Naar de inhoud
Terug naar het boek

Psychische gezondheid

Waarom niemand mij begreep

Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.

Hoofdstuk 1

De keukenvloer

Mijn naam is Mark Visser. Ik ben vierendertig jaar oud en ik woon in Amersfoort. Ik werk als monteur van witgoed. Wasmachines, drogers, vaatwassers, ovens. Als iets stuk is, kom ik het maken. Ik heb een gereedschapskist van hard zwart plastic en een witte bus met een ladder op het dak. Mensen zijn altijd blij als ik voor de deur sta. Ze bieden me koffie aan en vertellen over hun dag. Ik knik, drink hun koffie en schroef hun apparaten open.

Op een dinsdagochtend in oktober lag ik op mijn buik op een koude tegelvloer in Leusden. Een oudere vrouw stond achter me. Ze praatte over haar kleinkind dat net had leren lopen. Mijn hoofd lag half in een keukenkastje. Ik had een waterpomptang in mijn rechterhand. Ik moest een klem losdraaien van de afvoerslang. Een simpele klus. Ik had het duizend keer gedaan.

En ineens kon ik niet meer bewegen.

Mijn vingers weigerden te knijpen. De tang voelde zwaar, alsof hij van lood was. Het geluid in de keuken verdween naar de achtergrond. De stem van de vrouw werd een dof gezoem, als een vlieg tegen een raam. In mijn borstkas begon iets te bonken. Geen gewone hartslag, maar een hamer die tegen mijn ribben sloeg. Mijn adem bleef steken in mijn keel.

Daar was de gedachte weer. Dezelfde gedachte die me al maanden achtervolgde: Je bent een bedrieger. Je ligt hier alsof je weet wat je doet, maar je weet helemaal niks. Je bent een lege huls. Als deze vrouw in je hoofd kon kijken, zou ze schreeuwen van schrik.

Het zweet brak me uit op mijn rug. Mijn overall plakte aan mijn schouders. Ik staarde naar de grijze geribbelde slang in het donker van het kastje. De geur van stilstaand water en zeepresten drong mijn neus binnen. Het maakte me misselijk. Ik dacht: als ik nu opsta, val ik neer. Als ik nu praat, komt er alleen maar gebrabbel uit.

"Lukt het een beetje, jongen?" vroeg de vrouw.

Ik perste mijn ogen dicht. Mijn kaken deden pijn van het klemmen. Ik dwong mijn vingers om de tang neer te leggen. Het ijzer kletterde zachtjes op de bodemplaat van het kastje. Ik schoof op mijn knieën naar achteren en kwam overeind. Mijn benen trilden in mijn werkbroek.

Ik keek de vrouw aan. Ze had een gebreid vest aan en keek me vriendelijk aan. Ze zag helemaal niks. Dat was het meest angstaanjagende. Ik stond daar, vanbinnen compleet in brand, en zij dacht waarschijnlijk dat ik gewoon even moest nadenken over een onderdeel.

"Ik moet heel even een ander stuk gereedschap uit de bus halen," zei ik. Mijn stem klonk verrassend normaal. Vlak, een beetje hees, maar normaal.

"Neem de tijd hoor," zei ze met een glimlach. "De koffie staat klaar."

Ik liep naar buiten. De koude herfstlucht sloeg in mijn gezicht. Ik trok de schuifdeur van mijn bus open, stapte naar binnen en trok de deur achter me dicht. Het werd donker. Alleen het kleine lampje in het dak van de laadruimte brandde. Ik ging op een stapel verhuisdekens zitten en trok mijn knieën op.

Ik ademde snel in en uit. De lucht rook naar rubber, olie en stof. Ik kneep in mijn eigen armen om te voelen dat ik er nog was. Waarom gebeurt dit? vroeg ik mezelf af. Ik heb een baan. Ik heb Sanne, mijn vriendin, met wie ik al zes jaar samenwoon in een prima tussenwoning. Ik heb geen schulden. Mijn ouders leven nog en maken geen ruzie. Ik heb geen reden om kapot te gaan.

Toch zat ik op de bodem van een bestelbus te trillen als een hond in onweer. En het ergste was: ik wist dat ik over vijf minuten weer naar binnen moest. Ik moest glimlachen. Ik moest die slang vastzetten. Ik moest de rekening laten pinnen. Niemand mocht zien dat ik vanbinnen langzaam verdween.

Hoofdstuk 2

Het monster achter glas

Als je je been breekt, zien mensen het gips. Ze houden de deur voor je open. Ze vragen of het pijn doet en wanneer je weer mag lopen. Als je hoofd breekt, ziet niemand iets. Er zit geen scheur in je voorhoofd. Er lekt geen bloed uit je oren. Je loopt over straat, je koopt een halfje bruin bij de bakker, je zegt "prettig weekend" tegen de caissière, en iedereen denkt: kijk, daar loopt Mark. Leuke gozer. Rustig type.

Maar ik zat al maanden achter dik glas.

Zo voelde het letterlijk. Alsof er een ruit van pantserglas tussen mij en de rest van de wereld was geplaatst. Ik kon iedereen zien en horen, maar er kwam niks doorheen. Warmte kwam er niet doorheen. Woorden raakten me niet meer. Als Sanne me een kus gaf voor ze naar haar werk ging, voelde ik haar lippen op mijn wang als een koud stuk leer. Ik voelde niks.

Het begon een jaar eerder, heel langzaam. Eerst was het een vermoeidheid die niet wegging met slapen. Ik werd wakker met het gevoel dat ik de hele nacht zandzakken had gesjouwd. Daarna kwamen de gedachten. Het waren geen stemmen van buiten. Het was mijn eigen stem, maar dan zuur en gemeen. Die stem gaf commentaar op alles wat ik deed.

Kijk hem lopen, zei de stem. Hij doet alsof hij een man is. Kijk naar zijn handen, ze trillen. Straks ziet Sanne het. Straks ziet Karel het, zijn baas. Dan trappen ze hem eruit. Want wat kan hij nou eigenlijk? Een schroefje aandraaien. Meer is het niet. Een aap kan het ook.

In het begin probeerde ik ertegen te vechten. Ik ging vaker hardlopen in het bos bij Birkhoven. Ik zette harde muziek op in de bus. Ik kocht vitamines bij de drogist. Maar de stem werd alleen maar luider. Het werd een constante stroom van twijfel. Elk gesprek werd een examen. Als een klant zei: "Goh, weet u zeker dat dat onderdeel vervangen moet worden?", dacht ik meteen: Ze heeft me door. Ze weet dat ik een prutser ben.

Op een zaterdagavond zaten we bij Dennis en Laura. Dennis is mijn beste vriend sinds de middelbare school. We zaten in hun nieuwbouwwoning rond de keukentafel. Er stonden bakjes ribbelchips en speciaalbier op tafel. Dennis vertelde een verhaal over zijn werk op kantoor. Iedereen lachte. Sanne lachte ook. Ze stootte me zachtjes aan met haar elleboog.

"Toch, Mark?" zei ze.

Ik schrok op. Ik had geen idee waar ze het over hadden. Ik had de afgelopen tien minuten naar de rand van mijn bierglas gestaard. Ik voelde dat mijn wangen rood werden.

"Ja, precies," zei ik maar.

Dennis keek me aan. Zijn lach verdween een beetje. "Gaat het wel met je, maat? Je bent zo stil vanavond. Druk op de zaak?"

Daar was de opening. De deur stond op een kier. Ik had kunnen zeggen: Dennis, het gaat helemaal niet. Ik ben bang. Ik weet niet waarvoor, maar ik ben doodsbang. Elke ochtend als ik opsta, denk ik dat ik dood wil omdat het zo zwaar is in mijn hoofd.

In plaats daarvan voelde ik de paniek opkomen. Als ik dat zou zeggen, zouden ze me aankijken alsof ik gek was. Ze zouden niet weten wat ze moesten doen. Het zou de sfeer verpesten. En bovendien: wat had ik nou te klagen? Dennis had net zijn vader verloren. Laura werkte zestig uur in de week in de zorg. Wie was ik dan om te zeuren over een raar gevoel in mijn hoofd?

"Gewoon een beetje moe," zei ik. Ik forceerde een grijns op mijn gezicht. "Veel spoedklussen deze week. Veel trappen gelopen met zware machines."

Dennis knikte tevreden en nam een slok bier. "Ja, zwaar werk man. Je moet jezelf niet voorbijlopen. Neem nog een biertje, dat ontspant."

Ik pakte een nieuw flesje van tafel. Mijn hand zweette zo erg dat het etiket losliet onder mijn duim. Ik keek naar Sanne. Ze praatte alweer met Laura over vakantieplannen voor de zomer. Ik zat erbij, op een houten stoel, en voelde me eenzaamder dan ooit tevoren. De muur van glas was weer een stukje dikker geworden. Niemand zag me. En ik liet het gebeuren.

Hoofdstuk 3

De schroevendraaier

Het ging mis bij een klant in Soest. Een simpele klus, op papier tenminste. Een inbouwvaatwasser van een duur Duits merk gaf een foutcode. Foutcode E15: water op de bodemplaat. Meestal betekent dat een lekke pakking van de pomppot. Een routineklus.

De bewoner was een man van een jaar of vijftig met een strak overhemd en een dure bril. Hij liep me achterna naar de keuken en bleef met zijn armen over elkaar tegen het aanrecht leunen terwijl ik de plint losschroefde. Ik haatte dat. Klanten die op je vingers kijken. Maar normaal kon ik het negeren. Dan maakte ik een grapje of vroeg ik naar het weer.

Vandaag lukte dat niet. Mijn hoofd voelde alsof het vol watten zat. Ik had die nacht twee uur geslapen. De rest van de nacht had ik naar het plafond van de slaapkamer liggen staren, luisterend naar de ademhaling van Sanne. De gedachten hadden rondjes gerend in mijn schedel, sneller en donkerder dan ooit.

"Duurt het lang?" vroeg de man. "Ik heb om elf uur een call met Londen."

"Valt mee," zei ik. Mijn stem klonk krakerig. Ik had nog geen slok water op die ochtend.

Ik pakte mijn accutol en begon de schroeven van het frontpaneel los te draaien. Mijn hand trilde lichtjes. Bij de derde schroef schoot het bitje uit de kop. Het staal kraste met een scheurend geluid over het witte frontpaneel van de keuken. Een kras van minstens tien centimeter, dwars door de lak heen tot op het kale hout.

Het werd doodstil in de keuken.

Ik hield mijn adem in. Mijn hart stopte even met kloppen en begon toen woest tekeer te gaan. Ik keek naar de witte schilfers die op de vloer vielen. Een stomme, domme beginnersfout. Zoiets gebeurt een leerling op zijn eerste stagedag, niet een monteur met twaalf jaar ervaring.

"Wat doe je nou?" De stem van de man sneed door de stilte. Het was geen woede, het was pure minachting. "Dat meen je niet. Die keuken staat er net drie maanden in."

"Het... het bitje schoot uit," stotterde ik. Ik voelde me vijf jaar oud. Een klein jongetje dat een vaas had omgestoten.

"Dat zie ik ook wel," beet hij me toe. Hij kwam dichterbij en bukte zich om de kras te bekijken. Hij schudde zijn hoofd. "Ongelofelijk. Wat een amateurisme. Laat die machine maar zitten. Raak niks meer aan. Ik bel je baas wel."

"Meneer, ik kan het herstellen, we hebben een schaderegeling..."

"Wegwezen," zei hij. Hij wees naar de gang. "Nu."

Ik pakte mijn spullen bij elkaar. Mijn gereedschap paste ineens niet meer in de kist. Ik gooide de tangen en schroevendraaiers er schots en scheef in en smeet het deksel dicht. De sluitingen klikten met een hard geluid vast. Ik liep met gebogen hoofd door de gang naar de voordeur. De man deed de deur achter me dicht zonder nog een woord te zeggen. De klik van het slot klonk als een geweerschot.

Ik stapte in de bus. Ik zette de gereedschapskist op de bijrijdersstoel. Mijn hele lichaam schudde. Zie je wel, schreeuwde de stem in mijn hoofd. Zie je wel! Je bent waardeloos. Je kunt niet eens een schroef losdraaien zonder alles te slopen. Iedereen weet het nu. Karel weet het straks ook. Je hele leven dondert in elkaar en het is je eigen schuld.

Tien minuten later ging mijn telefoon. Op het schermpje stond de naam van de zaak: Karel.

Ik liet de telefoon overgaan. Een keer. Twee keer. Drie keer. Ik kon niet opnemen. Ik kon gewoon fysiek mijn vinger niet over het scherm bewegen om op te nemen. Het rinkelen stopte. Meteen daarna kwam er een voicemail-icoontje in beeld.

Ik reed niet door naar de volgende klant in Baarn. Ik startte de motor en reed de snelweg op. De A1 op, richting het oosten. Ik wist niet waar ik heen ging. Ik zag de witte strepen op het asfalt onder de motorkap verdwijnen. De radio stond uit. Het enige geluid was het suizen van de wind tegen de spiegels en het geraas van mijn eigen gedachten. Ik dacht aan tegen een boom rijden. Niet eens heel dramatisch, gewoon een kleine stuurcorrectie bij tachtig kilometer per uur tegen een dikke eik langs de provinciale weg. Dan zou het tenminste stil zijn. Dan hoefde ik Karel niet uit te leggen waarom ik zo'n mislukkeling was. Dan hoefde ik Sanne niet aan te kijken.

Hoofdstuk 4

Zeggen wat je denkt

Ik reed niet tegen een boom. Ik durfde het niet. Zelfs daarin vond ik mezelf een lafaard. Ik reed naar een verlaten parkeerplaats bij de bossen van de Utrechtse Heuvelrug en bleef daar vier uur zitten. De motor uit. Geen kachel. Ik liet de ramen beslaan totdat ik de bomen buiten niet meer kon zien.

Om half zes 's avonds reed ik naar huis. Ik parkeerde de bus op de oprit. Het licht in de woonkamer brandde al. Door het raam zag ik Sanne in de keuken staan. Ze sneed groenten op de houten snijplank. Een doodgewoon tafereel op een doordeweekse avond. Het leek uit een ander universum te komen.

Toen ik de voordeur opendeed, hoorde ik het sissen van olie in de pan.

"Mark?" riep ze vanuit de keuken. "Ben jij het?"

"Ja," zei ik. Ik hing mijn jas aan de kapstok. Mijn werkoverall zat vol stof en zweet.

Sanne kwam de gang in gelopen met een houten spatel in haar hand. Ze keek me aan en haar glimlach verdween meteen. Vrouwen zien dingen sneller dan mannen, zeggen ze wel eens. Sanne zag het in ieder geval direct.

"Wat is er gebeurd?" vroeg ze. "Karel heeft gebeld. Twee keer. Hij maakte zich zorgen omdat je je telefoon niet opnam en niet kwam opdagen bij die klus in Baarn. Wat is er aan de hand?"

Ik liep langs haar heen naar de woonkamer en ging op de bank zitten. Ik hield mijn vuile werkbroek aan, het kon me niet schelen dat het de bank vies maakte. Ik staarde naar de salontafel. Er lag een stapeltje post. Reclamefolders. Een rekening van de zorgverzekering.

"Mark, geef alsjeblieft antwoord," zei ze. Ze kwam voor me staan. Haar stem klonk niet boos, maar gespannen. Bang.

Ik haalde diep adem. Dit was het moment. Ik moest het nu zeggen. Ik moest de woorden vinden.

"Het gaat niet meer," zei ik. Mijn stem was zo zacht dat ze voorover moest buigen om me te horen.

"Wat gaat er niet meer? Je werk? Heb je ruzie gehad met Karel?"

"Nee," zei ik. Ik schudde mijn hoofd. De tranen begonnen plotseling te branden achter mijn ogen. Ik haatte het, maar ik kon het niet tegenhouden. De eerste traan viel op mijn knie, een donkere vlek op de blauwe stof van mijn broek. "Alles. Hierbinnen." Ik wees met een trillende vinger naar mijn hoofd.

Sanne knielde voor me neer op het tapijt. Ze pakte mijn handen vast. Haar handen waren warm, de mijne waren ijskoud. "Wat bedoel je met hierbinnen? Ben je ziek? Heb je pijn?"

"Het stopt nooit," zei ik. De woorden kwamen er nu hortend en stotend uit, als stenen die ik uitspuugde. "Er zit een stem in mijn hoofd die de hele dag zegt dat ik niks waard ben. Dat ik een oplichter ben. Dat ik dood moet. Ik kan niet meer slapen. Ik kan niet meer eten. Als ik naar je kijk, voel ik niks meer dan schuldgevoel omdat ik je leven verpest. Ik trek het niet meer, Sanne. Ik breek gewoon doormidden."

Het was eruit. De lelijke, rauwe waarheid lag op het vloerkleed tussen ons in.

Sanne liet mijn handen los. Niet omdat ze boos was, maar uit schrik. Ze deinsde een stukje achteruit. Haar gezicht trok wit weg. Ze keek me aan alsof ik plotseling in een vreemd wezen was veranderd. En dat was het ergste van alles: de onmacht in haar ogen.

"Maar... hoezo dan?" bracht ze uit. "Waarom heb je niks gezegd? Heb ik iets verkeerd gedaan? Ben je niet meer gelukkig met mij?"

"Nee!" riep ik. "Het heeft niks met jou te maken! Dat is het juist. Jij bent geweldig. Mijn werk is prima. Alles is goed. Ik ben degene die stuk is. Er zit een fabrieksfout in mij!"

"Iedereen heeft het wel eens zwaar, Mark," zei ze zacht, en haar stem trilde nu ook. Ze probeerde wanhopig logica te vinden in iets wat geen logica had. "Misschien ben je gewoon overwerkt. Een burn-out. We kunnen toch op vakantie gaan? Even twee weken naar Spanje, even bijkomen van alles?"

Ik keek haar aan en voelde de moed wegzakken tot onder de grond. Ze begreep het niet. Ze dacht dat het op te lossen was met zon en sangria. Ze dacht dat het een dipje was. Ze zag het monster niet dat mijn hersenen aan het opeten was. Niemand kon het zien. Ik was helemaal alleen in die donkere kamer in mijn hoofd, en Sanne stond buiten op de deur te kloppen met een doosje pleisters.

Hoofdstuk 5

De parkeerplaats

Die nacht sliep niemand. Ik lag op de bank in de woonkamer met een oude deken over me heen. Ik hoorde Sanne boven over de vloer lopen. Draaien in bed. De vloerplanken die kraakten. Ieder geluid sneed door me heen.

De volgende ochtend belde ik Karel. Ik meldde me ziek. Het was het moeilijkste telefoongesprek van mijn leven. Karel was stil aan de andere kant van de lijn nadat ik zei dat het even niet ging. "Pak je rust, Mark," zei hij uiteindelijk. Zakelijk, een tikje afstandelijk. "Laat maar weten wanneer je weer kan." Hij wist niet wat hij ermee aan moest. Een monteur met griep, dat snapte hij. Een monteur met een kapotte koppeling in zijn hoofd, dat paste niet in het schema.

Er gingen vier dagen voorbij. Vier dagen waarin ik bijna niet van de bank afkwam. Sanne ging naar haar werk. Ze zette voor vertrek een bord met boterhammen neer en een glas water. Als ze om vijf uur thuiskwam, lag het brood er nog. Uitgedroogd, de randjes van de kaas omgekruld.

Op vrijdagmiddag werd de stilte in het huis ondraaglijk. De muren leken naar binnen te schuiven. De klok aan de muur tikte zo hard dat het pijn deed aan mijn oren. Tik. Tak. Tik. Tak. Alsof de tijd aftelde naar iets onvermijdelijks.

Ik trok mijn schoenen aan en liep de deur uit. Geen jas, alleen een oude trui. Ik stapte niet in de bus, maar liep doelloos de wijk uit. Naar het industrieterrein aan de rand van de stad. Grote grijze loodsen, hekken met prikkeldraad, vrachtwagens die af en aan reden. Het begon zachtjes te regenen. De koude druppels liepen over mijn wangen en mengden zich met zweet.

Ik liep naar een braakliggend terrein achter een distributiecentrum. Er lag een berg puin, overwoekerd door brandnetels en onkruid. Daar ging ik zitten, op een kapotte betonnen stoeprand. Mijn spijkerbroek werd meteen nat van het vochtige beton.

Dit was het dieptepunt. Ik wist het met absolute zekerheid. Lager dan dit kon ik niet zinken. Ik was vierendertig jaar oud. Ik zat in de regen op een industrieterrein te trillen van ellende, niet in staat om voor mezelf te zorgen, niet in staat om te werken, niet in staat om mijn vriendin recht in de ogen te kijken. Ik voelde me waardeloos. Een stuk vuilnis dat op de schroothoop hoorde.

Mijn hand ging automatisch naar mijn broekzak. Mijn telefoon. Ik haalde hem tevoorschijn. Het scherm zat vol regendruppels. Ik veegde het droog aan mijn trui.

Ik dacht aan Sanne. Als ik nu verdween, zou ze verdrietig zijn. Dat wist ik wel. Maar daarna zou ze iemand vinden die wel normaal was. Een man die niet bang was voor zijn eigen gedachten. Een man die kinderen met haar kon krijgen zonder bang te zijn dat hij ze zou besmetten met zijn eigen rotzooi.

En toch... ergens diep onder die dikke laag pek en modder in mijn binnenste, zat nog een klein vonkje. Een heel klein, koppig stukje van de oude Mark. De Mark die hield van de geur van nieuw gereedschap. De Mark die trots was als hij een ingewikkelde storing had opgelost. De Mark die Sanne aan het lachen kon maken totdat ze geen adem meer kreeg.

Dat stukje wilde niet dood. Dat stukje wilde gewoon dat de pijn ophield.

Ik opende de browser op mijn telefoon. Met verkleumde, stijve vingers typte ik drie cijfers in: 113. De website van Zelfmoordpreventie. Ik zag het telefoonnummer in grote letters staan. Gratis. Anoniem. Dag en nacht.

Ik staarde naar die knop 'Bel nu'. Mijn hele lichaam verzette zich. Mijn trots, of wat er nog van over was, schreeuwde dat ik dit niet moest doen. Dit was voor gekken. Voor mensen die écht problemen hadden. Niet voor een witgoedmonteur uit Amersfoort.

Maar ik had geen keus meer. Het was bellen, of ik wist niet wat ik anders zou doen.

Ik drukte op de knop. Ik bracht de telefoon naar mijn oor. Het regende harder nu. De telefoon ging over. Eén keer. Twee keer.

"Met de hulplijn, goedenamiddag," zei een rustige mannenstem aan de andere kant. Geen robot, een echt mens.

Ik probeerde iets te zeggen, maar er kwam alleen een snik uit mijn keel. Ik sloeg een hand voor mijn mond.

"Neem de tijd," zei de stem rustig. "Ik luister. Je bent veilig."

En daar, zittend op een natte stoeprand tussen het puin van een industrieterrein, begon ik te praten. Ik vertelde alles. Over het kastje in Leusden. Over de kras op de keuken. Over de stem die me uitscheldt. Ik huilde zo hard dat mijn borstkas pijn deed. De man aan de telefoon onderbrak me niet. Hij gaf me geen domme adviezen. Hij zei niet dat het wel goed zou komen als ik een warm bad nam. Hij luisterde gewoon. En voor het eerst in een jaar voelde ik dat het glas tussen mij en de wereld een heel klein barstje vertoonde.

Hoofdstuk 6

De praktijk

De man van de hulplijn had gezegd: "Je moet maandag naar de huisarts. Je hoeft het niet alleen te doen. Neem iemand mee die je vertrouwt."

Dus zat ik op maandagochtend om negen uur in de wachtkamer van de huisartsenpraktijk. Sanne zat naast me. Ze hield mijn hand vast. Haar handpalm was klam, net als de mijne. Ze had niet veel gezegd toen ik vrijdagavond thuiskwam, doorweekt en kapot. Ze had me een droge trui gegeven, een kom soep opgewarmd en me laten slapen. Zaterdag had ik haar verteld dat ik had gebeld. Ze had gehuild, niet van schrik, maar van opluchting. "Eindelijk praat je," had ze gezegd.

In de wachtkamer hing de geur van ontsmettingsmiddel en natte jassen. Er zat een moeder met een peuter die met houten blokken gooide. Een oude man las een beduimeld tijdschrift over reizen. Niemand keek naar ons.

"Mark Visser?"

Dokter Bakker stond in de deuropening. Een vrouw van rond de vijftig met kort grijs haar en een praktische bril. Ik kende haar alleen van de keren dat ik mijn oren liet uitspuiten of een tetanusprik nodig had na een roestige spijker.

We liepen haar spreekkamer binnen. Ik ging op de zwarte stoel tegenover haar bureau zitten. Sanne ging op de stoel ernaast zitten. De dokter keek op haar computerscherm en draaide zich toen naar ons toe.

"Zeg het eens, Mark. De assistente zei dat je met spoed wilde komen. Wat kan ik voor je doen?"

Daar zat ik weer. De neiging om te zeggen "ach, het valt wel mee, gewoon wat moe" was enorm sterk. Het automatisme van een heel leven waarin je geleerd hebt om je niet aan te stellen, om door te buffelen, om je schouders eronder te zetten.

Sanne kneep in mijn hand. Een stevige kneep.

"Ik trek het niet meer, dokter," zei ik. Mijn stem was zacht, maar duidelijk. "Ik heb al maanden nare gedachten over mezelf. Ik slaap niet meer. Vorige week zat ik op een industrieterrein en dacht ik erover om er een eind aan te maken. Ik heb 113 gebeld. Zij zeiden dat ik hierheen moest komen."

Dokter Bakker verblikte of bloosde niet. Ze zuchtte niet. Ze schoof haar toetsenbord een klein stukje aan de kant en leunde met haar onderarmen op het bureau. Ze keek me recht aan. Er zat geen oordeel in haar blik. Geen paniek. Alleen rustige, professionele aandacht.

"Wat goed dat je er bent, Mark," zei ze. Het klonk niet als een standaardzinnetje. Ze meende het. "En wat ontzettend moedig dat je dit vertelt. Want ik weet hoe verdomd moeilijk dat is voor mannen zoals jij."

"Mannen zoals ik?" vroeg ik zacht.

"Mannen die gewend zijn om dingen op te lossen met hun handen," zei ze. "Mannen die denken dat ze sterk moeten zijn voor de buitenwereld. Maar de psyche is net als een onderdeel van een machine. Als er te lang te veel spanning op staat, knapt het metaal. Dat is geen zwakte, Mark. Dat is natuurkunde."

Die vergelijking raakte me. Het was geen zweverig gedoe over energie of chakra's. Het ging over spanning op materiaal. Dát begreep ik.

Het gesprek duurde twintig minuten. Ze stelde gerichte vragen. Hoe lang speelde het al? Had ik concrete plannen gemaakt om mezelf iets aan te doen? Dronk ik veel alcohol? Ze toetste af hoe acuut het gevaar was. Ze legde uit dat ik waarschijnlijk een zware depressie had, gecombineerd met angstklachten.

"Er is geen snelle knop om dit uit te zetten," zei ze eerlijk. "Ik ga je niet vertellen dat je met een doosje pillen over twee weken weer fluitend op je werk bent. We moeten een hulptraject opstarten. Ik wil dat je eerst gaat praten met onze praktijkondersteuner voor de geestelijke gezondheidszorg, de POH-GGZ. Die kan volgende week al. Ondertussen gaan we kijken naar een verwijzing naar de specialistische GGZ. Daar zijn wachttijden, helaas. Maar we zetten vandaag de eerste stap."

Ze schreef een recept uit voor slaapmedicatie, voor een paar nachten. "Om de cirkel te doorbreken. Je hersenen hebben rust nodig."

Toen we naar buiten liepen, scheen de zon waterig tussen de herfstwolken door. De wereld zag er nog steeds grijs uit. Mijn hoofd voelde nog steeds zwaar en vermoeid. Maar er was één groot verschil met gisteren: het geheim was weg. Het zat niet meer alleen opgesloten in mijn borstkas. De dokter wist het. Sanne wist het. Het stond in een dossier. Het was echt, en er werd aan gewerkt.

Hoofdstuk 7

Gewoon woensdag

Het is nu acht maanden later. Het is een gewone woensdagmiddag in juni.

Ik sta in een bijkeuken in Baarn. De zon schijnt door het raam en verwarmt mijn nek. Voor me staat een wasmachine van tien jaar oud. De trommel draait niet meer rond. Ik heb de achterplaat eraf geschroefd en zie het probleem meteen: de aandrijfriem is geknapt. Een zwarte rubberen veter, doormidden gesleten door de jaren heen.

Ik haal een nieuwe riem uit mijn gereedschapskist. Mijn handen zijn zwart van het koolborstelstof en het vet. Mijn nagels hebben die typische monteursrandjes die je er met gewone zeep niet af krijgt. Mijn handen zijn rustig. Ze trillen niet.

Ben ik genezen? Nee. Dat woord gebruik ik liever niet. Depressie is niet zoals een blindedarmontsteking die je wegsnijdt waarna het klaar is. Het is meer als een oude knieblessure. Als het koud en nat wordt, voel ik het zeuren. Dan weet ik dat ik moet oppassen.

Ik ga nog steeds om de twee weken naar een psycholoog in Amersfoort. Een rustige man van in de veertig die me leert om de stem in mijn hoofd niet altijd serieus te nemen. "Gedachten zijn geen feiten, Mark," zegt hij vaak. Ik vind het nog steeds een stomme zin, maar hij heeft wel gelijk. Als de stem zegt: 'Je bent een idioot', betekent dat niet dat ik een idioot ben. Het betekent alleen dat mijn hersenen een slechte gewoonte hebben om zichzelf naar beneden te halen.

Ik werk weer, maar niet meer fulltime. Vier dagen in de week in plaats van vijf. Geen storingsdiensten meer in het weekend. Karel deed in het begin een beetje ongemakkelijk toen ik weer begon. Hij wist niet goed hoe hij met me moest praten. Op een middag heb ik hem apart genomen in de kantine en heb ik het gewoon uitgelegd, zonder moeilijke woorden. "Karel, mijn emmer liep gewoon over. Ik ben bezig om de bodem weer leeg te scheppen." Hij knikte, gaf me een schouderklop die iets te hard was en zei: "Goed dat je er weer bent, jochie." Sindsdien is het goed.

Met Sanne gaat het ook beter, al zijn er littekens. Ze heeft het moeilijk gehad. Het is zwaar om te leven met iemand die maandenlang als een geest door het huis dwaalt. Soms ziet ze me peinzend naar buiten kijken en dan zie ik de schrik weer even in haar ogen springen. 'Gaat het?' vraagt ze dan. Vroeger zou ik gezegd hebben dat er niks was. Nu zeg ik: 'Ja, ik ben gewoon even moe. Geen paniek.' Dat helpt.

Ik leg de nieuwe aandrijfriem om de kleine poelie van de motor. Daarna trek ik hem met flink wat kracht over het grote wiel van de trommel. Het rubber spant strak. Ik geef met de hand een slinger aan de trommel. Hij draait soepel rond, met een zacht zoemend geluid. Geen speling. Geen gekraak. Goed gerepareerd.

De eigenares van het huis, een vrouw met een schort voor, komt de bijkeuken binnen met een mok koffie. Zwart, twee suiker, precies zoals ik het lekker vind.

"En?" vraagt ze hoopvol. "Kan hij nog een ronde mee?"

"Jazeker," zeg ik. Ik veeg mijn handen af aan een oude doek en neem de mok van haar aan. De koffie is heet en brandt een beetje op mijn tong. "Nieuwe riem erop gelegd. Hij kan er weer jaren tegenaan."

"Wat een opluchting," zegt ze met een glimlach. "Ik dacht echt dat hij naar de schroothoop moest."

"Soms lijkt het erger dan het is," zeg ik. "Je moet gewoon weten welk onderdeel vastzit. En je moet niet bang zijn om het open te schroeven."

Ze lacht en loopt weer terug naar de woonkamer. Ik blijf nog even staan in de bijkeuken. Ik drink mijn koffie op. Ik voel de tegelvloer onder mijn werkschoenen. Ik voel de warmte van de zon op mijn rug. Het is geen euforie. Het is geen sprookje waarin alles plotseling geweldig is. Het is gewoon een woensdagmiddag, en ik repareer een wasmachine. Maar voor mij is dat op dit moment meer dan genoeg.