeven van pijn en vermoeidheid rond haar ogen. Het was op. Haar lichaam kon gewoon niet meer.
Om kwart voor vier haalde ze nog één keer heel diep adem. Haar borstkas kwam met een trage, zware zucht omhoog. Daarna zakte hij weer in.
Ik hield mijn adem in. Ik wachtte op de volgende zucht. Ik telde in mijn hoofd. Eén, twee, drie, vier, vijf... Bij twintig wist ik het. De stilte in de kamer werd opeens loodzwaar. Het zuurstofapparaat blies nog steeds trouw zijn koude lucht door het plastic slangetje, maar er was niemand meer om het in te ademen.
Ik zette het apparaat uit. De plotselinge stilte sloeg tegen de muren. Geen gezoem meer. Geen gereutel. Alleen het suizen van de wind buiten langs de dakgoot.
Ik bleef zitten waar ik zat. Ik hield haar hand vast terwijl die langzaam steeds kouder werd. Ik durfde niet te bewegen, bang dat ik het moment kapot zou maken. Pas na een half uur pakte ik de vaste telefoon van de bijzettafel en toetste het nummer van de huisartsenpost. Mijn vingers voerden de nummers foutloos in, zonder na te denken.
"Huisartsenpost Deventer, waarmee kan ik u helpen?"
"Mijn vrouw is net overleden," zei ik. Mijn stem klonk volkomen vlak. Emotieloos. Alsof ik meldde dat de kliko niet was geleegd.
Om half zes kwam een jonge vrouwelijke arts. Ze scheen met een klein lampje in Marits ogen en luisterde met een stethoscoop naar haar stilstaande hart. Daarna tekende ze papieren op het aanrecht. Ze sprak met een gedempte stem, condoleerde me en legde haar hand even op mijn arm. Om kwart over zeven parkeerde de zwarte rouwauto voor de deur. Twee mannen in donkere pakken tilden Marit in een mand van geweven riet. Ze deden een donkerblauw kleed over haar heen. Ik liep mee naar buiten, in mijn joggingbroek, op blote voeten in mijn werkschoenen. De vorst beet in mijn enkels. Ik keek toe hoe de achterklep dichtging met een zachte, gedempte klik. De wagen reed weg over de bevroren straat. De rode achterlichten verdwenen om de bocht. Ik stond alleen op de stoep, en het begon zachtjes te sneeuwen.
Hoofdstuk 4
Koffie en cake in de regen
De afscheidsdienst was op een woensdag in het crematorium bij Steenbrugge. De sneeuw was gesmolten en had plaatsgemaakt voor een miezerige, grijze drab die over de grafstenen en de kale berkenbomen lag. Ik droeg mijn donkerblauwe trouwpak. Het jasje zat te wijd rond mijn schouders; ik was in de afgelopen twee maanden zelf ook bijna tien kilo kwijtgeraakt door de stress en het slechte eten.
De aula zat vol. Familieleden uit Brabant, collega’s van haar werk, buren uit de straat, een paar jongens met wie ik vroeger voetbalde. Het leek wel een toneelstuk waarin ik de hoofdrol speelde, maar niemand had me het script gegeven. Ik zat op de eerste rij naast haar ouders. Haar moeder huilde zacht en onophoudelijk in een papieren zakdoekje. Haar vader staarde star voor zich uit, zijn kaken strak op elkaar geklemd. Ik keek alleen maar naar de kist. Gewoon vurenhout, licht van kleur, zonder tierelantijnen. Precies zoals Marit had gewild. Geen koperen handvatten, geen glimmende lak.
Er werd muziek gedraaid. Een liedje van Fleetwood Mac waar we samen op hadden gedanst in de keuken met een glas wijn in onze handen. Het voelde bizar om die tonen nu door de kille luidsprekers van een aula te horen schallen. Het klonk hol en misplaatst.
Daarna kwam de condoleance. Een lange, schuifelende rij van zwarte jassen, natte paraplu’s en bezorgde gezichten. Mensen schudden mijn hand, pakten mijn schouders vast, drukten klamme wangen tegen de mijne. Ze zeiden de dingen die mensen nou eenmaal zeggen als ze niet weten wat ze moeten zeggen.
"Gecondoleerd, Dennis. Wat vreselijk. Ze was nog zo jong."
"Heel veel sterkte, jongen. Tijd heelt alle wonden."
"Je moet nu doorgaan, hè? Voor haar."
Ik knikte maar. Ik zei: "Dank je wel. Fijn dat je er bent." Telkens weer. Als een grammofoonplaat die bleef hangen in dezelfde groef. Maar vanbinnen kookte ik. *Tijd heelt alle wonden?* Wat wist die vent van drie deuren verderop daar nou van? Zijn vrouw zat thuis gewoon aardappels te schillen. *Doorgaan voor haar?* Marit was dood. Die gaf nergens meer om. Die lag in een houten bak achter een gordijn. Wat had zij eraan als ik doorging?
Toen iedereen weg was, reed ik met mijn zwager mee terug naar huis. Hij bood aan om binnen te komen, om een biertje te drinken of koffie te zetten. "Nee, laat maar," zei ik. "Ik ben moe, Cor. Ik ga even liggen."
Hij keek me twijfelend aan, maar stapte toch weer in zijn auto. Ik liep het tuinpad op. De voordeur klikte achter me in het slot.
De stilte die me opwachtte was anders dan de stilte van de afgelopen weken. Het was geen afwachtende stilte meer. Het was een definitieve leegte. Het ziekenhuisbed was die ochtend al opgehaald door de thuiszorgwinkel. Er stonden vier diepe afdrukken van de wieltjes in het laminaat. De plek waar het bed had gestaan was lichter van kleur dan de rest van de vloer, omdat er geen zonlicht op had geschenen. De eettafel stond nog steeds scheef tegen de muur geschoven.
Op het aanrecht stonden drie bossen bloemen in emmers. Witte lelies. Ik heb altijd een bloedhekel gehad aan lelies; ze stinken naar bederf en zoete rottigheid. Ik pakte de bloemen beet, trok ze uit het water en smeet ze rechtstreeks in de zwarte vuilniszak onder het aanrecht. Het water spatte tegen mijn nette pantalon. Het kon me niets schelen.
Ik liep naar de gang en keek naar de kapstok. Haar jas hing er nog. Haar dikke, groene winterjas met die grote knopen. Ik drukte mijn gezicht in de stof. De geur was er nog, heel zwakjes. Lavendel en natte wol. Ik zakte op mijn knieën op de deurmat, met mijn armen om die lege jas gewikkeld. Ik begon niet te huilen; het was erger dan huilen. Er kwam een rauw, haperend geluid uit mijn borstkas, alsof er iets vanbinnen losscheurde. Ik bleef daar zitten tot het buiten aardedonker werd en de straatlantaarn voor het raam aansprong.
Hoofdstuk 5
De vriezer en de sokken
De maanden maart en april gleden voorbij als een grijze waas. Mensen denken dat het gemis minder wordt als de eerste schok voorbij is, maar dat is een leugen. In het begin ben je verdoofd. Je regelt dingen, je praat met de notaris, je zegt verzekeringen op, je beantwoordt kaarten. Er is actie. Maar daarna, als de condoleancekaarten op een stapel in de la liggen en de buren weer gewoon over het weer beginnen te praten, dán begint het pas echt.
Ik ging niet naar mijn werk. Mijn baas, Bram, was een goede kerel. Hij belde elke week. "Neem de tijd, Dennis. Blijf maar thuis tot je er weer klaar voor bent. We vangen het wel op." Maar ik werd nergens klaar voor. Ik kwam mijn bed niet uit voor elf uur ’s ochtends. Ik liep hele dagen rond in dezelfde trainingsbroek. Mijn baard groeide woekering door, grijs en slordig. Mijn huis werd langzaam een zwijnenstal. Overal stonden lege koffiemokken met beschimmelde restjes op de bodem. De post stapelde zich op op de deurmat: brieven van de bank, reclamefolders van tuincentra, tijdschriften die geadresseerd stonden aan *Mevrouw M. van Leeuwen*.
Elke brief met haar naam erop voelde als een klap met een schep tegen mijn kop. Ik kon die enveloppen niet eens openmaken; ik smeet ze ongeopend in een kartonnen doos onder de trap.
Het dieptepunt kwam op een regenachtige woensdagmiddag eind april. Ik had al twee dagen bijna niets gegeten, behalve wat droge crackers met pindakaas. Mijn maag knorde pijnlijk. Ik sleepte mezelf naar de keuken en trok de vriezer in de bijkeuken open. Tussen de halflege dozen vissticks en bevroren brood zag ik een plastic bakje liggen. Er zat een stukje schilderstape op. Met een zwarte stift stond erop geschreven: *Bolognesesaus - okt*. Het was haar handschrift. Ronde, duidelijke letters met een klein krulletje aan de t.
Ze had die saus gemaakt in oktober, een paar weken voor ze ziek werd. Gewoon, op een luie zondagmiddag. Ik herinnerde me nog hoe ze bij het fornuis had gestaan, proevend met een houten lepel, met een theedoek over haar schouder. "Nog een beetje oregano, Dennis, proef eens?"
Ik haalde het bakje eruit. Het ijs kraakte onder mijn duimen. Ik zette het op het aanrecht. Als ik dit op zou eten, was het weg. Dan bestond er niets meer op deze wereld dat haar handen hadden klaargemaakt. Dan was de vriezer leeg. Geen saus meer, geen soep meer, niks.
Ik begon te trillen. Een blinde, stompzinnige woede steeg in me op. Niet eens verdriet, maar pure razernij over de oneerlijkheid ervan. Waarom zij? Ze rookte niet, ze dronk nauwelijks, ze deed vrijwilligerswerk bij het dierenasiel. Ze deed nooit iemand kwaad. En nu lag ze onder een steen op de begraafplaats, terwijl klootzakken en criminelen gewoon vrolijk over straat liepen en tachtig jaar oud werden.
"Godverdomme!" brulde ik door het lege huis. Ik pakte het bevroren bakje saus en smeet het met alle kracht die ik in me had tegen de keukenkastjes. Het plastic scheurde open. De bevroren rode bonk kletterde op het laminaat, samen met glasscherven van een koffiemok die ik per ongeluk van het aanrecht meemaaide.
Ik viel op mijn knieën tussen de troep. De scherven prikten door mijn broek heen in mijn vel. Het kon me niet schelen. Ik pakte de bevroren saus vast met mijn blote handen. Het ijs beet in mijn vingers. Ik drukte mijn voorhoofd tegen het keukenkastje en huilde tot ik geen lucht meer kreeg. Ik kermde als een aangeschoten dier. De pijn in mijn borst was zo fysiek, zo echt, dat ik dacht dat mijn eigen ribben zouden breken. Ik wilde niet meer. Ik wilde Marit terug, of ik wilde zelf dood. Er zat niets tussenin. De leegte van het huis zoog alle zuurstof op.
Hoofdstuk 6
Grond onder de nagels
Drie dagen na die middag in de keuken stond Bram voor de deur. Hij belde niet aan; hij bonsde met zijn vuist hard tegen het hout. Ik deed open op een kier. Ik stonk naar zweet en oud beddengoed, en ik wist het.
Bram keek me aan. Hij was een beer van een vent, vijftig jaar oud, met een grijze baard en handen zo ruw als schuurpapier. Hij keek langs me heen naar de gang, waar de vuilniszakken stonden te wachten. Hij zei niets over de stank of over mijn ongekamde haar.
"Trek je werkschoenen aan, Dennis," zei hij kortaf.
"Bram, rot op man. Ik heb je gezegd dat ik..."
"Schoenen aan," herhaalde hij, met een stem die geen tegenspraak duldde. "Ik heb geen personeel vandaag. Gijs heeft zich ziekgemeld met buikgriep en ik sta in het Bergkwartier met een tuin van driehonderd vierkante meter die overwoekerd is met zevenblad en brandnetels. Ik red het niet alleen. Je hoeft niet te lullen. Je hoeft alleen maar te scheppen. Over vijf minuten in de bus."
Hij draaide zich om en liep naar zijn wagen. Hij liet het portier openstaan.
Ik stond in de gang en voelde een bekende opstandigheid. Wie dacht hij wel dat hij was? Maar tegelijkertijd voelde ik iets anders: de dwingende toon brak door de mist in mijn kop heen. Ik keek naar mijn oude werkschoenen onder de kapstok. De neuzen waren kaalgesleten. Zonder na te denken trok ik mijn vieze joggingbroek uit, hees me in een werkbroek en trok de veters van mijn kisten strak aan. Het vertrouwde gevoel van het stugge leer rond mijn enkels deed bijna pijn, maar het gaf ook steun.
We reden zwijgend naar het Bergkwartier, een oude wijk in Deventer met steile straatjes en klinkers. De tuin hoorde bij een statig herenhuis van een oude dame. De borders stonden vol onkruid. Bram gooide een spitvork en een schoffel voor mijn voeten neer.
"Aan de slag. Het achterste stuk moet helemaal leeg tot op de zwarte grond."
Ik pakte de steel van de spitvork beet. Het hout voelde ruw en vertrouwd. Ik zette mijn schoen op de rand van het ijzer en duwde de tanden de grond in. De aarde was zwaar en nat van de voorjaarsregen. Ik tilde een kluit op, draaide hem om en schudde de wortels los. Nog een keer. En nog een keer.
Het eerste uur deed alles zeer. Mijn rug protesteerde, mijn armen voelden slap als elastiekjes en na twintig minuten gutste het zweet over mijn rug. Mijn ademhaling ging piepend en snel. Maar ik stopte niet. Telkens als het gezicht van Marit in mijn hoofd opdook, zette ik de vork harder in de klei. Ik stak de stelen van het zevenblad doormidden alsof ik een vijand te lijf ging. De geur van omgewoelde aarde, vermengd met de geur van gekneusde bladeren en frisse lentelucht, trok mijn neus binnen.
Rond een uur of een ging Bram op een omgekeerde speciekuip zitten. Hij gooide een beker lauwe koffie uit een thermoskan naar me toe, en een boterham met kaas gewikkeld in zilverfolie.
Ik zakte neer op de stenen rand van het terras. Mijn handen trilden van de inspanning. Mijn nagelriemen waren zwart van het zand. Mijn kleren zaten onder de vegen modder. Ik nam een slok van de sterke, bittere koffie. Het brandde op mijn tong.
"Je ziet eruit als een lijk," zei Bram, terwijl hij een hap van zijn brood nam.
"Dank je," zei ik schor.
"Maar je steekt nog steeds dieper dan die jonge gasten die vers van het AOC komen."
We keken allebei naar het stuk tuin dat ik had omgespit. Het was een strak, zwart vlak geworden. Alle rommel, alle dode takken en al het onkruid lagen op een grote hoop op het zeil. Het was schoon. Er kon weer iets nieuws in groeien.
Voor het eerst in zes maanden voelde ik mijn eigen lichaam weer als iets dat leefde, in plaats van een omhulsel dat alleen maar pijn en verdriet met zich meedroeg. De pijn om Marit was niet weg; die zat er nog steeds, scherp als een brok glas in mijn keel. Maar door het zware werk, door de modder en het zweet, was er even een kiertje opengegaan waardoor ik weer kon ademhalen. De aarde vroeg niks van me. De aarde troostte niet met stomme praatjes. De aarde liet zich gewoon omspitten.
Hoofdstuk 7
Het bankje aan de IJssel
Het is nu een jaar en drie maanden later. Het is een zaterdagavond in juni, net na achten. De lucht boven Deventer kleurt langzaam oranje en roze. Ik zit op een houten krib langs de IJssel, een stukje voorbij de spoorbrug. Het water klotst rustig tegen de zware basaltblokken onder mijn voeten. Af en toe vaart er een leeg vrachtschip voorbij dat stroomopwaarts ploegt, richting Zutphen. De zware dieselmotor klinkt als een trage hartslag door het water.
Ik ben weer aan het werk. Vier dagen in de week. Niet meer zo gejaagd als vroeger. Ik hoef geen overuren meer te maken om een dure vakantie te betalen. Ik leef eenvoudig. Het huis is weer aan de kant. De kussens op de bank zijn opgeschud, de vriezer is schoon en ontdooid. De eettafel staat weer op zijn plek in het midden van de kamer. Ik eet er meestal alleen aan, met een boek of de radio aan. Dat went nooit echt, maar de stilte is niet meer vijandig. Het is gewoon stilte geworden.
Haar spullen heb ik grotendeels weggedaan. Niet in één wilde bui, maar stap voor stap. Haar kleren gingen naar de kledingbank. Alleen haar groene winterjas hangt nog aan de kapstok. Die blijft daar hangen zolang ik in dat huis woon; daar heeft niemand wat over te zeggen. Haar boeken staan nog in de kast. Soms pak ik er eentje uit en vind ik een kassabonnetje dat ze als bladwijzer gebruikte, of een haarelastiekje dat tussen twee bladzijden is blijven steken. Dan houd ik het even vast, voel de textuur, en leg het weer terug.
Mensen vragen me weleens: "Heb je het al een plekje gegeven?"
Ik haat die uitdrukking. Een plekje geven klinkt alsof je een vaas op een plank zet en er nooit meer naar omkijkt. Alsof verdriet iets is wat je netjes opbergt in een archiefkast. Zo werkt het niet. Rouw is geen rechte lijn van verdriet naar herstel. Het is een cirkel. Sommige dagen voel ik me sterk. Dan lach ik om een grap van een collega, geniet ik van een koud biertje in de tuin en voel ik me bijna weer de Dennis van vroeger. Maar op andere dagen, als de lucht net zo grijs is als die dag in november of als ik iemand in de supermarkt zie lopen met hetzelfde krullende haar als Marit, zakt de grond opeens weer onder mijn voeten vandaan. Dan ben ik weer even die bange man die op zijn knieën op het laminaat zit.
Het verschil is dat ik nu weet dat die grond weer terugkomt. Dat ik niet verdrink, ook al voelt het wel zo.
Ik haal mijn handen uit mijn jaszak. Mijn knokkels zijn ruw, getekend door sneetjes van het snoeiwerk en zwarte aarde die er met geen borstel meer uitgaat. Dat is goed. Dit zijn de handen waarmee ik werk, waarmee ik leef. En het zijn de handen waarmee ik haar heb vastgehouden tot haar allerlaatste ademtocht.
Ik dacht altijd dat afscheid nemen betekende dat je iemand los moest laten. Dat je de touwtjes moest doorknippen om zelf verder te kunnen. Maar dat is een misvatting. Je laat niet los. Je leert alleen anders vasthouden. De angst is weg. De woede over de oneerlijkheid is langzaam weggesleten, zoals de IJssel de scherpe kanten van de basaltkeien afslijpt. Wat overblijft is kaal en helder.
Ik kijk naar de rimpelingen in het water waar de schroef van het vrachtschip net doorheen is gegaan. De golven ebben langzaam weg tegen de stenen. Ze is er niet meer. Ze komt nooit meer door de achterdeur naar binnen rennen met een doos gebak omdat het weekend is. Ik zal haar stem nooit meer door de telefoon horen. Dat gemis blijft. Het is een litteken dat soms jeukt als het weer omslaat.
Maar de liefde verdwijnt niet met de dood. Die hangt niet af van een kloppend hart of een warme hand. Die zit in de herinnering aan de manier waarop ze lachte als ik de hoeken van de beukenhaag weer eens vergat. Die zit in de zorg waarmee ik vandaag een jonge boom heb geplant in iemands tuin. Het zit in mij.
Ik sta op van het bankje en klop het zand van mijn broek. De lucht is bijna donker nu. Tijd om naar huis te gaan. Naar een leeg huis, jawel. Maar een huis waar ooit heel veel van me gehouden is. En dat pakt niemand me meer af.