Naar de inhoud
Terug naar het boek

Verlies en rouw

Wanneer iedereen je vergeten lijkt

Gaat over overlijden en rouw.

Hoofdstuk 1

De datum op het scherm

Mijn naam is Dennis de Graaf. Ik ben achtendertig jaar en ik woon drie hoog achter in Dordrecht, vlak bij het spoor. Overdag zit ik op een heftruck in het centrale magazijn van een groothandel in bouwmaterialen. Ik rijd pallets met gipsplaten, zakken snelbeton en rollen glaswol van A naar B. Het is dom werk, maar het betaalt de huur en het houdt mijn handen bezig. Zolang de motor van de heftruck bromt en ik moet uitkijken dat ik geen stelling omver rijd, hoef ik niet te veel na te denken.

Vanochtend werd ik wakker om tien voor zes, nog voor de wekker ging. Het eerste wat ik zag toen ik mijn telefoon van het nachtkastje pakte, was de datum op het zwarte scherm: 14 november. Twee jaar. Precies twee jaar sinds de nacht dat mijn broertje Thomas om het leven kwam.

Ik bleef op de rand van mijn bed zitten met mijn voeten op het koude laminaat. Mijn telefoon voelde zwaar in mijn hand. Ik wachtte op iets. Een bericht van mijn moeder. Een appje van Dave of Mark, jongens met wie Thomas vroeger elk weekend in de kroeg hing. Zelfs een stomme herinnering van Facebook had ik geaccepteerd. Iets wat liet zien dat deze dag anders was dan gisteren. Maar er kwam niets binnen. Het scherm bleef leeg, op de melding van een nieuwsapp en een mailtje van de energieleverancier na.

Om half zeven fietste ik door de motregen naar de Merwedestraat. De stad rook naar nat asfalt en rottende bladeren. In de kantine van de groothandel zette ik koffie. De automaat pruttelde en spuugde een dunne, donkere straal in een kartonnen bekertje. Rob, een collega met wie ik al vier jaar op dezelfde ploeg sta, schoof aan de formicatafel aan. Hij vouwde de krant open bij het sportkatern.

‘Mogge Dennis,’ zei hij zonder op te kijken. ‘Kouwe ochtend, hè?’

‘Ja,’ zei ik. ‘Goed koud.’

Ik keek naar zijn handen. Dikke vingers met eelt en zwarte randjes onder de nagels. Ik dacht aan twee jaar geleden. Toen Rob op de begrafenis stond in een zwart pak dat hem veel te krap zat bij de schouders. Hij had zijn hand op mijn schouder gelegd en gezegd: ‘Als er wat is, Dennis. Altijd bellen, hè.’

Nu zat hij tegenover me en klaagde over Feyenoord. Hij wist het niet meer. De datum betekende niets voor hem. Voor Rob was 14 november gewoon een dinsdag waarop we veertig pallets isolatiemateriaal moesten lossen voor een aannemer uit Zwijndrecht.

‘Gaat-ie wel?’ vroeg Rob ineens. Hij keek me aan over de rand van zijn leesbril.

Even voelde ik een schok in mijn keel. Alsof er toch een luikje openging.

‘Het is vandaag veertien november,’ zei ik.

Rob knipperde met zijn ogen. Zijn voorhoofd trok in rimpels. Je zag de radartjes in zijn hoofd draaien. Hij zocht naar een verjaardag, een roosterwijziging, een deadline voor de urenbriefjes.

‘Veertien november...’ herhaalde hij langzaam. En toen viel het kwartje. Ik zag het aan zijn mondhoeken die iets naar beneden zakten. De schrik in zijn blik, gevolgd door een ongemakkelijke blik naar de gang.

‘O,’ zei hij zacht. ‘Verrek. Is dat nu alweer... Twee jaar?’

‘Twee jaar,’ zei ik.

‘Tjee man. De tijd vliegt ook.’ Hij schoof zijn bekertje heen en weer op het tafelblad. Hij wist niet waar hij zijn ogen moest laten. ‘Hoe is het met je ouwelui?’

‘Wel oké,’ loog ik.

‘Mooi zo. Sterkte vandaag dan maar, jongen.’ Hij stond meteen op, vouwde zijn krant dicht en pakte zijn sleutelbos. ‘Ik ga de eerste wagen vast klaarzetten. Kom je zo?’

‘Ik kom zo,’ zei ik.

Toen hij de deur achter zich dichttrok, bleef ik alleen achter in de tl-verlichting van de kantine. De tijd vliegt, zei hij. Dat was het. Dat was alles wat de wereld te zeggen had over een jongen van vierentwintig die onder een auto was geschoven. De tijd vliegt. Voor hen wel. Mijn tijd was op 14 november om kwart voor drie ’s nachts stil blijven staan, en niemand had het in de gaten.

Hoofdstuk 2

Drie gemiste oproepen

Het schuldgevoel is geen grote, zwarte wolk. Het is meer een scherp stuk glas dat los in mijn maag ligt. Elke keer als ik ademhaal of beweeg, snijdt het even. De ene dag dieper dan de andere, maar het verdwijnt nooit.

De nacht van het ongeluk begon drie dagen eerder met een ruzie over vierhonderd euro. Thomas had geld geleend voor een reparatie aan zijn barrel van een Golf. Hij zou het terugbetalen zodra zijn loon van het schildersbedrijf gestort was. Maar het loon kwam, en Thomas kocht er een leren jas en kaartjes voor een feest van. We stonden op de parkeerplaats bij de supermarkt. Ik schold hem uit voor onbetrouwbare klootzak. Ik zei dat hij een volwassen vent moest worden en dat ik klaar was met zijn gezeik.

‘Je doet altijd alsof je mijn vader bent, Dennis,’ beet hij me toe. Zijn gezicht stond rood van de woede. ‘Rot toch gewoon op man.’

Hij stapte in zijn auto, trok de deur dicht met een knal en scheurde weg over de klinkers. Dat was de laatste keer dat ik hem overdag zag. De laatste keer dat ik in zijn levende ogen keek.

Op vrijdagavond, 13 november, was ik thuis gebleven. Ik zat op de bank met twee blikken bier en een pizza van de bezorger. Ik keek naar een film op televisie waarvan ik het verhaal na tien minuten alweer kwijt was. Buiten regende het pijpenstelen. De wind beukte tegen de ramen van mijn flat.

Om half een ’s nachts trilde mijn telefoon op de salontafel. Een bericht van Thomas: *Ben in Streefkerk. Feestje is kut. Geen bussen meer. Kan je me halen pik? Regen is niet normaal.*

Ik las het bericht. Ik weet nog precies hoe het blauwe licht van het scherm op mijn hand scheen. Mijn eerste gedachte was: stik er maar in. Eerst vierhonderd euro van me jatten en grote bek geven, en als je koude poten hebt moet grote broer midden in de nacht vijftien kilometer door de polder rijden om je op te halen. Laat hem maar lekker voelen wat het is om keuzes te maken.

Ik typte niets terug. Ik legde de telefoon met het scherm naar beneden op tafel. Ik zette het geluid op stil. Ik dacht: hij regelt maar een slaapplek op de bank bij die gasten, of hij pakt een taxi.

Ik ging naar bed. Ik sliep zwaar, geholpen door het bier en de monotone ruis van de regen op het dak.

Toen ik om kwart over zes wakker werd van het ochtendlicht tussen de gordijnen, was mijn hoofd zwaar. Ik liep naar de woonkamer om koffie te zetten. De telefoon lag nog steeds op dezelfde plek op de salontafel. Ik pakte hem op en tikte op het scherm.

Drie gemiste oproepen. Allemaal van Thomas.

De eerste om 02:14 uur. De tweede om 02:22 uur. De derde om 02:35 uur.

Geen voicemail. Geen sms daarna.

Terwijl ik naar die drie regels tekst op het scherm staarde, ging beneden bij de centrale hal van het portiek de bel. Drie korte, harde drukken. Ik liep op blote voeten naar de intercom en drukte op de knop.

‘Ja?’

‘Politie Dordrecht,’ klonk een stem door de krakende luidspreker. ‘Dennis de Graaf? Kun je de deur opendoen alsjeblieft?’

Toen ze boven kwamen, twee agenten in natte jassen, hoefden ze eigenlijk niets meer te zeggen. Ik zag het aan de manier waarop de oudste van de twee zijn pet afzette voordat hij over de drempel stapte. Thomas had geprobeerd over de dijk naar huis te lopen of te liften. De provinciale weg tussen Streefkerk en Nieuw-Lekkerland. Pikdonker, geen straatlantaarns, bomen dicht op het asfalt. Een automobilist die terugkwam van de nachtdienst had hem te laat gezien. Een klap. Op slag dood.

‘Hij liep aan de verkeerde kant van de weg,’ zei de agent zacht. ‘Het regende te hard. De bestuurder kon niets meer doen.’

Ik dacht alleen maar aan die drie tijdstippen. 02:14. 02:22. 02:35. Bij die laatste oproep had hij nog geleefd. Als ik had opgenomen, als ik in de auto was gestapt, had hij om 02:35 bij de bushalte gestaan te wachten op mijn koplampen. In plaats daarvan lag mijn telefoon met het scherm naar beneden op het spaanplaat van mijn tafel, en liet ik hem doodgaan in de berm.

Hoofdstuk 3

De kringverjaardag

De zaterdag na de sterfdag vierde mijn moeder haar drieënzestigste verjaardag. Ze woont met mijn vader in een rijtjeshuis in Papendrecht. Een wijk met keurig geschoren ligusterhagen en grindtegels in de voortuin.

Toen ik binnenkwam, zaten mijn tante Carla, oom Henk en de buurvrouw al in de kring in de woonkamer. De geur van koffie en appeltaart hing dik tussen de muren. Mijn vader stond bij het aanrecht glazen te vullen met limonade voor de kleinkinderen van mijn zus. Alles zag eruit zoals het er altijd uitzag. Gezellig. Normaal.

‘Dag jongen,’ zei mijn moeder. Ze gaf me drie natte zoenen op mijn wang. Haar handen waren warm van het afwassen. Ze keek me even aan, een fractie van een seconde langer dan normaal, en in haar ogen zag ik een flits van dezelfde vermoeidheid die ik elke ochtend in de spiegel zag. Maar haar stem bleef hoog en opgewekt. ‘Fijn dat je er bent. Wil je slagroom op je taart?’

‘Graag,’ zei ik.

Ik ging op de lage poef bij de vensterbank zitten. Oom Henk praatte over zijn nieuwe warmtepomp. Hij legde met veel handgebaren uit hoeveel kilowattuur hij per maand bespaarde en dat de overheid subsidie gaf als je het voor het einde van het jaar liet doen. Tante Carla knikte braaf en at kleine hapjes van haar taart met een zilveren vorkje.

Ik keek naar de kast tegen de achterwand. Boven op de kast stonden familiefoto’s in zilveren lijstjes. Mijn zus met haar diploma. Mijn ouders op vakantie in Oostenrijk, dertig jaar geleden. En een foto van Thomas en mij op het strand van Renesse. We waren veertien en tien. We hadden natte haren van de zee, onze neuzen waren rood verbrand en we hielden samen een grote, dode krab omhoog. Thomas lachte met zijn mond wijd open, twee voortanden scheef over elkaar.

Het lijstje was een stukje naar achteren geschoven. Achter een vaas met zijden tulpen.

‘Henk, geef Dennis nog wat te drinken,’ zei mijn vader vanaf het dressoir. Hij pakte een fles pils en hield die omhoog.

‘Lekker, pap,’ zei ik.

Toen mijn vader het glas voor me neerzette, keek ik hem aan. Zijn haar was in twee jaar tijd bijna helemaal wit geworden. Onder zijn ogen hingen diepe, donkere kringen, maar hij had zijn beste geruite overhemd aangetrokken en een grapje gemaakt over het weer.

‘Thomas hield ook altijd zo van appeltaart,’ flapte ik eruit.

Het was niet eens de bedoeling om het er zo lomp uit te gooien. Het kwam gewoon naar boven, alsof de lucht in mijn longen ineens ruimte nodig had.

De stilte die viel, sloeg in als een sloopkogel. Henk stopte midden in een zin over zijn isolatiewaarde. Tante Carla hield haar vorkje halverwege haar mond stil. Mijn moeder verstijfde bij de koffiekan. Haar vingers knepen zo hard in het plastic handvat dat haar knokkels wit wegtrokken.

Niemand keek me aan. Iedereen keek naar het vloerkleed, naar hun eigen bordje, naar het kozijn.

‘Nou,’ zei tante Carla na vier seconden die voelden als een uur. Ze kuchte in haar hand. ‘Die van de bakker op het plein is toch altijd net iets minder zoet dan die van jezelf, Gerda.’

‘Zelfgebakken is altijd beter,’ zei mijn vader snel. Te luid. Hij draaide zich om naar Henk. ‘Hoeveel van die panelen heb je nou precies op het dak liggen, Henk? Stuk of twaalf?’

‘Veertien,’ zei Henk dankbaar. ‘Zuidwest ligging.’

Het gesprek denderde verder over omvormers, isolatieglas en de gemeentelijke belastingen. Alsof Thomas nooit had bestaan. alsof ik zojuist een smerige vloek had uitgesproken in een volle kerk.

Ik keek naar mijn moeder. Ze draaide haar rug naar de kamer en begon met overdreven veel lawaai kopjes op een dienblad te zetten. Haar schouders stonden hoog en gespannen. Ze wilde het niet horen. Ze kon het niet horen. Als niemand zijn naam noemde, was het alsof de wond dicht zat met een dun laagje korst. En ik had er zojuist een vinger in gestoken en de korst eraf getrokken.

Ik zette mijn bordje op de grond, zonder de taart op te eten. Ik stond op.

‘Ik moet gaan,’ zei ik.

‘Nu al?’ vroeg mijn vader. Hij keek me niet recht aan, maar naar mijn schouder.

‘Ja. Drukke week op de zaak morgen.’

Buiten op straat snoerde de kou mijn keel dicht. Ik stapte in mijn auto en sloeg met mijn vuist op het stuur tot mijn knokkels bloedden. Ze waren hem aan het wissen. Stukje bij beetje, verjaardag na verjaardag, schoven ze hem achter de vaas met tulpen tot hij niet meer te zien was. En ik was de enige die hem nog zag staan.

Hoofdstuk 4

Bijna geraakt

Mijn flat was veranderd in een opslagplaats van stilte. Ik deed de afwas niet meer elke dag. Lege pizzadozen stapelden zich op naast de vuilnisbak. In de gang hing aan de kapstok nog steeds Thomas’ groene bomberjack. Hij had hem een week voor zijn dood bij mij laten hangen toen we naar de kroeg waren geweest.

Soms, als ik thuiskwam van mijn werk, liep ik naar die jas toe. Ik begroef mijn neus in de kraag. Twee jaar lang had er nog een vage zweem van zijn geur aan gezeten: zware shag, goedkope aftershave en de geur van regen. Maar de laatste weken rook ik niets meer. Alleen nog het muffe stof van mijn eigen gang. De jas was dood textiel geworden. Zelfs zijn geur liet me in de steek.

Op mijn werk begon ik fouten te maken. Ik lette niet op. Ik zette een pallet met gevelstenen op de verkeerde plek neer. Ik vergat vrachtbrieven af te tekenen. Mijn hoofd zat vol met mist en die drie tijdstippen: 02:14, 02:22, 02:35.

Op een donderdagmiddag ging het bijna helemaal mis.

Ik reed met de heftruck door gangpad 4. Twee ton aan kalkzandsteen op de lepels, hoog geheven om ze in de bovenste stelling te schuiven. Mijn ogen brandden van het slaaptekort. Ik dacht aan de koplampen van die auto op de provinciale weg. Hoeveel seconden had Thomas gezien dat het misging? Had hij zijn armen voor zijn gezicht gehouden? Had hij mijn naam geroepen toen hij die auto zag aankomen?

‘Dennis! Kijk uit!’

Een schreeuw sneed door het lawaai van de hal. Ik trapte instinctief op de rem. De zware machine schokte voorover. Door de abrupte stop kantelde de pallet op de vorken. Ik hoorde het hout van de pallet kraken. Twee zware blokken zandsteen braken los en stortten naar beneden.

Ze sloegen met een doffe dreun op het beton, nog geen meter naast Mo, een jonge uitzendkracht van negentien die net met een steekkarretje om de hoek van de stelling kwam lopen. De stenen spatten in stukken uiteen. Het gruis vloog tegen Mo’s veiligheidsschoenen.

Mo stond doodstil. Zijn gezicht was krijtwit. Zijn ogen waren groot van doodsangst. Als hij een seconde eerder was doorgelopen, hadden die blokken zijn schedel verbrijzeld.

Ik zat op mijn stoel en kon mijn vingers niet van het stuurwiel losmaken. Ze voelden verlamd.

Tien minuten later zat ik op het kantoor van Kees, de magazijnchef. Kees is een vent van begin zestig met een buik die over zijn riem hangt en het geduld van een ezel, maar nu sloeg hij met een platte hand op zijn bureau dat de pennenbak danste.

‘Wat bezielt jou in godsnaam, Dennis?’ brieste hij. ‘Je had die gozer kunnen vermoorden! Wat doe je met je lepels op die hoogte tijdens het rijden? Dat zijn de basisregels, verdomme!’

Ik staarde naar een vlek op het linoleum tussen mijn schoenen.

‘Het spijt me,’ mompelde ik.

‘Het spijt me? Daar koop ik niks voor als de arbeidsinspectie hier op de stoep staat met een lijkzak!’ Kees leunde achterover. Zijn stoel piepte hevig. Hij keek me lang aan. De boosheid vloeide langzaam weg uit zijn gezicht en maakte plaats voor iets wat nog veel erger was: medelijden.

‘Waar ben je toch met je kop, man?’ vroeg hij zachter. ‘Sinds die rottijd met je broer ben je een spook. We hebben je de ruimte gegeven, Dennis. Vorig jaar, het jaar daarvoor. We hebben dingen door de vingers gezien. Maar dit kan niet. Je bent er gewoon niet bij.’

‘Ik ben er wel,’ zei ik zacht.

‘Nee,’ zei Kees hard. ‘Je bent hier niet. Je zit ergens anders. En als je jezelf te pletter wil rijden, moet je dat thuis doen, maar niet op mijn werkvloer met jongens van negentien erbij.’

Hij pakte een formulier. ‘Je pakt je spullen. Je neemt de rest van de week vrij. Maandag meld je je bij de bedrijfsarts. En als die zegt dat je niet helder bent, blijf je thuis tot je je kop weer op orde hebt. Begrepen?’

Ik knikte alleen maar. Ik leverde mijn contactsleutel in en liep naar de kleedkamer. Mijn handen trilden zo erg dat ik mijn jas bijna niet dichtgeritst kreeg. Kees had gelijk. Ik was een gevaar. Niet omdat ik dood wilde, maar omdat ik niet wist hoe ik moest leven terwijl Thomas nergens meer was.

Hoofdstuk 5

De dijk in de regen

Die zaterdagavond trok er een zware herfststorm over Zuid-Holland. De regen sloeg horizontaal tegen de gevel van mijn flat. Binnen zat ik in het donker met een fles goedkope whisky die ik bij de slijter op de hoek had gehaald. Ik had hem al voor een derde leeggedronken. De drank brandde in mijn keel, maar maakte mijn hoofd niet zachter. Het maakte alles alleen maar scherper, kouder en rauwer.

Ik dacht aan mijn ouders, die nu waarschijnlijk televisie keken met de gordijnen dicht. Ik dacht aan Rob, die op een verjaardag zat. Ik dacht aan al die mensen die doorgingen met ademhalen, werken, eten en lachen, terwijl de aarde op 14 november gewoon was blijven draaien alsof er niets verloren was gegaan.

Om elf uur hield ik het niet meer uit. De muren van mijn woonkamer kwamen op me af. Ik pakte mijn autosleutels en liep naar beneden. Zonder jas, alleen in mijn trui.

Ik stapte in mijn oude Golf en reed de stad uit. Richting de polder. Richting de Molendijk bij Streefkerk.

De ruitenwissers sloegen op volle snelheid heen en weer over het raam, maar ze konden het water amper weggewerkt krijgen. De weg was smal, zwart en glimmend. Aan de ene kant de diepe sloot, aan de andere kant het donkere weiland dat verdween in de nacht. Ik reed te hard. De banden zochten grip op het natte asfalt. Even dacht ik: als ik nu een ruk aan het stuur geef, is het voorbij. Geen schuldgevoel meer. Geen stilte meer. Geen lege blikken van mijn ouders.

Maar ik deed het niet. Zelfmoord was te makkelijk. Dat verdiende ik niet. Ik moest voelen wat er gebeurd was.

Ik zette de auto aan de kant op de plek waar het was gebeurd. Er was niets meer dat aan die nacht herinnerde. Twee jaar geleden hadden vrienden er houten kruisjes en bloemen neergezet. Er hadden kaarsjes gebrand in glazen potten. Nu was het gewoon een stuk berm. Zompig gras, brandnetels en platgereden modder.

Ik stapte uit. De wind greep meteen mijn trui en trok de warmte uit mijn lijf. Binnen tien seconden was ik doorweekt tot op mijn hemd. De regen sloeg in mijn ogen, zout en koud.

Ik liep naar de rand van het talud. Ik keek naar beneden, de donkere sloot in.

‘Hier was het!’ schreeuwde ik tegen de wind in. Mijn stem klonk belachelijk klein tegen het geweld van de storm. ‘Hier lag je!’

Ik voelde de whisky in mijn benen. Ik struikelde over een pol gras en viel op mijn knieën in de modder. De kou trok direct door mijn spijkerbroek heen. Ik zette mijn handen in de natte klei.

‘Ik had moeten opnemen!’ schreeuwde ik. De tranen kwamen nu los, heet over mijn ijskoude wangen. Ik jankte als een dier. ‘Ik lag op de bank, klootzak! Ik lag op de bank te pitten omdat ik boos was over vierhonderd kut-euro’s!’

Niemand antwoordde. Alleen de wilgen langs het water zwiepten heen en weer in de wind. Er kwamen geen koplampen aan. Er was geen God die zei dat het me vergeven was. Er was alleen maar regen, modder en een leeg weiland.

Ik sloeg met mijn vlakke hand in de modder tot mijn armen verzuurden. Ik wilde dat Thomas me hoorde. Ik wilde dat hij me verdomme terug schold. Ik wilde dat hij zei dat ik een waardeloze broer was, dat het mijn schuld was dat hij daar in het donker had gelegen met gebroken ribben en een stilstaand hart. Zelfs zijn haat was beter geweest dan deze absolute, ijzige leegte.

Maar er kwam niets. De wereld zweeg.

Ik bleef op mijn knieën zitten tot ik niet meer kon rillen van de kou. Mijn vingers waren wit en gevoelloos. Mijn kleren wogen loodzwaar van het water. Toen pas begreep ik het: mijn schuldgevoel was het enige wat Thomas nog overeind hield. Ik hield de wond met opzet open, omdat de pijn het enige bewijs was dat hij had bestaan. Als ik de pijn losliet, als ik ophield met mezelf te haten, was hij pas écht dood.

Hoofdstuk 6

Het gesprek aan de keukentafel

Ik weet niet hoe ik thuis ben gekomen die nacht. Ik herinner me alleen de kachel van de auto die hete lucht blies op mijn ijskoude benen, en de geur van natte hond die uit mijn kleren opsteeg.

De volgende middag stond ik voor de deur van een rijtjeshuis in Alblasserdam. Jeroen deed open. Jeroen was Thomas’ beste vriend geweest sinds de brugklas. Ze hadden samen brommers opgevoerd, samen hun eerste joint gerookt en samen achter de meiden aangezeten.

Jeroen zag er anders uit dan twee jaar geleden. Hij had een donkerblauwe trui aan zonder vlekken, zijn baard was getrimd en vanuit de gang hoorde ik het zachte gepiep van een baby. Hij keek verbaasd toen hij me zag staan.

‘Dennis?’ zei hij. ‘Wat doe jij hier?’

‘Heb je even?’ vroeg ik. Mijn stem was schor van het schreeuwen op de dijk.

Hij aarzelde heel even. Hij keek over zijn schouder naar binnen. ‘Ja... ja, kom verder. Sanne is net met de kleine naar boven.’

We gingen aan de keukentafel zitten. Het rook er naar vers gezette thee en Zwitsal. Op de koelkast hingen tekeningen en een geboortekaartje. Een heel ander leven dan het mijne. Een leven dat doorging.

Jeroen zette een mok koffie voor me neer. Hij bleef staan, leunend tegen het aanrecht met zijn armen over elkaar.

‘Ik was gisteren op de dijk,’ zei ik zonder omwegen.

Jeroen werd stil. Zijn blik gleed af naar de vloer.

‘Waarom praat niemand meer over hem, Jeroen?’ vroeg ik. Mijn stem trilde, maar ik probeerde hem strak te houden. ‘Waarom doet iedereen alsof hij lucht is? Alsof hij een pop was die van de tafel is gevallen en in de prullenbak is gegooid?’

Jeroen haalde diep adem. Hij wreef met zijn hand over zijn voorhoofd. ‘Dennis, hou alsjeblieft op.’

‘Nee!’ zei ik harder dan de bedoeling was. ‘Ik hou niet op! Twee jaar, man. Afgelopen dinsdag was het twee jaar. Jij hebt niets gestuurd. Niemand heeft iets gestuurd. Mijn ouders durven zijn naam niet eens te noemen bij de koffie. Ben ik nou de enige die hem mist? Was hij dan zo makkelijk te vergeten?’

Toen werd Jeroen kwaad. Zijn gezicht trok strak en hij zette twee stappen naar de tafel. Hij leunde voorover, zijn handen plat op het hout.

‘Denk jij nou echt dat jij het alleenrecht hebt op dat verdriet?’ beet hij me toe. Zijn ogen stonden vurig. ‘Denk jij dat ik hem niet mis? Elke keer als ik in mijn auto stap en over die kutdijk rijd, draait mijn maag om. Elke keer als ik naar mijn zoontje kijk, denk ik: Thomas had zijn peetoom moeten zijn. Maar weet je wat het is, Dennis? Ik heb een vrouw. Ik heb een kind van vier maanden. Ik moet morgenochtend om zeven uur op de bouw staan om de hypotheek te betalen!’

Hij sloeg met zijn vinger op tafel.

‘Als ik elke dag ga zitten janken om wat er gebeurd is, ga ik eraan onderdoor. Mijn ouders kunnen het niet aan. Jouw ouders kunnen het niet aan. Je moeder belt Sanne soms, weet je dat? Huilend. Omdat ze bang is dat jij jezelf wat aandoet. Maar ze durft het tegen jou niet te zeggen, omdat jij als een tikkende tijdbom rondloopt!’

De woorden kwamen hard aan. Alsof iemand me een stomp in mijn maag gaf.

‘Zij vergeten hem niet,’ zei Jeroen zachter, maar met dezelfde felheid. ‘Niemand vergeet Thomas. We proberen alleen maar te overleven. En jij... jij sluit jezelf op in die flat van je en je wijst met je vingertje naar de rest van de wereld omdat wij niet met je mee ten onder gaan.’

‘Het was mijn schuld,’ bracht ik eruit. De brok in mijn keel was zo groot dat ik amper kon praten. ‘Hij belde me. Drie keer. Ik nam niet op.’

Jeroen liet zijn schouders zakken. De woede verdween uit zijn ogen en maakte plaats voor een oneindige vermoeidheid. Hij schoof een stoel naar achteren en ging tegenover me zitten.

‘Dennis,’ zei hij rustig. ‘Thomas was stomdronken. Hij had geen licht op zijn fiets. Hij had besloten om over een onverlichte weg te gaan lopen in de stromende regen terwijl hij wist dat het levensgevaarlijk was. Dat was Thomas. Hij nam altijd risico’s. Dat hielden we van hem, maar dat was ook zijn zwakte.’

Hij pakte mijn arm beet. Zijn greep was stevig.

‘Jij hebt hem niet doodgereden. En jij bent niet zijn bewaker. Je had op kunnen nemen, ja. Misschien was het anders gelopen. Misschien had hij je uitgescholden door de telefoon en was hij toch gaan lopen. Je weet het niet. Maar je kunt niet de rest van je leven boete doen voor iets wat een stomme, noodlottige samenloop van omstandigheden was.’

Ik keek naar zijn hand op mijn arm. Ik wilde hem wegslaan. Ik wilde vasthouden aan mijn schuld, want mijn schuld voelde tenminste nog als een band met Thomas. Maar Jeroens blik liet me niet los. Eerlijk, hard en zonder medelijden.

‘Laat hem gewoon dood zijn, Dennis,’ zei Jeroen zacht. ‘Niet vergeten. Maar wel dood. Want nu vermoord je jezelf er langzaam mee.’

Hoofdstuk 7

Ruimte maken

De maandag na het gesprek met Jeroen ging ik naar de bedrijfsarts. Een kalme vrouw met een bril en een kantoor dat rook naar papieren dossiers. Ik vertelde haar niet het hele verhaal over de dijk en de modder, maar wel dat ik vastzat. Dat ik niet sliep. Dat mijn broer twee jaar geleden was verongelukt en dat ik het gevoel had dat ik stikte in de stilte.

Ze schreef me niet ziek, maar ze zette me voorlopig van de heftruck af. Vier weken lang lichte administratie en orders pikken met de handscanner in het kleine magazijn. Geen zware machines. Even geen gevaar voor anderen.

Die zaterdagmiddag stapte ik in de auto en reed naar Papendrecht. Niet voor een verjaardag. Gewoon, zomaar.

Mijn moeder deed open. Ze had een schort voor en bloem aan haar handen. Toen ze me zag, schrok ze even, alsof ze bang was voor slecht nieuws.

‘Dennis? Is er wat?’

‘Nee mam,’ zei ik. ‘Ik kom gewoon even langs. Heb je thee?’

We zaten aan de keukentafel. Mijn vader was naar de bouwmarkt voor tochtstrips. De stilte hing weer tussen ons, dezelfde stilte als altijd, maar deze keer liet ik hem niet groeien tot hij de hele kamer vulde.

‘Mam,’ zei ik.

Ze keek op van haar theeglas. Haar handen lagen stil op het tafelzeil.

‘Ik mis hem zo,’ zei ik.

Het was geen aanval. Geen verwijt. Gewoon een constatering. Vier woorden.

De lippen van mijn moeder begonnen te trillen. Ze probeerde het tegen te houden, zoals ze dat altijd deed, door haar kaken strak op elkaar te klemmen. Maar het lukte niet meer. De eerste traan rolde over haar wang en viel op het plastic van het tafelzeil.

‘Ik ook, lieverd,’ fluisterde ze. Haar stem brak helemaal doormidden. ‘Elke dag. Elke seconde.’

Ik stond op en liep om de tafel heen. Ik sloeg mijn armen om haar schouders. Ze boog haar hoofd tegen mijn borst en begon te huilen. Niet het nette, ingehouden huilen dat ze op de begrafenis had laten zien, maar diepe, schokkende uithalen die uit het diepste van haar buik kwamen. Ik hield haar vast. Mijn eigen tranen vielen in haar grijze haar.

We zeiden een kwartier lang helemaal niets. We hielden elkaar gewoon vast in de keuken, terwijl de klok boven het fornuis tikte. Het loste niets op. Thomas kwam er niet van terug. De pijn werd er niet minder van. Maar voor het eerst in twee jaar droeg ik het gewicht niet helemaal alleen.

Toen ze een beetje gekalmeerd was, snoot ze haar neus in een papieren zakdoekje. Ze pakte mijn hand vast en kneep erin.

‘Papa kan het niet,’ zei ze zacht. ‘Als hij erover praat, stort hij in. Dan kan hij niet meer werken. Daarom doet hij zo. Niet omdat hij Thomas vergeet, Dennis. Maar omdat hij bang is dat hij anders nooit meer opstaat.’

‘Ik weet het,’ zei ik.

Toen ik die avond thuiskwam in mijn eigen flat, was het nog steeds leeg en stil. Maar de lucht voelde anders. Minder benauwd.

Ik liep naar de gang. Ik pakte Thomas’ groene bomberjack van de kapstok. Ik bracht hem niet naar mijn neus om te ruiken. Ik keek er gewoon naar. Een oud stuk nylon met een rits die een beetje klemde bij de kraag.

Ik liep naar de slaapkamer, pakte een kartonnen doos uit de kast en legde de jas erin. Netjes opgevouwen. Samen met de oude foto van het strand in Renesse en de contactsleutel van zijn Golf die ik nog altijd aan mijn eigen sleutelbos had hangen.

Ik plakte de doos niet dicht. Ik zette hem boven op de kledingkast. Uit het zicht, maar niet weggegooid. Hij was er nog.

Ik liep terug naar de woonkamer en zette voor het eerst in maanden de televisie aan. Gewoon een stom praatprogramma. Het geroezemoes vulde de kamer.

Het schuldgevoel lag nog steeds in mijn maag, als dat scherpe stuk glas. Ik wist dat het daar de rest van mijn leven zou blijven liggen. Het zou me blijven herinneren aan die drie gemiste oproepen om 02:14, 02:22 en 02:35. Maar het glas sneed niet meer bij elke ademhaling. Soms was het gewoon een stomp gewicht dat me vertelde dat ik een broer had gehad van wie ik hield, en dat de wereld doordraaide, zelfs als we dat allebei niet hadden gewild.