Verlies en rouw
Voorzichtig weer gelukkig
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
De geur van zaagsel en regen
Mijn naam is Arjan de Vries. Ik ben negenendertig jaar oud en ik woon in Zwolle, in een gewone tussenwoning in de wijk Diezerpoort. Van beroep ben ik meubelmaker. Ik werk met eikenhout, beukenhout en noten. Hout liegt nooit. Als je er een zaag in zet, zie je meteen hoe de boom heeft geleefd. Je ziet de droge zomers in de smalle ringen. Je ziet de stormen in de scheuren. Hout kun je schaven tot het weer glad is. Met een mensenleven kan dat niet.
Het gebeurde twee jaar geleden, op een dinsdagochtend in november. Het regende niet hard, maar het was van die miezerregen die overal tussendoor kruipt. Mijn werkplaats rook naar vers zaagsel en koude koffie. Ik was bezig met een grote eettafel voor een gezin uit Berkum. Mijn zaagblad was bot. Ik had nieuwe bladen besteld bij de groothandel aan de andere kant van de stad, maar ik had geen tijd om ze op te halen. Ik had haast. Ik had altijd haast in die tijd.
Sanne stond in de deuropening van de werkplaats. Ze had haar gele regenjas aan. Haar blonde haar zat in een rommelige knot. Ze had een thermosbeker thee in haar hand.
"Arjan," zei ze, "ik ga toch die kant op voor de boodschappen. Zal ik die zaagbladen even voor je meepakken?"
Ik keek niet eens echt naar haar op. Ik keek naar een scheef stuk hout op mijn werkbank. Ik was gehaast en chagrijnig.
"Nee, laat maar," zei ik kortaf. "Jij pakt altijd de verkeerde maat."
Ze lachte zacht. Ze werd zelden boos als ik mopperde. Ze kende me te goed. "Schrijf het typenummer op een briefje, eigenwijs. Dan komt het goed. Dan hoef jij straks niet door de file."
Ik scheurde een stukje karton van een doos. Met een timmermanspotlood kraste ik het nummer erop. Ik gaf het aan haar zonder haar aan te kijken. Ik gaf haar geen zoen. Ik zei niet eens dank je wel. Het enige wat ik zei was: "En rij voorzichtig op die rotonde bij de Ceintuurbaan. Mensen rijden daar als idioten met dit weer."
"Komt goed, schat," zei ze.
Dat waren haar laatste woorden tegen mij. Komt goed, schat. Twintig minuten later stond ze stil voor het stoplicht bij de oprit naar de snelweg. Een vrachtwagen met een lading grind kon niet meer remmen voor het natte asfalt. De remmen weigerden, of de chauffeur zat op zijn telefoon te kijken. Dat doet er achteraf eigenlijk niet eens toe. Het resultaat was hetzelfde. De klap duwde haar kleine rode Peugeot onder de oplegger van een andere vrachtwagen. Ze was op slag dood. Dat zeiden de artsen later in het ziekenhuis. Ze heeft er niks van gevoeld, zeiden ze. Het moest een troost zijn, denk ik. Maar het was geen troost. Het was alleen maar een mededeling.
Toen de politie bij mijn werkplaats kwam, zag ik het meteen aan hun gezichten. Twee jonge agenten. Een man en een vrouw. De man hield zijn pet in zijn handen. Hij draaide de rand van die pet steeds rond tussen zijn vingers. Als een agent zijn pet afzet voordat hij binnenkomt, weet je dat je leven voorbij is.
"Bent u de heer De Vries?" vroeg de vrouwelijke agent. Haar stem trilde een beetje.
Ik legde mijn schaaf neer op de werkbank. Mijn handen zaten onder het gele houtstof. Ik veegde ze af aan mijn werkbroek, maar het stof ging er niet af. Het bleef aan mijn huid plakken.
"Waar is ze?" vroeg ik. Ik schreeuwde niet. Mijn stem klonk heel dun, alsof iemand de lucht uit mijn longen had gezogen.
In het ziekenhuis lag ze onder een wit laken. Alleen haar gezicht was te zien. Er zat een kleine blauwe plek op haar voorhoofd, net onder haar haargrens. Verder zag ze eruit alsof ze sliep. Haar hand was al koud toen ik hem vastpakte. Niet koud zoals buiten in de winter, maar koud van binnenuit. Alsof de warmte nooit meer terug kon komen.
In haar jaszak vonden ze het stukje karton. Het was een beetje gekreukt. Mijn eigen handschrift stond erop, in dikke zwarte potloodletters. Het typenummer van de zaagbladen. Ik heb dat stukje karton nog steeds. Het ligt in mijn nachtkastje, onder een stapel oude rekeningen. Elke avond als ik naar bed ga, weet ik dat het daar ligt. Als ik niet had gemopperd over dat botte zaagblad, had ze gewoon thuis gezeten met een kop thee. Dan had ze nu geleefd.
Hoofdstuk 2
Koude thee en dichte gordijnen
De eerste maanden na de begrafenis herinner ik me alleen als een grijze vlek. Mensen sturen kaarten. Witte kaarten, grijze kaarten, kaarten met getekende bloemen of een enkele boom op een heuvel. 'Woorden schieten tekort', stond er op bijna elke kaart. Dat is waar. Woorden schieten tekort, dus kun je net zo goed je mond houden. Maar mensen willen iets zeggen. Ze willen het gat dichten dat in de kamer valt.
Mijn moeder kwam elke ochtend om negen uur. Ze zette koffie, haalde een doekje over het aanrecht dat al schoon was, en zette een bord boterhammen voor me neer. Kaas met mosterd, zoals ik vroeger als kind at.
"Eet nou een paar happen, Arjan," zei ze dan. Ze keek me aan met ogen die rood waren van het huilen. Ze huilde om Sanne, maar ze huilde vooral om mij.
Ik at de korstjes op. Meer kreeg ik niet weg. Mijn keel voelde alsof er zand in zat. Ik zat aan de keukentafel en keek naar de tuin. Het gras werd te lang. De bladeren van de esdoorn vielen op het terras en begonnen te rotten. Normaal haalde Sanne die bladeren weg met een plastic hark. Ze hield van een nette tuin. Ze zei altijd dat de tuin het verlengstuk van de woonkamer was. Nu lagen de bladeren er als een natte, bruine deken.
"Ik moet naar de werkplaats," zei ik op een ochtend in januari tegen mijn moeder.
Ze keek op van de afwas. "Weet je dat zeker, jongen? Is het niet te vroeg?"
"Ik moet die eettafel afmaken. De mensen hebben al betaald."
Het was een leugen. De mensen hadden de bestelling allang geannuleerd. Ze hadden een nette, voorzichtige mail gestuurd waarin ze zeiden dat ze het volkomen begrepen en dat ze ergens anders een tafel hadden gekocht. Ze wilden me niet tot last zijn. Iedereen deed voorzichtig met me. Alsof ik van dun glas was gemaakt en elk moment in duizend stukken op de vloer kon vallen.
Ik fietste naar de werkplaats. De lucht was ijskoud en strakblauw. Mijn adem wolkte voor me uit. Toen ik de sleutel in het slot van de werkplaats stak, rook ik meteen weer het zaagsel. Maar de geur was veranderd. Het rook niet meer naar werk, het rook naar stilstand. Alsof de tijd was gestopt op die dinsdag in november.
Op de werkbank lag de schaaf nog precies zoals ik hem had neergelegd toen de agenten binnenkwamen. Er lag een dun laagje grijs stof over het gereedschap. In de hoek stond haar thermosbeker. Er zat nog een bodempje opgedroogde kruidenthee in. Een bruine, gebarsten vlek op de bodem van het roestvrij staal.
Ik pakte de beker op. Mijn hand trilde zo erg dat het deksel rammelde.
Ik had schuld. Het was geen vaag gevoel, het was een fysiek gewicht. Het zat tussen mijn schouderbladen, als een loden plaat die me naar beneden drukte. Als ik die ochtend zelf was gegaan. Als ik gewoon had gezegd: 'Laat maar zitten, ik doe het vanmiddag wel.' Waarom moest ik per se dat blad hebben? Waarom was ik zo geobsedeerd door die stomme tafel?
Mijn vriend Dennis kwam die middag langs. Hij is aannemer, een grote kerel met rode handen en een baard. Hij liep de werkplaats binnen zonder te kloppen. Hij zag me zitten op een houten kist. Ik deed niks. Ik had alleen die beker vast.
Dennis ging naast me zitten op een stapel balken. Hij zei een kwartier lang helemaal niets. Dat waardeerde ik aan hem. Hij kwam niet met dooddoeners over tijd die alle wonden heelt. Hij wist dat dat onzin was.
"Het vreet je op, hè?" zei hij uiteindelijk. Zijn stem was zwaar en rustig.
"Het was mijn schuld, Dennis," zei ik. Het was de eerste keer dat ik het hardop uitsprak tegen iemand anders. Mijn stem klonk rauw.
Dennis schudde zijn hoofd. "Nee, Arjan. Dat is het niet."
"Ze reed daar voor mij," zei ik fel. Ik keek hem recht aan. "Ze had daar niks te zoeken. Ze ging voor mijn spullen. Omdat ik te lui en te chagrijnig was om zelf te gaan. Ik heb haar de weg op gestuurd."
"Je hebt haar niet aangereden, man," zei Dennis. Hij legde een zware hand op mijn schouder. Zijn vingers knepen even stevig in mijn spieren. "Een idioot die niet oplette heeft haar aangereden. Jij vroeg alleen om een boodschap. Als liefde betekent dat je nooit iets aan elkaar mag vragen omdat er misschien een vrachtwagen aankomt, dan kan niemand meer leven."
Het klonk logisch. Mijn verstand begreep wat hij zei. Maar mijn gevoel gaf geen krimp. Mijn gevoel bleef hardnekkig bij dat stukje karton. Je kunt schuldgevoel niet wegpraten met logica. Schuldgevoel is als roest op oud ijzer; het vreet zich diep naar binnen, zelfs als de zon schijnt.
Hoofdstuk 3
De kledingkast
In het voorjaar van het eerste jaar begon het huis te veranderen. Niet vanzelf, maar omdat dingen slijten als je er niet voor zorgt. De koelkast maakte een raar brommend geluid. Een van de plinten in de gang liet los. Sanne had een hekel aan losse plinten. Ze zou hebben gezegd: "Arjan, pak die kitspuit nou eens. Het kost je twee minuten." Nu bleef de plint scheef staan. Ik stapte er elke dag overheen.
Haar kleren hingen nog in de kast op de slaapkamer.
Iedereen zei dat ik de kast moest leegmaken. Mijn zus zei het. Mijn moeder zei het voorzichtig. "Het helpt om afstand te nemen, Arjan," zei ze aan de telefoon. "We kunnen het samen doen. We brengen de goede kleren naar een kledingbank. Dan heeft iemand anders er nog iets aan."
Ik weigerde. Ik liet niemand op die slaapkamer.
Soms, als het buiten donker was en de buren hun televisies aanhadden, deed ik de kastdeuren open. De kast rook naar haar wasmiddel en naar de vanilleparfum die ze altijd achter haar oren spoot. Vooraan hing haar favoriete wollen vest. Donkergroen, met grote houten knopen. Een van de knopen zat een beetje los met een draadje. Ze had dat vest vaak aan als we op zondagochtend koffie dronken aan de keukentafel.
Ik begroef mijn gezicht in de wol. De geur was er nog. Heel flauw, maar hij was er. Het was alsof ik haar voor een fractie van een seconde kon vastpakken. Maar meteen daarna kwam de klap: de stof was koud. Er zat geen lichaam in. Er zat geen hartslag onder die wol. Het was alleen maar textiel.
Ik ging op de rand van het bed zitten en staarde naar haar schoenen. Drie paar laarzen, netjes naast elkaar op de bodem van de kast. De neuzen wezen naar voren, alsof ze zo ingestapt konden worden.
Daar kwam de herinnering weer naar boven, hard en ongefilterd. Een vakantie in Frankrijk, drie jaar voor het ongeluk. We hadden een oud Citroën-busje gehuurd en reden door Normandië. Het regende bijna elke dag. Het dak van het busje lekte precies boven mijn kant van het bed. We sliepen op een nat matras en aten koude bonen uit blik omdat het gasstelletje kapot was gegaan. Ik was woedend geweest op het verhuurbedrijf. Ik wilde naar huis.
Sanne had op een campingstoeltje in het gras gezeten, onder een veel te kleine paraplu. Ze had haar laarzen vol modder. En ze lachte. Ze lachte zo hard dat ze bijna stikte in haar koffie.
"Kijk ons nou zitten, Arjan," had ze gezegd. "Twee verzopen katten in een Frans weiland. Dit is toch fantastisch? Dit vergeten we nooit meer."
Ze had gelijk gehad. Ik was het niet vergeten. Maar nu sneed die herinnering als een bot mes door mijn buik. Waarom had ik toen niet gewoon meegelachen? Waarom had ik zitten mopperen over het natte matras? Ik had altijd zoveel tijd verspild aan boos zijn over onbenullige dingen. Een file, een lekkend dak, een bot zaagblad. Ik dacht altijd dat we nog alle tijd van de wereld hadden om het goed te maken. We hadden nog veertig jaar, dacht ik. We zouden samen oud worden in dit huis. We zouden een schommelstoel op het terras zetten.
Ik deed de kastdeuren weer dicht. Ik draaide de sleutel niet om, maar ik liet de deuren net niet helemaal sluiten. Een kier van twee centimeter. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om haar geur op te sluiten, maar ik kon er ook niet langer naar kijken.
Die nacht droomde ik van de IJssel. We stonden op de dijk bij Hattem. De wind waaide hard door haar haar. Ze zei iets tegen me, maar de wind blies haar woorden weg. Ik probeerde dichterbij te komen, maar mijn voeten zaten vast in de klei. Hoe harder ik trok, hoe dieper ik wegzakte. Toen ik wakker werd, was het zweet koud op mijn borst. Het kussen naast me was leeg en strak. Het had geen rimpel. Het was alsof er nooit iemand had gelegen.
Hoofdstuk 4
Het zwarte gat
Rond de eerste jaardag van haar dood raakte ik de bodem. De zomer was voorbijgegaan zonder dat ik de zon had gevoeld. In oktober begon het weer te regenen, diezelfde natte kou die me deed denken aan die ochtend.
Ik ging nauwelijks nog naar buiten. Mijn werkplaats was officieel dicht. Er hielden geen auto’s meer stil voor de deur. De rekeningen stapelden zich op in de gang. Af en toe gooide Dennis een briefje door de brievenbus: 'Bel me even, vriend.' Ik belde niet. Ik had geen zin om te praten. Praten kostte energie die ik niet had. Ik leefde op diepvriespizza’s en goedkoop bier uit blik. De lege blikjes stonden in rijen op het aanrecht. Als ik er per ongeluk eentje omstootte, liet ik het liggen.
Op een donderdagmiddag was de koffie op. Zonder koffie kreeg ik barstende hoofdpijn. Ik trok mijn oude werkjas aan, deed een muts over mijn ongewassen haar en liep naar de supermarkt aan de overkant van de straat.
Het was druk. Mensen deden hun gewone boodschappen. Moeders met dreinende kinderen bij het snoepschap. Oude mannetjes die de etiketten van de potten jam bestudeerden. Twee tieners die lachten om een video op een telefoon.
Ik stond bij het schap met de koffiebonen en voelde plotseling een enorme woede opkomen. Een blinde, hete woede. Waarom liepen al deze mensen hier nog rond? Waarom mochten zij ruziën over welke jam ze kochten? Waarom mocht die vrouw haar kind afbekken, terwijl Sanne dood onder de grond lag? Het was oneerlijk. De wereld draaide gewoon door, lomp en onverschillig, alsof er niets gebeurd was. Niemand in die winkel wist dat mijn hele wereld was verwoest. Voor hen was het gewoon donderdagmiddag half vier.
Mijn ademhaling ging te snel. Mijn borstkas trok samen. Het voelde alsof er een zware band om mijn ribben werd getrokken. Een paniekaanval. Ik had er weleens over gelezen, maar ik had het nog nooit zelf gehad.
Ik liet het pak koffie vallen. Het plofte dof op het linoleum. Mensen keken om.
"Gaat het wel, meneer?" vroeg een jonge vakkenvuller met een rood hesje.
Ik antwoordde niet. Ik draaide me om en liep zo snel als ik kon naar de uitgang. Ik stootte bijna tegen een winkelwagentje aan. Buiten zoog ik de koude lucht naar binnen, maar het leek niet te helpen. De lucht kwam niet in mijn longen.
Ik rende naar huis. Ik smeet de voordeur achter me dicht en draaide hem twee keer op slot. Ik zakte door mijn knieën in de gang, met mijn rug tegen de voordeur. Daar zat ik dan. Een volwassen vent van negenendertig, jankend op de mat tussen de ongeopende brieven van de energiemaatschappij.
Ik huilde niet zoals in het begin. Dit was geen verdriet meer. Dit was pure wanhoop. Ik kon niet meer vooruit en ik kon niet meer terug. Ik zat klem in de seconde dat de vrachtwagen haar raakte. Ik herbeleefde die klap duizend keer per dag, terwijl ik er zelf niet eens bij was geweest. Ik had het beeld zelf ingevuld. Het glas dat versplinterde. Het verbuigende staal. De stilte daarna.
In de gang hing een spiegel. Sanne had hem ooit op een rommelmarkt gekocht. Een oude spiegel met een houten lijst vol krullen. Ik keek omhoog en zag mezelf.
Mijn gezicht was grauw. Mijn wangen waren ingevallen. Ik zag eruit als een vreemde. Alsof ik al half bij haar hoorde, aan de andere kant.
"Dit wilde je toch niet?" zei ik hardop tegen de lege gang. Mijn stem klonk vreemd in het stille huis.
Sanne hield van het leven. Ze hield van feestjes, van hard meezingen met foute liedjes op de radio, van het eerste glas wijn op vrijdagavond. Ze had een hekel aan zelfmedelijden. Als ze me nu zo zag zitten op de deurmat, zou ze me niet getroost hebben. Ze zou woedend zijn geweest. Ze zou hebben gezegd: 'Arjan, sta op. Dit is belachelijk.'
Die gedachte veranderde iets. Het was geen lichtpunt, nog lang niet. Maar het was een kleine barst in het ijs. Ik stond op van de mat. Mijn benen voelden slap als touw, maar ik stond.
Hoofdstuk 5
Een houten stoel
Twee weken na de paniekaanval in de supermarkt ging de deurbel. Ik deed niet meteen open. Ik keek door het raampje naast de deur. Het was buurvrouw Truus. Ze is dik in de zeventig en woont al veertig jaar twee deuren verderop. Ze had een theedoek in haar handen waar iets warms onder zat.
Ik deed de deur op een kier.
"Dag Arjan," zei ze kordaat. Ze wachtte niet tot ik iets zei. Ze duwde de theedoek in mijn handen. Er zat een ovenschaal onder met lasagne. "Je eet te weinig. Je ziet eruit als een vogelverschrikker."
"Dank je wel, Truus," zei ik zacht. "Dat had niet gehoeven."
"Natuurlijk had dat wel gehoeven," zei ze. Ze keek over mijn schouder de donkere gang in. Ze snoof even, maar maakte geen opmerking over de geur van oud bier. "En nu we het er toch over hebben: mijn keukenkastje hangt scheef. Het scharnier is uit het hout getrokken. Ik krijg die deur niet meer dicht. Kom je er even naar kijken?"
Ik wilde 'nee' zeggen. Ik wilde zeggen dat mijn gereedschap was opgeborgen en dat ik geen klussen meer deed.
Truus keek me streng aan over het randje van haar leesbril. "Vandaag nog, Arjan. De tocht slaat in mijn suikerpot. Ik reken op je om twee uur."
Ze draaide zich om en liep met haar langzame, wiegende pas terug naar haar eigen huis. Ze liet me geen keus.
Om vijf voor twee stond ik voor haar deur met mijn oude gereedschapskist. Het gewicht van de kist in mijn hand voelde vreemd aan, maar tegelijkertijd zo vertrouwd dat mijn vingers vanzelf de juiste greep vonden.
Haar keuken rook naar filterkoffie en lavendelzeep. Het kastje boven het fornuis hing inderdaad op halfzeven. De spaanplaat rond de schroeven was helemaal uitgescheurd. Goedkope bouwmarktkwaliteit. Sanne had er altijd om gelachen: "Iedereen koopt troep, Arjan, behalve jij."
Ik zette de kist op de grond. Ik pakte een beitel en een potje houtlijm. Ik zaagde een klein stukje massief beukenhout op maat om het gat op te vullen, zodat de schroeven weer grip zouden krijgen.
Terwijl ik bezig was, keek Truus niet op mijn vingers. Ze ging aan de keukentafel zitten met een kruiswoordpuzzel. Ze zette een kop koffie voor me neer met een biscuitje erbij. Geen moeilijke vragen. Geen meelevende blikken. Alleen het krassen van haar balpen op het krantenpapier en het zachte getik van mijn hamer.
Toen ik het scharnier weer vastdraaide, voelde ik de weerstand van het hout. De schroef trok zich strak in het beukenhout. Ik deed het deurtje open en dicht. Het sloot met een doffe, perfecte klik. Zonder speling.
Iets in mijn borstkas ontspande zich. Een millimeter maar, niet meer dan dat. Maar het was er wel. Voor het eerst in ruim een jaar had ik iets gerepareerd in plaats van toegekeken hoe alles kapotging.
"Zo," zei ik. Ik veegde het zaagsel van het aanrechtblad in mijn handpalm.
Truus stond op. Ze probeerde het deurtje zelf drie keer uit. Ze knikte tevreden. "Kijk eens aan. Een vakman blijft een vakman. Wat ben ik je schuldig?"
"Niks natuurlijk," zei ik.
"Onzin," zei ze. Ze schoof een briefje van twintig euro in de zak van mijn werkjas. "Je koopt fatsoenlijk brood bij de bakker. Geen fabrieksmeuk. En morgen ga je naar je werkplaats. Het stinkt daar naar mottenballen als ik erlangs loop."
Ik liep terug naar huis met de twintig euro in mijn zak. Het was koud, maar de zon scheen waterig door de kale bomen langs de straat.
Die middag liep ik voor het eerst niet langs de werkplaats, maar erheen. Ik deed de grote schuifdeur open. Het rook er inderdaad muf. Maar toen ik het licht aandeed en over de grote eiken balk wreef die nog steeds op de bokken lag, voelde ik de nerven. Hout heeft geen oordeel over je. Hout vraagt niet waar je was toen het misging. Hout wacht gewoon tot je je handen gebruikt.
Ik pakte de oude handschaaf. Ik stelde het mes bij met een paar tikjes van de hamer. Ik zette het op het hout en duwde. Een dunne, krullende sliert eikenhout kwam omhoog. De geur van tannine vulde de ruimte. Het was de geur van mijn oude leven. Het bracht Sanne niet terug. Het maakte niets goed van wat er was gebeurd. Maar het liet me zien dat ik nog steeds handen had die iets konden maken.
Hoofdstuk 6
Het eerste lachen
In het voorjaar begon ik weer halve dagen te werken. Geen grote opdrachten, maar kleine dingen. Een salontafel voor Dennis. Een set houten boekensteunen voor de schooldirecteur om de hoek. Werk waarbij ik mijn hoofd niet te veel hoefde te breken, maar waarbij mijn handen bezig bleven.
En toen kwam het moment waar niemand me voor had gewaarschuwd: de terugkeer van het gewone leven. En het schuldgevoel dat daarmee gepaard ging.
Het gebeurde op een vrijdagmiddag in mei. Dennis was naar de werkplaats gekomen met twee blikjes cola. We zaten op het houten bankje voor de werkplaats in de zon. De bomen op het industrieterrein kregen weer verse, lichtgroene blaadjes. Dennis vertelde over een stukadoor met wie hij had gewerkt. De man had per ongeluk een emmer natte gips over de dure hond van de klant laten vallen. Een poedel die daarna leek op een mislukt Romeins standbeeld.
Dennis deed het voor. Hoe die hond door de woonkamer rende, wit van het gips, en hoe de eigenares begon te gillen.
Ik begon te lachen. Eerst zachtjes, een korte grinnik. Maar Dennis ging door met zijn verhaal, met zijn grote armen zwaaiend, en voor ik het wist schoot ik echt in de lach. Een diepe, harde lach die uit mijn buik kwam. Mijn ogen puilden uit, ik kreeg bijna geen lucht meer. We zaten daar met z'n tweeën te hikken van het lachen op dat bankje.
En toen, midden in die lach, stopte het.
Het was alsof iemand een emmer ijswater over me heen gooide. Mijn adem stokte in mijn keel. De lach stierf weg op mijn gezicht.
Ik voelde me opeens kotsmisselijk.
Dennis merkte het meteen. Hij hield op met praten en keek me bezorgd aan. "Wat is er?"
"Ik zit hier te lachen," zei ik. Mijn stem trilde van boosheid op mezelf. "Ik zit hier grapjes te maken over een hond."
"En?" vroeg Dennis voorzichtig.
"Zij is dood, Dennis," zei ik bitter. De tranen sprongen in mijn ogen, niet van verdriet, maar van pure schaamte. "Zij ligt op de begraafplaats van Kranenburg onder een steen. Ze kan nooit meer lachen. Ze kan nooit meer in de zon zitten. En ik zit hier te gieren van de lach. Hoe kan ik dat maken? Ben ik haar nu al aan het vergeten?"
Het voelde als verraad. Alsof elke seconde dat ik me niet ellendig voelde, een klap in haar gezicht was. Als ik niet leed, hield ik dan niet meer van haar? Was mijn rouw het enige bewijs dat ze had bestaan?
Dennis zuchtte diep. Hij zette zijn blikje cola op de grond tussen zijn werkschoenen. Hij keek naar zijn handen, waar nog sporen van cement op zaten.
"Arjan," zei hij heel rustig. "Luister eens goed naar me. Als jij stopt met leven, brengt dat Sanne niet terug. Denk je nou echt dat zij wilde dat jij de rest van je dagen als een doodgraver over straat zou lopen?"
"Dat weet ik niet," beet ik hem toe.
"Dat weet je wel," zei Dennis hard. "Je weet dondersgoed dat ze dat niet wilde. Ze hield van je. En als je van iemand houdt, wil je niet dat diegene doodgaat terwijl hij nog ademt. Lachen is geen verraad, man. Lachen betekent alleen dat je nog leeft. En dat is geen misdaad. Het is het enige wat je nog kunt doen voor haar: zorgen dat haar dood niet ook jouw einde werd."
Ik zei de rest van de middag niks meer. Ik pakte mijn spullen en fietste naar huis.
Die avond ging ik voor het eerst in anderhalf jaar naar de begraafplaats zonder dat het een verplichting voelde. Het was zeven uur. De zon stond laag over de bomen van Kranenburg. Het was er doodstil, op het gefluit van een paar merels na.
Haar steen was van lichtgrijs natuursteen. 'Sanne de Vries - van Dijk'. Daaronder alleen haar geboortedatum en de datum van die dinsdag.
Er groeide wat onkruid tussen het grind rond het graf. Ik knielde neer en trok de sprietjes er een voor een uit. De aarde was nog warm van de zon.
"Het spijt me," zei ik hardop tegen de steen. "Het spijt me dat ik lachte. En het spijt me van die dinsdag. Het spijt me van die zaagbladen."
Er kwam geen antwoord. Geen windvlaag, geen teken uit de hemel. Zo werkt het niet. Er was alleen het grind onder mijn knieën en de geur van vers gemaaid gras.
Maar terwijl ik daar zat, met mijn hand op de koude steen, besefte ik iets belangrijks. Het schuldgevoel zou nooit helemaal weggaan. Het was een litteken geworden. Een lelijk, dik litteken over mijn hart. Maar een litteken doet op een gegeven moment geen pijn meer als je het aanraakt. Het herinnert je er alleen aan dat er een wond is geweest.
Ik mocht lachen. Niet omdat ze er niet meer toe deed, maar juist omdat ze er wél toe had gedaan. Ze had me geleerd hoe ik moest leven. Als ik dat weggooide, gooide ik alles weg wat we samen hadden opgebouwd.
Hoofdstuk 7
Het licht op de IJssel
We zijn nu twee jaar verder. Het is weer herfst, maar het miezert niet vandaag. De lucht is helder en koud.
Vorige week heb ik eindelijk de kledingkast leeggemaakt. Mijn zus heeft me geholpen. We hebben de kleren in kartonnen dozen gedaan. Vier grote verhuisdozen vol. De truien, de zomerjurkjes, de laarzen die altijd netjes naar voren wezen. We hebben twee dozen naar het Leger des Heils gebracht. Eén doos met foto’s en kleine spulletjes staat nu op zolder.
Het groene wollen vest heb ik gehouden. Het hangt niet meer in de kast, maar over de leuning van de stoel in mijn slaapkamer. De geur van haar parfum is er nu bijna helemaal uit. Het ruikt nu vooral naar het huis, naar hout en naar de herfst. Dat is pijnlijk, maar het is goed zo. Je kunt een geur niet eeuwig vasthouden in een wollen draad.
Mijn werkplaats draait weer. Niet zoals vroeger; ik werk geen zestig uur meer in de week. Ik hoef geen fortuin te verdienen. Ik maak dingen waar ik aandacht aan kan geven. Vorige maand heb ik een wieg gemaakt voor de pasgeboren dochter van Dennis. Eikenhout, fijn geschuurd, zonder scherpe randen. Toen ik de laatste laag olie eroverheen streek, voelde het hout zijdezacht aan. Alsof het ademde.
Vanochtend ben ik vroeg opgestaan. Ik heb koffie gezet in een gewone mok. Ik heb de voordeur achter me dichtgetrokken en ben naar de IJssel gelopen, naar het uiterwaardengebied bij het Engelse Werk.
De rivier lag er stil bij. Er hing een lichte nevel boven het water, wit en traag. Aan de overkant graasden een paar paarden. De zon kwam net boven de dijk uit, een grote oranje bal die het water veranderde in koper.
Ik ging op een houten bankje zitten aan het water. Mijn handen zaten in de zakken van mijn jas. Mijn vingers raakten het kleine stukje karton in mijn binnenzak. Het karton met het typenummer van de zaagbladen. De randen zijn versleten en slap geworden van het dragen.
Ik haalde het tevoorschijn. Ik keek naar mijn eigen hanenpoten. De zwarte potloodstrepen waren vervaagd, maar nog steeds leesbaar.
Ik dacht aan die ochtend. Aan haar gele regenjas. Aan haar lach toen ze me eigenwijs noemde. Het sneed nog steeds een beetje. Die pijn zal nooit helemaal verdwijnen. Ik denk dat rouw niet kleiner wordt met de tijd. De rouw blijft precies even groot. Maar je bouwt er langzaam een nieuw leven omheen, zodat je meer ruimte hebt om het te dragen. De kist wordt niet lichter, maar je spieren worden sterker.
Ik scheurde het kartonnetje niet kapot. Dat hoefde niet. Ik hoefde het verleden niet te vernietigen om verder te kunnen. Ik stopte het weer terug in mijn binnenzak, dicht bij mijn borst.
Er liep een vrouw voorbij met een jonge golden retriever. De hond rende enthousiast over het zand van de krib, dook bijna de rivier in en kwam toen vrolijk met natte poten naar me toe gerend. Hij snoof aan mijn werkschoenen en kwispelde met zijn hele lijf.
"Sorry hoor!" riep de vrouw van een afstandje. Ze lachte verontschuldigend. "Hij luistert nog niet zo goed als hij water ziet."
"Geeft niet," zei ik. Ik stak mijn hand uit en aaide de hond over zijn natte, zachte kop. De hond lekte even over mijn vingers en stoof toen weer weg achter een eend aan.
Ik bleef nog een tijdje zitten kijken naar het water. De IJssel stroomt altijd maar door. Het water dat nu voorbijkomt, komt nooit meer terug. Het gaat naar zee, ver weg, maar de rivier blijft toch een rivier.
Ik stond op van het bankje en ritste mijn jas dicht tegen de wind. Mijn rug deed een beetje zeer van het tillen van een zware plank gisteren in de werkplaats. Een gewone, gezonde pijn van hard werken. Vanmiddag moet ik een eettafel afleveren bij een jong stel in de Aa-landen. Ze hebben er lang op gewacht.
Ik ben niet over haar dood heen. Ik haat die uitdrukking: 'ergens overheen zijn'. Alsof het een hek is waar je even overheen klimt en daarna loop je vrolijk door een andere wei. Zo werkt het niet. Ze reist met me mee, in mijn herinneringen, in de stilte van het huis, in de manier waarop ik naar de regen kijk.
Maar ik loop weer. Ik adem weer zonder dat het voelt alsof er prikkeldraad in mijn keel zit. Soms lach ik om een stomme grap van Dennis. Soms geniet ik van een warm bord lasagne van Truus. En heel af en toe, zoals vanochtend bij de rivier terwijl de zon door de nevel brak, voel ik iets wat lijkt op rust.
Het is geen uitbundig geluk. Het schreeuwt niet. Het danst niet over straat. Het is breekbaar, als een dun laagje vernis dat nog moet uitharden. Maar het is er wel. Ik ben voorzichtig weer gelukkig. En ik weet zeker dat Sanne daar vrede mee heeft.