Verlies en rouw
Verder leven zonder jou
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
De fluitketel
Mijn naam is Dennis van Beek. Ik ben achtendertig jaar en ik woon in Deventer, in een oud arbeidershuisje niet ver van het station. Ik werk als hovenier. Mijn handen zijn bijna altijd ruw en er zit meestal een randje zwarte tuinaarde onder mijn nagels. Ik hou van dingen die je kunt vastpakken: hout, natte klei, de geur van pas gemaaid gras. Dingen die logisch zijn. Als je een struik snoeit, loopt hij in het voorjaar weer uit. Als je een boom plant, wortelt hij of hij gaat dood. De natuur liegt niet.
Tot die dinsdagochtend in november dacht ik dat het leven ook zo werkte.
Het regende hard. Buiten sloeg de wind tegen de enkelglas-ruitjes van onze keuken. Lotte stond bij het aanrecht. Ze had haar grijze wollen vest aan, dat vest waarvan de rechtermouw een beetje uitgelodderd was omdat ze die altijd over haar hand trok als ze het koud had. Ze was zesendertig. Ze gaf les op een basisschool hier drie straten verderop. Haar blonde haren zaten in een rommelige knot met een potlood erdoorheen gestoken. Dat deed ze als ze haar elastiekje kwijt was. Ik vond dat mooi.
"Neem jij vanmiddag appels mee?" vroeg ze. Ze zette de fluitketel op het gasfornuis. "De kinderen willen appelmoes maken morgen."
"Is goed," zei ik. Ik zat aan de houten eettafel en schoof een boterham met kaas naar binnen. Mijn werkschoenen stonden al bij de achterdeur. Vandaag moesten we een grote tuin winterklaar maken aan de Brinkgreverweg. Koud werk, zwaar werk.
De fluitketel begon zachtjes te sissen. Lotte pakte twee mokken uit het kastje. Een blauwe voor mij, een gele met een barstje voor haarzelf.
Toen viel de mok.
Het geluid van brekend aardewerk op de tegelvloer was hard en fel. Ik keek op van mijn bord. Ik dacht dat ze hem uit haar handen had laten glippen. Dat gebeurde wel vaker, ze was soms een beetje onhandig.
"Lotte?"
Ze draaide zich niet om. Ze stond voorovergebogen tegen het aanrecht gedrukt, met beide handen plat op het roestvrij staal. Haar knokkels waren wit.
"Dennis," zei ze. Haar stem klonk niet zoals normaal. Het klonk alsof iemand haar keel dichtkneep, dun en schor. "Dennis. Mijn hoofd."
Ik stond meteen op. De stoelpoten krasten over het laminaat. "Wat is er?"
Voordat ik bij haar was, knikten haar knieën. Ze zakte niet rustig in elkaar; ze viel als een zak tuinaarde. Haar schouder raakte de keukenkast, daarna sloeg haar hoofd tegen de vloer, rakelings langs de scherven van de gele mok. De fluitketel begon intussen keihard te gillen op het gas.
"Lotte!" Ik viel op mijn knieën naast haar. De koude tegels sneden door mijn werkbroek.
Haar ogen waren wijd open, maar ze keken niet naar mij. Ze keken naar het plafond, naar een plekje bladderende verf boven het fornuis. Haar ademhaling klonk als een zaag die door nat hout trok. Een gorgelend, schrapend geluid.
"Lotte, hoor je me? Lotte!"
Ik pakte haar hand. Die was slap. Haar vingers klampten zich niet vast. Mijn hart sloeg in mijn keel, zo hard dat het pijn deed achter mijn oren. Met mijn linkerhand draaide ik het gas onder de ketel uit. De stilte die daarna viel, werd meteen verscheurd door haar reutelende adem.
Ik greep mijn telefoon uit mijn zak. Mijn vingers trilden zo erg dat ik twee keer de verkeerde cijfers intoetste. Eén. Eén. Twee.
"Meldkamer, wat is de situatie?" Een rustige vrouwenstem. Te rustig voor deze keuken.
"Mijn vriendin. Ze viel ineens neer. Ze praat niet meer. Ze ademt heel raar."
"Blijf rustig, meneer. Wat is uw adres?"
Ik schreeuwde het adres bijna door de speaker. "Stuur iemand! Nu! Ze reageert nergens op!"
"De ambulance is onderweg. Is ze bij kennis?"
"Nee!"
"Leg haar plat op haar rug. We gaan reanimeren als de ademhaling stopt. Luister goed naar me."
Ik trok Lotte recht. Haar lichaam voelde vreemd zwaar, levenloos al, alsof het gewicht van een heel leven ineens verdubbeld was. Ik legde mijn hand op haar borstkas. Onder de wollen stof van haar vest ging haar hart tekeer als een gevangen vogel. En toen stopte de ademhaling. Gewoon, pats, stil.
"Plaats uw handen over elkaar midden op de borstkas," zei de stem uit het telefoontoestel op het aanrecht. "Druk stevig door. Tel hardop mee. Eén, twee, drie, vier..."
Ik begon te drukken. Het eerste wat ik voelde onder mijn handpalmen was het kraken van haar ribben. Dat geluid vergeet ik nooit meer. Het klonk als droge takken die breken onder je laars in het bos. Ik wilde stoppen, maar de stem riep: "Doorgaan, meneer! Niet stoppen!"
Dus ik drukte. Ik telde. Zweet brandde in mijn ogen. Bloed vermengde zich met het zweet op mijn voorhoofd. Buiten loeide de sirene in de verte. Eerst zacht, gedempt door de regen, daarna harder, draaiend door de straat. Blauw zwaailicht weerkaatste op de natte keukenkastjes.
"Blijf hier," fluisterde ik tussen het tellen door. "Lotte, alsjeblieft. Blijf hier. We moeten nog appels halen."
Hoofdstuk 2
Witte jassen en stilte
Het Deventer Ziekenhuis ruikt naar schoonmaakmiddel en koude lucht. Het is een geur die nergens anders hangt. Een mengsel van alcohol, plastic en angst.
Ik zat op een harde plastic stoel in een hoek van de gang. Mijn handen waren nog steeds vuil van mijn werk en mijn nagels zaten onder het opgedroogde zweet. Ik had mijn modderige laarzen nog aan. Niemand had er iets van gezegd toen ik naar binnen rende achter de brancard aan. Een verpleegkundige met rode krullen had een papieren bekertje water voor me neergezet op een tafeltje. Ik had er niet aan geraakt. Het bekertje stond er al anderhalf uur. De rand was zacht geworden.
Lotte lag op de Intensive Care. Achter twee zware klapdeuren met een digitaal cijferslot.
Haar ouders waren er inmiddels. Haar moeder, Els, zat naast me. Ze hield een verfrommelde papieren zakdoek tegen haar mond gedrukt. Haar schouders schokten geruisloos. Haar vader, Henk, liep heen en weer. Van de koffieautomaat naar het raam, van het raam naar de klapdeuren. Drie stappen heen, drie stappen terug. Hij zei niets. Zijn kaken maalden op elkaar alsof hij op kiezelstenen kauwde.
Toen gingen de klapdeuren open.
Er kwam een arts naar buiten. Een lange man van rond de vijftig, met een kaal hoofd en een donkerblauwe doktersjas open over zijn kleren. Hij liep niet snel, maar ook niet langzaam. Hij had een klembord in zijn hand. Aan zijn gezicht zag ik het meteen. Artsen kijken anders naar je als er nog hoop is. Dan kijken ze gehaast, geconcentreerd, alsof ze alweer bezig zijn met de volgende ingreep. Deze man keek bedrukt. Zijn ogen waren dof.
"Familie Van Beek? Familie De Jong?" vroeg hij.
We stonden tegelijk op. Henk stopte met ijsberen.
"Komt u even mee naar de spreekkamer," zei de arts.
De spreekkamer was klein. Vier stoelen rond een tafel van nep-beukenhout. Een doos tissues op het midden van het blad. Een poster aan de muur met een tekening van het menselijk brein, opgedeeld in vrolijk gekleurde kwabben. Het leek wel een kindertekening. Ik haatte die poster meteen.
"Ik ben dokter Veenstra," zei hij. Hij ging niet zitten. Wij bleven ook staan. "Het spijt me ontzettend. We hebben zojuist de CT-scan beoordeeld."
"Hoe is het met haar?" vroeg Els met een piepende stem.
"Lotte heeft een zeer zware hersenbloeding gehad," zei hij. Zijn woorden waren kort en afgemeten, alsof hij ze met een mes van tevoren op maat had gesneden. "Een aneurysma dat is geknapt. Een zwakke plek in een bloedvat die er waarschijnlijk al haar hele leven zat. Zonder dat iemand het kon weten."
"Kunnen jullie opereren?" vroeg ik. Mijn stem klonk hol. Alsof ik in een lege regenton praatte.
De arts schudde zijn hoofd. Heel langzaam. "De bloeding is te groot geweest, meneer Van Beek. De druk op haar hersenstam is enorm opgelopen. Er is te veel weefsel afgestorven door zuurstofgebrek. We hebben geen reflexen meer kunnen meten."
"Geen reflexen?" herhaalde Henk. "Wat betekent dat?"
"Het betekent dat Lotte hersendood is," zei de arts. "Haar lichaam wordt op dit moment volledig in leven gehouden door de beademingsmachine. Als we die uitzetten, stopt haar hart binnen enkele minuten."
Els gilde niet. Ze zakte gewoon tegen Henk aan, een zachte, inzakkende hoop kleren. Henk ving haar op, maar zijn eigen ogen puilden uit. Hij staarde naar de dokter alsof die Chinees sprak.
Ik voelde helemaal niets. Geen verdriet, geen woede, geen tranen. Alleen een ijskoude leegte die zich vanuit mijn maag verspreidde naar mijn borst en mijn armen. Het was alsof ik door een dikke laag ijs naar de kamer keek. Ik zag de dokter praten over procedures, over donatie, over het moment van afscheid nemen. Zijn lippen bewogen, maar het geluid kwam van heel ver weg.
"Mag ik naar haar toe?" vroeg ik.
"Natuurlijk," zei Veenstra.
De kamer op de Intensive Care was warm en fel verlicht. Lotte lag in het midden, omringd door palen met infuuszakken en beeldschermen vol groene en gele grafieken. Er liep een dikke geribbelde buis uit haar mond, vastgeplakt met witte pleisters op haar wangen. De machine maakte een monotoon, ritmisch geluid: *sssh-klak, sssh-klak*. Elke drie seconden werd er lucht in haar longen gepompt.
Haar gezicht was bleek, maar heel rustig. Haar ogen waren dicht. Ze leek niet op iemand die stervende was; ze leek op iemand die sliep na een lange werkdag.
Ik liep naar het bed en pakte haar hand. De huid voelde vreemd aan. Niet koud, maar ook niet echt warm. Kunstmatig warm, alsof ze te lang onder een hete lamp had gelegen. Er zat een plastic knijper op haar wijsvinger die met een rood lampje haar zuurstofgehalte mat.
"Lotte," zei ik zacht.
Er bewoog niets. Geen trilling in haar oogleden. Geen kneepje terug in mijn hand.
Els en Henk stonden aan de andere kant van het bed. Els kuste haar voorhoofd, telkens weer, mompelend, gebeden prevelend die ze al veertig jaar niet meer had uitgesproken. Henk hield Lotte's voeten vast onder de witte deken.
Een verpleegkundige kwam binnen. Ze had een zachte stem. "We gaan de medicatie afbouwen. Als jullie zover zijn, halen we de beademing weg."
Niemand van ons zei nee. Wat moesten we zeggen? Er viel niets meer te kiezen.
Toen de slang eruit ging, was het even stil. Daarna begon haar eigen ademhaling. Drie korte, hortende teugen lucht. Heel diep uit haar borstkas, alsof haar lijf nog één keer probeerde te vechten tegen wat onvermijdelijk was.
Daarna viel de stilte pas echt. De monitor stopte met piepen; ze hadden het geluid al uitgezet. De groene lijn op het scherm werd plat.
Ik hield haar hand vast tot de warmte eruit wegtrok. Het duurde ongeveer twintig minuten voordat haar vingers aanvoelden als het stenen blad van de keukentafel thuis. Pas toen liet ik los.
Hoofdstuk 3
De houten kist
Er zijn mensen die zeggen dat een uitvaart helpt bij het afsluiten. Dat je er troost uit haalt. Dat zijn mensen die zelf nog nooit iemand hebben begraven van wie ze hielden.
Voor mij waren die vijf dagen tussen haar overlijden en de crematie een aaneenschakeling van praktische vernederingen. Je zit aan tafel met een wildvreemde vrouw in een net zwart mantelpakje die vraagt of je vanillecake wilt of gevulde koeken. Ze heeft een map bij zich met stalen van bekleding voor de binnenkant van de kist. Alsof Lotte erom zou geven of ze op ongebleekt katoen of satijn lag.
"Eikenfineer is heel traditioneel," zei de uitvaartverzorgster, mevrouw Dekker heette ze. Ze sprak met die professionele, gedempte fluistertoon waar ik na twee dagen al kotsmisselijk van werd. "Maar we hebben tegenwoordig ook populierenhout. Dat heeft een veel zachtere, natuurlijkere uitstraling."
"Doe maar gewoon hout," zei ik. "Zonder glimmende lak. Gewoon ruw."
Els wilde bloemen. Veel bloemen. Witte lelies, witte rozen. Ik wilde geen lelies. Lotte hield van veldbloemen, van klaprozen en riddersporen die gewoon in de berm groeien. Maar het was november. Bermbloemen waren er niet. Uiteindelijk bestelde Henk een gigantisch bloemstuk met een wit lint waar in gouden letters *Rust zacht, lieve Lotte* op stond. Het leek op een lint van een kampioenshond. Ik zei er niets van. Ik had de energie niet om ruzie te maken over linten.
Het huis stroomde vol met kaarten. De postbode bracht ze met elastiekjes eromheen. Stapels. Ze stonden op de vensterbank, op de schouw, op de eettafel. Allemaal met dezelfde zinnen erop gedrukt: *Gecondoleerd met dit zware verlies.* *Woorden schieten tekort.* *In gedachten bij jullie.*
Woorden schoten inderdaad tekort. Ze schoten zo erg tekort dat ze waardeloos werden. Mensen schreven ze op omdat ze iets moesten schrijven. Ik las er een paar en liet de rest dicht. Ze voelden als reclamefolders voor een ramp.
Vrijdagmiddag was de dienst in het crematorium aan de Raalterweg. De aula zat vol. Te vol. Er stonden mensen achterin tegen de muur gedrukt. Collega’s van haar school, buren die ik alleen van gezicht kende, oude studievrienden die ze in geen vijf jaar had gezien. Iedereen had zwarte of donkerblauwe kleren aan. De lucht was zwaar van natte wollen jassen en goedkope parfum.
Ik zat op de eerste rij. Naast me zat Els, die krampachtig mijn hand vasthield. Haar vingers waren ijskoud en plakkerig. Aan de andere kant Henk, strak voor zich uit kijkend naar de kist die voor het podium stond. Op de kist lag het grote witte bloemstuk.
De directeur van de basisschool hield een toespraak. Hij vertelde hoe geliefd Lotte was bij de kinderen. Hoe ze altijd liedjes zong op vrijdagochtend. Hij begon te huilen halverwege zijn verhaal. De hele zaal snoot tegelijk zijn neus. Een koor van zakdoeken.
Ik huilde niet. Mijn ogen brandden, maar er kwam geen traan. Ik voelde me een standbeeld van gips. Als iemand me een duw zou geven, zou ik in duizend scherven uiteenvallen op de vloerbedekking.
Toen was het mijn beurt om te spreken. Mevrouw Dekker keek me bemoedigend aan vanaf de zijkant.
Ik stond op. Mijn knieën voelden slap. Ik liep naar het spreekgestoelte. Er lag een microfoon op een zwanenhals. Ik had een briefje in mijn jaszak, gevouwen in vieren. Ik had er gisteravond uren op zitten turen, met een pen in mijn hand, zonder een woord op te schrijven. Uiteindelijk had ik er maar één zin op gezet.
Ik haalde het briefje niet uit mijn zak.
Ik keek naar de kist. Het ruwe populierenhout. Onder die deksel lag Lotte. Haar haar was gewassen door vreemden. Ze hadden haar haar favoriete donkerblauwe jurk aangetrokken. Die jurk had ik zelf uit de kast moeten pakken, terwijl haar geur er nog aan zat.
"Lotte hield van zaterdagochtend," zei ik in de microfoon. Mijn stem klonk veel te hard door de luidsprekers in de zaal. Mensen schrokken een beetje van de toon. Geen fluistering. Gewoon mijn eigen, schorre stem.
"Ze hield van uitslapen tot negen uur. Van koffie die te sterk was gezet. En ze vergat altijd haar sleutels in de voordeur te laten zitten als ze thuiskwam. Ik moest ze er elke avond uithalen."
Ik zweeg. Ik keek de zaal in. Al die gezichten, bleek en vol medelijden. Ze keken naar me alsof ik een ongeluk was dat zich voor hun ogen voltrok.
"Ik weet niet hoe ik de voordeur open moet doen zonder die sleutels," zei ik.
Ik stapte weg van de microfoon. Ik liep niet terug naar mijn stoel. Ik liep naar de kist, legde mijn hand even plat op het koude hout, precies op de plek waar haar schouder zou moeten liggen, en liep toen de aula uit. Dwars door het gangpad, langs de rijen mensen die haastig opzij weken. Door de klapdeuren naar buiten, de koude motregen in.
Hoofdstuk 4
Het lege huis
Het ergste van de dood is niet de begrafenis. Het zijn de weken erna, wanneer iedereen weer gewoon naar zijn werk gaat.
De eerste week stonden er nog pannen soep op de stoep. Buren die aanbelden met een ovenschotel gewikkeld in een theedoek. "Je hoeft de schaal niet af te wassen, Dennis. Laat maar staan." Ze keken me aan met schichtige ogen, bang dat ik in huilen zou uitbarsten op de mat, of juist bang dat ik iets zou zeggen waar ze geen raad mee wisten. Na twee weken stopte de soep. Na drie weken stopten de appjes met vraagtekens en hartjes.
Het normale leven slokte iedereen weer op. De wereld draaide gewoon door, lomp en onverschillig. De treinen reden op tijd langs het spoor achter mijn huis. De vuilniswagen kwam op donderdagochtend. Mensen stonden bij de bakker te klagen over de prijs van het volkorenbrood.
En ik zat in een huis dat van haar was geweest, maar waar zij niet meer was.
Overal waren sporen. Dat was het martelende ervan. Als iemand doodgaat, verdwijnen haar spullen niet magisch mee de grond in. Haar badjas hing nog achter de badkamerdeur. Een dikke, roze badjas van badstof. Als ik mijn gezicht erin duwde, rook ik haar shampoo. Die geur van amandelen en zeep. Ik durfde die badjas niet te verplaatsen. Ik liep eromheen alsof het een heilig relikwie was.
In de gang stonden haar laarzen. Eén laars stond rechtop, de ander lag op zijn zijkant omgevallen. Precies zoals ze hem die maandagmiddag had uitgeschopt toen ze terugkwam van school. Ik liet hem liggen. Niemand mocht die laars overeind zetten.
Na vier weken belde mijn baas, Peter. Hij heeft het hoveniersbedrijf waar ik al twaalf jaar werk.
"Dennis," zei hij. Hij klonk ongemakkelijk. Peter is een goede vent, maar hij praat liever over bladblazers en stronkenfrezen dan over gevoelens. "Hoe is het daar?"
"Het gaat," loog ik.
"Luister jongen. Geen druk, absoluut niet. Maar als je eruit wilt... We hebben een groot project in Colmschate. Hagen planten. Geen moeilijke dingen, gewoon beukenhaagjes zetten. Meters maken. Misschien helpt het om je handen weer vuil te maken?"
Ik keek naar de keukentafel. De stapel ongeopende rouwkaarten lag er nog steeds. Het huis rook muf. Naar stof en koffie van gisteren.
"Ik kom morgen," zei ik.
De volgende ochtend stapte ik om zeven uur in mijn werkbus. Het was koud, grauw weer. Het soort weer dat Deventer grijs en plat maakt. Ik reed naar het terrein in Colmschate, een nieuwbouwwijk waar de tuinen nog kale zandbakken waren.
De andere jongens – Dave en Mo – gaven me een stevige hand en een klop op mijn schouder. "Mooi dat je er bent, pik," zei Dave. Verder zeiden ze niets. Daar was ik ze dankbaar voor. Geen voorzichtige stemmen. Geen schuine blikken.
We begonnen met graven. Sleuven trekken voor de beukenhagen. Dertig centimeter diep, rechte lijnen langs het spandraad. Schep in de grond, voet erop, aarde omgooien. Schep erin, voet erop, aarde omgooien. Het fysieke werk deed pijn aan mijn spieren, die na een maand stilzitten stijf waren geworden. Maar die pijn was fijn. Die pijn was tenminste echt en overzichtelijk.
Om half één gingen we schaften in de keet. Dave trok een pak koeken open. Mo zette hete koffie uit een thermoskan. Ze hadden het over het voetbalweekend. Go Ahead Eagles had verloren van Heerenveen. Ze maakten ruzie over een afgekeurde penalty.
Ik zat op een houten bankje en luisterde. Het voelde alsof ik naar een film keek in een vreemde taal. Voetbal. Scheidsrechters. Koeken. Wat maakte het in godsnaam uit? Wisten deze mensen dan niet dat de wereld op elk willekeurig moment doormidden kon breken? Dat je zomaar thee kon zetten en tien minuten later dood op de grond kon liggen?
"Dennis? Wil je ook een gevulde koek?" vroeg Mo.
Ik keek naar de koek in zijn hand. Een glanzende, zoete koek in een plastic papiertje. Precies zoals mevrouw Dekker had voorgesteld voor bij de koffie na de crematie.
De lucht werd plotseling te dik om in te ademen. Het was alsof iemand een zak nat zand over mijn hoofd trok.
"Ik ga even naar de bus," zei ik kortaf.
Ik liep de keet uit. Ik liep niet naar de bus om gereedschap te pakken. Ik ging op de bestuurdersstoel zitten, sloeg het portier dicht en vergrendelde de deuren. Ik legde mijn voorhoofd op het koude kunststof stuurwiel.
En daar, op een winderige bouwplaats tussen de stapels betonstenen en de modder, brak ik voor het eerst. Niet met stille tranen, maar met rauwe, stikkende uithalen die mijn borstkas uit elkaar leken te scheuren. Ik jankte als een geslagen hond. Ik sloeg met mijn vuist tegen het stuur tot mijn knokkels bloedden. En het loste helemaal niets op. Toen ik stopte met huilen, was de lucht nog net zo grijs en Lotte nog net zo dood.
Hoofdstuk 5
De zwarte kuil
De winter ging voorbij, maar voor mij bleef het november.
In maart werd het weer lichter. De dagen werden langer, de eerste krokussen kwamen op langs de singels in Deventer. Mensen fietsten zonder jas. Voor de meeste mensen brengt de lente hoop. Voor mij was het een belediging. Hoe durfde het gras groen te worden? Hoe durfden de vogels te fluiten in de perenboom in mijn achtertuin?
Ik was gestopt met werken. Na die middag in de werkbus had ik Peter gebeld en gezegd dat het niet ging. Hij begreep het, zei hij, maar ik hoorde de teleurstelling in zijn stem. Een hoveniersbedrijf in het voorjaar kan geen personeel missen. Hij moest iemand anders aannemen voor het seizoen.
Mijn dagen kregen een vreemd, vormeloos ritme. Ik werd wakker rond half twaalf. Ik bleef liggen tot mijn rug pijn deed van het matras. Aan haar kant van het bed lag haar kussen nog. Ik had de kussensloop niet gewassen. De geur werd langzaam minder, vervangen door de geur van oud stof, maar soms, als ik mijn neus er diep in drukte, verbeeldde ik me dat ik haar nog rook.
Ik at amper. Een tosti als ik honger had, of een blik soep koud uit de kast gelepeld. Afwassen deed ik niet; de vuile borden stapelden zich op in het gootsteenkastje. De scherven van de gele mok lagen nog steeds op precies dezelfde plek op de keukenvloer, naast het fornuis. Ik stapte er elke dag voorzichtig overheen. Alsof het opruimen ervan zou betekenen dat ik het bewijsmateriaal wiste van haar laatste seconde op aarde.
’s Avonds begon ik te drinken. Geen zware drank, gewoon blikken pils van de supermarkt om de hoek. Vier, vijf, soms zes blikken. Net genoeg om de scherpe randjes van mijn gedachten af te vijlen. Net genoeg om te kunnen slapen zonder die beademingsmachine in mijn hoofd te horen piepen.
Mijn vrienden lieten steeds minder van zich horen. Mark, met wie ik vroeger elk weekend een biertje dronk op de Brink, belde in februari nog twee keer. Hij stelde voor om een stuk te gaan wandelen langs de IJssel.
"Gewoon even de kop leegmaken, Den. Frisse lucht."
"Ik heb geen zin in frisse lucht, Mark."
"Dennis, je kunt niet binnen blijven zitten verpieteren. Het is nu vier maanden geleden. Je moet door."
*Je moet door.* Dat was de zin. De magische zin van mensen die zelf 's avonds naast hun eigen vrouw in bed kropen. Ik hing op zonder gedag te zeggen. Hij belde niet meer terug. Ik nam het hem niet eens kwalijk. Wie wil er nou praten met een lijk dat toevallig nog ademhaalt?
Het dieptepunt kwam op een donderdagavond eind april.
Ik zat op de bank. Het was donker in de woonkamer, ik had het licht niet aangedaan. De televisie stond aan op een sportzender, met het geluid uit. Het blauwe licht flikkerde over de ongeopende post en de lege bierblikken op de salontafel.
Ik had haar oude mobiele telefoon gevonden in een la in de gang. Een toestel dat ze een jaar geleden had vervangen omdat het scherm gebarsten was. De batterij was leeg. Ik zocht een oude oplader, stak hem in het stopcontact en wachtte tot het scherm oplichtte.
Er zat geen pincode op.
Ik scroolde door haar berichten. Foto's van katten die ze op straat had gezien. Foto's van mij, slapend op de bank met mijn mond open, die ze stiekem had gemaakt om me te plagen. En toen zag ik de voicemails.
Er stond er één tussen van 14 oktober. Een maand voor haar dood. Ik drukte op afspelen en hield de telefoon tegen mijn oor.
Haar stem. Kraakhelder, alsof ze in dezelfde kamer stond, vlak achter me.
"Hee schat, met mij. Ben je nog in de stad? Wil je even kijken of de toko nog verse gember heeft? En neem eieren mee, die van de biologische boer als ze die hebben. O, en vergeet je sleutels niet uit de deur te halen als je thuiskomt, sukkel. Doei, kus!"
Het geluid van haar lachje aan het eind. Dat kleine, vertrouwde giecheltje door haar neus.
Ik luisterde er nog een keer naar. En nog een keer. Vijftien keer achter elkaar. Tot haar stem geen troost meer was, maar een vleeshaak die door mijn ingewanden scheurde.
Ik begon te schreeuwen. Niet huilen, maar schreeuwen. Een beestachtig geluid dat uit het diepst van mijn buik kwam. Ik smeet het telefoontoestel met volle kracht tegen de bakstenen muur van de woonkamer. Het scherm spatte in honderd stukjes uiteen. De batterij schoot los en tolde over de vloer.
Daarna viel de stilte weer. De ijskoude, onverschillige stilte van een leeg huis.
Ik zakte op mijn knieën tussen de scherven van de telefoon. Ik keek naar mijn handen. Dezelfde handen waarmee ik jarenlang bomen had gesnoeid en tuinen had aangelegd. Ze waren mager geworden, de pezen staken uit onder mijn vale huid. Ik zag eruit als een spook.
Ik dacht: *Als dit het is, als dit de rest van mijn leven is, dan hoeft het van mij niet meer. Dan kap ik ermee.* Het was geen dramatische gedachte. Het was een nuchtere vaststelling. Verder leven zonder haar leek geen moedige keuze, het leek gewoon een hele lange, martelende straf.
Hoofdstuk 6
De tuin van mevrouw Visser
Drie dagen na die avond met de telefoon ging de bel.
Ik deed bijna nooit meer open, maar degene aan de deur hield niet op. Drie keer kort, pauze, weer drie keer. Een ongeduldig ritme. Ik trok een joggingbroek aan die naar oud zweet rook, veegde mijn haar uit mijn ogen en trok de deur op een kier.
Er stond geen hulpverlener. Er stond geen bezorgde vriend.
Het was mevrouw Visser. Ze was tweeëntachtig, woonde in Diepenveen in een vrijstaand jarendertighuis, en was al tien jaar een vaste klant van me. Een klein, taai vrouwtje met zilverwit haar en priemende blauwe ogen achter een bril met een gouden kettinkje. Ze leunde op een paraplu alsof het een wandelstok was.
"Zo, Dennis," zei ze. Ze keek me aan van top tot teen. Ze rook naar lavendel en mottenballen. "Je ziet eruit alsof je net uit een graf bent gekropen."
Ik wilde de deur dichttrekken. "Mevrouw Visser, ik werk nu niet. Ik heb verlof."
Ze zette behendig de punt van haar paraplu tussen de deur en de post. Voor een oude vrouw was ze verdomd snel.
"Dat weet ik," zei ze nuchter. "Peter vertelde het me. Die stuurde me twee snotneuzen van achttien die mijn appelboom wilden snoeien met een heggenschaar. Een heggenschaar, Dennis! Aan mijn Cox's Orange Pippin!"
"Laat Peter iemand anders sturen," zei ik mat.
"Ik wil niemand anders. Ik wil jou. Die boom moet nú gedaan worden, anders heb ik dit najaar geen vruchten. En de border aan de zijkant staat vol zevenblad. Trek fatsoenlijke kleren aan. Ik geef je tien minuten."
"Ik kan niet," zei ik.
Ze keek me strak aan. Haar blik verzachtte een heel klein beetje, maar niet veel. "Mijn Albert is dertig jaar geleden verdronken toen zijn boot omsloeg op het IJsselmeer. Ik weet dondersgoed hoe het ruikt in dat huis van jou, Dennis. Het ruikt naar zelfmedelijden en oude koffie. Trek je laarzen aan. Schiet op."
Ze draaide zich om en liep naar haar kleine rode Toyotaatje dat scheef geparkeerd stond op het trottoir.
Ik bleef in de deuropening staan. De tocht waaide langs mijn blote enkels. Ik had twee opties: de deur dichtslaan en weer op de bank gaan zitten tussen de bierblikken, of meegaan. Ik haatte haar op dat moment. Maar iets in haar stem – het ontbreken van dat mierzoete medelijden dat iedereen me gaf – raakte een snaar die al maanden dood was geweest.
Tien minuten later zat ik naast haar in de auto. Mijn oude werkbroek zat los om mijn heupen; ik had een extra gaatje in mijn riem moeten prikken met een spijker.
Haar tuin in Diepenveen was groot en verwilderd. Het voorjaar was hard gegaan: het onkruid schoot overal omhoog, de fruitbomen hingen vol met waterloten. Werk voor drie dagen.
Ze gaf me een snoeischaar en een handzaagje. "Begin maar bij de appelboom. Koffie staat op het terras. Met suiker, zoals je altijd drinkt."
Ik pakte de zaag aan. Het houten handvat voelde vertrouwd in mijn handpalm, ruw en ingesleten naar mijn vingers. Ik zette een ladder tegen de stam van de appelboom en klom omhoog.
De eerste tak die ik afzaagde, gaf weerstand. Mijn armen verzuurden al na drie halen. Mijn conditie was volledig weg. Maar ik zette door. Het ritmische geluid van de tanden van de zaag door het levende hout: *srrrt, srrrt, srrrt*. De geur van vers gezaagd hout drong mijn neus binnen. Schoon. Scherp. Geen ziekenhuis, geen muffe slaapkamer.
Na twee uur snoeien klom ik naar beneden. Mijn voorhoofd droop van het zweet, mijn rug deed pijn, maar mijn hoofd was voor het eerst sinds maanden leeg geweest. Twee uur lang had ik alleen maar nagedacht over welke tak zonlicht wegnam en welke tak vruchten moest dragen. Logica. De wetten van de natuur.
Mevrouw Visser kwam naar buiten met twee koppen koffie. We gingen op het bankje tegen de stenen muur van haar schuur zitten. De lentezon warmde de stenen achter mijn rug op.
"Het wordt nooit meer zoals het was, weet je dat?" zei ze plotseling, terwijl ze over haar tuin uitkeek.
Ik staarde in mijn koffie. De zwarte vloeistof trilde licht door mijn vermoeide handen.
"Dat weet ik," zei ik zacht.
"Mensen vertellen je sprookjes," ging ze verder. Haar stem was rustig, zonder drama. "Ze zeggen dat tijd alle wonden heelt. Dat is kletspraat. Het slijt niet, Dennis. Het gemis wordt niet kleiner. Je leert er alleen omheen groeien. Net als die oude eik daar achterin. Die is dertig jaar geleden door de bliksem getroffen. De halve stam is zwart en dood. Maar kijk naar de takken daarboven. Die lopen gewoon weer uit. De boom draagt die dode helft mee, elke dag. Maar hij stopt niet met groeien."
Ik zei niets. Een merel landde op het pas gemaaide gazon, zocht naar een worm en vloog weer weg naar de haag.
Voor het eerst sinds die ochtend in november voelde de pijn niet als een verstikkend kussen op mijn gezicht, maar als een zware steen in mijn rugzak. Nog steeds loodzwaar. Nog steeds oneerlijk. Maar misschien, heel misschien, was het een gewicht dat je kon leren dragen zonder eronder te bezwijken.
Hoofdstuk 7
Lopen langs de IJssel
Het is nu oktober. Bijna een jaar later.
De bladeren aan de bomen langs de IJssel kleuren geel en roestbruin. De wind waait stevig over de uiterwaarden; het water van de rivier staat hoog en kolkt tegen de kribben. Ik loop hier bijna elke avond als het werk erop zit. Mijn laarzen zakken een stukje weg in de vochtige klei langs de waterkant.
Ik werk weer vier dagen per week voor Peter. Niet fulltime, dat trek ik nog niet. Sommige dagen zijn nog steeds gitzwart. Dagen waarop ik wakker word en voor een fractie van een seconde denk dat ze naast me ligt, om dan weer die klap van de realiteit te voelen. Die dagen zijn er nog steeds. Ze komen minder vaak, maar als ze komen, slaan ze me nog steeds tegen de grond. Het verschil is dat ik nu weet dat de volgende dag weer een zaterdag kan zijn. Dat de storm weer overwaait.
Vorige week heb ik haar kleren uitgezocht.
Els kwam me helpen. We hebben er de hele zaterdag over gedaan. We hebben gehuild, we hebben gelachen om die afgrijselijke paarse trui die ze ooit op een rommelmarkt in Frankrijk had gekocht en die ze weigerde weg te gooien. We hebben vier grote verhuisdozen gevuld voor het Leger des Heils.
Haar roze badjas hangt niet meer achter de deur. Die ligt nu netjes opgevouwen in de kast, samen met een paar van haar lievelingsboeken en de potloden die ze altijd in haar haar stak. Ik hoef haar geur niet meer krampachtig vast te houden om haar niet te vergeten. Ze zit in mijn hoofd, in de manier waarop ik naar de wereld kijk, in de herinneringen die langzaam minder pijn beginnen te doen.
De scherven van de gele mok zijn eindelijk weg. Ik heb ze een maand geleden opgeruimd. Niet met de stoffer en blik, maar stuk voor stuk met mijn handen. Ik heb ze in een klein houten doosje gedaan dat nu op de plank in de gang staat. Het hoort bij ons verhaal. De breuk hoort erbij.
Ik blijf staan op de oever van de rivier. De zon zakt achter de horizon, achter de torens van de Lebuinuskerk in de verte. De lucht kleurt oranje en dieppaars, weerspiegeld in het trage water van de IJssel.
Ik haal diep adem. De lucht is koud en zuiver. Het ruikt naar herfst, naar afstervend blad en natte aarde. Naar het einde van een seizoen.
Mensen vroegen me de afgelopen maanden vaak: "Red je het een beetje? Gaat het weer?"
Ik gaf altijd een vaag antwoord. Omdat er geen simpel antwoord is. Ik ben niet 'hersteld'. Rouw is geen griep waar je van geneest. Het is geen gebroken been dat weer aan elkaar groeit zodat je daarna weer kunt rennen alsof er niets is gebeurd. Lotte is weg. Haar lach komt nooit meer terug door de gang. Er zal nooit meer thee staan in die blauwe mok als ik thuiskom van mijn werk.
Dat gat blijft. Het blijft open en gapend.
Maar ik ben niet meer bang voor dat gat. Ik heb geleerd om langs de rand te lopen zonder erin te springen. Ik leef verder. Niet omdat ik haar wil vergeten, maar juist omdat zij van het leven hield. Het zou verraad aan haar zijn om mijn eigen leven weg te gooien in een donkere kamer met lege bierblikken.
Ik haal mijn handen uit mijn jaszakken. Mijn knokkels zijn weer ruw, er zit weer zwarte aarde onder mijn nagels. Ik voel de koude wind in mijn gezicht prikken.
"Dag lieverd," fluister ik tegen het water.
De wind voert de woorden mee over de rivier, naar de overkant, waar de lichten van de stad één voor één aangaan in de schemering. Ik draai me om en loop over het dijkpad terug naar huis. Naar het lege huis, dat langzaam weer gewoon een huis begint te worden.