Naar de inhoud
Terug naar het boek

Identiteit en zelfacceptatie

Wat als ik gewoon mezelf ben?

Hoofdstuk 1

De spiegel in de kantine

De koffieautomaat in de werkplaats maakte een gorgelend geluid. Het klonk alsof het ding stikte in zijn eigen drap. Ik bleef ervoor staan, met mijn handen diep in de zakken van mijn blauwe overall. Mijn nagels waren zwart van de smeerolie. Die kreeg je er pas na drie keer boenen met citroenzeep een beetje af.

Boven de automaat hing een spiegel. Zo’n goedkoop ding met een barst in de linkerhoek. Ik keek naar mijn eigen gezicht. Dennis Schipper. Vierendertig jaar. Donkerblond haar dat al een beetje begon te wijken bij de slapen. Rimpels rond mijn ogen die er niet zaten van het lachen, maar van het turen en het aanspannen van mijn kaken.

'Nog drie minuten, Dennis,' zei ik zachtjes tegen de spiegel.

Drie minuten om het masker op te zetten. Het masker van de nuchtere kerel. De gozer die overal een geintje over maakte. De collega die nooit zeurde over overwerk en die meelachte om elke lompe grap in de kantine.

Achter me ging de deur open. Het was Bram. Bram was negentien, leerling-monteur, en liep altijd te stuiteren alsof hij drie blikken energiedrank achterover had geslagen.

'Mogge Den,' riep Bram. Hij sloeg me hard op mijn schouder. Precies op de plek waar mijn nekspier al twee weken muurvast zat.

Ik voelde een steek door mijn schouderblad trekken. Mijn maag kromp ineen. Maar mijn gezicht deed wat het altijd deed. Zonder dat ik erover na hoefde te denken, trokken mijn mondhoeken omhoog. Ik draaide me om met een grijns die voelde alsof hij van plastic was gemaakt.

'Mogge jochie,' zei ik. Mijn stem klonk een octaaf lager dan daarnet. Stoerder. 'Heb je je nest weer eens kunnen vinden?'

'Mwah, feestje in Hedon gisteravond. Zwaar hoofd, man. Heb je die bak van Van Dijk al zien staan buiten? Die versnellingsbak ligt helemaal in de soep.' Bram pakte een plastic bekertje en trapte tegen de poot van de picknicktafel.

'Komt goed,' zei ik, en ik tikte met mijn knokkels tegen zijn borstkas. 'Fixen we wel even voor de lunch.'

Bram lachte en liep door naar de kleedruimte. De deur viel met een klap dicht.

Daar stond ik weer. Alleen. Mijn glimlach zakte meteen van mijn gezicht af alsof iemand een natte handdoek van de muur trok. Ik pakte mijn beker zwarte koffie en liep naar brug vier, waar de grijze Volkswagen Passat van Van Dijk op me wachtte.

Mijn benen voelden zwaar. Niet alsof ik spierpijn had, maar alsof er lood in mijn werkschoenen zat gegoten. Ik wist precies wat er met die auto aan de hand was. Ik wist precies hoe ik het moest maken. Ik werkte al twaalf jaar bij deze dealer in Zwolle. Ik was goed in mijn vak. Iedereen wist dat.

Maar niemand wist wie er eigenlijk in die overall zat.

Als ze me vroegen wat ik in het weekend deed, zei ik altijd hetzelfde: 'Biertje drinken met de maten, beetje voetballen kijken op tv.' Het was een veilig antwoord. Een goedgekeurd antwoord. Geen haan die ernaar kraaide.

Niemand wist dat ik al vier jaar geen voetbalwedstrijd meer had gezien. Niemand wist dat ik op zaterdagochtend naar de kringloopwinkel reed om oude eikenhouten tafels op te halen, die ik vervolgens in een gehuurde opslagbox in Marslanden centimeter voor centimeter kaalschuurde tot het kale, zachte hout tevoorschijn kwam. Niemand wist dat ik hield van de geur van bijenwas en lijnolie, en dat ik soms een uur lang kon kijken naar de nerven in een stuk hout zonder een woord te zeggen.

Als ik dat tegen Bram zou zeggen, of tegen chef-werkplaats Gerard, zouden ze me aankijken alsof ik gek was geworden. 'Wat ben jij nou voor een wijf geworden, Schipper?' zouden ze zeggen. Lachend natuurlijk. Maar onder die lach zou het oordeel liggen. Onuitgesproken, maar keihard: jij hoort er niet meer bij.

En dat was mijn grootste angst. Niet de dood, niet een faillissement, niet een hernia door het tillen van zware motorblokken. Mijn grootste angst was dat ze zouden zien dat ik niet was zoals zij. Dat ik zachter was. Kwetsbaarder. Dat ik nadacht over dingen waar zij gewoon overheen walsten.

Ik pakte de luchtsleutel van het bord. Het metaal voelde koud aan door mijn handschoenen heen. Ik zette de dop op de eerste wielbout en kneep in de hendel. Het snerpende geluid vulde de hal. Het overstemde het suizen in mijn oren. Even was er alleen maar lawaai, en in dat lawaai kon ik tenminste niet nadenken.

Hoofdstuk 2

Een kameleon in een overall

Mijn vader was timmerman geweest. Een harde man, met handen als raspvijlen en een hekel aan gezeur. Als ik vroeger viel en mijn knie openhaalde op het grind van onze oprit in Berkum, keek hij niet eens op van zijn werkbank. 'Opstaan, Dennis,' zei hij dan met een stem zonder emotie. 'Even wrijven, dan is het over. Grote jongens huilen niet.'

Ik leerde snel. Ik leerde dat tranen zorgden voor afstand. Ik leerde dat als je zei wat je echt voelde, mensen je raar vonden. Als kind wilde ik tekenen. Urenlang zat ik aan de keukentafel met een doos kleurpotloden. Mijn vader kwam dan binnen, snoof minachtend door zijn neus en schoof de papieren aan de kant. 'Ga toch naar buiten, jongen. Ga voetballen met de buurkinderen. Je lijkt wel een kasplantje.'

Dus ging ik naar buiten. Ik kocht voetbalschoenen. Ik leerde slidings maken op het natte gras, ook al haatte ik de modder en het geschreeuw langs de lijn. Ik werd een kameleon. Ik keek naar wat de rest deed, en dat kopieerde ik. Nauwkeurig, tot op de millimeter. De manier waarop de jongens liepen, met hun schouders een beetje opgetrokken en hun handen losjes in hun zakken. De manier waarop ze spraken, met korte, afgekapte zinnen en een lichte spot in hun stem.

Het werkte. Ik werd niet gepest. Ik hoorde erbij. Maar hoe beter ik werd in het nadoen van anderen, hoe minder ik wist wie ik zelf was als de deur achter me dichtging.

'Schat, luister je wel?'

Ik schrok op. Sanne keek me aan vanaf de overkant van de eettafel. We woonden nu twee jaar samen in een tussenwoning in Stadshagen. Een keurige wijk, witte kozijnen, strakke tuinen. Precies zoals het hoorde.

'Ja, tuurlijk,' zei ik snel. Ik slikte mijn hap stamppot door. 'Je had het over je zus.'

'Nee, Dennis. Ik had het over ons.' Sanne legde haar vork neer. Haar ogen stonden vermoeid. Ze had haar blonde haar in een losse staart gebonden. 'Gerard heeft je toch gevraagd voor die functie van assistent-bedrijfsleider? Waarom heb je nog geen ja gezegd? Het is meer salaris. We kunnen die uitbouw laten zetten.'

Daar was het weer. De knoop in mijn maag die strakker werd aangetrokken.

'Ik denk er nog over na,' zei ik ontwijkend. Ik schoof een stukje rookworst heen en weer over mijn bord.

'Wat valt er na te denken? Het is een promotie. Iedereen wil promotie.' Sanne leunde achterover en zuchtte. 'Soms snap ik je echt niet, Dennis. Je hebt alle kansen, maar je blijft maar hangen in die werkplaats tussen die jonge gasten. Wil je dan je hele leven auto's blijven repareren?'

Ik wilde zeggen: *Nee, Sanne. Ik wil helemaal geen auto's meer repareren. Ik wil met mijn handen werken aan dingen die mooi zijn, niet aan dingen die kapot zijn gegaan door slijtage. Ik wil de rust. Ik wil geen leidinggeven aan zes monteurs die allemaal net zo'n grote bek hebben als ik vroeger had. Ik kan die druk van cijfers en targets niet aan. Het vreet me op vanbinnen.*

Maar ik keek naar haar gezicht. Ze had verwachtingen. Haar ouders hadden verwachtingen. Mijn moeder vroeg elke zondag aan de telefoon of ik al 'hogerop' was gekomen.

'Je hebt gelijk,' zei ik. De woorden kwamen eruit voor ik ze kon tegenhouden. De automatische piloot nam het roer weer over. 'Ik ga morgen met Gerard praten. Het is gewoon even druk geweest op de zaak, vandaar.'

Sanne glimlachte. De spanning verdween uit haar schouders. 'Fijn. Ik wist wel dat je het zou doen. Je bent er klaar voor, lieverd.'

Ze stond op en gaf me een kus op mijn voorhoofd. Haar lippen voelden warm aan, maar ik verstijfde. Ik voelde me een oplichter. Een toneelspeler die applaus kreeg voor een rol die hij haatte.

Die avond lag ik in bed te staren naar het plafond. Naast me ademde Sanne rustig en gelijkmatig. Het straatlantaarnlicht scheen door de kieren van het rolgordijn en tekende strepen op het stucwerk. Mijn hart klopte in mijn keel. Niet snel, maar zwaar en bonkend.

*Wat als ik gewoon zeg dat ik het niet wil?* dacht ik. *Wat als ik morgen zeg: zoek het maar uit met je kantoorbaan? Wat als ik zeg dat ik houten tafels wil maken?*

De gedachte alleen al deed me zweten. Ze zou me aankijken alsof ik gek was geworden. 'Hoe moeten we de hypotheek dan betalen?' zou ze vragen. 'Ga je dan een beetje hobbyen in een schuur?'

Ze zou gelijk hebben. Het was belachelijk. Ik was een volwassen vent van vierendertig. Geen dromerige puber. Ik moest mijn verantwoordelijkheid nemen. Mezelf vermannen. Zoals mijn vader altijd zei: niet zeuren, maar poetsen.

Ik draaide me op mijn zij en trok het dekbed over mijn oren. Maar de slaap kwam niet. Alleen de stilte, en in die stilte was ik banger voor mezelf dan voor wat dan ook.

Hoofdstuk 3

Het geheime schuurtje

Zaterdagochtend, kwart over zeven. De lucht boven het industrieterrein Marslanden was grijs en koud. Er hing een lichte mist over de asfaltwegen. De hekken van de transportbedrijven zaten nog op slot. Geen mens te bekennen.

Ik parkeerde mijn oude Golf voor box 42. Mijn vingers waren koud toen ik het zware hangslot van de overheaddeur losdraaide. Met een metalen gerammel duwde ik de deur omhoog.

De vertrouwde geur kwam me direct tegemoet: zaagsel, bijenwas, een vleugje terpentijn en de muffe geur van koud beton. Ik deed het tl-licht aan. Twee buizen knipperden een paar keer voor ze aansprongen met een zacht, zoemend geluid.

Hier was ik niemand. Hier hoefde ik geen grappen te maken. Hier hoefde ik me niet groter voor te doen dan ik was.

In het midden van de ruimte stond een oude Frans-eiken eettafel. Ik had hem twee weken geleden opgehaald bij een boerderij ergens achter Dalfsen. Het blad zat onder de kringen van hete pannen, krassen van kindermessen en een dikke laag vergeelde lak. De meeste mensen zouden het ding naar de vuortstort hebben gebracht. Brandhout, meer was het niet.

Maar ik zag wat eronder zat.

Ik trok mijn werkhandschoenen aan, pakte de bandschuurmachine en sloot de stofzuiger aan. Toen zette ik mijn gehoorbeschermers op. De wereld werd dof en ver weg. Ik zette het apparaat op het hout. Het schuren begon.

Dit was het enige moment in de week dat mijn hoofd rustig werd. Als de schuurband over het hout gleed, zag je laag voor laag het verleden verdwijnen. De vieze, gele lak veranderde in fijn poeder dat werd opgezogen. En daaronder kwam het echte hout tevoorschijn: licht, rauw, met diepe, donkere noesten en fijne lijnen die lieten zien hoe de boom ooit had gegroeid.

Elke nerf had een reden. Hout loog niet. Als er een droogte was geweest, zaten de jaarringen dicht op elkaar. Als er een goed jaar was geweest, stonden ze wijd uit elkaar. Het hout verzweeg niets. Het was gewoon wat het was.

Ik schakelde de machine uit en schoof mijn gehoorbeschermers naar mijn nek. De stilte viel weer over de box, dik en zwaar.

Ik deed mijn handschoen uit en streek met mijn blote hand over het geschuurde deel. Het voelde zijdezacht aan, maar toch stevig. Ik voelde een bobbeltje waar een noest zat. Ik sloot mijn ogen en voelde alleen maar met mijn vingertoppen.

Op dat moment voelde ik een brok in mijn keel opkomen. Het sloeg nergens op. Ik stond in een tochtige betonbak naar een stuk dood hout te aaien. Maar het gevoel was zo intens dat mijn ogen begonnen te prikken.

Hier, in deze box van twintig vierkante meter, was ik echt. Als ik dit kon doen, de hele dag, zonder dat iemand me vroeg om leiding te geven, zonder dat iemand verwachtte dat ik over auto’s lulde of meezoop in de kroeg… dan zou ik misschien rust hebben in mijn hoofd.

Mijn telefoon trilde in mijn broekzak. Het geluid leek wel een alarmbel in de kleine ruimte.

Ik pakte hem met stoffige vingers. Op het scherm stond: *Gerard Werk*.

Mijn hartslag schoot meteen omhoog. Het was zaterdag. Gerard belde nooit op zaterdag, tenzij er stront aan de knikker was. Ik twijfelde even of ik wel op moest nemen. Ik kon doen alsof ik sliep. Alsof ik mijn telefoon niet hoorde.

Maar de gehoorzame Dennis, de Dennis die altijd 'ja' zei, nam al op voor ik mezelf kon tegenhouden.

'Met Dennis.' Mijn stem klonk hees.

'Mogge Den,' klonk de zware stem van Gerard door de speaker. Op de achtergrond hoorde ik het geluid van een koffiezetapparaat. 'Stoorde ik je? Je klinkt alsof je net wakker bent.'

'Nee hoor, ben al op. Wat is er?'

'Mooi zo. Luister, Peter is ziek gemeld voor de stand-by dienst dit weekend. Die heeft weer eens wat aan zijn rug. Kan jij het overnemen? Er staat een berg afleveringen klaar voor maandag en ik heb iemand nodig die de boel even strak trekt.'

Ik keek naar de tafel voor me. Ik had nog vier uur nodig om het blad klaar te krijgen voor de eerste oliebeurt. Ik had me hier de hele week op verheugd. Dit was mijn enige vrije dag.

'Eh…' begon ik. Mijn keel voelde droog aan. 'Ik was eigenlijk net bezig met…'

'Top, wist dat ik op je kon rekenen,' onderbrak Gerard me. Hij luisterde niet eens. Waarom zou hij ook? Dennis zei toch nooit nee. 'Sleutels liggen in het kluisje bij de receptie. Als jij voor het middaguur die drie Audi's even naloopt, ben ik uit de brand. En maandag praten we meteen even over dat contract voor assistent-bedrijfsleider, goed? We gaan spijkers met koppen slaan.'

'Ja,' zei ik. Het woord viel als een baksteen uit mijn mond. 'Is goed, Gerard.'

'Klasse vent ben je. Tot maandag.'

De verbinding werd verbroken.

Ik liet mijn arm zakken. De telefoon hing slapjes in mijn hand. Ik keek naar de tafel. Het blanke hout leek me aan te kijken, alsof het medelijden met me had.

Ik pakte een doek en veegde het zaagsel van de werkbank. Met een woedende beweging gooide ik de schuurmachine in de hoek. Het metaal kletterde tegen de betonnen vloer.

'Klootzak,' beet ik mezelf toe. En ik wist niet eens of ik het tegen Gerard had, of tegen degene die ik zojuist in het scherm van mijn telefoon had zien staan.

Hoofdstuk 4

De barst in de ruit

Drie weken later was het personeelsfeest. Jaarlijkse traditie: barbecue op het binnenterrein van de garage, gevolgd door een potje karten in Zwolle-Zuid en veel te veel bier.

Ik had geprobeerd eronderuit te komen. Ik had tegen Sanne gezegd dat ik me niet lekker voelde. Mijn maag speelde al dagen op; een brandend gevoel achter mijn borstbeen dat niet wegging met maagzuurremmers.

'Je kunt niet wegblijven, Dennis,' had Sanne gezegd terwijl ze mijn overhemd streek. 'Je wordt volgende maand assistent-bedrijfsleider. Je moet je gezicht laten zien. Het hoort erbij.'

Dus stond ik er. Naast de grote smoker waar hamburgers en varkenslappen op lagen te sissen. De rook sloeg in mijn ogen, maar ik bleef staan. Het gaf me een reden om weg te kijken van de anderen.

In mijn hand hield ik een flesje pils. Het glas was klam. Ik had er in twee uur tijd pas drie slokken van genomen.

'Hé, directeur!' riep Mark, een van de eerste monteurs. Hij kwam op me afgewandeld met een bord vol vlees en een dubbele tong. 'Moet jij niet binnen zitten achter een bureau? Straks krijg je nog spetters op je mooie bloesje!'

De mannen om hem heen lachten. Het was goedmoedig bedoeld, dat wist ik wel. Het was de gebruikelijke werkplaatshumor. Hard, direct, zonder kwade opzet.

'Iemand moet zorgen dat jullie luie donderstenen te eten krijgen,' kaatste ik terug. Mijn stem klonk vrolijk. Mijn lach was precies luid genoeg. Ik gaf Mark een stomp tegen zijn arm.

'Nou, drink dan eens door, man,' zei Mark, en hij wees naar mijn bijna volle flesje. 'Je staat al de hele avond aan dat ene flesje te lurken alsof het limonade is. Waar is die Schipper van vroeger gebleven? Die zoop ons er allemaal uit bij de kerstborrel!'

'Rustig aan, Mark,' zei ik. 'Ik moet nog rijden.'

'Rijden? Sanne kan je toch ophalen? Laat je niet zo kennen, joh. Neem een biertje met ons. Gerard betaalt alles vanavond.' Hij duwde een nieuw koud flesje in mijn handen en griste mijn oude weg.

Ik keek naar het flesje. De condens droop langs het etiket. Ik voelde de blikken van de groep op me branden. Mark, Bram, Gerard die wat verderop stond te praten met de eigenaar van het autobedrijf. Ze keken allemaal naar me. Ze wachtten af.

Als ik nu zou zeggen: *'Nee, Mark. Ik wil geen bier. Ik haat bier eigenlijk. Ik wil naar huis. Ik wil stilte. Ik trek die kutgrappen over auto's en vrouwen niet meer'*, wat zou er dan gebeuren?

Er zou een stilte vallen. Een ijzige, ongemakkelijke stilte. Ze zouden elkaar aankijken. Ze zouden denken dat ik gek was geworden, of dat ik me te goed voelde voor hen nu ik die promotie kreeg.

Dus zette ik het flesje aan mijn mond en klokte het in vier grote teugen leeg. Het koude vocht brandde in mijn keel en plofte in mijn lege maag.

'Kijk!' brulde Mark. 'Dát is onze Dennis! Geef die man nog eentje!'

Er werd gejuicht. Iemand sloeg me op mijn rug. Ik lachte mee. Ik voelde de warmte van de alcohol naar mijn wangen stijgen, maar het bracht geen ontspanning. Het bracht alleen maar een doffe verdoving.

Later die avond stonden we met een klein groepje bij de ingang van de showroom. Bram liet filmpjes zien op zijn telefoon. Het ging over een vent die over straat liep in een opvallende, felgekleurde jas en rare danspasjes deed.

'Kijk dan wat een idioot,' lachte Bram. 'Die spoort toch voor geen meter? Als je zo over straat gaat, vraag je er toch om om in elkaar geslagen te worden? Wat bezielt zo iemand?'

'Gewoon een aandachttrekker,' zei Mark, terwijl hij een peuk wegschoot over het asfalt.

Ik keek naar het schermpje. De man op het filmpje zag er niet uit als een aandachttrekker. Hij zag eruit alsof hij het naar zijn zin had. Alsof het hem geen moer kon schelen wat de mensen op het terras van hem vonden. Er zat een soort vrolijkheid in zijn bewegingen die ik al jaren niet meer had gevoeld.

'Wat vind jij, Dennis?' vroeg Bram ineens, en hij draaide het schermpje naar mij toe. 'Zou jij zo over de Diezerstraat lopen?'

Ik keek naar Bram. Negentien jaar oud, onzeker als de pest, maar met een grote bek om het te verbergen. Precies zoals ik was geweest op die leeftijd.

Ik had kunnen zeggen: *'Laat die man lekker lopen als hij daar blij van wordt. Wat maakt het jou uit?'*

Dat was wat ik dacht.

Maar uit mijn mond kwam iets heel anders. 'Als ik zo over straat zou lopen, Bram, mag je me ter plekke afschieten. Wat een clown.'

Iedereen lachte weer. Bram knikte instemmend.

En op dat moment voelde ik iets knappen. Niet met een harde klap, maar heel zachtjes. Alsof er een fijne barst kwam in een autoruit die al te lang onder spanning had gestaan.

Ik had zojuist iemand veroordeeld die gewoon zichzelf durfde te zijn. Niet omdat ik het echt vond, maar om punten te scoren bij een stel dronken gasten wier mening me eigenlijk niets kon schelen.

De maagpijn sloeg met dubbele kracht terug. Een misselijkmakende golf van zelfhaat spoelde door me heen. Ik draaide me om zonder iets te zeggen, liep langs de kantine, door de gang naar de kleedruimte, en duwde de deur van het toilet open. Daar hing ik boven de pot, te kokhalzen, terwijl het zweet koud op mijn voorhoofd stond.

Hoofdstuk 5

Zwart voor de ogen

De maandagochtend erna begon met regen. Een gestage, troosteloze miezer die de straten van Zwolle in een spiegel van nat asfalt veranderde. Mijn ruitenwissers piepten bij elke slag over het voorraam van mijn Golf. *Piep. Rust. Piep. Rust.*

Ik had het hele weekend nauwelijks geslapen. Mijn nekspieren waren zo strak gespannen dat het voelde alsof mijn hoofd in een bankschroef zat. Als ik Sanne aankeek, zag ik alleen maar haar verwachting. Ze had zaterdag al op Funda zitten kijken naar grotere huizen in Assendorp. 'Met die nieuwe functie kunnen we makkelijk een ton meer lenen,' had ze gezegd bij het ontbijt.

Ik parkeerde de auto op mijn vaste plek achter de werkplaats. Ik bleef zitten. De motor draaide nog stationair. Het dashboard gaf een zacht groen licht af.

Mijn handen trilden op het stuur.

'Kom op,' zei ik hardop tegen mezelf. 'Even doorbijten. Gewoon je werk doen. Doen wat je altijd doet.'

Ik zette de motor af, stapte uit en liep naar binnen. De geur van rubber, remmenreiniger en oude olie sloeg me tegemoet. Normaal vond ik die geur vertrouwd. Vandaag maakte het me misselijk.

Om negen uur zou de grote audit beginnen. Een kwaliteitsinspectie van de importeur. Alles moest spik en span zijn. Gerard liep al sinds half acht rond met een klembord en een rood aangelopen hoofd.

'Dennis!' riep hij toen ik de werkplaats binnenkwam. 'Mooi dat je er bent. Die Mercedes van De Boer, die moet als eerste klaar. De importeur wil specifiek zien hoe wij diagnoses stellen bij elektronische storingen. Jij pakt die, toch? Jij bent mijn beste man.'

'Is goed,' zei ik. Mijn stem klonk vlak. Alsof hij van heel ver weg kwam.

'Top. Om tien uur tekenen we meteen die papieren voor je nieuwe functie. Heb alles klaarliggen op kantoor.' Gerard gaf me een bemoedigend klopje op mijn schouder en beende weer weg, schreeuwend naar Bram dat hij de poetsdoeken van de grond moest rapen.

Ik liep naar de werkplek waar de zwarte Mercedes stond. Ik pakte de diagnosekast. Een duur, ingewikkeld apparaat met tientallen kabels en een digitaal scherm.

Ik deed de motorkap open. De gasveren piepten zachtjes.

Ik keek in het motorcompartiment. Normaal gesproken zag ik meteen wat wat was. Mijn hersenen maakten automatisch een schema: daar zit de luchtmassameter, daar de injectoren, daar de kabelboom naar het motormanagement. Het was alsof ik een plattegrond las.

Maar nu zag ik alleen maar zwart plastic. Slangen. Draden. Een onontwarbare kluwen.

Ik knipperde met mijn ogen. Mijn zicht werd wazig aan de randen, alsof iemand een zwarte rand om mijn gezichtsveld had getekend.

*Wat is dit?* dacht ik. *Kijk gewoon naar die stekker. Pak de multimeter.*

Ik stak mijn hand uit naar het gereedschapsbord om de multimeter te pakken. Mijn vingers weigerden zich te sluiten om het handvat. Ze beefden zo hevig dat het gereedschap met een luid gekletter op de betonnen vloer viel.

Het geluid leek wel een explosie in de werkplaats.

Bram, die twee bruggen verderop aan een wielophanging werkte, keek op. 'Alles goed daar, Den?'

Ik probeerde adem te halen. Maar er kwam geen lucht binnen. Mijn longen voelden aan als twee platgedrukte papieren zakken. Mijn borstkas zat muurvast. Mijn hart begon tekeer te gaan als een dolgedraaide machine, zo hard dat ik het bloed in mijn slapen voelde dreunen.

*Boem. Boem. Boem.*

'Dennis?' Brams stem klonk nu dichterbij. Ongerust.

Ik kon niet praten. Ik keek naar mijn handen. Ze leken niet meer van mij te zijn. Ze leken te horen bij een vreemde die toevallig dezelfde kleren droeg als ik. Ik voelde de grond onder mijn voeten wegzakken, precies zoals in een droom waarin je plotseling van een flatgebouw valt.

*Ik ga dood,* flitste het door mijn hoofd. *Ik krijg een hartaanval. Dit is het einde.*

Gerard kwam zijn kantoor uitgelopen. Hij had het klembord nog vast. 'Wat is er aan de hand hier? Dennis, staat die kar al…'

Hij stopte halverwege zijn zin toen hij me zag staan.

Ik leunde met beide handen tegen het spatbord van de Mercedes. Ik hapte naar adem als een vis op het droge. Het zweet brak me aan alle kanten uit; het liep in straaltjes langs mijn slapen en brandde in mijn ogen.

'Dennis, man, je ziet lijkbleek,' zei Gerard. Hij kwam met grote stappen op me af en legde een hand op mijn arm.

Die aanraking deed het emmertje overlopen. Ik trok mijn arm met een ruk terug alsof hij me met een soldeerbout had aangeraakt.

'Raak me niet aan!' schreeuwde ik.

De hele werkplaats werd in één klap muisstil. De persluchtcompressor sloeg net af. Het enige geluid was mijn eigen, gierende ademhaling.

Iedereen keek me aan. Bram met open mond. Mark met een steeksleutel half in de lucht geheven. Twee monteurs van de overkant. En Gerard, die me aanstaarde met een mengeling van verbijstering en schrik.

'Dennis…' begon Gerard zachtjes, met zijn handen bezwerend omhoog. 'Rustig maar. Ga even zitten in de kantine.'

'Nee,' zei ik. Mijn stem sloeg over. Het klonk rauw en kapot. 'Nee. Ik ga niet zitten. Ik wil die baan niet. Ik wil die klotebaan niet, Gerard. Ik wil dit allemaal niet.'

Ik keek de kring rond. Ik zag hun gezichten. Ze keken niet minachtend. Ze keken niet boos. Ze keken naar me alsof ik een gewond dier was dat elk moment kon uithalen.

Ik kon het niet meer verdragen. Het masker was niet alleen gebarsten; het lag in duizend scherven op de olievlekken van de vloer. Ik kon het niet meer oprapen. Ik kon het nooit meer in elkaar lijmen.

Zonder nog een woord te zeggen draaide ik me om. Ik liet de diagnosekast liggen, liet mijn gereedschapskist openstaan en liep met wankele passen naar de roldeur. Ik duwde de loopdeur open en stapte de regen in.

Ik hoorde Gerard mijn naam nog roepen, maar ik keek niet om. Ik liep naar mijn auto, trok het portier open en ging achter het stuur zitten. Ik sloot de deuren en deed de vergrendeling erop.

Daar zat ik. In de regen. Mijn handen krampachtig om het stuur geklemd, terwijl de tranen die ik vijfentwintig jaar lang had ingeslikt eindelijk naar buiten kwamen. Ik huilde zo hard dat mijn hele lichaam schudde, met lelijke, snakkende geluiden die klonken als een stervend beest.

Hoofdstuk 6

Het hout schuren

De eerste drie dagen na de instorting in de garage deed ik niets. Helemaal niets.

Ik lag op de bank in de woonkamer met de gordijnen dicht. Sanne was woedend geweest, daarna bang, en daarna stil. Ze begreep er niets van. 'Maar Dennis, wát is er dan gebeurd? Heeft Gerard iets gezegd? Heb je ruzie gehad?'

Hoe leg je aan iemand uit dat er niets is gebeurd, behalve dat je dertig jaar lang hebt gedaan alsof je iemand anders was?

'Ik kan niet meer, San,' had ik telkens gezegd, met mijn gezicht naar de kussens gedraaid. 'Het is gewoon op.'

Op donderdagochtend hield ik het niet meer uit in huis. De stilte tussen Sanne en mij was dikker geworden dan mist. Ze keek me aan alsof ik breekbaar glas was, en die blik maakte me nog misselijker dan de angst.

Ik stapte in de auto en reed naar Marslanden. Naar de opslagbox.

Toen ik de roldeur opendeed, rook het weer naar bijenwas en zaagsel. Dezelfde geur als altijd. De Frans-eiken tafel stond nog steeds in het midden van de ruimte, half geschuurd, met de machine er nog naast op de grond waar ik hem die zaterdag had neergegooid.

Ik ging op een houten krat zitten en keek ernaar.

Na een half uur hoorde ik het geluid van banden op nat grind buiten. Een autoportier sloeg dicht. Voetstappen naderden de box.

Ik verstijfde. Wie wist dat ik hier was? Ik had dit adres aan niemand gegeven, behalve aan Sanne voor noodgevallen.

In de opening van de deur verscheen een gestalte tegen het grijze daglicht. Het was Bram.

Hij droeg zijn dagelijkse kleren: een trainingsbroek en een te grote hoodie. Hij had zijn handen in zijn zakken en keek schuchter naar binnen.

'Eh… hoi,' zei hij.

Ik keek hem aan. Ik voelde geen paniek meer. De schaamte was al zo diep gegaan dat er niets meer over was om te beschermen.

'Wat doe jij hier?' vroeg ik zacht.

'Sanne belde vanmorgen naar de zaak. Ze maakte zich zorgen omdat je weg was gegaan. Gerard wist dat je deze box huurde, stond ergens in je personeelsdossier voor de belasting ofzo.' Bram schoof wat ongemakkelijk heen en weer op zijn gympen. 'Gerard durfde zelf niet te komen. Hij dacht dat je hem op zijn bek zou slaan.'

Er verscheen een flauwe glimlach om mijn lippen. 'Ik sla niemand op zijn bek.'

'Mag ik binnenkomen?' vroeg Bram.

Ik knikte.

Bram liep voorzichtig de ruimte in. Hij keek om zich heen, naar de schappen vol potten beits, de zagen aan de muur en de grote eikenhouten tafel.

'Zo,' zei hij zacht. 'Heb jij dit gemaakt?'

'Nee. Gekocht bij een boer. Ik ben hem aan het opknappen.'

Bram liep naar de tafel en liet zijn vingers over het geschuurde hout glijden. Precies zoals ik dat altijd deed. 'Mooi spul, man. Heel anders dan dat plastic uit die dashboards.'

Hij bleef even stil. Het zoemen van de tl-balk leek luider dan ooit.

'Luister, Den,' begon Bram, en hij keek naar zijn schoenen. 'Over maandag…'

'Je hoeft er niks over te zeggen, Bram. Ik ben doorgedraaid. Iedereen zal het er wel over hebben.'

'Niemand lacht je uit, als je dat denkt,' zei Bram fel. Hij keek me nu recht aan. Voor het eerst zag ik geen brutale tiener, maar een jongen die oprecht ergens mee zat. 'We schrokken ons kapot. Jij bent altijd die vent die alles fixt. Als er stront is, los jij het op. Als iemand een rotdag heeft, maak jij een grap. Wij dachten… we dachten dat jij onverwoestbaar was.'

Ik liet mijn hoofd zakken. De woorden kwamen hard binnen.

'Ik ben helemaal niet onverwoestbaar,' zei ik tegen de betonnen vloer. 'Ik speelde een rol, Bram. Al jaren. Ik wilde gewoon… ik wilde gewoon dat jullie me normaal vonden. Dat ik erbij hoorde.'

Bram liet een korte, hese lach horen. 'Normaal? Wat is er nou normaal aan Gerard die tachtig uur per week werkt en zijn vrouw nooit ziet? Of Mark die zich elk weekend klemuipt omdat hij zijn schulden niet kan betalen? Man, niemand van ons is normaal. We doen allemaal maar wat.'

Hij pakte een vel schuurpapier dat op de werkbank lag. Zonder iets te vragen begon hij met kleine, voorzichtige halen over een donkere plek op de tafelpoot te wrijven.

'Gerard zei dat je je tijd moet nemen,' zei Bram terwijl hij schuurde. 'Die functie van bedrijfsleider… hij snapt nu wel dat je die niet wilt. Hij zei dat hij een blinde ezel was geweest.'

Ik keek naar Brams handen. Handen vol eelt, met dezelfde zwarte randjes onder de nagels als ik had. Hij schuurde veel te hard, tegen de draad van het hout in.

'Niet zo,' zei ik, en voor het eerst in dagen klonk mijn stem niet hol, maar stevig. 'Je schuurt tegen de nerf in. Dan maak je krassen die je er nooit meer uit krijgt.'

Bram stopte en keek me vragend aan.

Ik stond op van het krat. Mijn benen voelden nog wat wiebelig, maar ze droegen me. Ik liep naar hem toe, pakte zijn hand vast en draaide het stuk schuurpapier een kwartslag.

'Met de lijn mee bewegen,' zei ik rustig. 'Kijk naar hoe het hout loopt. Altijd meebewegen met hoe het van nature gegroeid is. Nooit ertegenin drukken, want dan sloop je het.'

Bram knikte langzaam. 'Met de lijn mee.'

'Ja,' zei ik, en terwijl ik het zei, voelde ik de knoop in mijn borstkas voor het eerst een klein beetje losser glijden. 'Met de lijn mee.'

Hoofdstuk 7

Gewoon Dennis

Het is nu acht maanden later.

Buiten vallen de eerste herfstbladeren op de stoep voor ons huis. De wind waait door de straten van Stadshagen. Het is dinsdagavond, half zeven. Op tafel staat een pan soep.

Sanne zit tegenover me. Ze heeft haar haar geknipt; korter nu, tot op haar schouders. Het staat haar goed.

'En?' vraagt ze, terwijl ze een stuk brood afbreekt. 'Hoe ging het met Bram vandaag?'

'Goed,' zeg ik. Ik neem een lepel tomatensoep. 'Hij heeft zelfstandig een distributieriem vervangen. Heeft er twee uur langer over gedaan dan de planning, maar hij heeft geen enkele fout gemaakt.'

'En Gerard?'

'Gerard zuchtte natuurlijk over de uren. Maar ik heb gezegd dat Bram de tijd nodig heeft om het goed te leren. En dat als hij sneller moet werken, de kans op fouten groter is.'

Sanne glimlacht. Een echte glimlach dit keer, zonder de spanning die er vroeger altijd onder lag. 'En wat zei Gerard toen?'

'Niks. Hij bromde wat en liep naar zijn kantoor.'

Ik ben niet gestopt bij de garage. Ik ben ook geen fulltime meubelmaker geworden. We hebben een hypotheek, en de werkelijkheid laat zich niet zomaar wegtoveren met een romantisch idee over een houten werkplaats. Ik werk er nog steeds, vier dagen in de week nu. De woensdag ben ik vrij. Die dag breng ik door in box 42.

Ik ben geen assistent-bedrijfsleider geworden. Die baan ging naar iemand van de vestiging in Deventer. Een jongen in een strak pak met een glimmende leaseauto. Laat hem de spreadsheets maar invullen en de targets bewaken. Het kan me werkelijk niets meer schelen.

Mijn werkplaats is veranderd. Of beter gezegd: ik ben er anders in gaan staan.

Vorige week vroeg Mark me weer mee naar de kroeg op vrijdagmiddag. Vroeger had ik een smoes verzonnen, of was ik meegegaan en had ik me lamgezopen om erbij te horen.

Nu keek ik hem aan en zei: 'Nee, Mark. Geen zin in. Ik ga naar huis, lekker schaven aan een kastje.'

Mark keek me even aan alsof ik Chinees sprak. Toen grijnsde hij. 'Jij met je hout altijd. Veel plezier dan maar, ouwe knutselaar.'

En dat was het. De wereld verging niet. Niemand sloot me buiten. Ze vonden het hooguit een beetje vreemd, maar ze accepteerden het. Omdat ik het zelf accepteerde. Ik merkte dat hoe minder ik probeerde te voldoen aan hun plaatje, hoe minder macht hun oordeel over me had.

Het is niet dat alles nu makkelijk is. Helemaal niet.

Er zijn nog steeds ochtenden dat ik opsta met die bekende, zware druk op mijn borst. Ochtenden waarop de oude angst de kop opsteekt: *wat vinden ze van me? Doe ik het wel goed? Ben ik wel man genoeg, succesvol genoeg, leuk genoeg?*

Die stem verdwijnt niet zomaar. Hij zit in mijn botten gesleten, door jaren van aanpassen en pleasen. Maar ik luister er niet meer naar alsof het de waarheid is. Ik hoor de stem, en dan zeg ik tegen mezelf: *Daar ben je weer. Het is goed. Ik hoef vandaag niemand te imponeren.*

Na het eten ruim ik de tafel af. Ik spoel de borden af onder de kraan. Sanne komt achter me staan en slaat haar armen om mijn middel. Ze legt haar hoofd tegen mijn rug, precies op de plek waar de spieren vroeger altijd in de kramp schoten.

'Je bent rustiger,' zegt ze zacht.

'Ben ik dat?'

'Ja. Je bent er weer. Als je tegen me praat, voelt het alsof je er echt bent. Niet alsof je ergens anders met je gedachten zit.'

Ik draai me om in haar armen en kijk haar aan. Geen uitbouw aan het huis. Geen groter pand in Assendorp. We hebben moeten bezuinigen. Minder uit eten, geen dure vakanties. We moesten opnieuw uitvinden wie we waren zonder het plaatje van het perfecte, ambitieuze stel.

Het was niet makkelijk geweest. We hadden geschreeuwd, gehuild, en weken gehad waarin we nauwelijks een woord tegen elkaar zeiden. Maar we stonden hier nog.

'Ik ben gewoon Dennis,' zeg ik.

'Ik weet het,' zegt ze. Ze pakt een theedoek en droogt mijn natte handen af. 'En die Dennis is meer dan genoeg.'

Ik kijk door het raam naar buiten. De straatverlichting springt aan met een zacht oranje schijnsel. Het regent weer een beetje. Een gewone dinsdagavond in een gewone stad.

Ik ben geen held. Ik heb geen wereldschokkende ontdekking gedaan. Ik heb alleen maar ontdekt dat de gevangenis waar ik dertig jaar in zat, nooit op slot had gezeten. Het hek stond altijd al open. Ik was alleen degene die weigerde naar buiten te stappen, uit angst voor de koude wind.

De wind waait nog steeds. Maar ik heb geleerd om mijn kraag op te zetten en gewoon door te ademen.