Mantelzorg en ouder worden
Vandaag zorg ik voor jou
Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.
Hoofdstuk 1
De kookplaat op vier
Mijn naam is Mark van Dijk. Ik ben vierenveertig jaar en ik woon in Deventer. Ik werk als planner bij een groothandel in bouwmaterialen. Mijn dagen bestaan normaal uit cijfers, vrachtbrieven en chauffeurs die op tijd moeten vertrekken. Ik houd van orde. Als een vrachtwagen om zeven uur moet rijden, dan rijdt hij om zeven uur. Maar het leven met mijn vader Gerrit liet zich niet plannen.
Het begon echt op een dinsdagmiddag in oktober. Mijn telefoon ging. Ik zat net achter twee beeldschermen ritten in te delen voor de volgende ochtend. Op het scherm zag ik het nummer van buurvrouw Anja. Anja woont al dertig jaar naast mijn vader in de Boxbergerweg. Ze belt nooit zomaar.
'Mark,' zei ze, en haar stem klonk te hoog. 'Je moet komen. De brandweer staat voor de deur.'
Mijn maag kromp in elkaar. 'Wat is er gebeurd? Is er brand?'
'Rook,' zei ze. 'Heel veel rook uit het keukenraam. Je vader deed niet open. Ze hebben net de deur geforceerd.'
Ik liet mijn pen vallen, zei tegen mijn collega dat ik weg moest en rende naar mijn auto. De rit van het industrieterrein naar de binnenstad duurt normaal twaalf minuten. Die middag leek het een uur te duren. Bij elk rood stoplicht sloeg ik op het stuur. Mijn vader is zesenzeventig. Sinds mijn moeder acht jaar geleden overleed aan borstkanker, woonde hij alleen. Hij redde zich wel, dacht ik altijd. Hij deed zijn eigen boodschappen. Hij kookte zijn eigen potje aardappels met een gehaktbal. Hij fietste nog naar de markt.
Toen ik de straat in draaide, zag ik de rode wagen met zwaailichten al staan. Twee brandweermannen stonden op de stoep met grote ventilatoren. De voordeur van mijn vaders huis hing scheef in de scharnieren. Het hout rond het slot was versplinterd.
Ik stapte uit en rende naar binnen. De geur sloeg meteen op mijn keel. Zwarte, vette rook. Een geur van verbrand plastic en verbrand vlees.
In de woonkamer zat mijn vader op zijn vaste stoel bij het raam. Hij had zijn beige jas nog aan. Zijn handen lagen rustig op zijn knieën. Twee ambulancebroeders stonden bij hem. Een van hen hield een zuurstofkapje vast, maar mijn vader duwde het met een nijdige beweging weg.
'Ik mankeer verdomme niks,' zei mijn vader. Zijn stem kraakte van de rook, maar klonk fel.
'Pap,' riep ik. Ik viel op mijn knieën naast zijn stoel. 'Wat is er gebeurd?'
Hij keek me aan. Even zag ik paniek in zijn ogen. Een flits van schaamte. Maar die verdween meteen achter een masker van boosheid.
'Niks,' zei hij stug. 'Een pan soep. Meer niet. Die mannen maken overal een drama van. Ze trappen zomaar mijn deur in. Wie gaat dat betalen, Mark? Dat kost honderden guldens.'
Hij zei guldens. Hij zei het vaker de laatste tijd, maar nu viel het woord als een zware steen tussen ons op het tapijt.
Een van de brandweermannen liep naar me toe. Hij wenkte me naar de keuken. Het aanrecht was bedekt met een dikke laag roet. Op de kookplaat stond een gietijzeren pan. De bodem was helemaal zwartgeblakerd en kromgetrokken door de hitte. De knop van het gas stond vol open. Op vier.
'Er zat erwtensoep in,' zei de brandweerman zacht, zodat mijn vader het niet kon horen. 'Het stond er waarschijnlijk al uren op. Hij lag te slapen op de bank. Als de buurvrouw de rook niet had gezien, was hij gestikt in zijn slaap.'
Ik keek naar de pan. Mijn vaders lievelingspan. Hij had hem van mijn moeder gekregen voor zijn vijftigste verjaardag. De pan was nu rijp voor de schroothoop.
Ik liep terug naar de woonkamer. De ambulancebroeders controleerden zijn longen. Alles leek stabiel, hij hoefde niet mee naar het ziekenhuis. Nadat de hulpdiensten weg waren en de rust terugkeerde, bleef ik achter met mijn vader. Het tochtte door de openstaande ramen. De koude herfstwind blies de roetgeur door het huis.
'Waarom stond die pan op het vuur, pap?' vroeg ik zo rustig mogelijk.
Hij keek naar buiten, naar de overkant van de straat. 'Ik had trek. Ik zette het op. Toen ging de deurbel. Dacht ik.'
'Er was niemand aan de deur, pap.'
'Bemoei je er niet mee,' snauwde hij. 'Ik ben een volwassen vent. Ik woon hier al veertig jaar. Ik weet heus wel hoe een fornuis werkt.'
Ik zag zijn handen trillen op zijn broek. Hij stopte ze snel in zijn zakken. Op dat moment wist ik het. De kleine dingen die ik de afgelopen maanden had weggewuifd – de brieven die ongeopend bleven liggen, het vuile overhemd dat hij drie dagen achter elkaar droeg, de vergeten verjaardag van mijn dochter – waren geen toeval. Het waren geen gewone ouderdomskwaaltjes. Er was iets fundamenteels kapotgemaakt in zijn hoofd. En ik was de enige die het nu zag.
Hoofdstuk 2
Zeg maar dat ik slaap
Twee dagen na de brand zat ik aan de keukentafel met mijn zus Els. Els woont in Groningen, op bijna anderhalf uur rijden van Deventer. Ze heeft een drukke baan op een advocatenkantoor en drie pubers. We zagen elkaar meestal alleen op verjaardagen en met Kerstmis.
'Hij kan daar niet meer alleen blijven, Mark,' zei Els resoluut. Ze roerde met haar lepeltje in haar koffie. De voordeur was net gerepareerd door een timmerman; een lelijke plaat multiplex hield de tocht tegen.
'Dat weet ik ook wel,' zei ik. 'Maar we kunnen hem niet zomaar wegplukken. Hij weigert elke hulp. Ik heb gisteren voorgesteld om Tafeltje Dekje te regelen. Hij smeet de folder recht in de papierbak.'
'Dan dwing je hem,' zei ze. 'Jij bent dichtbij. Jij moet de knoop doorhakken.'
Het klonk zo simpel als zij het zei. Jij bent dichtbij. Die vier woorden voelden als een loden gewicht op mijn schouders. Omdat ik op tien minuten rijden woonde, was ik automatisch de eerstverantwoordelijke. Mijn vriendin Laura had er thuis ook al wat van gezegd. 'Mark, je rent meteen als hij belt. Denk je ook aan ons?'
Die middag hadden we een afspraak bij de huisarts, dokter Veenstra. Het had me een uur gekost om mijn vader in de auto te krijgen. Hij beweerde dat hij nergens last van had, dat dokters zakkenvullers waren en dat hij zich prima voelde.
De wachtkamer rook naar desinfectiemiddel en natte jassen. Mijn vader zat met zijn armen over elkaar en staarde strak naar een poster over griepvaccinaties. Toen dokter Veenstra de deur opendeed, stond mijn vader op alsof er niks aan de hand was. Hij gaf een stevige handdruk. Een timmermanshand. Eeltig, hard.
'Middag dokter,' zei hij monter. 'Mijn zoon dacht dat ik een controle nodig had. Onzin natuurlijk, maar je moet de jeugd af en toe hun zin geven.'
Dokter Veenstra glimlachte vriendelijk. Ze kende mijn vader al jaren. Ze stelde een paar routinevragen over zijn bloeddruk en zijn medicijnen voor de cholesterol. Mijn vader antwoordde vlot en overtuigend. Als ik niet beter wist, had ik hem geloofd.
Toen schoof de dokter een wit vel papier naar hem toe en gaf hem een balpen.
'Gerrit,' zei ze rustig. 'Zou je voor mij een klok willen tekenen? Met alle cijfers erin. En zet de wijzers dan op tien voor half twee.'
Ik keek naar mijn vaders hand. De hand die kasten had gemaakt, dakkapellen had geplaatst en op de millimeter nauwkeurig hout had gezaagd. Hij pakte de pen vast. Hij zette een cirkel op het papier. De cirkel was niet rond, maar leek meer op een scheef ei.
Toen begon hij met de cijfers. Hij schreef de 12 bovenaan. Daarna schreef hij de 1, de 2, de 3, de 4. Maar hij stopte niet aan de rechterkant. Hij zette de 5 en de 6 er vlak naast. Alle cijfers van de klok kwamen opeengepakt in de rechterbovenhoek van de cirkel te staan. De rest van de klok bleef helemaal leeg.
Hij keek naar de tekening. Hij fronste. Je zag hem denken. Zijn voorhoofd trok in diepe rimpels. Hij wist dat het niet klopte, maar hij zag niet waarom.
'En de wijzers, Gerrit?' vroeg de dokter zacht.
Mijn vader trok één rechte streep, dwars door de cijfers heen, tot ver buiten de cirkel. Toen legde hij de pen neer. Hij keek niet naar de dokter en niet naar mij. Hij keek naar zijn eigen vingers.
'Het licht is hier slecht,' zei hij zacht. Zijn stem klonk ineens breekbaar, als dun glas. 'Mijn ogen willen niet meer zo.'
Niemand zei iets. De stilte in de spreekkamer duurde te lang. Ik voelde een brok in mijn keel die ik met moeite wegslikte. De man die mij had geleerd hoe ik een vogelhuisje moest timmeren, die altijd alles kon meten en maken, wist niet meer hoe een klok eruitzag.
Dokter Veenstra legde haar hand even op zijn onderarm. 'We gaan wat extra onderzoeken doen in het ziekenhuis, Gerrit. Bij de geheugenpoli. Om te kijken hoe we je het beste kunnen helpen.'
'Ik hoef geen hulp,' zei hij, maar de kracht was uit zijn stem verdwenen. Hij klonk verslagen.
Toen we naar de parkeerplaats liepen, schuifelde hij. Zijn schouders hingen naar voren. Voor het eerst zag ik hoe dun zijn nek was geworden in de kraag van zijn jas.
'Mark?' zei hij toen we bij de auto stonden.
'Ja, pap?'
'Als die lui van de zorg komen... stuur ze maar weg. Zeg maar dat ik slaap. Ik wil geen vreemden over de vloer.'
Ik deed het portier voor hem open en hielp hem met zijn gordel. 'We zien wel, pap,' loog ik. 'We kijken gewoon rustig wat nodig is.' Ik stapte in, startte de motor en voelde me een verrader.
Hoofdstuk 3
Notities op geel papier
Binnen zes weken veranderde het huis van mijn vader in een doolhof van gele plakbriefjes. Ik had ze zelf gekocht, in een groot voordeelpakket bij de kantoorhandel. Ik dacht dat het zou helpen. Ik dacht dat structuur de mist in zijn hoofd kon verdrijven.
Op het koffiezetapparaat: *EERST WATER, DAN KOFFIE, DAN OP DE RODE KNOP DRUKKEN.* Op de voordeur: *DEUR OP SLOT DOEN ALS JE WEGGAAT. SLEUTEL ZIT IN JE ZAK.* Op de spiegel in de gang: *HET IS VANDAAG DONDERDAG. MARK KOMT OM ZES UUR.* Op de koelkast: *GEEN ETEN ETEN DAT SCHIMMEL HEEFT. KIJK NAAR DE DATUM.*
Het hielp niets. Het maakte het alleen maar erger. Mijn vader raakte van streek door de briefjes. Hij trok ze van de kasten en verfrommelde ze tot kleine propjes die ik later terugvond in bloempotten, onder het kussen van zijn stoel en in zijn pantoffels.
Mijn eigen leven begon langzaam uit elkaar te vallen. Mijn werkdagen zagen er bizar uit. Ik zat op kantoor ritten te plannen voor vrachtwagens vol bakstenen, terwijl ik ondertussen op mijn tweede scherm de bankrekening van mijn vader in de gaten hield. Hij had in twee weken tijd vier keer driehonderd euro gepind bij de pinautomaat om de hoek. Waar dat geld bleef? Niemand die het wist. Ik vond later vijfhonderd euro in een leeg potje appelmoes achter in het keukenkastje.
Op een donderdagavond kwam ik na mijn werk bij hem langs. Ik had nasi meegenomen van de Chinees, want koken deed hij niet meer. Toen ik de keuken binnenstapte, lag de vloer vol papieren.
Mijn vader zat aan de keukentafel met een schaar. Hij knipte brieven in nette, kaarsrechte reepjes. Het waren aanmaningen. Blauwe enveloppen van de Belastingdienst. Een brief van het waterbedrijf waarin werd gedreigd met afsluiting. Een rekening van de energiemaatschappij met twee rode herinneringsstickers erop.
'Wat doe je nou, pap?' vroeg ik. Ik kon een zucht van pure frustratie niet inhouden.
Hij keek op, geschrokken. Toen werd hij kwaad. 'Ze sturen maar papier! Elke dag weer die onzin! Ik betaal toch alles netjes contant bij het postkantoor? Dat heb ik altijd gedaan!'
'Pap, het postkantoor bestaat al vijftien jaar niet meer,' zei ik. Ik probeerde mijn stem rustig te houden, maar ik voelde mijn slapen kloppen. 'Alles gaat via de bank. Automatisch. Maar je hebt de rekeningen geblokkeerd omdat je dacht dat er dieven aan je geld zaten.'
'Er zíjn ook dieven!' schreeuwde hij. Hij wees met de schaar naar mij. 'Jij bent er een van! Jij zit de hele tijd in mijn spullen te neuzen! Jij denkt dat ik achterlijk ben!'
Die woorden sloegen in mijn maag. Ik deed alles voor hem. Ik waste zijn kleren, want hij stopte zijn wollen truien in de droger tot ze kindermaten werden. Ik kocht zijn scheerschuim. Ik belde de huisarts. Ik regelde de thuiszorg – die hij overigens drie keer per week bij de voordeur weigerde door simpelweg niet open te doen.
'Ik probeer je alleen maar te helpen,' zei ik hees.
'Ik heb jouw hulp niet nodig!' riep hij terug. Hij gooide de schaar op tafel. De punt boorde zich centimeters in het zachte vurenhout. 'Rot op naar je eigen huis. Laat me met rust.'
Ik ruimde de reepjes papier op. Ik zocht de stukken bij elkaar en stopte ze in een plastic tas om thuis met plakband in elkaar te zetten zodat ik wist welk bedrag ik moest overmaken van zijn spaarrekening. Hij bleef zwijgend aan tafel zitten, met zijn rug naar me toe.
Toen ik thuiskwam, was het negen uur. Laura zat op de bank met een glas wijn. Het eten dat ze voor me had bewaard, stond uitgedroogd in de magnetron.
'En?' vroeg ze, zonder van haar telefoon op te kijken.
'Het was weer een drama,' zei ik. Ik plofte neer aan de eettafel en legde mijn hoofd op mijn armen. 'Hij knipt zijn post kapot. Hij schreeuwt dat ik een dief ben.'
Laura keek me aan. Haar ogen stonden strak. 'Mark, dit gaat niet langer. Je bent hier nooit meer. Als je hier bent, ben je met je hoofd bij hem. Onze vakantie naar Italië over drie weken... gaat dat wel door? Of blijf je hier om zijn sokken te wassen?'
Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ze had gelijk, en tegelijk maakte haar vraag me woedend. Zag ze dan niet dat ik geen keuze had? Als ik hem losliet, viel hij te pletter. Ik voelde me een koorddanser op een wiebelend touw, met aan beide kanten een diepe afgrond. Aan de ene kant mijn eigen leven en mijn relatie; aan de andere kant mijn vader die langzaam verdween in het donker.
Hoofdstuk 4
Dwalen in de vrieskou
Het dieptepunt kwam in de nacht van veertien op vijftien december. Het vroor vier graden. Er lag een dun laagje rijp op de daken en de autoruiten waren bedekt met ijsbloemen.
Om kwart over drie 's nachts ging mijn telefoon. Dat geluid, midden in een diepe slaap, snijdt door je merg en been. Je weet meteen: dit is foute boel.
Ik greep het toestel van het nachtkastje. 'Mark van Dijk.'
'Meneer Van Dijk, goedenacht. U spreekt met brigadier Jansen van de politie Deventer. Bent u de zoon van Gerrit van Dijk?'
Mijn hart sloeg drie slagen over. 'Ja. Wat is er?'
'We hebben uw vader aangetroffen op het stationsplein. Hij is verward en ernstig onderkoeld. We hebben hem meegenomen naar het bureau aan de Boreel. Kunt u direct hierheen komen?'
Ik gooide de dekens van me af. 'Ik kom er nu aan.'
Laura werd wakker en keek me met wijd opengesperde ogen aan. 'Wat is er?'
'Hij doolt op straat,' zei ik kort. Ik trok haastig een spijkerbroek en een dikke trui aan. Mijn sokken zaten half scheef. Ik nam niet eens de tijd om mijn tanden te poetsen.
De rit door de verlaten, bevroren stad was surrealistisch. De straten waren leeg. Geen mens te zien, alleen het flauwe gele licht van de lantaarnpalen. Op het politiebureau meldde ik me bij de balie. Een jonge agente bracht me naar een spreekkamer achterin.
Daar zat hij. Mijn vader. Hij had zijn pyjamabroek aan, een versleten geruit ding van flanel. Daarboven droeg hij alleen een hemd en een oude werkjas, zo'n blauwe overalljas van vroeger met verfvlekken erop. Geen sokken. Aan zijn voeten zaten zijn leren pantoffels, doorweekt van het smeltende ijs. Hij had een aluminium warmtedeken om zijn schouders geslagen, die zacht ritselde bij elke ademhaling. Hij rilde over zijn hele lichaam. Zijn lippen waren blauw.
'Pap,' zei ik. Ik liep naar hem toe en pakte zijn handen. Ze voelden aan als bevroren vlees.
Hij keek op. Zijn blik was wazig. Hij keek dwars door me heen. Er was geen herkenning. Geen vonk van besef wie ik was.
'Wie ben jij?' vroeg hij zachtjes. Zijn tanden klapperden.
'Ik ben het, Mark. Je zoon.'
Hij schudde langzaam zijn hoofd. 'Nee. Mijn zoon is op school. Die zit in de tweede klas. Ik moet naar de werkplaats. Truus staat te wachten met de boterhammen. De trein gaat zo. Ik moet de trein halen, snap je dat dan niet?'
Truus was mijn moeder. Ze was al acht jaar dood.
De brigadier kwam binnen met twee bekers hete thee. Hij zette ze neer en keek me ernstig aan. 'Een taxichauffeur zag hem lopen bij het station. Hij probeerde met een oud bibliotheekpasje een treinkaartje te kopen bij de automaat. Toen de chauffeur hem aansprak, raakte hij in paniek. Hij is bijna een kilometer door de vrieskou gelopen op blote enkels.'
'Hij dacht dat hij naar zijn werk moest,' zei ik zacht. De tranen brandden achter mijn ogen, maar ik weigerde te huilen in die kille politiekamer.
'Meneer Van Dijk,' zei de agent, 'dit kan zo niet langer. Dit is gevaarlijk. Voor hemzelf, maar ook voor anderen. Als die chauffeur hem niet had gezien, had hij vanmorgen dood in een portiek gelegen. U moet nu maatregelen nemen.'
Ik knikte alleen maar. Ik kon geen woord uitbrengen. De harde realiteit sloeg me recht in het gezicht. Mijn vader was er niet meer. De man die hier zat, was een schim. Een bange, verdwaalde man die leefde in een verleden van veertig jaar geleden, op zoek naar zijn overleden vrouw en een fabriek die al twintig jaar was gesloopt.
We kregen hem mee naar huis nadat een arts hem had gecontroleerd. In de auto zweeg hij. Hij klemde de beker thee vast met twee bevende handen. Toen we bij zijn huis aankwamen, zag ik dat de voordeur wagenwijd openstond. De wind blies de gordijnen naar buiten. Binnen was het ijskoud.
Ik bracht hem naar bed. Ik stopte hem in onder drie dekens, zette een kruik bij zijn voeten en bleef op de rand van het bed zitten tot hij in slaap viel. Zijn ademhaling werd diep en regelmatig. Ik keek naar zijn gezicht in het schaarse licht van de straatlantaarn. De scherpe lijnen van zijn neus, de diepe groeven naast zijn mond. Hij zag er opeens zo klein uit onder die stapel dekens. Alsof hij gekrompen was.
Ik liep naar beneden, sloot de voordeur en ging op de onderste trede van de trap zitten. Daar, in het donker, in de tochtige gang die rook naar oude rook en kou, begon ik te huilen. Het was geen stil verdriet. Het was een verstikkend, wanhopig snikken. Ik kon niet meer. Ik was op. Mijn vader was aan het verdrinken, en elke keer dat ik mijn hand uitstak om hem te redden, trok hij me mee de diepte in.
Hoofdstuk 5
Het breekpunt
De volgende ochtend belde ik mijn werk af. Ik meldde me ziek. Voor het eerst in twaalf jaar. De personeelsfunctionaris vroeg wat er aan de hand was. 'Overspannen,' zei ik kort. Het woord smaakte bitter, maar het was de waarheid. Ik sliep niet meer. Ik at nauwelijks. Mijn maag voelde continu aan als een strak aangespannen elastiek.
Om tien uur stond Els voor de deur bij mijn vader. Ik had haar om zes uur 's ochtends gebeld en gezegd: 'Je komt nu. Ik doe het niet meer alleen.'
We zaten weer aan diezelfde keukentafel. Mijn vader lag boven nog te slapen, uitgeput van zijn nachtelijke tocht. De geur van kou hing nog steeds in de hoeken van de kamer.
'We moeten een Wlz-indicatie aanvragen,' zei Els. Wet langdurige zorg. Ze had zich er eindelijk in verdiept. 'Zorgprofiel 5. Beschermd wonen met intensieve dementiezorg. Gesloten afdeling.'
Het woord 'gesloten' viel als een mokerslag.
'Een gesloten afdeling?' vroeg ik. Mijn stem sloeg over. 'Je wilt hem opsluiten? Achter een deur met een cijfercode?'
'Mark, doe niet zo naïef!' riep Els fel. Ze sloeg met haar vlakke hand op tafel. 'Hij liep vannacht in zijn ondergoed over straat bij min vier! Moet hij eerst doodvriezen voordat jij toegeeft dat het klaar is? Hij kan niet meer zelfstandig zijn. Het ís al niet meer veilig. Voor niemand!'
'Ik kan vaker langskomen,' probeerde ik nog, tegen beter weten in. 'We kunnen extra zorg inkopen. Particulier. Een camera bij de deur...'
'En wie kijkt er dan op die camera om drie uur 's nachts?' snauwde ze. 'Jij? Je ziet eruit als een lijk, Mark. Laura heeft me vanmorgen gebeld. Ze zegt dat je kapotgaat. Ze zegt dat ze weggaat als dit zo doorgaat.'
Ik keek haar geschokt aan. 'Heeft Laura jou gebeld?'
'Natuurlijk heeft ze me gebeld! Omdat jij je mond houdt! Omdat jij denkt dat je de hele wereld in je eentje op je rug kunt dragen! Nou, dat kan dus niet. Je bent zijn zoon, Mark. Je bent niet zijn verpleger. En je bent zeker niet God.'
Haar woorden sneden diep, juist omdat ze gelijk had. Ik haatte het dat ze gelijk had. Ik wilde de loyale zoon zijn. De zoon die zijn vader niet in de steek liet, zoals hij mij vroeger nooit in de steek had gelaten toen ik viel met mijn fiets of zakte voor mijn examens.
Op dat moment hoorden we gestommel op de trap. Mijn vader kwam de keuken in. Hij had zijn kleren van gisteren weer aangetrokken, achterstevoren. Zijn overhemd zat verkeerd geknoopt; het ene pand hing tien centimeter lager dan het andere.
'Wat is dit voor een vergadering?' vroeg hij argwanend. Hij keek van Els naar mij. 'Zitten jullie weer over mij te smoezen?'
'Pap,' zei ik. Ik stond op en schoof een stoel voor hem aan. 'Kom even zitten.'
'Ik hoef niet te zitten! Ik ga naar de markt. Ik heb vis nodig. Gebakken vis.'
'Pap, je gaat niet naar de markt,' zei Els streng. 'We moeten praten over hoe het nu verder moet.'
Hij draaide zich naar haar toe. Zijn ogen werden smal en kwaad. 'Jij bent hier nooit. En als je er bent, heb je altijd commentaar. Bemoei je met je eigen gezin in Groningen, meid. Ik red me best.'
En toen brak er iets in mij. Maanden van opgekropte vermoeidheid, angst, schuldgevoel en frustratie kwamen er in één seconde uit. Ik greep het bord dat op het aanrecht stond – een bord met oude korstjes brood van drie dagen geleden – en smeet het met volle kracht in de gootsteen. Het porselein spatte in tientallen scherven uiteen met een harde knal.
'JE REDT JE HELEMAAL NIET!' schreeuwde ik. Mijn stem galmde door het huis. 'Je redt je voor geen meter, pap! Je huis stinkt! Je kleren zijn smerig! Je herkent me niet eens meer als de politie je van straat plukt! Je bent ziek in je hoofd, pap! Ziek!'
De stilte die volgde was oorverdovend.
Els deinsde achteruit met haar hand voor haar mond. Mijn vader kromp ineen. Hij keek me aan met grote, geschokte ogen. De woede in zijn gezicht verdween en maakte plaats voor pure, kinderlijke angst. Zijn onderlip begon te trillen.
Hij zei niets. Hij draaide zich langzaam om, liep naar de woonkamer en ging in zijn stoel zitten. Hij boog zijn hoofd en begon zachtjes te huilen, met zijn handen voor zijn gezicht.
Ik bleef in de keuken staan, hijgend, kijkend naar de scherven in de gootsteen. Mijn hand trilde zo erg dat ik hem tegen mijn been moest drukken. Ik voelde me het smerigste mens op aarde. Ik had geschreeuwd tegen een man die er niets aan kon doen. Een man wiens brein langzaam aan het afsterven was.
Els liep naar me toe en legde een hand op mijn schouder. 'Het is goed,' fluisterde ze. 'Nu gaan we die formulieren invullen.'
Ik knikte alleen maar. De strijd was voorbij. Ik had verloren. We hadden allemaal verloren.
Hoofdstuk 6
De verhuisdoos met gereedschap
Het duurde nog twee maanden voordat er een plek vrijkwam. Twee maanden van overleven met noodzorg, overbruggingshulp en slapen met de telefoon naast mijn kussen. Maar op een kille dinsdag in februari was het zover. Huize Salland, afdeling De Eik. Een kleinschalige woonvorm voor mensen met vergevorderde dementie.
Ik had drie dagen lang zijn spullen ingepakt. Het was bizar om een heel mensenleven terug te brengen tot zes verhuisdozen en een paar meubelstukken. Zijn favoriete leren stoel ging mee. De staande schemerlamp. Het schilderij van de IJssel dat altijd boven de schouw had gehangen. En een kleine houten kist met zijn meest gebruikte gereedschap: een hamer, twee beitels, een duimstok en een schaaf. Zonder zijn gereedschap ging hij nergens heen.
We hadden hem verteld dat zijn huis geschilderd moest worden. Dat hij tijdelijk ergens anders ging logeren tot de verf droog was. De huisarts had aangeraden het zo te brengen. 'Geen grote discussies meer voeren,' had ze gezegd. 'Dat levert alleen maar angst en agressie op. Houd het simpel.'
Het voelde als verraad. Een leugen om mijn eigen geweten te sussen.
Toen we bij De Eik aankwamen, regende het zacht. Het gebouw was modern, van rode baksteen, met brede glazen schuifdeuren. Bij de ingang hing een bordje: *Welkom. Wilt u de code niet hardop zeggen als u de afdeling betreedt?*
Ik toetste de viercijferige code in: 4-2-8-1. De zware houten deur klikte van het slot en zwaaide open.
Binnen rook het naar koffie, warme maaltijden en een vleugje schoonmaakmiddel. Niet onaangenaam, maar het rook niet naar thuis. In de gezamenlijke huiskamer zaten zeven ouderen rond een grote tafel. Een mevrouw zat zachtjes te neuriën terwijl ze een theedoek opvouwde en weer uitvouwde. Een man in een rolstoel staarde naar het raam.
Mijn vaders kamer lag aan het einde van de gang. Kamer 14. Het was een lichte ruimte met een eigen badkamer. We hadden zijn eigen meubels de dag ervoor al neergezet. Zijn stoel stond bij het raam, met uitzicht op een binnentuin waar een paar kale appelbomen stonden. De IJssel hing aan de muur. De kist met gereedschap stond onder zijn bed.
'Mooi hotelletje,' zei mijn vader terwijl hij rondkeek. Hij wreef met zijn hand over de leuning van zijn vertrouwde stoel. 'Maar wel duur zeker? Wie betaalt dit allemaal, Mark?'
'Maak je geen zorgen over het geld, pap,' zei ik. 'Dat is allemaal geregeld.'
Een verpleegkundige kwam binnen. Ze heette Danielle. Ze had een warm, rond gezicht en een vrolijke stem. Ze stelde zich voor en gaf mijn vader een hand.
'Welkom Gerrit,' zei ze. 'Fijn dat je er bent. Zullen we zo even een kopje koffie drinken in de huiskamer? We hebben net verse appeltaart gebakken.'
Mijn vader keek haar wantrouwend aan. 'Ik blijf hier niet lang hoor zuster. Mijn huis wordt geschilderd. Volgende week ga ik weer terug.'
Danielle keek me heel even aan over zijn schouder. Haar blik was vol medeleven en begrip. Ze kende dit verhaal. Ze hoorde het waarschijnlijk elke week.
'Eerst maar eens lekker koffie drinken, Gerrit,' zei ze vriendelijk. 'Dan laten we de schilders mooi hun werk doen.'
We dronken koffie aan de grote tafel. Mijn vader at een half puntje taart. Hij leek rustig. Hij raakte zelfs even in gesprek met de buurman naast hem over het weer en over het timmeren van kozijnen. Voor het eerst in maanden zag ik de spanning van zijn schouders glijden. Hier hoefde hij niets te onthouden. Niemand vroeg hem welke dag het was. Niemand legde gele briefjes neer. Niemand werd boos als hij hetzelfde verhaal voor de derde keer vertelde.
Toen kwam het moment dat ik weg moest gaan. Mijn keel zat dichtgesnoerd.
'Ik ga ervandoor, pap,' zei ik. Ik probeerde mijn stem heel normaal te laten klinken.
Hij keek op van zijn koffie. 'Ga je al? Kom je me morgen halen?'
'Ik kom zaterdag weer langs,' zei ik. Ik boog me voorover en kuste zijn wang. Zijn stoppelbaard prikte tegen mijn lippen. Hij rook naar de vertrouwde scheerzeep die ik al mijn hele leven kende.
'Pas goed op jezelf, jongen,' zei hij. 'En doe de groeten aan je moeder.'
'Zal ik doen, pap.'
Ik draaide me om en liep door de gang naar de uitgang. Mijn benen voelden zwaar, alsof ik door nat zand liep. Bij de deur toetste ik de code in: 4-2-8-1. De deur klikte open. Ik stapte naar buiten, in de sluis tussen de twee deuren. Achter me hoorde ik het slot weer dichtslaan.
Ik keek door het glas van de deur terug de gang in. Mijn vader stond niet bij de deur. Hij zat nog steeds aan tafel, rustig te roeren in zijn kopje koffie. Hij keek niet eens mijn kant op.
Ik stapte naar buiten, in de koude motregen. Ik liep naar mijn auto, ging achter het stuur zitten en deed de deuren op slot. En toen kwam het schuldgevoel. Het sloeg over me heen als een golf ijskoud water. Ik had mijn vader achtergelaten achter een gesloten deur met een cijfercode. Ik had hem opgesloten. Ik reed naar huis met het gevoel dat ik zojuist het ergste had gedaan wat een kind zijn ouder kan aandoen.
Hoofdstuk 7
Koffie zonder suiker
Het is nu acht maanden later. Het is een zonnige zaterdag in oktober. De herfstbladeren dwarrelen over het parkeerterrein van Huize Salland.
Ik toets de code in bij de buitendeur. Ik hoef er niet meer over na te denken. Mijn vingers vinden de toetsen vanzelf: 4-2-8-1. De piepjes klinken vertrouwd. De schuifdeur glijdt open.
In de gang kom ik Danielle tegen. Ze glimlacht breed.
'Hoi Mark,' zegt ze. 'Hij zit in de binnentuin. Hij heeft een goede dag vandaag. Hij heeft vanmorgen geholpen met het vegen van de bladeren.'
'Fijn,' zeg ik. En ik meen het. Een 'goede dag' betekent tegenwoordig iets heel anders dan een jaar geleden. Een goede dag betekent niet dat hij weet wie de minister-president is, of welk jaar we leven. Een goede dag betekent dat hij rustig is. Dat hij niet angstig zoekt naar zijn moeder of naar gereedschap dat er niet is. Dat hij glimlacht als de zon schijnt.
Ik loop de binnentuin in. Daar zit hij, op een houten bankje onder de appelboom. Hij heeft een dikke donkerblauwe trui aan die ik vorige week voor hem heb gekocht. Zijn haar is netjes gekamd. Hij ziet er beter uit dan in die laatste maanden thuis. Geen roetvlekken meer, geen schrammen van valpartijen, geen verwilderde blik in zijn ogen. Hij is aangekomen; hij krijgt hier drie volwaardige maaltijden per dag.
Ik ga naast hem zitten op het bankje. De herfstzon voelt warm aan op mijn gezicht.
'Middag Gerrit,' zeg ik zacht.
Hij draait zijn hoofd langzaam naar me toe. Hij kijkt me aan. Zijn blauwe ogen, die vroeger altijd zo fel en alert stonden, zijn flets geworden, als een gewassen spijkerbroek. Hij zoekt in mijn gezicht. Ik zie de radartjes draaien. Hij zoekt naar herkenning in een archiefkast waarvan de meeste lades zijn omgevallen.
'Dag meneer,' zegt hij beleefd.
Hij kent mijn naam niet meer. Twee maanden geleden noemde hij me voor het laatst 'Mark'. Daarna was ik 'de jongen', toen 'buurman', en nu ben ik 'meneer'. Het doet nog steeds pijn. Elke keer als hij 'meneer' zegt, voelt het als een klein sneetje met een scheermes. Maar het bloedt niet meer zo hard als in het begin. Ik heb geleerd om het litteken te accepteren.
'Lekker weertje hè?' vraag ik.
'Zeker,' zegt hij. Hij kijkt naar de bomen. 'Mooie tijd van het jaar. Het blad moet van het dak af, anders gaan de goten rotten. Dat moet je goed bijhouden.'
'Dat is waar,' zeg ik. 'Goten zijn belangrijk.'
Ik ga niet meer met hem in discussie. Ik zeg niet meer dat hij geen dak meer heeft. Ik corrigeer hem niet. Ik stap gewoon in zijn wereld, hoe wankel die ook is. Als hij over kozijnen wil praten, praten we over kozijnen. Als hij denkt dat we in 1974 leven, vraag ik hoe het met de bouw van de nieuwe wijk gaat.
Danielle komt naar buiten met een dienblad. Twee kopjes koffie en een schaaltje koekjes. Ze zet het op het houten tafeltje voor ons neer.
'Alsjeblieft mannen,' zegt ze. 'Geniet ervan.'
Ik pak een kopje en geef het aan mijn vader. Hij pakt het met twee handen vast. Zijn vingers zijn stijf van de artrose, maar hij morst niet. Hij neemt een slokje.
'Goeie koffie,' zegt hij. 'Zwart. Zo hoort het.'
'Geen suiker?' vraag ik voor de vorm.
'Suiker is voor mietjes,' antwoordt hij meteen.
Ik moet lachen. Even, een fractie van een seconde, is hij er weer helemaal. De eigenwijze, nuchtere Gerrit van Dijk die vond dat iedereen die suiker in zijn koffie deed het brouwsel verpestte.
We zitten daar een half uur in stilte. We drinken onze koffie. De wind ritselt door de droge bladeren van de appelboom. Een ekster landt op het grasveld en pikt naar een gevallen appel. Mijn vader volgt de vogel met zijn ogen.
Hij legt zijn hand op de houten leuning van de bank. Zijn hand ligt vlak naast de mijne. Ik twijfel even, en dan leg ik mijn hand bovenop die van hem. Zijn huid voelt dun aan, als perkament. Onder mijn vingers voel ik de harde knokkels en de blauwe aderen die ik al mijn hele leven ken.
Hij trekt zijn hand niet weg. Hij draait hem langzaam om, zodat onze vingers in elkaar grijpen. Hij knijpt zachtjes. Niet de stevige timmermansgreep van vroeger, maar een klein, dankbaar kneepje.
Hij kijkt niet naar me. Hij blijft naar de ekster kijken.
'Fijn dat je er bent,' mompelt hij.
Meer niet. Geen naam. Geen besef dat ik zijn zoon ben. Maar het maakt niet meer uit. Hij voelt dat het veilig is. Hij voelt dat de man die naast hem zit om hem geeft. En op dit moment, op deze zaterdagmiddag in oktober, is dat genoeg.
Het mantelzorgen is voorbij. Ik hoef zijn rekeningen niet meer te verstoppen, zijn fornuis niet meer te controleren en zijn nachtelijke tochten niet meer te vrezen. De zorg is nu in handen van Danielle en haar collega's. Zij zorgen voor zijn lichaam, zijn pillen en zijn maaltijden.
En ik? Ik mag weer gewoon naast hem zitten. Ik hoef hem niet meer te redden. Ik hoef hem alleen nog maar vast te houden terwijl hij langzaam verder wegdrijft. Het is niet het einde waar ik vroeger op hoopte. Het is verdrietig, oneerlijk en hard. Maar het is de realiteit. Vandaag hoef ik niet voor hem te zorgen. Vandaag ben ik gewoon weer even zijn zoon.