Naar de inhoud
Terug naar het boek

Ziekte en gezondheid

Wachten op een nieuwe nier

Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.

Hoofdstuk 1

Wachten op een nieuwe nier — De uitslag

Toen mijn huisarts belde, stond ik bij de kassa van de Albert Heijn in Amersfoort. Er lag een zak aardappels op de band. Daarnaast melk, brood en kattenvoer.

‘Meneer Van Dijk, waar bent u?’

‘Boodschappen doen.’

‘Kunt u vandaag nog naar het Meander komen? Ik heb overleg gehad met de internist. Uw nierfunctie is ernstig verminderd.’

De caissière wees naar het pinapparaat. Ik hield mijn telefoon tussen mijn schouder en oor en betaalde. Buiten ging ik op een betonnen paaltje zitten.

‘Hoe ernstig?’ vroeg ik.

‘Dat moeten ze verder onderzoeken. Maar dit kan niet wachten tot volgende week.’

Ik heet Ruben van Dijk. Ik was drieënveertig, werkte als planner bij een installatiebedrijf en dacht dat mijn vermoeidheid kwam door te weinig slaap. Mijn dochter Noor was twaalf. Mijn vrouw Sanne werkte in de thuiszorg. We hadden een rijtjeshuis in Schothorst en een badkamer die ik al twee jaar wilde verbouwen.

Ziek zijn paste nergens tussen.

Sanne haalde me thuis op. De boodschappen stonden nog in de gang. Ze zag mijn gezicht en pakte mijn autosleutels van het haakje.

‘Ik rijd.’

Onderweg vertelde ik dat het waarschijnlijk een fout in het laboratorium was. Ze liet me praten. Alleen bij het stoplicht op de Ringweg legde ze haar hand even op mijn knie.

In het ziekenhuis werd mijn bloeddruk opnieuw gemeten. Veel te hoog. Er volgden buisjes bloed, een hartfilmpje en een echo. Op het scherm zag ik grijze vormen die bij mijn lichaam hoorden, maar me niets vertelden.

Een arts ging tegenover ons zitten. Ze heette dokter Vermeer.

‘Uw nieren werken nog maar voor een klein deel. We denken aan schade die over langere tijd is ontstaan.’

‘Dus medicijnen?’ vroeg ik.

‘Die gaan we zeker geven. Maar we moeten ook onderzoeken waardoor dit komt en hoeveel herstel nog mogelijk is.’

Ik bleef hangen bij dat woord. Mogelijk.

Ik werd opgenomen. Sanne bracht een tas met ondergoed, een oplader en mijn leesbril. Noor kwam mee. Ze stond naast mijn bed in haar blauwe hockeytrui.

‘Ga je dood?’ vroeg ze.

Sanne keek naar mij. Niemand nam de vraag over.

‘Dat is nu niet wat de dokter zegt,’ antwoordde ik. ‘Maar ik ben wel echt ziek.’

Noor knikte. Daarna vroeg ze of ze mijn pudding mocht hebben. Ik schoof het bakje naar haar toe. Ik was blij dat er even iets eenvoudigs te regelen viel.

De volgende ochtend kreeg ik een nierbiopt. Daarna moest ik uren plat blijven liggen. Ik hoorde op de gang een kar rammelen. Mijn telefoon trilde telkens. Collega’s wilden weten waar een sleutel lag, welke monteur naar Soest moest en of ik vrijdag weer aanwezig was.

Ik stuurde mijn leidinggevende, Peter, één bericht: Ik weet nog niet wanneer ik terugkom.

Hij belde meteen.

‘Laat je werk maar liggen. Echt.’

Toch legde ik hem eerst uit waar de planning stond.

De uitslag kwam later. IgA-nefropathie. Een aandoening die mijn nieren had beschadigd zonder dat ik had begrepen wat er gebeurde. Er zat veel littekenweefsel. Wat verloren was gegaan, zou niet zomaar terugkomen.

Ik vroeg of ik te laat was gekomen.

Dokter Vermeer schoof haar stoel dichterbij.

‘U had eerder onderzocht kunnen worden. Maar dat betekent niet dat u dit had kunnen voorkomen. U hebt geen duidelijke waarschuwing gekregen.’

Ik dacht aan de middagen waarop ik in slaap viel op de bank. Aan mijn jeukende benen. Aan de smaak van metaal bij het ontbijt. Ik had overal een verklaring voor gehad.

Thuis kreeg ik pillendozen, afspraken en een bloeddrukmeter. Sanne legde een schrift naast de fruitmand. Ik moest mijn waarden opschrijven. Elke ochtend ging ik op dezelfde stoel zitten, met mijn arm op tafel.

Na drie maanden behandeling was er nauwelijks verbetering. Ik werd misselijk van warm eten. Mijn schoenen gingen strakker zitten. Op een donderdag zei dokter Vermeer dat we dialyse moesten voorbereiden. Ook een transplantatie kwam ter sprake.

‘Een nieuwe nier?’ vroeg ik.

‘Als uit de onderzoeken blijkt dat u daarvoor geschikt bent.’

Ik keek naar Sanne. Zij hield haar pen boven het schrift, maar schreef niets.

Op de parkeerplaats wist ik niet meer waar onze auto stond. Ik liep de verkeerde rij in. Sanne riep me terug.

‘Ruben.’

Ik draaide me om.

‘We hoeven vandaag niet alles te begrijpen,’ zei ze.

Ik liep naar haar toe. Voor het eerst die dag kon ik niet antwoorden.

Hoofdstuk 2

De eerste aansluiting

De vaatchirurg tekende een streep op mijn linkeronderarm. Daar moest een fistel komen. Een verbinding tussen een slagader en een ader, zodat er later voldoende bloed door de dialysemachine kon stromen.

‘Voel maar,’ zei de verpleegkundige na de operatie.

Onder het verband trilde iets. Alsof er een klein motortje in mijn arm zat.

Ik vond het vies. Daarna schaamde ik me voor dat woord. Dit was geen vies ding. Dit moest me helpen leven.

We hadden ook over buikdialyse gesproken. Over thuis behandelen en over wat dat van ons zou vragen. Na gesprekken en onderzoeken koos ik voor hemodialyse in het centrum. Ik wilde eerst mensen om me heen die wisten wat ze deden. Achteraf bleef ik soms denken aan de andere mogelijkheid. Vooral tijdens de autoritten naar het ziekenhuis.

Mijn fistel kreeg tijd om zich te ontwikkelen. Intussen ging mijn conditie verder achteruit. Ik braakte op een ochtend boven de gootsteen terwijl Noor haar brood smeerde.

‘Was het de yoghurt?’ vroeg ze.

‘Nee.’

Meer zei ik niet. Ze schoof haar bord van me weg. Dat kleine gebaar deed meer pijn dan het overgeven.

Een week later begon ik met dialyse.

Verpleegkundige Fatima wees een stoel aan bij het raam. Buiten stond een bestelbus achteruit tegen een laadperron. De chauffeur at een banaan. Ik bleef naar hem kijken terwijl Fatima haar spullen klaarlegde.

‘Wil je zien wat ik doe?’ vroeg ze.

‘Liever niet.’

‘Dan vertel ik het eerst.’

De naalden waren dikker dan ik had verwacht. Bij de eerste kneep ik mijn ogen dicht. Bij de tweede vloekte ik.

‘Dat mag hier,’ zei Fatima.

Bloed liep door de slangen. Mijn bloed. Ik wist dat het de bedoeling was, maar mijn lichaam reageerde alsof er iets fout ging. Mijn hart bonsde.

Fatima ging naast me zitten.

‘Kijk naar mij. We beginnen rustig.’

Tegenover me zat een man met een puzzelboek. Hij keek nauwelijks op.

‘Eerste keer?’

Ik knikte.

‘Henk. Aangenaam. Je went aan een hoop. Niet aan alles.’

Dat was het eerste antwoord die ochtend dat me echt geruststelde. Hij beloofde niets.

De eerste behandelingen waren korter. Later werd het drie keer per week ongeveer vier uur. Maandag, woensdag en vrijdag. Daar kwamen reizen, wegen, wachten en herstellen bij. Op papier bleef er genoeg week over. In mijn lijf veel minder.

Na een behandeling stond ik te snel op. De vloer leek te kantelen. Fatima ving mijn elleboog en zette me terug in de stoel.

‘Nog even blijven zitten.’

Thuis lag ik die middag met mijn jas aan op bed. Ik hoorde Sanne beneden de vaatwasser uitruimen. Ik wilde helpen. Ik wilde ook dat niemand iets van me vroeg.

Dat tweede gevoel was sterker.

De diëtist besprak zout, vocht en mijn bloedwaarden. Niet alles hoefde verboden. Wel moest ik ineens nadenken over dingen die daarvoor vanzelf gingen. Hoeveel ik dronk. Wat ik at. Hoeveel urine er nog kwam.

Een beker water naast het bed werd iets wat ik moest meetellen. Op warme dagen nam ik kleine slokken en werd ik kwaad op advertenties waarin mensen achteloos grote glazen leegdrongen.

Noor wilde tijdens het avondeten een grap maken.

‘Papa heeft nu een oplaadkabel in zijn arm.’

‘Zo werkt het niet,’ zei ik scherp.

Ze keek naar haar bord.

Sanne legde haar vork neer. ‘Ze probeert erover te praten.’

Ik wist dat ze gelijk had. Toch liep ik naar boven.

Later klopte ik op Noors deur. Ze zat op de grond tussen haar schoolboeken.

‘Die grap was niet fout,’ zei ik. ‘Ik was boos. Niet op jou.’

‘Je bent wel vaak boos.’

Ik ging voorzichtig op haar bed zitten.

‘Ja.’

Ze trok een los draadje uit haar sok.

‘Kun je dat dan zeggen voordat je snauwt?’

Dat spraken we af. Het lukte niet altijd.

Op mijn werk hield ik eerst vast aan halve dagen. Ik wilde bewijzen dat ik nog bruikbaar was. Maar ik stuurde twee monteurs naar hetzelfde adres en vergat een spoedklus. Peter sloot de deur van zijn kantoor.

‘We moeten dit anders indelen.’

Ik hoorde: je kunt het niet meer.

Hij zei: ‘Twee rustige ochtenden. Taken zonder tijdsdruk. En we bespreken het met de bedrijfsarts.’

Bij de volgende dialyse vertelde ik het aan Henk.

‘Ik raak alles kwijt,’ zei ik.

Hij legde zijn puzzel neer.

‘Vandaag je werkuren. Dat is al rot genoeg. Maak er niet alvast alles van.’

Ik vond hem een bemoeial. Maar onderweg naar huis bleef zijn zin in mijn hoofd zitten.

Hoofdstuk 3

Op de lijst

Voor een plek op de wachtlijst moest ik naar het UMC Utrecht. Ik had gedacht dat één gesprek voldoende zou zijn. Het werden onderzoeken, afspraken en formulieren.

Mijn hart moest worden bekeken. Mijn bloedvaten ook. Er werd bloed afgenomen voor infecties, weefseltypering en antistoffen. Zelfs een ontstoken kies kon de voorbereiding vertragen.

‘Ze zoeken zeker een reden om me af te wijzen,’ zei ik tegen Sanne.

We zaten in de parkeergarage. Ze had de motor nog niet gestart.

‘Ze zoeken uit of je die operatie aankunt.’

‘Dat weet ik ook wel.’

‘Waarom zeg je het dan tegen mij alsof ik die kies heb aangestoken?’

Ik keek naar mijn schoenen. Daar had ik geen goed antwoord op.

De kies werd behandeld. Er kwamen extra afspraken. Op sommige dagen voelde ik me geen mens meer, maar een map die van bureau naar bureau ging.

De transplantatieverpleegkundige heette Marieke. Ze zette de stappen voor ons op papier. Een transplantatie was geen genezing zonder voorwaarden. Ik zou medicijnen tegen afstoting nodig hebben. Er waren risico’s op infecties, complicaties en verlies van de nier.

‘Maar de meeste geschikte patiënten krijgen er veel mogelijkheden voor terug,’ zei ze.

‘Hoe lang moet ik wachten?’

‘Dat kunnen we voor u niet voorspellen. Onder andere bloedgroep, wachttijd en de passende combinatie spelen mee.’

Ik wilde een maand horen. Desnoods een jaar. Geen opsomming.

Mijn jongere broer Daan kwam die zondag langs. Hij woonde in Zwolle en had een garagebedrijf. Hij zette een doos tompoucen op tafel en zei dat hij een nier wilde afstaan.

‘Je hebt er toch maar één nodig.’

Hij zei het alsof hij een gereedschap uitleende.

‘Zo simpel is het niet,’ zei ik.

‘Daarom laat ik me onderzoeken.’

Sanne keek van hem naar mij. Ik begon over zijn bedrijf. Zijn twee kinderen. Zijn hypotheek. Alles wat volgens mij bewees dat hij dit niet moest doen.

Daan liet me uitpraten.

‘Mag ik zelf beslissen of ik dat gesprek voer?’

Ik knikte. Daarna ging ik naar de keuken, zogenaamd voor koffie. Daar bleef ik met mijn handen op het aanrecht staan.

Ik wilde zijn nier. Dat besef maakte me misselijk. Nog voordat er iets onderzocht was, zag ik mezelf zonder dialyse naast Noor langs het hockeyveld staan.

Daan kreeg zijn eigen gesprekken en onderzoeken. Niet alles daarvan ging mij aan. Dat vond ik lastig. Ik vroeg te vaak of hij al nieuws had.

Na een paar weken kwam hij alleen langs. Hij liet zijn jas aan.

‘Het gaat niet door.’

Bij herhaalde metingen was zijn bloeddruk te hoog gebleken. Het donorteam vond het voor zijn eigen gezondheid niet verantwoord om verder te gaan.

‘Het spijt me,’ zei hij.

Ik hoorde mezelf zeggen dat het niet erg was. Maar mijn gezicht deed blijkbaar iets anders.

‘Ik heb het niet expres,’ zei hij.

Die zin vergeet ik niet.

Ik stond op en hield hem vast. Daan was breder dan ik. Hij rook naar koude buitenlucht en motorolie.

‘Jij hoeft geen sorry te zeggen.’

Toch was ik die avond kwaad. Op zijn bloeddruk. Op mijn lichaam. Op alle mensen die twee goede nieren hadden en daar nooit aan dachten. Ik zei het niet hardop. Sanne zag het wel.

‘Je mag teleurgesteld zijn,’ zei ze. ‘Maar bel hem morgen.’

Dat deed ik.

Een maand later kwam het bericht dat ik actief op de wachtlijst stond. Marieke controleerde mijn telefoonnummers. Ook dat van Sanne. Ze legde uit dat ik dag en nacht bereikbaar moest zijn. En dat ik veranderingen in mijn gezondheid moest doorgeven.

Ik kocht een extra oplader. Eén voor beneden, één voor naast mijn bed. Het geluid van mijn telefoon ging harder.

Noor vroeg of we het gingen vieren.

‘Wat dan?’ vroeg ik.

‘Dat je erop staat.’

We haalden eten bij het kleine Italiaanse restaurant op de Leusderweg. Ik koos zorgvuldig, zoals ik inmiddels met alles deed. Noor tekende op een papieren servet een telefoon met grote trillende strepen ernaast.

‘Deze moet bellen,’ zei ze.

Ik stopte de tekening in mijn portemonnee.

Die nacht werd ik wakker van een geluid beneden. Ik greep naar mijn telefoon. Geen oproep. Alleen de kat had iets van de vensterbank geduwd.

Sanne draaide zich om.

‘Nog niets?’

‘Nog niets.’

Ik legde de telefoon terug, met het scherm omhoog.

Hoofdstuk 4

Een bed zonder naam

Na elf maanden dialyse kende ik de geluiden van de afdeling. Het piepje bij een drukalarm. Het rollen van een infuuspaal. Het klikken van de klemmen waarmee een verpleegkundige de lijnen afsloot.

Ik kende ook Henks gewoonten. Eerst koffie. Dan het nieuws op zijn tablet. Daarna puzzelen. Bij een moeilijk woord vroeg hij mij om hulp, ook als ik sliep.

‘Zeven letters. Onzin.’

‘Dialyse,’ zei ik een keer.

‘Acht. Je gaat achteruit, Ruben.’

Op een maandag was zijn stoel leeg. Ik dacht aan vakantie. Sommige patiënten regelden behandelingen in een ander centrum. Woensdag zat er iemand anders.

‘Waar is Henk?’ vroeg ik aan Fatima.

Ze trok een stoel bij.

Hij was in het weekend overleden. Zijn familie had laten weten dat ze het aan ons mocht vertellen. Meer details gaf ze niet. Ik vroeg er ook niet naar.

De nieuwe man bij het raam maakte de rits van zijn vest dicht. Op de vensterbank lag geen puzzelboek.

Ik draaide mijn gezicht weg toen Fatima de eerste naald zette. Niet vanwege de prik.

Thuis zei ik dat ik moe was. Dat was waar, maar niet het hele verhaal. Sanne vond me later in de schuur. Ik zat op een omgekeerde krat.

‘Henk is dood.’

Ze bleef bij de deur staan.

‘Die tegenover je?’

Ik knikte.

‘Hij zat daar vrijdag nog.’

Sanne kwam naast me hurken. Ze zei niet dat het bij mij anders zou lopen. Daar was ik haar dankbaar voor.

Een week later ging ik met toestemming van zijn vrouw naar de uitvaart in Leusden. Ik zag foto’s van Henk op een zeilboot. Met kleinkinderen. In een fout overhemd op een feest. Ik had alleen de man in de dialysestoel gekend.

Na afloop gaf zijn vrouw me een puzzelboek. Hij had mijn naam voorin gezet. Bij een paar omschrijvingen stonden vraagtekens.

Ik nam het mee naar huis. Wekenlang durfde ik er niet in te schrijven.

Het wachten werd daarna moeilijker. Elke behandeling voelde minder als een tijdelijke oplossing en meer als iets waar ik niet uit zou komen. Als ik een onbekend nummer zag, nam ik op voordat de eerste beltoon voorbij was. Vaak was het een verkoper. Soms hing ik op zonder iets te zeggen.

Noor werd dertien. Haar feestje was op een vrijdag. Ik kwam terug van dialyse toen er zes fietsen tegen onze heg stonden. Binnen werd gelachen.

Ik had beloofd pannenkoeken te bakken. Na twee stuks moest ik zitten. Sanne nam de pan over. Een vriendin van Noor vroeg zacht of ik altijd zo bleek was.

‘Soms,’ zei Noor.

Ik ging naar boven. Door de vloer hoorde ik muziek. Het was goed dat haar feest doorging. Het deed ook pijn dat het zonder mij lukte.

Die avond zei Sanne dat ze moe was.

‘Ik ook,’ antwoordde ik.

‘Dat weet ik. Maar ik wil het een keer over mij hebben.’

Ze stond bij het aanrecht, met een natte theedoek in haar handen.

‘Ik werk. Ik regel afspraken. Ik zie jou bang worden en Noor stil. En als ik iets verkeerd zeg, krijg ik een snauw.’

‘Denk je dat ik hiervoor gekozen heb?’

‘Nee. Ik ook niet.’

Ze gooide de theedoek neer. Niet hard. Dat maakte het erger.

De volgende dag belde ik de maatschappelijk werker van de nierafdeling. Ik had haar aanbod steeds afgeslagen. Nu vroeg ik om een afspraak voor ons samen.

We leerden geen wonderlijke methode. We moesten duidelijker zeggen wat we nodig hadden. Sanne wilde op donderdagavond naar haar zus zonder haar telefoon steeds te controleren. Ik wilde dat ze soms naast me zat zonder over pillen te beginnen.

We regelden hulp. Daan reed me af en toe. Onze buurvrouw kookte op woensdag. Noor hoefde niet meer als eerste te vragen hoe het ging als ze uit school kwam.

In november kreeg ik koorts. Een longontsteking. Ik werd opgenomen en tijdelijk niet oproepbaar voor transplantatie. Ik begreep waarom. Een grote operatie met medicijnen die mijn afweer onderdrukten was toen niet veilig.

Toch vroeg ik iedere ochtend of ik alweer terug op de lijst kon.

Na mijn herstel belde Marieke. Ik was weer actief.

Die middag sloeg ik Henks puzzelboek open. Bij zeven letters voor onzin vulde ik ‘kletskoek’ in. Acht letters. Ik gumde het uit en lachte voor het eerst om iets waar hij niet meer bij was.

Hoofdstuk 5

De verkeerde nacht

De telefoon ging om kwart over twee. Buiten sloeg regen tegen het slaapkamerraam. Ik was meteen wakker.

‘Spreek ik met meneer Van Dijk?’

Ik ging rechtop zitten. Sanne deed het lampje aan.

Er was mogelijk een nier voor mij. Van een overleden donor. Ik moest naar Utrecht komen. De arts stelde vragen over koorts, verkoudheid en mijn laatste behandeling. Ik kreeg instructies over eten, drinken en mijn medicijnen.

‘Het is nog niet zeker dat de transplantatie doorgaat,’ zei hij.

‘Dat begrijp ik.’

Ik begreep de woorden. Niet wat ze konden betekenen.

Sanne trok een spijkerbroek aan zonder haar pyjamabroek eerst uit te doen. Ze merkte het pas toen ze haar rits dicht wilde trekken. We lachten te hard.

Onze buurvrouw Ellen kwam bij Noor slapen. Ik ging boven naar haar kamer. Noor lag met één arm buiten haar dekbed.

‘Er is misschien een nier,’ fluisterde ik.

Haar ogen gingen open.

‘Nu?’

‘Nu.’

Ze sloeg haar armen om mijn nek.

‘Bel als je wakker bent.’

Ik zei dat ik dat zou doen. Op dat moment dacht ik alleen aan wakker worden na een operatie.

Op de A28 reden bijna geen auto’s. Sanne hield beide handen aan het stuur. Mijn tas stond tussen mijn voeten. Ik had hem maanden geleden ingepakt. De trui erin rook naar de kast.

In Utrecht werd opnieuw bloed afgenomen. Er kwamen onderzoeken en gesprekken. Een verpleegkundige gaf me een bed. Ze noteerde wanneer ik voor het laatst had gegeten.

Ik vroeg wie de donor was.

‘Daar kunnen we vanwege de privacy geen persoonlijke informatie over geven.’

Ik knikte. Ik wist het eigenlijk al.

Toch moest ergens een familie wakker zijn die een heel andere nacht had. Die gedachte kwam telkens terug. Ik probeerde dankbaar te zijn, maar ik was vooral bang dat het niet doorging. Daar schaamde ik me voor.

De uren sleepten. Sanne zat op een stoel met haar jas over haar knieën. Ik keek naar de deur. Iedere keer als iemand langs liep, hield ik mijn adem in.

Rond half acht kwamen twee artsen binnen. Ze bleven staan.

Ik wist het voordat ze iets zeiden.

Bij verdere beoordeling van de donornier waren problemen gevonden. Het team vond transplantatie met deze nier niet verantwoord.

‘Dus niet vandaag?’ vroeg ik.

‘Nee. Het spijt me.’

Ik trok aan het polsbandje. Het zat ineens te strak.

‘Maar ik was toch opgeroepen?’

De arts legde uit dat sommige controles pas laat afgerond konden worden. Dat oproepen altijd onder voorbehoud gebeurde. Hij sprak rustig. Ik wilde dat hij ophield.

Sanne vroeg of dit gevolgen had voor mijn plek op de wachtlijst. Dat had het niet. Mijn eigen centrum werd gebeld om mijn dialyse af te stemmen.

Ik kleedde me aan achter het gordijn. De trui ging verkeerd om. Ik liet hem zo zitten tot Sanne het zag.

Buiten was het ochtend geworden. Mensen liepen met koffiebekers naar hun werk. Bij de slagboom deed ons parkeerkaartje het niet. Sanne drukte op de hulpknop.

Dat wachten, die stem uit de luidspreker, de auto achter ons. Ik begon te huilen. Hard en zonder dat ik het kon stoppen.

Sanne reed pas verder toen de slagboom omhoogging. Op een rustige plek zette ze de auto stil.

‘Ik wil niet terug,’ zei ik.

‘Naar huis?’

‘Naar die stoel.’

Ze legde haar hand op mijn nek. We bleven een tijd staan.

Thuis zat Noor aan tafel. Ellen had toast gemaakt. Er stond een leeg bord voor mij.

‘Was de nier niet goed?’ vroeg Noor.

Ik schudde mijn hoofd.

Ze keek naar mijn buik, alsof ze zelf wilde controleren dat er niets was gebeurd. Toen trok ze het bord naar zich toe.

‘Dan eet ik deze wel.’

Ik ging naast haar zitten.

De volgende dialyse wilde ik met niemand praten. Fatima vroeg of ik stilte wilde of gezelschap.

‘Stilte.’

Ze knikte en deed haar werk. Pas tegen het einde zei ik iets.

‘Hoe doe je dit nog een keer?’

Ze ging niet meteen antwoorden.

‘Dat weet ik niet voor jou. Maar als de telefoon weer gaat, hoef je niet eerst onbevangen te worden.’

Die avond zette ik mijn tas terug in de gangkast. Ik verving de muffe trui door een schone. Daarna controleerde ik of mijn telefoon hard genoeg stond.

Hoofdstuk 6

Nog een oproep

De tweede oproep kwam vier maanden later, om zes uur in de avond. Ik stond wortels te snijden. Het mes lag nog in mijn hand toen ik opnam.

Weer een mogelijke nier. Weer vragen. Weer de waarschuwing dat het niet zeker was.

Ik legde het mes neer.

‘Ik kom.’

Sanne zag mijn gezicht toen ze binnenkwam. Ze hoefde niets te vragen. Noor stond achter haar met haar sporttas.

‘We zeggen nog niets tegen iedereen,’ zei ik.

‘Alleen Daan en Ellen,’ antwoordde Sanne.

In de auto voelde ik geen vreugde. Ik probeerde de route te volgen. Afslag Hoevelaken. Zeist. De borden naar het ziekenhuis. Als ik mijn aandacht bij de weg hield, hoefde ik niet vooruit te denken.

Dezelfde onderzoeken begonnen opnieuw. Deze keer vroeg ik bij elke stap wat er nog onzeker was. Ik wilde geen vaag geruststellend antwoord.

Na middernacht kwam de arts. De controles waren voldoende afgerond. De combinatie was geschikt. Het team wilde doorgaan.

‘Dus nu echt?’ vroeg Sanne.

‘We gaan u voorbereiden voor de operatie.’

Ik belde Noor. Ze nam meteen op.

‘Ik ga zo,’ zei ik.

‘Oké.’

Er viel een stilte.

‘Papa?’

‘Ja.’

‘Ik hou van je.’

Ik zei het terug. Daarna gaf ik de telefoon aan Sanne, omdat ik niet meer uit mijn woorden kwam.

Bij de deur naar de operatieafdeling moest Sanne achterblijven. Ze bukte naar me toe en kuste me.

‘Tot straks.’

Ik pakte haar mouw vast. Eén tel maar. Toen liet ik los.

In de operatiekamer was het licht fel. Iemand stelde zich voor. Ik onthield zijn naam niet. De anesthesioloog controleerde mijn gegevens en legde uit wat er ging gebeuren. Ik voelde kou langs mijn arm.

Mijn volgende herinnering was pijn laag in mijn buik. Een verpleegkundige vroeg om een cijfer. Ik zei zeven. Ze gaf medicatie en bleef kijken hoe ik reageerde.

‘Is het gelukt?’ vroeg ik.

‘De nier is geplaatst. De arts komt u meer vertellen.’

Ik wilde mijn buik zien. Onder het laken zaten een verband, slangen en een katheter. Ik was te suf om alles te begrijpen.

Sanne zat later naast me. Ze had rode ogen en een scheve paardenstaart.

‘Je bent er weer,’ zei ze.

Ik wees naar de urinezak.

‘Doet hij het?’

Er zat wat urine in, maar veel minder dan ik had gehoopt. De getransplanteerde nier kwam traag op gang. De arts legde uit dat dit kon gebeuren, vooral bij een nier van een overleden donor. Het betekende niet automatisch dat de transplantatie was mislukt.

Automatisch. Ook weer zo’n woord waarin nog alles paste.

De eerste dagen keek ik voortdurend naar de zak. Er werden echo’s gemaakt. Mijn bloed werd vaak gecontroleerd. De doorbloeding zag er goed uit, maar mijn lichaam had nog ondersteuning nodig.

Toen de arts zei dat ik moest dialyseren, draaide ik mijn hoofd weg.

‘Daarvoor kwam ik hier juist vanaf.’

‘Dat begrijp ik. Maar op dit moment is het nodig. We geven de nier tijd.’

De behandeling voelde als een nederlaag. Ik lag in een bed met een operatiewond en dacht dat ik alles voor niets had gedaan.

Sanne werd boos toen ik dat zei.

‘Je weet het nog niet. Zeg dan dat je bang bent.’

Ik keek naar haar.

‘Ik ben bang.’

Ze pakte mijn hand. ‘Ik ook.’

Omdat het herstel traag bleef, werd later een biopt gedaan. De uitslag paste bij schade door de periode rond de donatie en transplantatie, niet bij acute afstoting. Het team bleef mijn waarden en de nier controleren.

Op de negende dag vulde de urinezak zich sneller. De verpleegkundige mat en noteerde. Ik vroeg of ze zeker wist dat het meer was.

‘Ik heb het niet geschat,’ zei ze.

De volgende ochtend daalde mijn creatinine. Niet naar normaal. Wel duidelijk.

Ik belde Sanne vóór haar wekker.

‘Er gebeurt iets.’

Ze zei niets. Ik hoorde haar ademhalen.

Daarna kwam het gewone werk. Uit bed. Een paar meter lopen. Medicijnen leren herkennen. Weten wanneer ik moest bellen. Ik kreeg uitleg die ik soms meteen weer vergat, dus schreef ik alles op.

Toen Noor langskwam, liep ik met haar naar het einde van de gang. Zij hield mijn kamerjas vast zodat die niet openviel.

‘Niet trekken,’ zei ik.

‘Dan moet je doorlopen.’

We kwamen tot het raam. Beneden fietsten mensen langs het ziekenhuis. Ik stond een minuut naast haar, zonder me vast te houden.

Hoofdstuk 7

Weer naar buiten

Na ruim twee weken mocht ik naar huis. De nierfunctie verbeterde genoeg om zonder dialyse verder te kunnen. Dat was goed nieuws. Toch vond ik de uitgang beangstigend.

In het ziekenhuis kwam er iemand als ik op een knop drukte. Thuis moest ik zelf merken wat belangrijk was.

Sanne legde de medicijnen op tafel. Er waren middelen tegen afstoting en middelen om bepaalde infecties te helpen voorkomen. Sommige doseringen zouden veranderen op basis van bloedonderzoek. We maakten een schema met alarmen.

‘Niet improviseren,’ zei ik.

‘Dat was jij altijd van plan bij bijsluiters,’ antwoordde ze.

Ze had gelijk.

De eerste weken draaiden om controles. Vroeg naar Utrecht. Bloed laten prikken. Wachten op uitslagen. Soms belde het team later over een aangepaste dosis. Ik hield mijn notitieboek naast de telefoon.

Mijn handen trilden. Ik sliep slecht. Ik had honger op vreemde momenten en kon om weinig uitvallen. De medicijnen hielpen mijn nier beschermen, maar ik merkte ze in mijn hele lijf.

Toen Noor een glas omstootte, schoot ik overeind.

‘Kijk nou uit!’

Ze verstijfde.

Ik ging weer zitten.

‘Sorry. Dat was te hard.’

Ze pakte een doek.

‘Je moet het nog steeds op tijd zeggen.’

Onze oude afspraak gold blijkbaar ook met een nieuwe nier.

Na zes weken kreeg ik koorts en pijn bij het plassen. Ik belde direct het transplantatieteam, zoals was afgesproken. Ik moest komen en werd opgenomen met een urineweginfectie.

Op de afdeling huilde ik terwijl een verpleegkundige mijn infuus vastplakte.

‘Ik was net thuis.’

‘Ik weet het,’ zei ze.

Het was geen afstoting. Met behandeling knapte ik op. Toch was mijn vertrouwen weer kleiner geworden. Daarna controleerde ik mijn temperatuur te vaak. Sanne merkte het toen ze de thermometer voor de vierde keer die middag hoorde piepen.

We bespraken die angst tijdens een controle. Ik kreeg heldere afspraken over klachten en bellen. Ook had ik opnieuw contact met de maatschappelijk werker. Een goede uitslag zette mijn hoofd niet vanzelf uit.

Langzaam kwam er ruimte voor andere dingen.

Ik begon met lopen tot de brievenbus. Daarna om het plantsoen. Op een ochtend ging ik alleen naar de bakker. Ik droeg twee broden naar huis en moest halverwege even stilstaan. Niemand wist dat die aankoop mijn hele ochtend bepaalde.

Mijn bloedwaarden werden stabieler. De controles kwamen minder dicht op elkaar. Mijn fistel trilde nog steeds in mijn arm. Ik voelde er soms aan. De artsen hielden ook die in de gaten. Ik wilde er voorlopig geen groot besluit over nemen.

Vier maanden na de operatie ging ik weer naar kantoor. Twee uur, zonder verantwoordelijkheid voor de dagplanning. Peter wees naar mijn oude stoel.

‘Die kraakt nog steeds.’

‘Dan is hier tenminste iets betrouwbaar.’

Ik was na afloop kapot. Maar ik had met een collega over een verkeerd besteld ventilatierooster gediscussieerd. Niet over mijn nieren. Dat voelde beter dan ik vooraf had verwacht.

Daan kwam op zaterdag langs. We fietsten een klein stuk richting Hoogland. Rustig. Bij een bankje stopten we.

‘Nog steeds jammer dat ik niet kon doneren,’ zei hij.

‘Je bent er wel steeds geweest.’

Hij keek naar zijn fietsschoen en knikte. We maakten er geen langer gesprek van.

Via het ziekenhuis hoorde ik hoe ik een anonieme brief aan de nabestaanden van de donor kon sturen. Ik schreef vijf versies. In de eerste bedankte ik te vaak. In de tweede beloofde ik van elke dag iets bijzonders te maken.

Die gooide ik weg. Dat kon ik niet waarmaken.

Uiteindelijk schreef ik dat ik Ruben heette, zonder verdere herkenbare details. Dat ik een gezin had. Dat ik weer kon wandelen en voorzichtig werkte. Dat ik vaak aan hun verlies dacht, ook als ik niet wist wat ik daarbij moest zeggen.

Ik verwachtte geen antwoord. Ik heb er ook geen gekregen.

Nu is het acht maanden na de transplantatie. Mijn nier werkt goed, maar de toekomst blijft onzeker. Ik neem mijn medicijnen. Ik ga naar controles. Sommige dagen ben ik moe. Soms kijk ik eerst naar de uitslagen en pas daarna naar Sanne.

Vorige zondag stond ik weer langs Noors hockeyveld. Het regende. Ik had koude voeten en een thermoskan bij me. Noor miste een kans, vloekte en keek meteen of ik het had gehoord.

Ik stak mijn duim op. Ze rolde met haar ogen.

Na de wedstrijd vroeg ze of ik naar de auto kon lopen of dat ze me moest ophalen.

‘Ik loop wel mee.’

Ze gaf me haar stick. Samen liepen we over het parkeerterrein. Halverwege begon ze over haar wiskundetoets.

Ik luisterde. Thuis moest ik mijn medicijnen nemen. Eerst wilde ik horen hoe die toets was gegaan.