Naar de inhoud
Terug naar het boek

Psychische gezondheid

Waar de mist begint

Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.

Hoofdstuk 1

Waar de mist begint — 1. De slagboom

De slagboom zakte terwijl ik eronderdoor liep. Ik zag hem komen. Toch hield ik mijn pas niet in. Pas toen de parkeerwachter schreeuwde, bleef ik staan.

‘Hé! Wil je dat ding op je kop?’

Ik keek naar de rood-witte balk. Hij hing vlak voor mijn neus. Aan de andere kant stond mijn auto. Een grijze Clio, derde rij, naast een laadpaal. Ik wist waar hij stond. Ik wist alleen niet waarom ik buiten was.

Mijn telefoon trilde. Bas, mijn teamleider.

‘Mara, waar blijf je? De chauffeur staat hier.’

Achter mij lag het distributiecentrum aan de rand van Nieuwegein. Daar werkte ik al elf jaar als planner. Ik kende de routes, de chauffeurs en de klanten die altijd te laat bestelden. Mijn naam is Mara Verbeek. Ik was negenendertig. Tot die ochtend dacht ik dat ik vooral moe was.

‘Ik kom eraan,’ zei ik.

‘Gaat het?’

‘Ja.’

Dat woord ging snel. Sneller dan nadenken.

Binnen rook het naar koffie en nat karton. Bij mijn bureau stond chauffeur Henk met een vrachtbrief. Hij tikte erop.

‘Je hebt me naar Almere gestuurd. Ik moet in Alphen zijn.’

Ik pakte het papier. De letters waren scherp. Ik kon ze lezen. Toch duurde het lang voordat ik begreep wat er stond.

‘Ik pas het aan.’

‘Dat zeg je net ook al.’

Ik keek op.

‘Wanneer?’

Henk keek naar Bas. Dat korte kijken vond ik erger dan een boze opmerking.

Op mijn scherm stonden twee vensters open. In het ene had ik de route gewijzigd. In het andere stond dezelfde fout nog. Naast mijn toetsenbord lag een briefje in mijn eigen handschrift: NIET OPNIEUW BOEKEN.

Ik herinnerde me dat briefje niet.

Bas trok een stoel bij.

‘Ga even zitten.’

‘Ik zit al.’

Hij bleef staan. Ik hoorde mezelf lachen. Een harde, verkeerde lach.

Toen begon mijn hart te bonzen. Niet een beetje sneller. Het sloeg zo hard dat mijn blouse bewoog. Mijn vingers tintelden. De ruimte leek naar achteren te schuiven. Henk zei iets, maar het klonk alsof hij achter glas stond.

Ik dacht: dit is mijn hart. Ik ga hier dood tussen twee beeldschermen.

Bas hurkte naast mijn stoel.

‘Mara. Kijk naar mij.’

‘Bel iemand.’

Dat deed hij.

De ambulance kwam niet met sirenes. Dat viel me op. Alsof mijn lichaam niet ernstig genoeg was voor geluid. Een verpleegkundige plakte elektroden op mijn borst. Hij stelde vragen over pijn, medicijnen en slaap.

‘Hoeveel uur slaap je?’

‘Zes.’

Bas keek naar me.

‘Misschien vier,’ zei ik.

Het waren er vaak twee. Soms drie. Om vier uur ging ik meestal uit bed. Dan controleerde ik mijn werkmail. Daarna mijn bankrekening. Daarna of de voordeur dichtzat.

De verpleegkundige zag op dat moment geen aanwijzingen voor een hartaanval. Hij legde uit dat ik vandaag nog naar mijn huisarts moest. Bij nieuwe of andere klachten moest ik opnieuw hulp inschakelen.

‘Kan dit door spanning komen?’ vroeg Bas.

‘Dat kan. Maar laat de huisarts meekijken.’

Ik wilde dat er iets op dat hartfilmpje stond. Iets met een naam en een behandeling van tien dagen. Geen gesprek over mijn leven.

Mijn zus Noor kwam me halen. Bas had haar gebeld nadat ik mijn telefoon aan hem had gegeven. Ze droeg nog haar jas van de thuiszorg. Op haar mouw zat een opgedroogde vlek.

In de auto vroeg ze niets. Dat hield ik vol tot we de A2 af waren.

‘Je hoeft niet zo voorzichtig te doen.’

‘Ik probeer gewoon te rijden.’

Bij mijn flat in Utrecht-Zuilen pakte ze mijn tas. Ik wilde hem terugpakken, maar mijn handen trilden nog.

Binnen bleef ze bij de keukentafel staan. Er lagen ongeopende enveloppen, drie mokken en een bak aardbeien met grijze pluis erop.

‘Sinds wanneer gaat het zo?’ vroeg ze.

‘Het is druk.’

Ze zette de tas neer.

‘Dat vroeg ik niet.’

Ik trok mijn jas uit. In de zak zat een kassabon van een tankstation bij Vianen. Gisteravond, 23.48 uur. Twee koffie en een broodje kaas.

Ik had geen idee wanneer ik daar was geweest.

Noor zag mijn gezicht veranderen.

‘Wat is er?’

Ik vouwde de bon dubbel.

‘Niks.’

Voor het eerst hoorde ik zelf hoe bang dat klonk.

Hoofdstuk 2

De bon

Ik sliep die middag op de bank. Toen ik wakker werd, zat Noor aan tafel met haar laptop dicht voor zich. Ze had gewacht.

‘We moeten over die bon praten,’ zei ze.

‘Je moet naar huis.’

‘Straks.’

Ik had hem naast mijn jas laten liggen. Nu lag hij tussen ons in. Een klein stukje papier waar ik niet naar wilde kijken.

‘Misschien heb je getankt,’ zei ze.

‘Er staat geen benzine op.’

‘Dan koffie.’

‘Dat kan ik lezen, Noor.’

Ze schoof haar stoel naar achteren. Niet boos. Wel een stukje verder weg. Ik schaamde me meteen, maar zei geen sorry.

De huisarts kon me om vier uur zien. Dokter Smit kende ik van een oorontsteking en een moedervlek. Nu zat ik tegenover haar met mijn zus naast me. Dat voelde alsof ik weer een kind was dat iets had verzwegen op school.

Ze vroeg me te vertellen wat er op mijn werk was gebeurd. Ik begon bij de verkeerde vrachtbrief. Daarna bij de slagboom. De bon bewaarde ik voor het laatst.

‘Ik ben bang dat ik mijn verstand verlies.’

Ze liet een stilte vallen.

‘Je merkt dat je geheugen en concentratie je in de steek laten. Dat is beangstigend. We gaan uitzoeken wat er speelt.’

Ze vroeg naar alcohol en drugs. Naar medicijnen. Naar eten. Naar de weken voor die ochtend.

Ik vertelde over het nieuwe planningssysteem. Over een collega die was vertrokken. Over mijn moeder in het verpleeghuis in Maarssen. Over de formulieren die ik voor haar invulde. Over mijn relatie met Jeroen, die in november was geëindigd.

‘Wanneer heb je voor het laatst een vrije dag gehad zonder iets te moeten?’

Ik zocht naar een antwoord. Een zaterdag in januari misschien. Maar toen had ik de berging van mijn moeder leeggehaald.

Dokter Smit onderzocht me en liet bloedonderzoek aanvragen. Ze wilde me over een paar dagen terugzien. Ook maakte ze een afspraak bij de praktijkondersteuner voor psychische klachten.

‘Voorlopig niet werken. En met die vermoeidheid en momenten van afwezigheid ook niet autorijden.’

‘Ik moet mijn auto ophalen.’

‘Laat iemand anders dat doen.’

Toen stelde ze een vraag die ik niet had verwacht.

‘Heb je gedachten dat je niet meer wilt leven?’

Mijn blik ging naar Noor.

‘Je mag eerlijk antwoorden,’ zei de huisarts.

‘Ik wil vooral dat alles ophoudt.’

‘Wat bedoel je met alles?’

‘Dat ik wakker word en meteen achterloop. Dat er altijd iemand iets nodig heeft.’

Ze vroeg verder. Of ik aan zelfdoding dacht. Of ik plannen had gemaakt. Ik zei dat ik geen plan had. Soms hoopte ik wel dat ik een ochtend niet wakker hoefde te worden. Ik had dat nog nooit hardop gezegd.

We spraken af wat ik kon doen als die gedachten sterker werden. Noor schreef mee, met mijn toestemming. Ik vond het vernederend en was tegelijk blij dat iemand de woorden bewaarde.

Die avond aten we soep uit kommen die Noor eerst had afgewassen. Daarna gaf ik haar mijn autosleutel.

‘Niet kwijtraken,’ zei ik.

‘Ik heb zelf ook sleutels, Mara.’

Ik glimlachte. Het was de eerste keer die dag dat mijn gezicht niet voelde als een opdracht.

Toen ze weg was, zocht ik in mijn telefoon. Geen groot onderzoek. Alleen gisteren. Mijn laatste werkmail was verstuurd om 22.56 uur. Om 23.19 had ik Noor een spraakbericht gestuurd.

Ik drukte op afspelen.

Eerst hoorde ik de richtingaanwijzer. Daarna mijn stem.

‘Ik rijd even. Thuis lukt het niet. Niet bellen hoor. Jij moet slapen.’

Ik liet het drie keer afspelen.

Langzaam kwam er iets terug. De koelkast die bromde. Mijn dekbed dat te warm was. De behoefte om ergens heen te gaan waar niemand een vraag kon stellen. Ik zag de verlichte broodjeskast weer. De tweede koffie was voor later geweest.

Het was geen volledig gat. Er waren stukjes. Alleen had ik er pas toegang toe toen ik mijn eigen stem hoorde.

Ik belde Noor.

‘Waarom heb je dat bericht niet genoemd?’

‘Omdat ik het vanmorgen pas zag. Ik dacht dat je gewoon slecht had geslapen.’

‘Ik ook.’

Aan de andere kant hoorde ik een kraan dichtgaan.

‘Blijf je vannacht bereikbaar?’ vroeg ik.

‘Ja. Maar zullen we ook afspreken wie je belt als ik niet opneem?’

Ik pakte het papier van de huisarts. Deze keer legde ik het niet onder de post.

Hoofdstuk 3

De dichte deur

De eerste week thuis voelde niet als rust. Hij voelde als spijbelen.

Om half zeven zat ik aangekleed op de bank. Mijn werktelefoon lag in een la. Ik hoorde hem toch. Een trilling die er niet was. Zodra buiten een bestelbus stopte, dacht ik dat Bas kwam kijken of ik echt ziek was.

Op woensdag belde hij.

‘Hoe gaat het?’

‘Wisselend.’

‘Neem je tijd. Ik moet alleen weten waar het bestand van De Groot staat.’

Ik vertelde het hem. Daarna vroeg hij naar een retourzending. Voor ik het wist, zat mijn laptop open.

Een uur later stonden er zes tabbladen op mijn scherm. Mijn hartslag liep weer op. Ik had niet ontbeten.

Ik stuurde Bas dat ik toch niet kon helpen. Vervolgens wachtte ik twintig minuten op zijn antwoord.

Geen probleem, schreef hij.

Ik las er van alles in wat er niet stond.

De praktijkondersteuner heette Leila. Haar kamer had een raam naar een fietsenrek. Tijdens ons eerste gesprek keek ik naar een man die zijn slot niet open kreeg.

‘Wat gebeurt er als je iemand teleurstelt?’ vroeg ze.

‘Dan moet iemand anders het oplossen.’

‘En wat betekent dat over jou?’

‘Dat ik mijn werk niet doe.’

‘Ook als je ziek bent?’

Ik haalde mijn schouders op.

Ze vroeg niet meteen naar mijn jeugd. Daar was ik dankbaar voor. We maakten een lijst van mijn dagen. Slapen, eten, schermen, piekeren. Het meeste papier ging op aan piekeren.

Leila legde uit dat langdurige spanning, weinig slaap, somberheid en paniek elkaar konden versterken. Dat een onwerkelijk gevoel daarbij kon voorkomen. Ze zei ook dat ze niet alles op voorhand aan spanning wilde toeschrijven.

‘Je hoeft jezelf nu geen diagnose te geven. We kijken zorgvuldig. En we beginnen met wat vandaag nodig is.’

Dat werd een ontbijt, elke dag rond dezelfde tijd opstaan en een korte wandeling. Geen schema waarmee ik mezelf opnieuw kon afstraffen, zei ze. Alleen houvast.

Ik knikte alsof dat eenvoudige opdrachten waren.

Donderdag kwam ik niet verder dan de voordeur.

Mijn schoenen waren aan. Mijn jas zat dicht. Ik had mijn sleutel in mijn hand. Achter de deur hoorde ik buurman Idris op de trap. Ik wachtte tot hij weg was. Daarna hoorde ik beneden iemand lachen. Ik bleef wachten.

Om kwart over twaalf trok ik mijn jas weer uit.

Op vrijdag ging ik wel. Tot de supermarkt aan de Amsterdamsestraatweg. Ik had een lijst met vier dingen: brood, yoghurt, bananen, koffie.

Bij de kassa vroeg de jongen of ik zegels spaarde.

Ik begreep de vraag. Maar achter mij schoof iemand een mandje over de vloer. Er piepte een andere kassa. Een kind trok aan een plastic zak.

Mijn handen werden koud.

‘Mevrouw? Zegels?’

Ik liet mijn mandje staan en liep naar buiten.

Bij de fietsen boog ik voorover. Ik probeerde diep te ademen, steeds dieper, tot ik duizelig werd. Een vrouw vroeg of ze iemand moest bellen.

‘Nee,’ zei ik. ‘Laat maar.’

Thuis appte ik Leila via het patiëntenportaal dat zelfs boodschappen doen niet lukte. Daarna legde ik mijn telefoon weg. Ik wilde haar antwoord niet zien.

Die avond stond Idris voor mijn deur met een verkeerd bezorgd pakket.

‘Dit lag bij mij.’

Ik nam het aan. Er zat een nieuwe oplader in. Ik wist nog dat ik die had besteld. Dat kleine feit stelde me gerust.

‘Ben je ziek?’ vroeg hij.

Ik wilde zeggen dat ik vakantie had.

‘Ja. Een beetje vastgelopen.’

Hij knikte.

‘Ik ga morgen naar de bakker. Iets meenemen?’

Geen vragen over de oorzaak. Geen verhaal over iemand die het erger had.

‘Een half volkoren.’

‘Gesneden?’

Ik moest lachen. Daarna begon ik te huilen.

Idris bleef op de mat staan. Hij keek even naar het pakket in mijn hand.

‘Ik weet niet zo goed wat ik moet doen,’ zei hij.

‘Ik ook niet.’

Hij haalde een zakdoek uit zijn jas. Schoon, zei hij erbij.

De volgende ochtend hing er brood aan mijn deur. Ik maakte twee boterhammen en at ze aan tafel. Daarna las ik Leila’s antwoord.

We zouden samen bekijken wat er bij de kassa was gebeurd. Het mislukte bezoek betekende niet dat ik opnieuw moest beginnen.

Ik schreef de volgende afspraak op. Onder het tijdstip zette ik: vertellen over de deur.

Hoofdstuk 4

Wat ik niet zei

Twee weken later ging ik naar mijn moeder in Maarssen. Noor reed. Ik had gezegd dat het goed genoeg ging voor een bezoek.

In het verpleeghuis stond de televisie hard. Mijn moeder zat bij het raam met een dichtgevouwen servet op schoot. Ze keek naar mijn haar.

‘Je hebt het niet gekamd.’

‘Jawel, mam.’

‘Dan moet je naar een andere kapper.’

Noor lachte zacht. Ik niet.

Mijn moeder vroeg waar mijn vader bleef. Hij was vier jaar dood. Ik vertelde het opnieuw, voorzichtig. Ze werd boos.

‘Dat had je wel even mogen zeggen.’

Ik staarde naar het servet. Noor nam het gesprek over. Ze vroeg of we een stukje door de tuin zouden lopen.

Op de terugweg zei ze dat ik stil was.

‘Ik ben moe.’

‘We hadden korter kunnen blijven.’

‘Het was drie kwartier.’

‘Dat kan ook te lang zijn.’

Ik keek uit het raam. Bij de verkeerslichten veegde een jongen met zijn mouw over zijn brommervizier. Ik benijdde hem om iets onzinnigs. Hij wist waar hij heen ging.

Thuis opende ik een brief van de bedrijfsarts. Een afspraak voor maandag. Daarnaast lag een envelop van mijn pensioenfonds. Ik las twee regels en schoof alles op de vloer.

Die avond at ik niets. Ik ging om negen uur naar bed, lag tot twaalf uur wakker en verhuisde naar de bank. Mijn telefoon lichtte op. Een foto van collega’s bij een afscheidsborrel. Bas had hem in de groepsapp gezet.

Er stond iemand op mijn plek achter de planning.

Natuurlijk stond daar iemand. Het werk moest door. Toch voelde ik een plotselinge, scherpe leegte. Ik was uitgevallen en de wereld had een andere stoel gepakt.

Ik dacht aan de vraag van dokter Smit. Of ik niet meer wilde leven.

Tot dan had ik mezelf verteld dat mijn antwoord niet ernstig was geweest. Iedereen wilde toch weleens verdwijnen onder een dekbed? Maar nu dacht ik niet aan slapen. Ik dacht dat het voor anderen rustiger zou zijn als ik er niet meer was.

Die gedachte schrok me af. En een deel van mij geloofde hem.

Ik belde Noor. Geen antwoord. Ze had nachtdienst, wist ik ineens. Ik begon een bericht te typen: Sorry dat ik altijd...

Ik verwijderde het.

Op tafel lag het papier van de huisarts. Ik had het onder een kom vandaan getrokken. Naast Noor stond 113. Daaronder de huisartsenpost en wat ik moest doen bij direct gevaar.

Ik belde 113.

Toen iemand opnam, zei ik eerst niets.

‘Ik ben er,’ zei de vrouw aan de telefoon.

‘Ik weet niet of ik hiervoor mag bellen.’

‘Vertel maar wat er gebeurt.’

Ik vertelde over mijn moeder, de foto en de brief. Het klonk klein achter elkaar. Ik zei dat ook.

‘Maar je zit er nu wel alleen mee,’ zei ze.

Ze vroeg rechtstreeks naar mijn veiligheid. Naar plannen en of ik bang was mezelf iets aan te doen. Ik had geen plan gemaakt. Toch vertrouwde ik mezelf minder dan een uur eerder. Dat zei ik deze keer zonder het af te zwakken.

We bespraken wie bij me kon komen en welke zorg ik die nacht kon bereiken. Na het gesprek belde ik de huisartsenpost. Met de triagist bleef ik aan de lijn tot duidelijk was wat de volgende stap werd.

Daarna belde ik bij Idris aan.

Hij deed open in een T-shirt, met een afdruk van een kussen op zijn wang.

‘Ik moet niet alleen zijn,’ zei ik.

Hij stapte meteen opzij.

We zaten aan zijn keukentafel. Hij schonk thee in, maar stelde geen vragen die ik niet kon beantwoorden. Later ging hij mee naar de huisartsenpost. Ik praatte met een arts en iemand van de crisisdienst. Ze vroegen veel. Soms hetzelfde, op een andere manier.

We maakten concrete afspraken voor de nacht en de volgende dag. Noor belde terug en kwam na haar dienst. Ik zou bij haar blijven. De huisarts zou de verdere hulp met me bespreken.

In de wachtkamer, voor we vertrokken, zei ik tegen Idris dat het me speet.

‘Ik ben moe,’ zei hij. ‘Maar ik ben niet boos.’

Bij Noor thuis lag een dekbed op de bank. Ze maakte geen grote beloftes. Ze zette een glas water neer en ging in de stoel tegenover me zitten.

‘Morgen regelen we morgen,’ zei ze.

Ik sliep niet meteen. Maar ik hoefde de nacht niet meer alleen te houden.

Hoofdstuk 5

De tweede stoel

Na die nacht veranderde de hulp. Niet omdat alles daarvoor onbelangrijk was geweest. Wel omdat ik eindelijk had verteld hoe ver mijn gedachten gingen.

Dokter Smit sprak me de volgende middag. Noor zat erbij. Ik bleef een paar dagen bij haar en kreeg vaker contact met de praktijk. Er kwam een verwijzing voor behandeling. De wachttijd was niet ineens verdwenen. Daarom spraken we duidelijk af wie ik in de tussentijd kon bereiken.

De bloeduitslagen gaven geen verklaring voor mijn klachten. De huisarts bleef mijn slaap en de momenten van verwarring volgen. Ik had sinds mijn ziekmelding geen nieuwe gaten gemerkt. Toch hield ik autorijden nog af.

We bespraken ook medicijnen. Ik wilde eerst nee zeggen. Mijn moeder had vroeger over een buurvrouw gezegd dat ze ‘op pillen draaide’. Die zin zat blijkbaar nog ergens in mijn hoofd.

‘Wat verwacht je dat medicijnen met je doen?’ vroeg dokter Smit.

‘Dat ik mezelf niet meer ben.’

‘En hoe voelt dat nu?’

Ik keek naar mijn handen.

Ze legde mogelijkheden, bijwerkingen en controles uit. Ik nam geen besluit om van het gesprek af te zijn. Ik kreeg bedenktijd. Later begon ik, in overleg met haar, met een antidepressivum. De eerste dagen was ik misselijk. Ik belde daarover. We hielden contact en maakten vervolgafspraken. Het was geen knop die iemand omzette.

De bedrijfsarts zag ik in een kantoorgebouw bij station Utrecht Centraal. In de lift stond ik naast iemand met een feestelijke bos bloemen. Ik wilde haar vragen voor wie die waren. Gewoon om even niet aan de afspraak te denken.

De arts vroeg wat ik deed op een gewone dag.

‘Niet veel.’

‘Wat is niet veel?’

Ik beschreef douchen. Ontbijten. Soms wandelen. Daarna op de bank liggen omdat mijn hoofd vol zat.

Hij vroeg niet waarom ik dan geen spreadsheets kon bijwerken.

‘Werkhervatting is nu niet aan de orde,’ zei hij. ‘Eerst moet er meer stabiliteit komen.’

Ik huilde van opluchting. Daarna vroeg ik of ik ontslagen kon worden. Hij legde zijn rol uit en welke afspraken we met mijn werkgever konden maken. Niet alles was meteen zeker. Maar er kwam wel een volgende afspraak.

Bas belde die vrijdag op het afgesproken tijdstip. Tien minuten. Geen werkvragen.

‘Ik wist niet dat het zo slecht ging,’ zei hij.

‘Ik ook niet helemaal.’

‘Je zei steeds dat het lukte.’

‘Jij vroeg steeds of het nog even kon.’

Aan de andere kant bleef het stil.

‘Dat is waar,’ zei hij toen.

Dat maakte hem niet ineens een slechte leidinggevende. Mij ook niet ineens iemand die zonder schuld was. We hadden samen lang gedaan alsof mijn rek onbeperkt was.

Een maand later zat ik bij psycholoog Eva in Overvecht. Ze had twee dezelfde stoelen. Ik koos die dicht bij de deur.

Na verschillende gesprekken sprak ze van een depressie, met veel angst en paniekaanvallen, tegen de achtergrond van langdurige overbelasting. Het label voelde eerst als een extra probleem. Daarna gaf het ook richting aan de behandeling.

We onderzochten wat ik deed zodra ik spanning voelde. Controleren. Sneller werken. Dingen afzeggen. Niet vertellen wat er speelde. Sommige gewoontes hielpen een kwartier en maakten de volgende dag zwaarder.

‘Wanneer ging je voor het laatst ergens heen terwijl je bang was?’ vroeg ze.

‘Hiernaartoe.’

‘Wat maakte dat mogelijk?’

‘Noor bracht me.’

‘En jij stapte in.’

Ik ergerde me aan dat antwoord. Ik zei het ook.

Eva knikte.

‘Je hoeft het geen prestatie te vinden. Ik wil alleen precies kijken wat je wél deed.’

We oefenden met kleine situaties die ik vermeed. Niet meteen een drukke supermarkt op zaterdag. Eerst naar een rustige winkel, één product afrekenen en blijven terwijl de spanning opliep. Ik leerde minder te vechten met elke lichamelijke sensatie.

Het ging langzaam. Soms kwam ik buiten en was ik boos omdat één pak yoghurt zoveel werk had gekost.

Op een woensdag zat ik thuis met dat pak op tafel. Mijn telefoon ging. Noor vroeg of ze langs moest komen.

Ik keek naar mijn boodschappen. Naar mijn jas over de stoel.

‘Niet vandaag,’ zei ik. ‘Maar morgen wil ik graag samen eten.’

Het was geen afwijzing. Het was een antwoord op haar vraag. Dat verschil begon ik te begrijpen.

Hoofdstuk 6

Terug naar binnen

In juni ging ik voor het eerst terug naar het distributiecentrum. Niet om diensten over te nemen. Alleen voor koffie en een gesprek. Dat stond in de afspraak, die ik vier keer had gelezen.

Noor zette me af bij de ingang.

‘Zal ik wachten?’

‘Nee. Ik bel als het anders loopt.’

Bij de slagboom bleef ik staan. Hij stond omhoog. Verderop at de parkeerwachter een appel. Ik vroeg me af of hij me herkende. Hij stak zijn hand op alsof ik gewoon een medewerker was die lang vakantie had gehad.

Binnen was de vloer opnieuw gemarkeerd. Gele looplijnen, blauwe vakken. Mijn lichaam reageerde voordat ik mijn jas had uitgedaan. Warme nek. Snelle adem. De neiging om om te keren.

Ik ging niet meteen door. Ik voelde mijn schoenen op de vloer en keek naar het bord met bezoekerspassen. Mijn hart mocht sneller kloppen. Ik hoefde niet eerst rustig te zijn om naar Bas’ kantoor te lopen.

Henk kwam uit de kantine.

‘Hé, Mara.’

‘Hé.’

‘Goed je te zien.’

Hij wilde verder lopen. Ik hield hem tegen.

‘Die rit naar Almere. Sorry daarvoor.’

Hij kneep zijn ogen even samen.

‘Dat is opgelost. Ik heb wel ergere omwegen gemaakt.’

Daarna vroeg hij of ik koffie wilde. Geen verhoor. Ik had weken een gesprek voorbereid dat niet plaatsvond.

Met Bas en later de bedrijfsarts maakten we een plan voor een voorzichtige terugkeer. Twee korte ochtenden, afgebakende taken, geen telefoon naast mijn scherm. Elke week bekijken hoe het ging. De planning mocht veranderen als het niet haalbaar bleek.

De eerste ochtend controleerde ik adressen in een oud klantenbestand. Na anderhalf uur las ik dezelfde regel zes keer. Vroeger zou ik koffie hebben gehaald en zijn doorgegaan.

Nu liep ik naar Bas.

‘Ik moet stoppen.’

Hij keek op de klok. Ik zag het. Hij zag dat ik het zag.

‘Prima,’ zei hij. ‘Zet even waar je gebleven bent.’

Thuis sliep ik twee uur. Daarna vond ik mezelf zwak. ’s Avonds schreef ik voor Eva op wat er feitelijk was gebeurd: gewerkt, grens gemerkt, gestopt. Mijn oordeel stond eronder. Het waren twee verschillende dingen.

De week erna ging het beter. De week daarna niet.

Mijn moeder viel in het verpleeghuis. Geen breuk, wel pijn en veel onrust. Het telefoontje kwam op maandagavond. Ik ging met Noor naar haar toe. Dinsdag hielp ik met spullen. Woensdag werkte ik toch, omdat het ‘maar twee uur’ was.

Donderdagnacht sliep ik nauwelijks.

Vrijdag stond ik weer voor de supermarkt. Het raam spiegelde mijn gezicht over een aanbieding voor tomaten. Mijn handen begonnen te tintelen. Ik liep terug naar huis zonder boodschappen.

Daar sloeg ik een keukenkastje zo hard dicht dat er een scharnier losschoot.

‘Daar gaan we weer,’ zei ik tegen de lege kamer.

Ik wilde mijn afspraken afzeggen. Vooral die met Eva. Ik had geen zin om haar te vertellen dat haar oefeningen niets hielpen.

Toch ging ik.

‘Wat is er deze week gebeurd?’ vroeg ze.

Ik somde het op. Mijn moeder. Het werk. De slechte nachten.

‘En welke rust heb je daarvoor ingeleverd?’

‘Alles, denk ik.’

Ze schoof geen nieuwe methode naar voren. We keken naar de oude afspraken die ik als eerste had laten vallen zodra iemand anders hulp nodig had.

Ik belde Noor vanuit de gang van de praktijk.

‘Ik kan dit weekend niet naar mam.’

Ze zuchtte.

Mijn maag trok samen.

‘Sorry,’ begon ik.

‘Nee,’ zei ze. ‘Ik baal van de situatie. Niet van jou. Ik moet ook even kijken wat lukt.’

We spraken af om het verpleeghuis te bellen over wat zij konden opvangen. Niet alles hoefde tussen ons tweeën verdeeld te worden.

Die middag meldde ik de terugval bij Bas. Met de bedrijfsarts werd de opbouw aangepast. Ik verloor geen denkbeeldige punten. Ik hoefde ook niet te bewijzen dat ik alweer op mijn slechtst was.

Idris kwam het kastje repareren. Ik hield de deur vast terwijl hij schroefde.

‘Goedkoop scharnier,’ zei hij.

‘Ik sloeg nogal hard.’

‘Dan allebei.’

We stonden even stil in mijn kleine keuken. Daarna vroeg ik of hij koffie wilde. Er waren twee schone mokken.

Hoofdstuk 7

De vroege trein

In oktober nam ik om kwart over acht de trein naar Amersfoort. Een gewone dinsdag. Geen reis die iemand zou onthouden.

Ik wel.

Noor was jarig en had een vrije dag. We zouden ontbijten bij een zaak vlak bij haar huis. Ze had aangeboden naar Utrecht te komen. Ik had gezegd dat ik de trein wilde proberen. Niet als examen. Gewoon omdat zij anders steeds reisde.

Op Utrecht Centraal werd het spoor gewijzigd. Om me heen begonnen mensen tegelijk te lopen. Er schuurde een koffer langs mijn been. Uit de luidspreker kwamen drie berichten achter elkaar.

Mijn borst trok strak.

Ik ging naast een pilaar staan. Even kwam de gedachte dat ik naar huis moest. Meteen. Dan kon ik Noor uitleggen dat het te druk was geweest.

Ik keek op het bord. Er reed over een kwartier nog een trein.

Ik hoefde niet met deze mee.

Dat was alles. Geen plotseling inzicht dat mijn leven voorgoed veranderde. Ik liet een trein vertrekken en kocht een fles water. Daarna liep ik naar het juiste perron.

In de coupé zat een jongen met een fietswiel tussen zijn knieën. Verderop belde iemand over badkamertegels. Ik stuurde Noor dat ik later kwam.

Ze antwoordde met een foto van een kaneelbroodje.

Ik had trek. Dat viel me op.

Er waren inmiddels acht maanden voorbij sinds de slagboom. Ik werkte weer een deel van mijn uren. Minder dan vroeger. Samen met mijn werkgever onderzocht ik of een andere verdeling van taken blijvend mogelijk was. Ik deed nog niet de volle ochtendspits in mijn eentje. Misschien zou ik dat later weer willen. Misschien niet.

Ik had gesprekken met Eva, minder vaak dan in het begin. Met de huisarts besprak ik de medicijnen en hoe het ging. Ik veranderde daar niet zelf iets aan omdat ik een goede week had.

Soms werd ik nog om vier uur wakker. Dan lag er meteen een lijst in mijn hoofd. Mijn moeder. Werk. Geld. De douche die lekte. Het verschil was dat ik de lijst niet altijd meer uitvoerde.

Mijn moeder herkende me meestal. Soms niet. Dat deed nog steeds pijn. Er was geen oefening die dat netjes oploste. Noor en ik hadden vaste overlegmomenten met haar verzorgers. We maakten ook afspraken over wat we níét konden doen.

Met Jeroen dronk ik één keer koffie. Hij zei dat hij niet had geweten hoe slecht het ging.

‘Ik liet het je ook niet zien,’ zei ik.

Dat betekende niet dat we weer samenkwamen. Hij gaf mijn reservesleutel terug. Ik liep naar huis en huilde. Daarna maakte ik eten. Die dingen konden op dezelfde avond gebeuren.

In Amersfoort stond Noor buiten het station. Ze droeg een groene jas die ik niet kende.

‘Nieuw?’ vroeg ik.

‘Tweedehands. En jij bent te laat.’

‘Ik weet het.’

Ze pakte mijn arm. We liepen naar het centrum.

Tijdens het ontbijt vertelde ze over een lastige collega. Ik luisterde. Halverwege vroeg ze hoe het echt met me ging.

‘Vandaag behoorlijk,’ zei ik. ‘Gisteren niet zo.’

‘Wat was er gisteren?’

‘Niks groots. Ik werd somber wakker. Ik heb gewandeld en Leila’s oude lijst teruggelezen. Daarna Idris gevraagd of hij mee wilde eten.’

Noor knikte en sneed haar broodje door.

Ze hoefde niet meteen een reddingsplan te maken. Ik hoefde niet te zeggen dat alles goed was om haar ontbijt te sparen.

Thuis heb ik nog steeds de bon uit Vianen. Hij zit in een map met afspraken, telefoonnummers en een vel waarop mijn vroege signalen staan. Slecht slapen. Maaltijden overslaan. Werk verbergen onder het woord ‘even’. Niemand meer binnenlaten.

Ik bewaar hem niet als bewijs dat ik iets overwonnen heb. Ik ben vooral blij dat ik die nacht niet ben verongelukt. Soms schaam ik me nog voor het rijden. Dan vertel ik mezelf niet dat het wel meeviel. Ik vertel het aan iemand die kan luisteren.

Na het ontbijt liepen Noor en ik langs de Eem. Ze vroeg of ik nog mee wilde naar een winkel.

Ik voelde hoe moe ik was. Er was ook de oude haast om ja te zeggen.

‘Een andere keer,’ zei ik. ‘Ik ga naar huis.’

Ze gaf me een kus en liep richting de binnenstad.

Op het station kocht ik een broodje voor onderweg. Daarna zocht ik een zitplaats bij het raam. Ik stuurde niemand een verklaring. Alleen een bericht aan Noor: fijn dat we dit gedaan hebben.

Toen de trein vertrok, begon ik te eten.