Naar de inhoud
Terug naar het boek

Psychische gezondheid

Vandaag gaat het echt beter

Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.

Hoofdstuk 1

De klem in de gangkast

Mijn naam is Dennis de Wit. Ik ben vierendertig jaar en ik woon in Amersfoort, in een rijtjeshuis met een kleine tuin op het noorden. Tot vorig jaar dacht ik dat ik van gewapend beton was. Ik werk als zzp-loodgieter. CV-ketels, badkamers, lekkages onder vloeren waar de spinnen zo groot zijn als je vuist. Nooit ergens last van gehad. Handen uit de mouwen, niet zeuren, kop koffie erin en weer door. Als iemand tegen me zei dat hij overspannen was, dacht ik meestal: ga een weekend naar de Veluwe en verman jezelf. Ik wist niks.

Het begon op een dinsdagochtend in november. Het motregende. Ik stond in een smalle gangkast in een nieuwbouwwoning in Vathorst. De bewoonster, mevrouw Van Dijk, was beneden koffie aan het zetten. Ik rook de geur van filterkoffie door de kieren van de trap. Ik had mijn waterpomptang in mijn rechterhand en een koperen knelkoppeling van tweeëntwintig millimeter in mijn linkerhand. Er was niks aan de hand. Een klusje van een uur, hooguit anderhalf.

En toen sloeg het in.

Het kwam niet langzaam aanzetten. Het viel op me als een betonnen balk. Van het ene op het andere moment verdween de lucht uit de gangkast. Mijn keel kneep dicht, alsof er een strakke leren riem omheen werd getrokken. Mijn hart sloeg twee keer over en begon daarna tekeer te gaan in een ritme dat ik nog nooit had gevoeld. Niet snel zoals na een sprintje voor de bus, maar wild, hard en ongelijk. Boem. Boem-boem. Boem.

Ik liet de knelkoppeling vallen. Het koper kletterde op het laminaat. Een schel geluid.

"Lukt het daarboven, meneer De Wit?" riep de vrouw vanuit de keuken.

Ik kon geen antwoord geven. Als ik mijn mond opendeed, wist ik zeker dat ik zou overgeven of zou gillen. Mijn vingers begonnen te tintelen. Alsof er honderden kleine naaldjes tegelijk door mijn huid prikten. Daarna trok het gevoel weg uit mijn handen. Ik keek naar mijn knokkels; ze waren wit van het krampachtig vasthouden aan de rand van het houten rekje.

'Dit is een hartaanval,' dacht ik. Dat was de enige gedachte die nog paste in mijn hoofd. 'Ik ben vierendertig en ik ga dood in de gangkast van een vreemde vrouw.'

Ik zakte door mijn knieën. De vloer voelde ijskoud aan door mijn werkbroek heen. Mijn zicht werd wazig aan de randen, alsof iemand zwarte verf over mijn ogen smeerde. Ik probeerde adem te halen door mijn neus, maar het leek alsof de lucht niet verder kwam dan mijn huig. Zweet brak uit op mijn voorhoofd. IJskoud zweet dat meteen langs mijn slapen naar beneden droop.

"Dennis? Wilt u melk in de koffie?"

Haar voetstappen kwamen dichterbij op de trap. De treden kraakten. Drie treden. Vier treden. De paniek werd een woest beest dat me bij de keel greep. Ik kon hier niet gevonden worden. Niet zo. Niet kruipend op de grond als een geslagen hond. Die schaamte was op dat moment bijna sterker dan de angst om dood te gaan.

Ik zette mijn handen plat op de grond. Ik duwde mezelf omhoog, wankelend op mijn benen die voelden als nat karton. Ik veegde met de mouw van mijn trui over mijn gezicht.

Toen ze boven aan de trap verscheen met een wit mokje in haar hand, stond ik weer rechtop. Ik leunde met mijn rug tegen het kozijn van de gangkast. Ik forceerde een grijns op mijn gezicht. Mijn lippen trilden.

"Zwart is prima, dank u," zei ik. Mijn stem klonk hees, vreemd, alsof iemand anders door mijn keel sprak.

Ze keek me even aan. Heel even zag ik twijfel in haar ogen. "Gaat het wel? U ziet nogal pips."

"Beetje gehaast ontbeten," loog ik. Ik pakte de mok aan. De koffie klotste over de rand omdat mijn vingers weigerden stil te blijven staan. De hete vloeistof brandde op mijn duim, maar ik voelde het nauwelijks. Mijn hele systeem stond op standje overleven. Vluchten. Wegrennen. De straat op, de kou in, naar een dokter, naar een ziekenhuis, ergens waar ze mijn borstkas open konden zagen om dat op hol geslagen hart stil te zetten.

"Ik maak het even snel af," zei ik, terwijl ik de mok op de vensterbank zette zonder een slok te nemen.

Ze knikte en liep weer naar beneden. Zodra haar sloffen de huiskamer in schuifelden, greep ik mijn gereedschapskist. Ik draaide de koppeling vast zonder te controleren of hij lekte. Mijn gereedschap gooide ik er half los in. De tang stak uit de klep. Ik deed de kist niet eens dicht.

Ik liep de trap af, zo rustig als ik kon, hoewel elke vezel in mijn lijf schreeuwde dat ik moest rennen. Bij de voordeur riep ik naar de woonkamer: "Mevrouw Van Dijk, ik moet even een onderdeel halen bij de groothandel! Ik ben met twintig minuten terug!"

Ik wachtte haar antwoord niet af. Ik trok de voordeur achter me dicht. Buiten sloeg de koude novemberlucht in mijn gezicht. Mijn bestelbus stond aan de overkant van de straat. Ik haalde het net tot aan de bestuurdersstoel voordat mijn benen definitief weigerden dienst te doen. Ik liet me vallen, trok het portier dicht en begon onbedaarlijk te janken. Ik was niet dood. Mijn hart klopte nog. Maar op die stoel, met de regen kletterend op het dak van mijn Peugeot Partner, wist ik dat er iets kapot was gegaan. Iets wat ik niet zomaar met een waterpomptang kon aandraaien.

Hoofdstuk 2

Witte boterhammen en koude thee

Die eerste week hield ik mezelf voor dat het een griepje was. Een zware vorm van vermoeidheid. Te veel uren gemaakt, te weinig geslapen, te veel friet gegeten langs de snelweg. Ik zei tegen mezelf: van het weekend doe ik rustig aan, en maandag ben ik weer de oude. Ik ging vroeg naar bed, dronk kamillethee die smaakte naar slootwater en liet het bier in de koelkast staan.

Op zaterdagochtend zat ik aan de keukentafel met Sanne. Sanne is dertig, werkt op een kinderdagverblijf en heeft een manier van kijken waardoor je meteen weet dat liegen geen zin heeft. We waren toen zes jaar samen. We deelden alles: de hypotheek, de klusjes, de dromen over een uitbouw aan de achterkant.

Ze schoof een bord met twee witte boterhammen met kaas naar me toe. "Je hebt al drie dagen bijna niks gegeten, Den. Eet nou wat."

Ik keek naar het brood. De kaas glom een beetje in het ochtendlicht. Mijn maag zat potdicht, alsof iemand er vloeibaar cement in had gegoten dat langzaam uithardde. Alleen al de gedachte aan slikken deed me kokhalzen. Want als ik slikte, lette ik op mijn keel. En als ik op mijn keel lette, voelde ik dat hij nauw was. En als hij nauw was, kreeg ik geen lucht. En als ik geen lucht kreeg...

Zo ging dat nu. Elke seconde van de dag. Een cirkelredenering waar ik niet meer uitkwam.

"Ik neem zo wel een banaan," zei ik zacht.

Sanne zuchtte. Ze zette haar mok thee neer en vouwde haar handen op tafel. Haar knokkels waren rood van het vele handen wassen op haar werk. "Dennis. Kijk me eens aan."

Ik keek haar aan. Ik probeerde een rustige blik op te zetten. De blik van de man die vorige maand nog in zijn eentje een gietijzeren badkuip naar de eerste verdieping had getild.

"Je slaapt niet," zei ze. "Je schrikt wakker zodra je indut. Je meet de hele tijd je eigen pols in je nek. Denk je dat ik dat niet zie?"

Mijn hand schoot instinctief weg van mijn hals. Ik had het niet eens doorgehad, maar mijn wijs- en middelvinger hadden alweer onder mijn kaaklijn gerust. Zoeken naar de slagader. Tellen. Zeventig slagen per minuut? Tachtig? Waarom sloeg hij nu harder? Was dat een overslaander?

"Ik voel me gewoon een beetje grieperig," zei ik. Mijn stem klonk vlak. "Mijn weerstand is laag."

"Een griepje zorgt er niet voor dat je weigert om naar de Albert Heijn te lopen," zei ze fel. "Ik vroeg je gisteren om koffiemelk. Het is driehonderd meter lopen, Dennis. En jij stond te trillen bij de kapstok met je jas half aan, en toen zei je dat je buikpijn had."

Haar woorden sneden. Niet omdat ze gemeen waren, maar omdat ze precies raak waren. Ik was gisteren inderdaad naar de gang gelopen om mijn schoenen aan te trekken. En halverwege het strikken van mijn veters had een gedachte me besprongen: 'Wat als het gebeurt in het gangpad van de supermarkt? Tussen de hagelslag en de crackers? Wat als ik daar neerval en iedereen naar me kijkt?' De gedachte was zo hevig geweest dat mijn knieën slap waren geworden. Ik had mijn schoenen uitgeschopt en gezegd dat ik diarree had.

"Het is druk op de zaak," verdedigde ik mezelf slapjes. "Ik heb gewoon een paar dagen rust nodig. Maandag gaat het echt beter."

"Dat zei je donderdag ook," zei Sanne. Haar ogen werden vochtig. Dat brak me bijna. Sanne huilde nooit zomaar. Ze was de nuchtere van ons tweeën. Degene die kalm bleef als de wasmachine overstroomde of als de belastingaanslag hoger uitviel dan verwacht.

"Geloof me nou," zei ik. Ik reikte over de tafel en pakte haar hand vast. Mijn hand was klam en koud. Ze trok haar hand niet weg, maar kneep er ook niet in. Ze liet hem gewoon liggen, als een dood voorwerp.

"Ik herken je niet meer," zei ze zachtjes. Ze keek naar onze handen. "Je bent er wel, maar je bent er helemaal niet. Je ogen staan de hele tijd alsof je een spook ziet. Waar ben je zo bang voor, Den? Zeg het dan gewoon. We hebben toch geen geheimen?"

"Ik weet het niet," fluisterde ik. En dat was de waarheid. Ik wist het verdomme niet. Als er een inbreker voor me had gestaan met een koevoet, had ik geweten wat ik moest doen. Dan had ik gevochten. Als de leidingen in een kruipruimte knapten en het water steeg, wist ik welke kraan ik moest dichtdraaien. Maar dit gevaar zat nergens. Het zat niet in het huis, niet in het weer, niet in Sanne. Het zat in mijn eigen schedel. Een alarm dat afging zonder dat er brand was, met de sirene op maximaal volume, en nergens een knop om hem uit te zetten.

Ik stond op van de tafel. De boterhammen bleven liggen. "Ik ga even douchen," zei ik.

In de badkamer draaide ik de kraan open. Warm water. Ik stapte eronder en liet de straal op mijn voorhoofd kletteren. Ik hoopte dat het water de gedachten zou wegspoelen. Maar onder de douche gebeurde het weer. Het geluid van het vallende water leek ineens mijlenver weg. Mijn borstkas trok samen. De tegels leken scheef te gaan staan.

'Niet hier,' dacht ik paniekerig. 'Niet naakt onder de douche.'

Ik zette de kraan met een ruk uit. Zonder me af te drogen sloeg ik een handdoek om mijn middel. Ik ging op de rand van de wc-pot zitten, met mijn hoofd tussen mijn knieën. Ik ademde de geur van vochtige handdoeken en zeep in. Mijn hele lijf schudde. En in mijn hoofd bleef die ene zin zich herhalen, als een kapotte plaat: 'Maandag gaat het echt beter. Maandag ben ik weer normaal. Maandag ben ik Dennis weer.' Maar diep vanbinnen wist ik dat de maandag geen verlossing zou brengen. Alleen maar meer uren om bang te zijn.

Hoofdstuk 3

De ringweg A28

Op woensdagochtend besloot ik dat het klaar moest zijn. De ziekmelding van maandag en dinsdag had me gek gemaakt. Twee dagen op de bank liggen staren naar het plafond, luisterend naar de geluiden van de straat. De pakketbezorger die deuren dichtsloeg. De buurvrouw die haar hond uitliet. Iedereen had een leven. Iedereen bewoog vooruit. Alleen ik zat gevangen in mijn eigen vlees.

Ik had om negen uur een klus in Utrecht. Een lekkende radiator in een kantoorpand. Eenvoudig werk. Rechttoe, rechtaan. Ik had tegen Sanne gezegd dat ik me weer kiplekker voelde. Ik had een boterham naar binnen gepropt – gekauwd tot het pap was voor ik durfde te slikken – en had haar een kus op haar wang gegeven. Haar blik was wantrouwend geweest, maar ze had me laten gaan. Ze wilde ook zo graag geloven dat het voorbij was.

Ik stapte in mijn bus. Ik zette de radio aan op Radio 2. Gewone muziek. Een presentator die grappen maakte over het weer. Ik draaide de contactsleutel om. De dieselmotor sloeg direct aan met een vertrouwd, geruststellend geronk. Zie je wel, dacht ik. Gewoon doen. Niet piekeren.

De eerste kilometers door Amersfoort gingen goed. Ik stopte voor rode lichten, schakelde soepel naar zijn drie, keek in mijn spiegels. Mijn handen lagen ontspannen op het stuur. Ik voelde een voorzichtige golf van trots door me heen trekken. Dennis de Wit liet zich niet kisten door een paar vage zenuwen.

En toen draaide ik de A28 op richting Utrecht.

Zodra de oprit overging in de snelweg, zag ik het al. Remlichten. Een lange, rode slang van auto's die zich uitstrekte tot voorbij Soesterberg. File. Drie rijstroken vol blik, stapvoets rijdend.

Ik sloot achteraan aan bij een grijze Volkswagen Golf. Ik schakelde terug naar zijn twee. Daarna naar zijn één. En toen stonden we stil.

Links van me stond een vangrail met daarachter een steile grasberm. Rechts van me stond een enorme vrachtwagen uit Polen, waarvan de wielen groter waren dan mijn motorkap. Voor me de Golf. Achter me schoof een zwarte SUV zo dichtbij dat ik de koplampen niet meer kon zien in mijn binnenspiegel.

Ik zat klem.

Dat ene woord schoot door mijn hoofd: *Klem.* Er was geen uitweg. Geen afrit binnen bereik. Geen vluchtstrook aan de linkerkant, alleen dat koude staal van de vangrail. Als er nu iets gebeurde, kon ik nergens heen.

Binnen drie seconden sloeg de paniek toe met een kracht die alles van de vorige week deed verbleken. Het voelde letterlijk alsof de zuurstof uit de cabine van de bus werd gezogen. Ik draaide het raampje open. De klamme, stinkende geur van uitlaatgassen en nat asfalt stroomde naar binnen, maar het hielp niks. Ik hapte naar adem, grote teugen, maar het leek alsof mijn longen van plastic waren en niet wilden uitzetten.

"Nee, nee, nee," mompelde ik hardop. Mijn stem sloeg over.

Mijn hart ging zo tekeer dat mijn hele borstkas meebewoog op de cadans van de slagen. Mijn gezicht werd gevoelloos. Mijn kaken krampten op elkaar. Ik probeerde de koppeling ingetrapt te houden, maar mijn linkerbeen begon ongecontroleerd te trillen. De voet stuiterde op het pedaal. De motor sloeg af met een harde schok.

De bestuurder van de zwarte SUV achter me keek verveeld door zijn voorruit. Hij zag me niet. Niemand zag me. Ik was omsingeld door honderden mensen in hun eigen verwarmde coconnetjes, en ik was volkomen alleen aan het sterven.

De gedachten raasden als een goederentrein door mijn hoofd: 'Je draait door. Je wordt gek. Je gaat nu uit deze auto springen en over de snelweg rennen. Ze sluiten je op. Je raakt de controle kwijt.' Dat was het engste van alles. Niet eens dat mijn hart zou stoppen, maar het besef dat ik de macht over mijn eigen daden aan het verliezen was. Dat ik elk moment het portier open kon gooien en gillend tussen het verkeer door zou gaan rennen als een idioot.

Ik greep mijn telefoon van de houder. Mijn vingers waren zo stijf dat ik bijna geen grip had op het touchscreen. Ik toetste het nummer in van Harry, mijn vaste tussenpersoon die de grote utiliteitsklussen voor me regelde.

De telefoon ging over. Eén keer. Twee keer. Drie keer.

"Harry met wie," klonk zijn zware stem door de luidspreker.

"Harry," perste ik eruit. Het klonk als een piep van een muis.

"Dennis? Wat is er met jou aan de hand? Sta je in een tunnel of zo?"

"Harry... ik... ik kan niet naar Utrecht," zei ik. De tranen sprongen in mijn ogen, heet en vernederend. "Ik sta stil op de A28. Ik word niet goed."

"Hoezo, niet goed? Ben je aangereden?"

"Nee. Ik... ik stik, Harry. Ik kan niet meer rijden. Ik kan het niet."

Het bleef een paar seconden stil aan de andere kant van de lijn. De radio van Harry bromde zachtjes op de achtergrond. Toen zei hij, met een toon die ik nog nooit van hem had gehoord – geen zakelijke grapjes, geen gehaast: "Dennis. Luister naar me. Zet je alarmlichten aan. Nu."

Ik stak mijn hand uit en drukte op de rode driehoek op het dashboard. Het vertrouwde getik van het relais vulde de cabine. *Tik-tak, tik-tak.*

"Ze staan aan," zei ik hijgend.

"Mooi," zei Harry. "Zet de bus op de handrem. Blijf zitten waar je zit. Adem in door je neus, blaas uit door je mond. Ik ga die klant in Utrecht bellen dat de monteur pech heeft. Maak je over die klus geen zorgen. Hoor je me?"

"Ja," snoof ik.

"Blijf aan de lijn," zei Harry. "Ik blijf gewoon praten tot het verkeer weer een beetje rolt. Vertel me eens wat over die nieuwe ketel die je vorige week hebt geplaatst in Baarn. Hoe zat dat met die rookgasafvoer?"

Hij begon te kletsen. Over buizen, diameters, dakdoorvoeren. Volkomen alledaagse onzin. Ik hoorde de helft niet eens. Maar zijn stem was een anker. Een dun, breekbaar touw waaraan ik me vasthield terwijl de storm door mijn lijf raasde. Ik zat daar, een boom van een kerel van negentig kilo, met dubbele alarmlichten aan op de linkerrijstrook van de A28, snotterend aan de telefoon met een zestigjarige planner. Het verkeer begon langzaam weer te rollen. De Golf voor me reed weg. Auto's achter me toeterden geërgerd en sneden me af om via de middelste baan voorbij te schieten. Mensen keken boos naar binnen. Ik zag hun gezichten niet scherp. Ik zag alleen maar mijn eigen falen weerspiegeld in hun zijruiten.

Hoofdstuk 4

De vloer van de woonkamer

Twee weken later was mijn wereld gekrompen tot de afmetingen van onze begane grond. Ik kwam niet meer buiten. De bus stond op de oprit, bedekt onder een laag natte herfstbladeren die niemand weghaalde. Harry had mijn klussen voor de rest van de maand doorgeschoven naar andere zzp'ers. Hij was aardig gebleven aan de telefoon, bijna té aardig, op die voorzichtige manier waarop je praat tegen iemand van wie je vermoedt dat hij elk moment van een flatgebouw kan springen.

Ik bracht mijn dagen door in een vale joggingbroek. Mijn ritme was verdwenen. Ik sliep in brokjes van twee uur, telkens wakker schrikkend met een schok door mijn ledematen, alsof iemand een stroomstoot door mijn bed joeg. De angst was niet meer een incident; het was het behang van mijn leven geworden. Het was er als ik wakker werd, het zat naast me als ik naar de televisie staarde zonder te registreren wat er te zien was, en het kroop bij me onder de dekens als ik probeerde te slapen.

Op een donderdagavond bereikte ik de bodem.

Sanne kwam thuis van haar werk. Het was kwart over zes. Ze deed de voordeur open, zette haar tas neer en hing haar jas op. Ik hoorde haar handelingen, precies zoals ze dat al jaren deed. Maar vroeger liep ik dan naar de gang om haar te kussen en te vragen hoe haar dag was. Nu lag ik op de grond.

Ik lag plat op mijn rug op het vloerkleed in de woonkamer. Mijn armen wijd uitgestrekt. Naast mijn hoofd lag een bloeddrukmeter die ik online had besteld via een spoedbezorging. Een grijs plastic apparaat met een klittenbandmanchet. Ik had mijn bloeddruk die middag al tweeënveertig keer opgemeten. Elke keer als het apparaat begon te pompen, hield ik mijn adem in. Honderddertig over vijfentachtig. Honderdvijfendertig over negentig. Zodra het cijfer een punt hoger was dan de vorige keer, schoot de adrenaline weer door mijn aderen.

Sanne liep de woonkamer in. Ze bleef staan bij de opening tussen de keuken en de kamer. Ze keek naar me neer. Haar gezicht was bleek, getekend door vermoeidheid. Ze had donkere kringen onder haar ogen. Ze sliep immers ook niet meer; ik hield haar wakker met mijn gewoel, mijn gezucht en mijn paniekerige nachtelijke tochten naar de badkamerspiegel om te kijken of mijn pupillen wel even groot waren.

"Dennis," zei ze. Er zat geen boosheid meer in haar stem. Alleen maar een peilloze, gapende leegte.

"Ik voel mijn hart weer raar overslaan," zei ik tegen het plafond. Ik wees naar de meter. "Mijn onderdruk is negentig. Dat is te hoog, San. Dat betekent dat er iets vernauwd is. Ik denk echt dat we de huisartsenpost moeten bellen."

Sanne antwoordde niet meteen. Ze liep naar de salontafel, pakte de bloeddrukmeter op bij het snoer, trok de manchet los van mijn arm – het klittenband maakte een agressief, scheurend geluid – en smeet het hele apparaat in de prullenbak onder het aanrecht. De plastic behuizing kraakte toen hij de bodem raakte.

"Wat doe je nou?" schreeuwde ik, half overeind krabbelend. "Dat ding kostte tachtig euro!"

"Het kan me geen reet schelen wat hij kostte!" riep ze uit. Het was de eerste keer in al die weken dat ze haar stem verhief. Haar wangen kleurden vlekkerig rood. "Ik ben er klaar mee, Dennis. Helemaal klaar mee!"

"Ik ben ziek, Sanne! Waarom snap je dat nou niet? Er is iets mis met me!"

"Er is niks mis met je lijf!" schreeuwde ze terug, terwijl de tranen nu over haar wangen stroomden. "De dokter heeft je bloed nagekeken. Je hebt een hartfilmpje gehad op de eerste hulp. Twee keer! Ze zeggen allemaal hetzelfde: je bent kerngezond! Maar jij... jij kiest ervoor om hier op de grond te gaan liggen wegrotten!"

"Ik kies hier toch niet voor?!" Mijn stem sloeg over in een wanhopige kreet. Ik stond nu op, wankelend op mijn sokken. Mijn hele lichaam trilde van woede en pure ontzetting. "Denk je dat ik dit leuk vind? Denk je dat ik het fijn vind om me te voelen alsof ik elk moment verrek van de pijn? Alsof ik gek word in mijn eigen kop?"

"Nee," zei ze, en haar stem zakte plotseling terug naar een fluistering die nog harder aankwam dan haar geschreeuw. "Ik denk niet dat je het leuk vindt. Maar je doet er verdomme niks aan. Je vecht niet. Je verstopt je. Je ligt op de grond te wachten tot iemand je komt redden. Maar niemand komt je redden, Dennis. Ik kan het in elk geval niet meer."

Ze draaide zich om en liep naar de gang. Ik hoorde haar haar jas weer van de haak pakken.

"Waar ga je heen?" riep ik in paniek. De gedachte om alleen achter te blijven in het huis was op dat moment angstaanjagender dan de dood zelf.

"Naar mijn moeder," zei ze door de kier van de deur. "Ik blijf daar slapen. Ik trek dit niet meer. Als ik morgenvroeg thuiskom en jij hebt nog geen afspraak gemaakt met de praktijkondersteuner van de huisarts, dan pak ik een koffer voor de rest van de week. Ik meen het, Den. Ik hou van je, maar ik ga niet toekijken hoe je jezelf levend begraaft."

De voordeur viel in het slot. Een doffe klik.

Ik stond midden in de stille woonkamer. Het enige geluid was het tikken van de klok boven de eettafel. Ik keek naar de prullenbak waar de kapotte meter in lag. Ik voelde mijn hart weer bonzen, sneller en sneller. Maar deze keer was er niemand om het tegen te zeggen. Niemand om te smeken om een geruststelling die toch maar vijf minuten zou werken. Ik was alleen met het beest. En voor het eerst begreep ik dat Sanne gelijk had: als ik niks deed, was ik alles kwijt. Niet door een hartaanval, maar door de angst ervoor.

Hoofdstuk 5

De eerste meters grind

De praktijkondersteuner heette Kees. Geen zweverig type met geurkaarsen en een zachte praatstem, maar een kale man van begin zestig met een leesbril op zijn neus en eelt op zijn vingers van het klussen aan oude motoren. Dat scheelde. Als hij een geitenwollensokkenfiguur was geweest, was ik na twee minuten weggelopen.

Ik zat op het puntje van de stoel in zijn spreekkamer. Het rook er naar filterkoffie en papier. Mijn handen lagen geklemd tussen mijn knieën om het trillen te verbergen.

"Dus," zei Kees, terwijl hij door mijn dossier bladerde op zijn computerscherm. "Twee bezoeken aan de spoedeisende hulp. Drie keer bij je eigen huisarts geweest. Bloedwaarden perfect. ECG zonder afwijkingen. Longen schoon. En toch denk je dat je doodgaat."

"Ik denk het niet," zei ik zacht, starend naar een vlek op het linoleum. "Ik vóél het."

"Klopt," knikte Kees. Hij duwde zijn bril op zijn voorhoofd en keek me recht aan. "Je lijf liegt niet over de sensaties. Je hart klopt echt te snel. Je zweet echt. Je spieren staan echt strak van de melkzuur. Alleen de conclusie die je eraan verbindt, die klopt voor geen meter."

"Hoe bedoel je?"

"Jij denkt dat die sensaties betekenen dat er gevaar is. Dat je instort. Maar die sensaties zijn gewoon een biologisch programma. Je oersysteem denkt dat er een beer voor je neus staat. Dus wat doet dat systeem? Pomp bloed naar de spieren, gooi de ademhaling omhoog, zet de zintuigen op scherp. Alleen staat er geen beer. Er staat een CV-ketel. Of een vrachtwagen op de A28. En omdat je nergens heen kunt rennen, richt die energie zich naar binnen. Je schrikt van je eigen alarm."

Ik haalde diep adem. "En hoe zet ik het uit?"

"Niet," zei Kees doodleuk.

Ik keek hem verbijsterd aan. "Wat bedoel je met 'niet'? Ik kan zo niet leven, man. Sanne trekt het niet meer. Ik kan mijn werk niet doen. Er moet een pil in of zo. Iets dat het stopt."

"Pillen kunnen de scherpe randjes eraf halen, maar ze lossen niks op," zei Kees rustig. "Zodra je stopt, komt het dubbel zo hard terug. Want het probleem is niet dat alarm. Het probleem is dat jij er bang voor bent. Elke keer als jij je hart voelt kloppen en je denkt 'oh god, daar gaan we weer', geef je je brein het signaal: zie je wel, er is gevaar! En wat doet het alarm dan? Nog harder loeien."

Hij leunde naar voren en tikte met zijn wijsvinger op het houten bureaublad. "De enige manier om een vals alarm het zwijgen op te leggen, Dennis, is door er niet meer voor weg te rennen. Je moet er middenin gaan staan. Je moet tegen dat beest zeggen: kom maar op. Laat me maar dood neervallen. Doe je best."

"Dat durf ik niet," zei ik eerlijk. De rillingen liepen over mijn rug bij het idee alleen al.

"We beginnen klein," zei Kees. "Vandaag ga je naar huis. Sanne is er, neem ik aan?"

"Ze is teruggekomen," knikte ik. "Op voorwaarde dat ik hierheen ging."

"Mooi. Als je straks thuiskomt, trek je je werkschoenen aan. Niet je sloffen. Je schoenen. En dan loop je naar buiten. Naar de stoep voor je huis. Daar blijf je vijf minuten staan. Niet ijsberen. Niet op je telefoon kijken. Gewoon staan. En als de paniek komt, laat je hem komen. Je vecht niet. Je telt niet tot tien. Je kijkt gewoon naar de overkant van de straat en je laat je hart maar tekeergaan alsof het uit je borst wil springen."

"En als ik flauwval?" vroeg ik met een droge keel.

"Dan val je op het grind," zei Kees zonder blikken of blozen. "Het is maar dertig centimeter naar beneden als je door je knieën zakt. Maar ik geef je op een briefje: je valt niet flauw. Je bloeddruk is namelijk veel te hoog tijdens een paniekaanval om flauw te vallen. Flauwvallen doe je bij een lage bloeddruk."

Een uur later stond ik bij de voordeur van ons huis. Mijn werkschoenen voelden zwaar aan mijn voeten, stijf van het lange stilstaan onder de kapstok. Mijn hand lag op de klink. Sanne stond in de deuropening van de keuken. Ze zei niks. Ze keek alleen maar. Geen oordeel, geen aanmoediging. Gewoon getuige zijn.

Ik duwde de deur open.

De koude buitenlucht sloeg in mijn gezicht. Het rook naar natte aarde en rottend blad. Ik zette een stap over de drempel. Mijn voeten kraakten op het grind van ons voortuintje. Eén meter. Twee meter. Ik bleef staan bij het lage houten hekje dat de tuin scheidde van het trottoir.

Onmiddellijk meldde het beest zich. Alsof het lag te wachten achter de coniferen van de buren. Een plotselinge golf van duizeligheid trok door mijn hoofd. Mijn maag krampte samen. Mijn ademhaling schoot omhoog naar mijn borstkas.

'Ga naar binnen,' schreeuwde een stem in mijn hoofd. 'Draai je om. Binnen is de bank. Binnen is het veilig.'

Mijn vingers grepen het natte hout van het hekje vast. De splinters prikten in mijn handpalm. Ik kneep mijn ogen half dicht.

"Kom maar dan," fluisterde ik tussen mijn op elkaar geklemde tanden door. De woorden voelden idioot, belachelijk. "Kom maar op, klootzak. Als ik dood moet, dan val ik hier neer op het grind. Dan veegt de buurman me straks maar op."

De paniek piekte. Het was alsof er een brandende fakkel door mijn borst werd geduwd. Mijn zicht werd korrelig, als een slecht afgestelde televisie. Ik dacht werkelijk dat mijn knieën het zouden begeven. Een seconde. Twee seconden. Drie seconden.

En toen... gebeurde er niks.

Ik viel niet dood neer. Mijn hoofd ontplofte niet. De wereld draaide gewoon door. Een fietser met felle gele fietstassen reed voorbij over het asfalt, het natte geluid van rubber op water. Hij keek niet eens naar me om. Een kauw landde op de lantaarnpaal aan de overkant en schudde zijn veren uit.

De golf van angst begon te zakken. Niet helemaal, maar hij trok zich terug als de branding op het strand, een schuimige rand van spanning achterlatend. Mijn hart klopte nog steeds snel, maar het wilde ritme was eruit. Ik stond nog overeind. Mijn laarzen stonden stevig op het grind.

Ik keek over mijn schouder. Sanne stond nog steeds in de deuropening. Er gleed een heel klein, bijna onzichtbaar lachje over haar gezicht. Ik stak mijn hand op. Een klein gebaar. Drie minuten later liep ik weer naar binnen. Ik was doodmoe, alsof ik een marathon had gelopen, maar ik had de eerste meters overleefd.

Hoofdstuk 6

Terug in de bus

Herstel is geen rechte lijn omhoog. Het is een smerig, kronkelig rotpad vol kuilen waar je telkens weer met je enkels in verzwikt. Mensen die zeggen dat ze 'hun angst hebben overwonnen' alsof het een potje dammen was, kletsen uit hun nek. Je overwint het niet. Je leert ermee onderhandelen.

In januari ging ik voor het eerst weer mee met Roy. Roy is een jongen van tweeëntwintig die ik twee jaar geleden had aangenomen als leerling. Een goede gozer, een beetje lomp, gouden handen met de lasbrander, maar het inzicht van een lantaarnpaal als het op papierwerk aankwam. Hij had de zaak draaiende gehouden terwijl ik op de bank lag weg te kwijnen. Althans, voor zover dat ging.

"Mooi dat je er weer bent, baas," zei Roy toen hij de straat in kwam rijden met mijn bus. Hij stapte uit en gooide de sleutels naar me toe.

Ik ving ze instinctief op met één hand. Het koude metaal beet in mijn vingers. "Jij rijdt, Roy," zei ik meteen. Ik probeerde het nonchalant te laten klinken. "Ik moet even wat facturen checken op de tablet."

Roy haalde zijn schouders op. "Best hoor. Als ik maar mag bepalen welke radiozender op staat. Geen gezeik met Sky Radio."

Ik stapte in aan de passagierskant. Zodra het portier dichtsloeg en de klik van de gordel klonk, begon mijn keel alweer strakker te trekken. De bus rook naar wat hij altijd geroken had: siliconenkit, peuken van Roy, oud gereedschap en half vergane werkbonnen. Het was de geur van mijn hele volwassen leven. En toch voelde het alsof ik in een martelwerktuig stapte.

Roy gaf gas. De dieselmotor bromde. We reden de wijk uit. Bij elke rotonde voelde ik de spanning stijgen. Mijn benen waren strak gespannen; mijn voeten duwden tegen de vloerplaat alsof ik zelf mee probeerde te remmen.

'Daar is het weer,' zei ik in mezelf. Dat had Kees me geleerd. Niet vechten, maar benoemen. 'Hé angst. Gezellig dat je er weer bij bent op de bijrijdersstoel. Kijk maar even mee.'

Het klonk idioot, maar het hielp om de lading eraf te halen. Door de angst te behandelen als een irritante kennis die onuitgenodigd op een feestje verscheen, in plaats van als een sluipschutter die me wilde vermoorden, werd hij hanteerbaarder.

We reden naar een boerderij net buiten Leusden. Een gescheurde waterleiding onder een betonnen stalvloer. Koud, goor en zwaar werk. Precies wat ik nodig had.

Toen we de stal inliepen, sloeg de geur van mest en nat stro me tegemoet. De boer, een zwijgzame man met een overall vol modder, wees naar een hoek achter de melkinstallatie. Er stond een laag van vijf centimeter modderig water op de grond.

"Daar ergens," zei hij. "Sinds gisteravond. Pompen heeft geen zin, blijft maar lopen."

"Gaan we regelen," zei ik.

Ik pakte de breekhamer uit de kist. Een zwaar kreng van vijftien kilo. Ik plugde de stekker in het verlengsnoer, zette de punt op het beton en haalde de trekker over. De trillingen sloegen door mijn polsen, mijn ellebogen, mijn schouders rechtstreeks mijn schedel in. *Ratte-tatte-tatte-tat.*

Binnen twee minuten was mijn hartslag weer torenhoog. Maar deze keer was het anders. Deze keer klopte mijn hart niet door paniek alleen, maar omdat mijn lijf fysieke arbeid aan het verrichten was. De twee sensaties – angst en inspanning – raakten met elkaar in de knoop. Mijn brein wist even niet meer wat het ermee aan moest.

Ik stopte met hakken. De stilte in de stal viel als een deken over me heen. Ik leunde op de breekhamer, hijgend, dampend in de koude lucht.

Roy kwam aangelopen met een schep. Hij keek naar me. Hij zag de zweetdruppels die van mijn kin vielen, ondanks dat het vroor dat het kraakte. Hij zag dat mijn handen trilden om de handvatten van de machine.

"Lukt het, Dennis?" vroeg hij. Er zat geen spot in zijn stem, alleen bezorgdheid.

Ik keek naar het gat in het beton. Tussen de brokken puin zag ik de koperen leiding glinsteren. Een klein, venijnig straaltje water spoot eruit tegen de rand van het gat.

"Jawel," zei ik. Ik veegde met de rug van mijn werkhandschoen over mijn voorhoofd. Mijn ademhaling was zwaar, maar mijn benen stonden stevig in de laarzen. "Pak de pijpsnijder even uit de bus, Roy. En twee knelkoppelingen van vijftien. Dan lossen we dit eerst even op."

Hij draaide zich om en liep weg. Ik bleef staan bij het gat. Het beest zat nog steeds ergens in mijn borstkas te rommelen, brommend als een hond achter een hek. Maar het beet niet. Ik kon werken terwijl het gromde. Dat was de openbaring van die middag: ik hoefde niet te wachten tot de angst helemaal weg was om weer te gaan leven. Ik kon gewoon leven mét de angst op mijn hielen. Het was verdomme vermoeiend, maar het kon wel.

Hoofdstuk 7

Vandaag gaat het echt beter

Het is nu een jaar later. Dinsdagochtend, half acht. De regen slaat tegen de ruiten van mijn bestelbus. Ik sta stil op de A28 richting Utrecht, ter hoogte van Soesterberg. Dezelfde plek als toen.

De file strekt zich voor me uit zover het oog reikt. Een trage, glimmende slang van natte auto's. Links de vangrail. Rechts een tankwagen vol melk. Achter me een bezorgbusje van PostNL. De ruitenwissers van mijn Peugeot Partner maken een ritmisch, krassend geluid over het natte glas. *Wiesj-wasj, wiesj-wasj.*

Ik zit alleen in de bus.

Roy rijdt tegenwoordig in zijn eigen bus, aan de andere kant van de provincie. Ik ben weer op mezelf aangewezen. Ik heb mijn linkerhand losjes op het stuur liggen. Mijn rechterhand rust op de versnellingspook. De radio staat aan op NPO Radio 1. Een verslaggever praat over de huizenprijzen.

Voel ik me geweldig? Nee. Mijn schouders zitten vaster dan me lief is. In mijn maag zit een knoop ter grootte van een walnoot, een hard, compact balletje van spanning dat er bijna altijd zit als ik in de file sta. Mijn ademhaling is iets hoger dan hij zou moeten zijn. Af en toe voel ik een flikkering in mijn borstkas, alsof mijn hart even twijfelt over de volgende slag.

De oude gedachten komen meteen even buurten. Ze zijn als kraaien die op een hek gaan zitten wachten tot je wat laat vallen. 'Wat als je hier weer vast komt te zitten? Wat als je nu die paniek krijgt? Je staat weer helemaal links, Dennis. Je kunt nergens heen.'

Vroeger zou zo'n gedachte de lont in het kruitvat zijn geweest. Binnen dertig seconden zou ik klam van het zweet aan het stuur hebben gehangen, snakkend naar adem, met trillende vingers zoekend naar mijn telefoon om Harry te bellen.

Nu doe ik iets anders. Ik kijk naar de binnenspiegel. Ik zie mijn eigen gezicht. De lijnen rond mijn ogen zijn wat dieper geworden het afgelopen jaar. Er zitten een paar grijze haren bij mijn slapen die er eerst niet zaten. Ik zie eruit als een man van vierendertig die hard werkt en soms slecht slaapt. Een gewone vent.

"Ja hoor," zeg ik hardop tegen mijn spiegelbeeld. "Daar ben je weer. Gezellig."

Ik verzet mijn voeten op de pedalen. Ik trek mijn schouders op tot aan mijn oren, houd ze drie seconden vast, en laat ze dan met een diepe zucht vallen. Mijn handen knijpen niet in het stuur. Ik dwing mijn vingers om losjes om het nepleer te blijven liggen.

De angst verdwijnt niet. Dat is de grootste leugen die mensen elkaar vertellen over herstel: dat het op een dag magisch ophoudt. Dat je wakker wordt en fluitend door het leven huppelt alsof er nooit iets gebeurd is. Zo werkt het niet. Het litteken blijft gevoelig. Als er koud weer aankomt, trekt het. Als ik te veel koffie drink, slecht slaap of me zorgen maak over een grote rekening, begint het beest meteen weer aan zijn ketting te rammelen.

Maar het verschil is: ik ren niet meer weg.

Als de paniek komt, laat ik hem binnen. Ik zeg: kom maar zitten op de bijrijdersstoel. Hou je bek en doe je gordel om, we gaan gewoon naar Utrecht. Want die radiator in dat kantoorpand lekt nog steeds af en toe, en die mensen hebben een loodgieter nodig. Geen wrak dat op het vloerkleed naar zijn pols ligt te zoeken.

De remlichten van de auto voor me gaan uit. De file komt weer in beweging. Tien kilometer per uur. Twintig. Ik schakel naar zijn twee. Ik laat de koppeling soepel opkomen. De diesel pakt direct op.

Vanavond ga ik koken. Gewoon aardappels, sperziebonen en een stuk vlees. Sanne komt om half zeven thuis. We hebben het overleefd, zij en ik. Niet zonder kleerscheuren – er zijn avonden geweest dat we zwijgend tegenover elkaar zaten, kapot van de strijd. Maar we zijn er nog. We hebben vorige week zelfs weer gepraat over die uitbouw aan de achterkant. Misschien volgend voorjaar. Ik kan de fundering zelf storten met Roy.

Ik rijd onder het viaduct van Soesterberg door. De regen klettert op het beton boven me en slaat daarna weer vol op mijn voorruit. Ik zet de ruitenwissers een standje sneller.

"Vandaag gaat het echt beter," zeiden mensen vroeger tegen me als een loze troost, of ik zei het tegen mezelf als een wanhopige leugen om de dag door te komen. Nu denk ik het ook, maar met een heel andere betekenis. Beter betekent niet dat er geen angst is. Beter betekent dat de angst er mag zijn, terwijl ik gewoon gas geef en invoeg op de A28.