Psychische gezondheid
Verslaafd aan verdoving
Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.
Hoofdstuk 1
De doordrukstrip in het herentoilet
De tl-buis boven de wastafel knipperde met een venijnig, zoemend geluid. Het was kwart over zes in de ochtend. Buiten, op het industrieterrein van Zwolle, vroor het twee graden. De eerste vrachtwagens stonden al met draaiende motoren voor de laadkuil van Van Dijk Bouwmaterialen. Hun diesellucht trok door de kieren van het magazijn naar binnen.
Ik deed de deur van het herentoilet op slot. Het slot viel met een doffe klik op zijn plek. Ik leunde met beide handen op de koude rand van de wasbak en keek in de spiegel. Wat ik zag, beviel me zoals gewoonlijk voor geen meter. Een mager gezicht van vierendertig jaar oud. Donkere kringen onder ogen die al maanden niet meer echt diep hadden geslapen. Een bleke, grauwe huid. Vroeger noemden mensen me een knappe vent, maar daar was weinig van over. Als ik naar mezelf keek, zag ik vooral een bedrieger. Een man die deed alsof hij de leiding had over veertien man in een logistieke hal, maar die vanbinnen beefde van onzekerheid.
Ik stak mijn hand in de binnenzak van mijn werkjas. Mijn vingers vonden direct wat ze zochten. Het vertrouwde, gladde zilverfolie van de strip. Tramadol. Vijftig milligram per capsule. Officieel had ik ze niet meer. Mijn laatste herhaalrecept van de huisarts was een halfjaar geleden stopgezet. Deze kwamen van een gast die ik via Telegram had gevonden. Dertig euro per doosje, anoniem bezorgd in een bubbelenvelop in mijn brievenbus aan de Thomas a Kempisstraat.
Met mijn duim drukte ik twee capsules door de folie. *Knak. Knak.* Het geluid gaf me al een eerste scheut rust, nog voor de stoffen mijn bloed hadden bereikt. Ik legde de twee groen-gele hulzen op mijn tong. Ik boog voorover naar de kraan, zette mijn mond onder de ijskoude waterstraal en slikte ze in één teug door.
Nu begon het wachten. Precies twintig minuten. Dan zou de kou uit mijn botten verdwijnen. Dan zou de stem in mijn hoofd dimmen. Die stem die de hele ochtend al riep dat de vrachtbrieven niet klopten, dat Mo en Dave me achter mijn rug om uitlachten, dat ik een mislukkeling was die Sanne niet verdiende. De pillen deden iets wat ik zelf niet kon: ze draaiden het volume van de wereld omlaag.
Ik veegde mijn mond af aan de mouw van mijn trui en liep naar buiten, de hal in. De geur van vurenhout, nat karton en uitlaatgassen sloeg tegen me aan.
"Mogge, Dennis," riep Mo vanaf de grote vorkheftruck. Hij zette een pallet gipsplaten neer op plek C-12. "De vracht uit Hengelo is te vroeg. Ze staan al bij poort twee. Moeten we direct lossen of wacht je op de pakbonnen?"
Mijn hart sloeg een tel over. Vroeger zou ik direct in de stress schieten. *Wat als Hengelo de verkeerde dikte heeft gestuurd? Wat als ik het verkeerd heb ingepland? Wat als de directeur ziet dat we vertraging oplopen?*
Maar diep in mijn buik voelde ik het eerste warme kacheltje al aangaan. De scherpe randen van de ochtend werden zachter. De stemmen in de hal klonken alsof er een wollen deken tussen ons in hing. Mijn schouders, die al sinds het opstaan strak tegen mijn oren stonden van de spanning, zakten een centimeter.
"Los maar op vak vier," zei ik rustig. Mijn stem klonk zwaarder en zekerder dan ik me voelde. "Ik loop zo naar kantoor voor de bonnen."
Mo knikte en gaf gas. Hij zag niks aan me. Niemand zag iets. Dat was de grote truc van de verdoving: het maakte me niet dronken, het maakte me niet luidruchtig. Het maakte me juist functioneel. Het maakte me de Dennis die iedereen verwachtte. De nuchtere planner die alles onder controle had. Alleen wist niemand dat onder die laag watten helemaal niks meer van mezelf over was. Alleen een holle ruimte vol angst die ik elke vier uur moest volstoppen met chemische rust.
Hoofdstuk 2
Een laag watten over de wereld
Het was twee jaar eerder begonnen met een hernia. Een echte, gediagnosticeerd in het Isala ziekenhuis na een verkeerde tilbeweging met een partij hardhouten balken. De pijn in mijn onderrug was toen zo fel geweest dat ik op mijn knieën over de magazijnvloer had gekropen, jankend van ellende. De arts schreef OxyContin voor, later afgebouwd naar Tramadol.
De rugpijn verdween na een paar maanden fysiotherapie en rust. Maar de pillen bleven.
Niet omdat mijn rug nog pijn deed. Mijn rug was allang hersteld. Het ging om iets anders. Mijn hele leven had ik het gevoel gehad dat ik op mijn tenen liep. Ik was op school nooit de slimste geweest, bij de voetbalclub niet de beste spits, thuis niet de zoon die doorgroeide naar de universiteit zoals mijn broer Mark. Mijn vader was aannemer; een man met handen als schuurpapier die weinig zei, maar wiens zuchten boekdelen spraken. Als Mark thuiskwam met een acht voor wiskunde, glom mijn vader. Als ik thuiskwam met een zesje voor aardrijkskunde, pakte mijn vader zijn krant op.
Ik had mezelf aangeleerd om keihard te werken om die leegte te compenseren. Zestig uur in de week draaien. Als eerste binnen, als laatste weg. Maar hoe harder ik werkte, hoe luider de twijfel werd. *Ze gaan erachter komen dat je dit kantoorwerk niet aankan. Ze zien dat je die Excel-bestanden maar half begrijpt. Sanne gaat zien dat je eigenlijk een bange jongen bent die niks voorstelt.*
En toen kwam die eerste pijnstiller. Ik herinner me die zaterdagmiddag nog precies. De zon scheen op het balkon van ons appartement aan de Assendorperstraat. Sanne zat naast me een tijdschrift te lezen. De pil werkte in en plotseling… stilte. Geen gejaagd gevoel in mijn borstkas. Geen schuldgevoel over het werk dat nog lag. Geen afkeer van mijn eigen spiegelbeeld. Ik keek naar mijn handen en ze trilden niet meer. Ik keek naar Sanne en voelde geen angst dat ze me zou verlaten voor een betere vent. Ik voelde me voor het eerst in mijn leven gewoon goed genoeg.
Toen het recept van de dokter stopte, begon het gedoe. Eerst probeerde ik het via een andere huisarts in Zwolle-Zuid. Ik verzon dat de zenuwpijn in mijn rechterbeen terug was. Schietende pijnen, zei ik, precies zoals de folder van het ziekenhuis het omschreef. Ik kreeg nog twee doosjes mee. Maar na drie maanden trapte ook hij er niet meer in. "We moeten kijken naar revalidatie, Dennis," zei hij streng. "Niet blijven slikken."
Ik knikte braaf, liep naar buiten en voelde het zweet koud over mijn rug lopen. Geen pillen betekende dat de muur zou instorten. Zonder die pillen was ik weer die bange loser van vroeger.
Binnen een week vond ik online de weg. Forums, chatgroepen, vage accounts met namen als 'FarmaFastNL'. Het was schrikbarend simpel. Betalen met iDeal via een schimmige cadeaukaartensite, en twee dagen later lag de envelop op de mat. Ik begon met twee pillen per dag. Binnen een halfjaar waren het er vier. Toen zes. Mijn tolerantie groeide als onkruid.
Op een avond in oktober stond ik in de keuken aardappels te schillen. Sanne kwam achter me staan en sloeg haar armen om mijn middel. Ik verstijfde direct. Haar aanraking voelde niet fijn; het voelde als een inbreuk op mijn bubbel.
"Dennis," zei ze zacht tegen mijn schouder. "Waar ben je toch steeds met je hoofd?"
"Gewoon druk op de zaak," zei ik kortaf, zonder me om te draaien. Het mes schoot uit over de schil van een aardappel. Een dun straaltje bloed verscheen op mijn duim. Ik voelde de snee nauwelijks.
"Je bent er niet meer," ging ze door. Haar stem trilde een beetje. "Je kijkt me aan, maar je ziet me niet. We praten nergens meer over. Zelfs als we op de bank zitten, lijk je wel een kilometer ver weg. Vind je me nog wel leuk?"
Die vraag sneed door me heen, maar niet diep genoeg om de verdoving te breken. Ik draaide de kraan open om mijn vinger af te spoelen. "Doe niet zo dramatisch, San. Ik werk me kapot voor onze hypotheek. Mag ik ook een keer moe zijn?"
Ze liet me los. Ik hoorde haar zachte voetstappen over het laminaat weglopen naar de woonkamer. Mijn maag kromp ineen van schaamte. Ik hield zielsveel van haar. Maar als ik haar toeliet, zou ze zien wat een wrak ik was. De verdoving beschermde haar tegen mij, hield ik mezelf voor. Het was een leugen, natuurlijk. Het beschermde alleen mijn eigen laffe huid.
Hoofdstuk 3
De scheuren in het glas
In de lente van dat jaar begon het systeem te kraken. Het werkte niet meer zoals eerst. Als ik zes capsules slikte, kreeg ik niet meer dat warme, zalige gevoel van rust. Ik werd alleen nog maar dof. Dof en tegelijkertijd nerveus. Mijn handen begonnen rond het middaguur te trillen als ik de volgende dosis nog niet had genomen. Een nare, elektrische tinteling schoot door mijn kuiten. Rusteloze benen. Alsof mijn zenuwen bloot lagen onder een schurende schuurpapiervloer.
Om de opkomende angst te dempen, begon ik er bier bij te drinken. Niet in het zicht van Sanne. Nooit waar zij bij was. Ik kocht halve liters zwaar bier bij de supermarkt om de hoek. Die verstopte ik in de schuur achter de stapel oude autobanden. Na het eten zei ik dat ik even gereedschap ging opruimen of de ketting van mijn fiets moest smeren. In de kille tocht van de schuur trok ik dan zo'n koud blik open. Drie grote slokken. Bitter, schuimend vocht dat door mijn keel brandde. Dan twee pillen erachteraan. Pas als het blik leeg was en onder een oude lap lag, liep ik weer naar binnen. Kauwgom in mijn mond. Handen gewassen met garagezeep zodat ze naar citrus roken.
Op het werk stapelden de fouten zich op. Mijn concentratie was een zeef geworden.
"Dennis, kom eens even mee naar kantoor," zei Peter, de vestigingsmanager, op een dinsdagmiddag. Peter was een man van begin vijftig met een kalend hoofd en een leesbril die altijd op het puntje van zijn neus balanceerde.
Ik liep achter hem aan over de betonnen vloer. Mijn benen voelden zwaar, alsof ik door natte klei waadde. Mijn hart bonkte in mijn keel. *Hij weet het. Iemand heeft me gezien.* Ik had die ochtend in de kantine per ongeluk een lege strip laten vallen bij de koffieautomaat. Had Peter hem gevonden?
Peter ging achter zijn bureau zitten en wees op de stoel tegenover hem. Op zijn scherm stond een orderlijst met rode markeringen.
"Wat is er aan de hand met de levering voor Bouwbedrijf Trebbe?" vroeg hij direct. Geen boosheid in zijn stem, maar pure bezorgdheid, wat het op de een of andere manier nog erger maakte. "Ze wachten al twee dagen op honderdtwintig isolatieplaten. Volgens het systeem zijn ze uitgeleverd. Volgens de uitvoerder op de bouwplaats is er nog geen spijker aangekomen. We hebben een boeteclausule aan onze broek hangen als dit voor morgen niet geregeld is."
Ik staarde naar het beeldscherm. De letters dansten voor mijn ogen. Ik wist het niet meer. Ik kon me de hele order van Trebbe niet herinneren. Het was alsof er hele zwarte gaten in mijn geheugen waren geslagen. Dagen vloeiden in elkaar over in een grijze waas van pallets, vrachtbrieven en capsules.
"Ik… het stond verkeerd in het ritsysteem," loog ik. De woorden kwamen er haperend uit. Mijn keel was kurkdroog. "De chauffeur heeft de verkeerde bon meegenomen. Ik los het vanmiddag op. Ik rij er desnoods zelf heen met de bakwagen."
Peter keek me lang aan over de rand van zijn bril. Hij zuchtte diep. "Dennis, je ziet er niet goed uit, man. Je bent lijkbleek. Je valt af. Mo zei vanochtend ook al dat je tegen hem uitviel om niks. Mo! Dat is je beste maat hier op de vloer. Als er privé iets speelt, moet je het zeggen, jongen. We kunnen je tijdelijk ontlasten."
Die woorden, *ontlasten*, voelden als een klap in mijn gezicht. Hij dacht dat ik het niet aankon. Hij zag dat ik zwak was.
"Er is niks," beet ik hem toe, feller dan de bedoeling was. "Ik heb gewoon slecht geslapen door die kloteverbouwing van de buren. Ik regel Trebbe. Maak je geen zorgen."
Ik stond op zonder te wachten op zijn antwoord en beende het kantoor uit. Mijn hele lijf schudde van de adrenaline. Zodra ik de hoek om was, liep ik rechtstreeks naar de kleedruimte. Ik trok mijn kluisje open. Mijn vingers graaiden in mijn tas. Niet twee pillen deze keer, maar drie. Ik spoelde ze weg met lauw water uit het kraantje boven de urinoirs. Ik keek in het gebarsten spiegeltje boven de wasbak. "Klootzak," fluisterde ik tegen mijn eigen spiegelbeeld. "Waardeloze klootzak." Maar een kwartier later voelde ik de bekende, veilige verdoving weer neerdalen. Het kon me allemaal geen barst meer schelen. Peter niet, Trebbe niet, en die rotklus niet.
Hoofdstuk 4
De val van de pallet
Het dieptepunt kwam niet met sirenes of zwaailichten. Het kwam op een grijze donderdag in november, net na de lunch.
Ik had die ochtend een dubbele dosis genomen omdat ik de nacht ervoor geen oog had dichtgedaan. Mijn hele lichaam had gejeukt, een kwellende onrust onder mijn huid die pas stopte toen ik om vier uur 's nachts twee pillen nam met een slok kraanwater. Om half een 's middags voelde ik me zwaar en loom. Mijn reactievermogen was traag, alsof ik onder water bewoog. Geluiden kwamen gedempt binnen, alsof iemand watten in mijn oren had gestopt.
Ik liep door gangpad zeven. Mo reed een paar meter voor me op de zware reachtruck. Hij was bezig met het verplaatsen van pallets met zakken snelbeton. Vijfentwintig kilo per zak, veertig zakken op een pallet. Een ton doodgewicht, hoog in de stellingen op acht meter hoogte.
"Dennis!" riep Mo door het gezoem van de elektromotor heen. "Check even de stellingcode van die mortel! Volgens mij klopt het etiket niet!"
Ik liep naar de stelling toe. Mijn voeten voelden aan alsof ze van lood waren. Ik keek omhoog naar het rek. Bovenin schoof Mo de vorken onder de houten pallet. Ik had daar helemaal niet mogen staan. Veiligheidsvoorschrift nummer één in het magazijn: houd minimaal vijf meter afstand als er boven je hoofd wordt geheven. Iedereen wist dat. Ik had het zelf honderd keer tegen nieuwe uitzendkrachten geschreeuwd.
Maar mijn hersenen maakten de koppeling niet. Het gevaar voelde niet echt. Niets voelde echt.
"Dennis, aan de kant!" schreeuwde Mo ineens. Zijn stem klonk schel van paniek.
Ik keek omhoog. De pallet bleef haken achter een dwarsbalk van de stelling. Het hout kraakte vervaarlijk. Een van de hoeken van de pallet scheurde af. De hele toren van betonzakken helde over naar links. Tijd leek stil te vallen. In plaats van opzij te springen, bleef ik staan. Ik staarde naar de vallende massa zoals een hert in de koplampen van een vrachtwagen staart. Mijn lichaam weigerde dienst. De verdoving had de alarmknop in mijn hoofd uitgeschakeld.
"Dennis!"
Een keiharde beuk tegen mijn schouder smeet me tegen de betonnen vloer. Mo was van de truck gesprongen en had me met een sliding opzij geduwd. Een fractie van een seconde later kwam de lading neer. Een donderslag van brekend hout en knallend papier. Een enorme wolk van grijs cementstof ontplofte in het gangpad. Zakken scheurden open, het gruis vloog in mijn ogen en neus.
Toen het stof neerdaalde, lag ik op mijn rug te happen naar adem. Drie meter naast me lag een berg beton van duizend kilo. Als Mo me niet had weggeduwd, was ik platgedrukt.
Mo zat op zijn knieën naast me, hoestend in het grijze stof. Zijn gezicht was wit onder het vuil. "Ben je helemaal van de pot gerukt?!" schreeuwde hij. De woede en de schrik sloegen over in zijn stem. "Ik riep je drie keer! Je bleef gewoon staan kijken! Wat is er mis met jou, man?!"
Ik probeerde overeind te krabbelen, maar mijn armen knikten onder me weg. Ik begon ongecontroleerd te trillen. Een koude rilling golfde over mijn hele lijf. En toen, voor de ogen van Mo en drie andere collega's die aan kwamen rennen, begon ik te kotsen. Geel maagsap vermengd met grijs stof op de betonnen vloer.
Peter was er binnen twee minuten. Hij keek naar de ravage, keek naar Mo, en keek toen naar mij. Ik zat op de grond tegen een stellingpoot, lijkbleek, klapperend met mijn tanden, niet in staat om een zinnig woord uit te brengen.
"Naar huis," zei Peter kortaf. Geen discussie. Geen vragen. Zijn blik was ijskoud. "Mo, breng hem naar de EHBO-post. En Dennis, jij pakt je spullen en je gaat naar huis. Morgenochtend om negen uur zit je bij mij op kantoor. En zorg dat je nuchter bent, want dit pik ik niet meer."
Thuisgekomen wachtte de genadeklap. Ik strompelde de gang binnen, smerig van het cement, en zag direct dat het mis was. De deur naar de schuur stond open. Op de keukentafel stond een kartonnen schoenendoos. Mijn doos.
Sanne zat aan de tafel. Naast haar lagen de lege doordrukstrips, de wikkels van de postorders, en drie lege blikken zwaar bier die ze blijkbaar achter de autobanden vandaan had gevist. Ze huilde niet. Haar ogen waren rood en haar lippen waren stijf op elkaar geklemd. Die ijzige, teleurgestelde stilte was duizend keer erger dan geschreeuw.
"Ik pak mijn koffer," zei ze toonloos toen ik de keuken in strompelde. "Ik ga naar Marleen."
"Sanne, wacht, luister nou..." Mijn stem brak.
"Nee, Dennis. Ik heb twee jaar lang naar een geest gekeken. Je bent verslaafd. Je liegt alles aan elkaar. Je bent een vreemde voor me geworden." Ze stond op, liep langs me heen naar de slaapkamer en deed de deur dicht. Ik bleef alleen achter in de keuken, stinkend naar zweet, braaksel en cement. Het kacheltje in mijn buik was definitief uit. Er was alleen nog maar ijskoude, zwarte leegte.
Hoofdstuk 5
Het kille licht van de spreekkamer
De nacht na het incident was de langste van mijn leven. Sanne was om vier uur 's middags vertrokken met twee grote weekendtassen. Ze had niet meer omgekeken toen de taxi wegreed. Ik was alleen in het lege appartement. De stilte in huis leek fysiek op me te drukken, als een loden deken.
Ik had nog één strip liggen. Acht pillen. Ik had ze voor me op de houten tafel gelegd. Urenlang heb ik ernaar gestaard. Mijn hele lijf schreeuwde om verlichting. Mijn spieren verkrampten, het zweet brak me aan alle kanten uit en een diepe, misselijkmakende onrust gierde door mijn aderen. Het zou zo simpel zijn. Vier capsules doorslikken, op de bank gaan liggen en wachten tot het zwarte gat weer zacht werd.
Maar voor het eerst werkte de illusie niet meer. Ik wist wat er aan de andere kant van die vier pillen wachtte: dezelfde puinhoop. Een kapotte baan, een kapotte relatie, en een man die zichzelf zo diep verachtte dat hij niet eens meer in de spiegel durfde te kijken. Als ik nu slikte, werd ik nooit meer wakker uit deze nachtmerrie. Dan zou ik langzaam wegglijden tot er helemaal niks meer van Dennis over was.
Om zeven uur 's ochtends pakte ik de strip. Met trillende handen liep ik naar de badkamer. Ik drukte alle acht de capsules er één voor één uit en gooide ze in de toiletpot. Ik trok door. Het water kolkte, de groen-gele hulzen verdwenen in het riool. Direct daarna viel ik op mijn knieën voor de pot en begon droog te kokhalzen van pure angst.
Om half negen stond ik bij de huisartsenpraktijk aan de Burgemeester van Roijensingel. Zonder afspraak. De assistente achter de balie keek me geschrokken aan toen ik binnenkwam. Ik had me niet geschoren, mijn kleren hingen scheef om mijn lijf en mijn handen beefden zo erg dat ik mijn zorgpas nauwelijks uit mijn portemonnee kreeg.
"Meneer de Jong? Gaat het wel?"
"Ik moet dokter Visser zien," bracht ik eruit. Mijn stem was hees en schor. "Nu. Alsjeblieft. Het gaat helemaal mis."
Twintig minuten later zat ik in de spreekkamer. Het kille ochtendlicht viel door de grote ramen naar binnen. Dokter Visser was een rustige man van in de zestig met een grijze baard en vriendelijke, peilende ogen. Hij vroeg niks toen ik ging zitten. Hij schoof alleen een doos tissues naar me toe en wachtte.
En toen brak de dam.
Geen excuses meer. Geen leugens over een zere rug of drukte op de zaak. Woord voor woord gooide ik het eruit. De Tramadol via internet. De blikken bier in de schuur. De angst om door de mand te vallen op het werk. Het gevoel dat ik een mislukkeling was die nergens bij hoorde. Het ongeluk met Mo en het beton. Sanne die haar koffers had gepakt.
"Ik kan niet meer stoppen," snikte ik. De tranen brandden over mijn wangen, heet en zout. Ik veegde ze weg met de mouw van mijn jas, maar er was geen houden aan. "Ik haat wie ik ben, dokter. Ik slik die troep alleen maar omdat ik mezelf niet wil voelen. Maar nu ben ik alles kwijt. Alles."
Dokter Visser bleef stil tot ik uitgeraasd was. Hij pakte zijn pen, klikte ermee, en legde hem toen weer neer. Geen oordeel op zijn gezicht. Geen preek. Alleen rust.
"Dennis," zei hij kalm. "Het goede nieuws is dat je hier zit. Je zit hier uit jezelf. Dat is de eerste keer in twee jaar dat je niet wegloopt voor de werkelijkheid."
"Ik ga kapot van de ontwenning," zei ik, terwijl mijn tanden op elkaar klapperden van een plotselinge rilling. "Mijn hele lijf doet zeer."
"Dat snap ik. Dat gaat de komende week ook zwaar worden. Dat ga ik niet mooier maken dan het is. Je lichaam is verslaafd geraakt aan een zware pijnstiller, en je geest aan de vlucht. We gaan twee dingen doen. Ik schrijf je nu direct in voor een spoedintake bij Tactus Verslavingszorg hier in Zwolle. Zij hebben de expertise voor een ambulant detox-traject. En voor de acute ontwenningsverschijnselen van de komende dagen geef ik je een zeer lichte, strikt gecontroleerde afbouwmedicatie mee. Geen opiaten. Elke dag één dagdosering ophalen bij de apotheek beneden. Geen voorraad thuis."
Hij keek me strak aan. "Kun je dat aan? De controle uit handen geven?"
Ik keek naar mijn bevende handen die op mijn knieën rustten. Twee jaar lang had ik gedacht dat ik de controle had. Het was de grootste grap van mijn leven geweest.
"Ja," zei ik zacht. "Ik kan het niet meer alleen."
Hoofdstuk 6
Koud zweet en scherven
De eerste week van de ontwenning voelde alsof iemand mijn ziel met staalwol had schoongeschrobd. Alles deed pijn. Mijn botten leken gemaakt van ijs en glas. Ik lag op de bank onder drie wollen dekens, te rillen van de kou terwijl het zweet van mijn slapen droop en mijn shirt doorweekt raakte. Slapen lukte niet; zodra ik mijn ogen sloot, schoten mijn benen met schokken omhoog. Rusteloze benen in het kwadraat. Het voelde alsof er mieren door mijn merg kropen.
Maar de fysieke pijn was nog niet eens het ergste. Het ergste was het wegvallen van het filter.
Zonder de Tramadol kwam de realiteit ongefilterd binnen, met het volume op duizend procent. Elke herinnering aan de afgelopen twee jaar kwam langs als een brandende zweepslag. De blik in Sanne’s ogen toen ze wegliep. Het gezicht van Mo, bedekt onder het cementstof, vol afschuw en verbijstering. De teleurstelling van Peter. En vooral: die constante, verwoestende stem over mezelf. *Zie je wel. Je bent niks. Je kunt niks. Zonder pillen ben je gewoon een hoopje ellende dat op de bank ligt te janken.*
Op dag vijf meldde ik me voor het eerst bij de groep van Tactus, aan de Dr. Stolteweg. Een anoniem kantoorgebouw met grijs tapijt en koffiebekertjes van karton. Ik wilde eigenlijk rechtsomkeert maken op de parkeerplaats. Wat deed ik hier tussen de junkies? Ik was toch een magazijnchef? Ik had een koophuis!
Toen ik de kring binnenstapte, viel dat vooroordeel binnen drie seconden in duigen.
Er zaten acht mensen. Een vrouw van achterin de veertig met een mantelpakje, accountant bij een groot kantoor, verslaafd aan slaappillen. Een jongen van drieëntwintig met getatoeëerde knokkels die aan de ghb had gezeten. Een leraar Nederlands van een middelbare school uit Deventer die twee flessen jenever per dag wegwerkte om zijn angststoornis te onderdrukken. Geen zwervers onder bruggen. Gewoon mensen met normale levens, die allemaal ergens onderweg de afslag hadden gemist.
De therapeut, een nuchtere vrouw genaamd Anja met kort grijs haar, keek naar mij. "Dennis. Welkom. Wil je wat delen, of luister je liever?"
"Ik luister," zei ik zachtjes. Ik durfde niemand aan te kijken.
Ik luisterde naar de leraar, Robert. Hij vertelde hoe hij 's ochtends al begon met drinken uit een plastic waterflesje omdat hij anders niet voor de klas durfde te staan. "Ik dacht altijd dat ik te dom was," zei Robert met een brok in zijn keel. "Dat als die pubers me doorkregen, ze me zouden slopen. De alcohol gaf me een masker. Maar uiteindelijk sloopte het masker mij."
Het was alsof hij mijn eigen gedachten voorlas uit een boek.
In de pauze stond ik bij de koffieautomaat. De accountant, Judith, kwam naast me staan. Ze zag mijn trillende handen terwijl ik suiker in mijn kartonnen bekertje probeerde te scheppen.
"Dag vijf?" vroeg ze met een scheef lachje.
Ik knikte beschaamd. Er viel suiker naast het bekertje.
"Niet erg," zei ze rustig. "Bij mij duurde het twee weken voor mijn handen ophielden met beven. Wees maar trots dat je hier staat. De meesten van ons wachten tot ze echt alles kwijt zijn. Huis, baan, partner."
"Ik ben mijn vriendin al kwijt," zei ik zacht. "En mijn baan waarschijnlijk ook."
"Misschien wel," zei ze eerlijk, zonder de valse troost waar ik zo bang voor was. "Maar als je blijft slikken, raak je jezelf kwijt. En van alle dingen die je kunt verliezen, is dat de enige die je niet meer terugvindt."
Die middag, toen ik weer aan de beurt was in de kring, zweeg ik niet meer. Ik vertelde over de angst om niet goed genoeg te zijn. Over het gevoel dat ik op mijn tenen liep sinds mijn kindertijd. Over de valse rust van de capsules. Niemand onderbrak me. Niemand keek me met medelijden aan. Ze knikten alleen maar. De herkenning in hun ogen was geen medelijden, het was begrip. Voor het eerst in mijn leven schaamde ik me niet voor mijn eigen zwakte. Het mocht er even zijn, daar op die versleten stoel op het grijze tapijt.
Hoofdstuk 7
Het gewicht van nuchter zijn
Acht maanden later.
Het was een zaterdagochtend in september. De herfst begon net voelbaar te worden in Zwolle. De bladeren aan de bomen langs de stadsgracht kleurden geel en rood. De lucht was strakblauw en fris, zo'n ochtend waarop je adem kleine wolkjes vormt als je buiten stapt.
Ik zat op een bankje bij het park De Wezenlanden met een kartonnen beker zwarte koffie in mijn handen. Mijn handen waren rustig. Geen trillingen meer. Mijn huid had weer een normale kleur en ik was vijf kilo aangekomen. Geen spieren van de sportschool, maar gewoon het gezonde gewicht van iemand die weer drie maaltijden per dag at en 's nachts sliep zonder chemische hulpmiddelen.
Het leven was niet opeens een sprookje geworden. Dat is de leugen die mensen je soms proberen te verkopen: *als je stopt met gebruiken, lost alles zich vanzelf op.* Dat is onzin. Als je stopt met gebruiken, begint het werk pas.
Bij Van Dijk Bouwmaterialen werk ik nog steeds, maar niet meer als hoofdplanner. Peter had me niet ontslagen na mijn gesprek met de bedrijfsarts en mijn openheid over het traject bij Tactus. Maar hij was wel duidelijk geweest: de verantwoordelijkheid voor de hele hal kreeg ik voorlopig niet terug. Ik werk nu als voorraadbeheerder. Minder druk, minder telefoontjes, minder ballen om tegelijk in de lucht te houden. Het salaris is lager, maar de rust in mijn hoofd is onbetaalbaar. Mo praat weer tegen me. Vorige week dronken we voor het eerst weer samen koffie in de kantine. We hadden het niet over het ongeluk, maar hij gaf me een stomp tegen mijn schouder toen hij wegliep. Dat was zijn manier om te zeggen dat het weer goed was.
En Sanne?
Ik keek op mijn horloge. Kwart over elf. In de verte zag ik haar aan komen lopen over het grindpad. Donkere jas, haar sjaal losjes om haar nek gewaaid. Mijn maag maakte een sprongetje, precies zoals vroeger. Maar deze keer greep ik niet naar mijn binnenzak om het gevoel weg te drukken. Ik liet de zenuwen er gewoon zijn. Ze mochten er zijn.
We woonden nog steeds niet samen. Ze had een klein studiootje gehuurd aan de rand van de stad. We zagen elkaar twee keer per week. Soms dronken we koffie, zoals vandaag. Soms wandelden we. Het ging langzaam, heel langzaam. Het vertrouwen tussen twee mensen is als een spiegel: als je hem eenmaal in duizend stukken laat vallen, kun je hem wel weer lijmen, maar je blijft de barsten altijd zien. Toch was ze hier. Ze liep naar me toe en glimlachte voorzichtig.
"Hoi Dennis," zei ze toen ze bij het bankje kwam staan.
"Hoi San," zei ik. Ik schoof een stukje op zodat ze kon gaan zitten. De geur van haar parfum, iets met vanille en hout, bracht me even van mijn stuk. Een golf van weemoed trok door me heen, maar ik ademde diep in en liet het gevoel passeren.
"Hoe was je week?" vroeg ze, terwijl ze haar handen diep in haar jaszakken stak.
"Goed," zei ik eerlijk. "Dinsdag had ik het even zwaar. Ik liep langs de apotheek in de stad en ik voelde ineens weer die hele oude reflex. Zo'n stemmetje dat fluisterde: *één doosje kan best, niemand die het merkt.*"
Sanne keek me aan. Haar blik was niet meer boos of wantrouwend zoals die ochtend aan de keukentafel. Er zat een voorzichtige zachtheid in.
"En wat deed je toen?"
"Ik ben stil blijven staan voor de etalage," zei ik. "Ik heb mijn ademhaling geteld, precies zoals ik bij Anja heb geleerd. En ik heb tegen mezelf gezegd: Dennis, je bent bang voor de vergadering van vanmiddag, en dat is oké. Je hoeft niet perfect te zijn. Je mag gewoon een vent zijn die het spannend vindt. En toen ben ik doorgelopen naar de bakker voor een broodje."
Ze lachte zachtjes. Een kort, warm geluid dat me tot in mijn tenen raakte. Ze pakte mijn hand. Haar vingers waren koud, maar ze kneep zachtjes in mijn handpalm. Ik kneep terug.
Vanmorgen stond ik voor de spiegel in de badkamer. Ik bekeek mijn gezicht onder het felle licht. De lijnen rond mijn mond waren dieper geworden. Er zat grijs haar bij mijn slapen dat er twee jaar geleden nog niet zat. Ik ben nog steeds geen man die blaakt van het zelfvertrouwen. Ik twijfel nog steeds vaak aan mezelf. Soms voel ik me nog steeds die bange jongen die tekortschiet.
Maar ik slik het niet meer weg. Het gewicht van nuchter zijn is zwaar, elke dag weer. Maar voor het eerst in mijn leven draag ik het zelf. En dat is genoeg.