Naar de inhoud
Terug naar het boek

Liefde, relaties en gezin

Twaalf jaar wachten op een baby

Hoofdstuk 1

De tweede streep

In januari 2012 legde ik een zwangerschapstest naast de koffie van mijn man. Niet in een doosje. Niet met een strik erom. Gewoon op tafel, tussen de boter en een rekening van de loodgieter.

‘Is dat hygiënisch?’ vroeg Ruben.

Toen zag hij de tweede streep.

Ik heet Marit. Ik was negenentwintig, werkte als planner bij een thuiszorgorganisatie in Amersfoort en dacht dat mijn leven zich redelijk aan afspraken hield. Een huis kopen duurde langer dan verwacht. Een keuken verbouwen kostte meer dan begroot. Maar uiteindelijk kwam het goed.

We waren die maand begonnen met proberen. Deze test was negatief. De tweede streep die Ruben zag, was de rand van het testvenster.

‘Volgende maand,’ zei ik.

Hij schoof zijn stoel naar achteren en trok me op schoot.

‘Dan kunnen we nog even oefenen.’

Ik lachte. Dat kon toen nog zonder dat er iets achter zat.

We woonden in een rijtjeshuis in Schothorst. Boven stond een kleine kamer vol verhuisdozen. Ruben wilde er een bureau neerzetten. Ik zei dat hij daar beter mee kon wachten.

In juni was de test echt positief.

Ik deed er nog twee. Daarna belde ik Ruben, die als elektricien in een school in Leusden werkte.

‘Kun je even alleen gaan staan?’

‘Wat is er?’

‘Deze keer is het echt.’

Hij zei niets. Ik hoorde ergens een boormachine.

‘Ruben?’

‘Ik kom naar huis.’

Die avond aten we patat uit papieren zakken. We gingen op de vloer van de kleine kamer zitten. Ik wilde de muren groen. Hij dacht aan geel.

‘Geen discussie over kleuren voordat het een oor heeft,’ zei hij.

We zochten op wanneer oren ontstonden. Daarna keken we naar kinderwagens die duurder waren dan onze eerste auto.

Bij zeven weken kreeg ik bloedverlies.

Het begon op mijn werk. Een roze veeg op toiletpapier. Ik bleef zitten tot de sensor het licht uitdeed. Toen zwaaide ik met mijn arm. Alsof er niets aan de hand was.

Ik belde de verloskundige vanaf het parkeerterrein. Ze vroeg naar pijn, naar de hoeveelheid bloed. Haar stem bleef rustig. Dat hielp ongeveer drie minuten.

De volgende ochtend konden we voor een echo komen.

Ruben reed. Bij elk verkeerslicht hield hij zijn hand op mijn knie. Ik schoof hem steeds weg. Niet omdat ik hem niet wilde voelen. Omdat ik bang was dat ik zou gaan huilen als hij lief deed.

Op het scherm stond een grijze vlek met een zwarte ruimte erin.

De echoscopist bleef kijken.

‘Ik zie geen hartactie,’ zei ze uiteindelijk. ‘Maar ik kan op basis van deze echo nog niet alles met zekerheid zeggen. We moeten dit opnieuw beoordelen.’

Ik hoorde alleen het eerste deel.

Thuis zocht ik uren naar verhalen waarin het toch goed kwam. Vrouwen die later een eisprong hadden gehad. Apparatuur die minder scherp was. Wonderen die niemand zo noemde, behalve de mensen die erop wachtten.

Drie dagen later kreeg ik hevige krampen.

Ik zat op de badkamervloer met een handdoek onder me. Ruben wilde de huisartsenpost bellen. Ik zei dat hij moest wachten. Daarna zei ik dat hij meteen moest bellen.

Hij gaf antwoorden op vragen die ik niet kon horen.

‘Nee, ze is niet flauwgevallen. Ja, ze is aanspreekbaar.’

Ik werd boos op dat woord.

‘Ik zit hier gewoon.’

Hij hurkte naast me neer.

‘Dat weet ik.’

Bij de controle was de zwangerschap voorbij. Een arts legde uit wat we konden verwachten. Ik kreeg een folder mee. Buiten stond een vrouw haar parkeerticket te zoeken terwijl haar baby schreeuwde.

Ik vond haar ineens verschrikkelijk.

Daar schaamde ik me meteen voor.

Mijn moeder kwam met soep. Mijn jongere zus Lotte stuurde een bericht: Wil je praten of wil je dat ik normaal doe?

Ik antwoordde: Normaal. Maar vraag morgen weer.

Ruben vertelde op zijn werk dat ik ziek was geweest. Ik hoorde het toen zijn collega belde.

‘Ziek?’ vroeg ik later.

‘Ik wist niet wat ik mocht zeggen.’

‘Dat we een kind kwijt zijn.’

Hij keek naar de vloer.

‘Ik weet niet of ik het al zo durfde te noemen.’

Dat was onze eerste ruzie over iets wat niemand kon zien.

In september gingen we weer proberen. Ik kocht ovulatietesten in een drogist aan de andere kant van de stad. In december rekende ik uit wanneer de baby geboren zou zijn.

En in januari 2013 stond ik opnieuw bij de wastafel.

Eén streep.

Beneden zette Ruben koffie. Ik hoorde hem twee mokken uit de kast pakken.

Ik gooide de test weg voordat hij bovenkwam.

Hoofdstuk 2

Op afspraak

De huisarts vroeg hoe vaak we seks hadden.

Ruben keek naar mij. Ik keek naar de poster over tekenbeten achter het bureau.

‘Regelmatig,’ zei ik.

‘Wat is regelmatig?’

‘Rond mijn eisprong iedere dag.’

De huisarts knikte zonder op te kijken. Voor hem was het een gewone vraag. Voor mij voelde het alsof ik onze slaapkamer op zijn bureau had gelegd.

We kregen een verwijzing naar het Meander Medisch Centrum. Bloedonderzoek. Een inwendige echo. Onderzoek van Rubens sperma. Daarna een onderzoek naar de doorgankelijkheid van mijn eileiders.

Ik begon een map.

Eerst zaten er drie brieven in. Later had hij tabbladen.

Bij Ruben waren geen duidelijke afwijkingen gevonden. Mijn eileiders waren doorgankelijk. Ik had een eisprong. Toch werd ik niet opnieuw zwanger.

‘Vooralsnog vinden we geen afdoende verklaring,’ zei de gynaecoloog.

Ik had gehoopt op een probleem met een naam. Iets wat je kon aanwijzen en behandelen. Nu zaten we tegenover een arts die zei dat we nog kansen hadden, terwijl niemand kon uitleggen waarom het niet lukte.

‘Dus we moeten gewoon doorgaan?’ vroeg ik.

‘We bespreken welke stappen passen bij jullie situatie.’

Ik hoorde hoe zorgvuldig hij formuleerde. Ik begon die taal te haten voordat ik haar zelf ging gebruiken.

In 2013 startten we met inseminaties. Voor iedere behandeling moest ik voor echo’s komen. Mijn leidinggevende, Saskia, gaf me ruimte, maar de planning bleef mijn werk.

Een keer stond ik in een gang van het ziekenhuis vervanging te regelen voor een zieke collega. Mijn naam werd geroepen terwijl ik uitlegde dat mevrouw Van Dijk niet tot twaalf uur op haar insuline kon wachten.

‘Je moet nu komen,’ fluisterde Ruben.

Ik drukte mijn telefoon tegen mijn borst.

‘Mijn werk stopt niet omdat mijn eicel klaar is.’

Hij liep alvast naar binnen.

Na de inseminatie fietste ik naar huis alsof iedere hobbel iets kon verpesten. Ik wist dat het niet zo werkte. Toch stond ik op de trappers bij de verkeersdrempels.

De eerste poging mislukte. De tweede ook.

Bij de vierde had ik gevoelige borsten. Ik vertelde niemand dat ik dat als bewijs zag. Toen ik ongesteld werd, sloeg ik met mijn vlakke hand tegen de badkamerdeur.

Ruben schrok.

‘Wat moet ik doen?’

‘Niet steeds vragen wat je moet doen.’

‘Dan moet je stoppen met boos worden als ik iets verkeerd doe.’

We stonden tegenover elkaar in de gang. Ik in mijn onderbroek. Hij met een wasmand.

Daarna gingen we allebei werken.

In het najaar van 2014 begonnen we met ivf. Inmiddels waren we doorverwezen naar een fertiliteitskliniek in Utrecht. Tijdens de prikinstructie oefende ik op een kussentje. Thuis zat ik twintig minuten met de spuit boven mijn buik.

‘Zal ik?’ vroeg Ruben.

‘Nee.’

Nog vijf minuten.

‘Ja. Maar zeg niet wanneer.’

Hij deed het voorzichtig. Ik schold toch.

De hormonen maakten me opgeblazen en moe. Mijn agenda stond vol tijden en doseringen. Op vrijdagavond zaten vrienden in de stad. Ik stond voor de koelkast te controleren of ik voldoende medicatie had.

Bij de punctie hield Ruben mijn hand vast. Ik keek naar een plafondplaat met een bruine vlek. Elke keer als het pijn deed, telde ik de gaatjes in die plaat.

Er werden vijf eicellen gevonden. Drie waren rijp. Twee werden bevrucht.

Eén embryo ontwikkelde zich goed genoeg voor een terugplaatsing. Het andere stopte met delen.

‘Dus dit is alles,’ zei ik.

De verpleegkundige schoof haar stoel dichterbij.

‘Voor deze poging wel.’

We kregen een afdruk mee. Een paar cellen die eruitzagen als ongelijke zeepbellen. Ruben stopte het papier voorzichtig in de map.

Tijdens de wachtdagen droeg ik geen strakke broek. Ik nam de trap langzaam. Ik liet koffie staan, las etiketten en werd kwaad op mezelf omdat ik dacht dat ik hiermee controle kreeg.

Op de afgesproken testdag stond Ruben naast me.

De uitslag was negatief.

‘Misschien te vroeg,’ zei hij.

‘Nee.’

‘We kunnen toch—’

‘Niet doen.’

Ik pakte de afdruk uit de map en legde hem in de keukenla. Niet bij het afval. Ook niet meer bij de afspraken.

Die middag gingen we boodschappen doen. Bij de kassa vroeg een jongen of we zegels spaarden.

Ik begon te huilen.

Ruben betaalde en bracht me naar buiten. We bleven naast de fietsen staan tot ik weer adem kon halen.

‘Ik wil naar huis,’ zei ik.

‘Ja.’

Voor het eerst stelde hij geen oplossing voor.

Hoofdstuk 3

De stoel naast mij

Lotte vertelde het op een zondag in mijn keuken. Ze hield haar jas nog aan.

‘Ik ben zwanger.’

Mijn zus was zesentwintig. Ze woonde sinds een jaar met Daan in Zwolle. Ze hadden een tweedehands bank, een kat en blijkbaar geen ziekenhuis nodig.

Ik zette de waterkoker uit voordat het water kookte.

‘Hoe ver?’

‘Tien weken.’

‘Je hebt dus al een tijdje niets gezegd.’

Ze kneep haar lippen op elkaar.

‘Ik wist niet hoe.’

Ik had haar kunnen omhelzen. Dat had ik later graag anders gedaan. In plaats daarvan vroeg ik of het gepland was.

‘Ja,’ zei ze.

‘Mooi.’

Het klonk alsof ze vertelde dat ze een vakantie had geboekt waar ik niet mee naartoe mocht.

Ze begon te huilen. Toen werd ik nog bozer. Nu moest ik ook haar verdriet dragen over mijn verdriet.

‘Je hoeft je niet te verontschuldigen,’ zei ik. ‘Maar ik kan nu even niet blij doen.’

Lotte knikte. Ze bleef nog tien minuten. De thee werd niet gezet.

Die avond belde ik haar.

‘Ik ben wel blij dat jij niets mankeert,’ zei ik.

‘Er mankeert jou ook niet iets als mens, Marit.’

‘Dat zei ik niet.’

‘Nee. Maar soms praat je wel zo over jezelf.’

Ik wist niets terug te zeggen.

Onze tweede ivf-poging begon in 2016. We hadden geld gespaard voor vrije dagen, reiskosten en alles wat tussen gewone rekeningen door kwam. Mijn wereld werd klein. Werk, ziekenhuis, thuis. Ik sloeg verjaardagen over waar ik vragen verwachtte.

Deze punctie leverde meer eicellen op. Er konden twee embryo’s worden ingevroren nadat er één was teruggeplaatst.

Dat verse embryo bleef.

Op de test verschenen twee duidelijke strepen. Ik ging op de badrand zitten en riep Ruben. Niet hard. Hij hoorde me toch.

Hij keek, ging door zijn knieën en legde zijn voorhoofd tegen het mijne.

‘We zeggen nog niks,’ fluisterde ik.

‘Goed.’

Bij de eerste echo zagen we een hartslag. Een klein knipperend punt.

Ik vroeg of de echoscopist zeker wist dat het niet mijn eigen hartslag was.

Ze legde uit wat ze zag. Ruben lachte door zijn tranen heen. Ik bleef naar het scherm staren.

Pas in de auto durfde ik te zeggen: ‘Er zit echt iemand.’

Twee weken later was het stil op het scherm.

De arts bewoog de echokop. Ze veranderde de hoek. Ik kende dat zwijgen inmiddels.

‘Niet blijven zoeken,’ zei ik.

Ruben kneep in mijn hand.

‘Marit.’

‘Ze weet het al.’

De zwangerschap was gestopt. Ik kreeg de mogelijkheden uitgelegd en koos na overleg voor een ingreep. Ik wilde niet thuis wachten tot het bloed begon. Die badkamer had al genoeg herinneringen.

Op de dag van de behandeling zat Ruben naast mijn bed in een te lage stoel. Hij had een broodje gekocht dat onaangeraakt op zijn knie lag.

‘Eet nou,’ zei ik.

‘Ik heb geen trek.’

‘Je moet niet ook nog flauwvallen.’

Hij legde het broodje weg.

‘Mag ik ook gewoon verdriet hebben zonder dat je het regelt?’

Ik draaide mijn gezicht naar hem toe. Zijn ogen waren rood. Ik had het niet gezien. Of niet willen zien.

Lotte beviel zes weken later van Mees.

Ik ging pas na negen dagen op bezoek. Onderweg naar Zwolle zei ik tegen Ruben dat we maximaal een uur zouden blijven. Hij keek naar de klok op het dashboard en knikte.

Mijn zus lag op de bank. Haar haar zat scheef in een knot. Er stond een schaal beschuit op tafel met een opgedroogd mes erin.

‘Wil je hem vasthouden?’ vroeg ze.

‘Nog niet.’

‘Goed.’

Dat ene woord maakte dat ik kon blijven zitten.

Na een halfuur begon Mees te huilen. Daan was douchen. Lotte kwam moeilijk overeind en ik nam de baby aan voordat ik erover nadacht.

Hij was warm. Zwaarder dan ik had verwacht. Zijn mond zocht tegen mijn trui.

Ik huilde zonder geluid.

Lotte legde een doekje op mijn schouder.

‘Je hoeft niks te zeggen.’

We bleven twee uur.

Later dat jaar mislukten beide terugplaatsingen van de ingevroren embryo’s. Bij de laatste uitslag zat ik alleen thuis. Ruben had een storing in een verzorgingshuis en kon niet weg.

Ik zei aan de telefoon dat ik het begreep.

Dat deed ik ook.

Maar toen hij thuiskwam, had ik de deur van de kleine kamer dichtgedaan en een stoel ervoor gezet.

Niet omdat dat nodig was.

Omdat ik wilde dat hij zag hoe het met me ging.

Hoofdstuk 4

Twee sleutels

In maart 2019 legde Ruben zijn huissleutel op tafel.

‘Ik ga een paar nachten bij Joris slapen.’

Ik stond aardappels te schillen. Het mes bleef boven de gootsteen hangen.

‘Dus je vertrekt.’

‘Ik zeg dat ik een paar nachten ergens anders slaap.’

‘Dat is vertrekken.’

Hij trok geen jas aan. Daardoor bleef ik hopen dat hij het niet zou doen.

Onze derde ivf-poging was net mislukt. Er was één embryo teruggeplaatst. Niets om in te vriezen. De arts had bij het evaluatiegesprek verteld dat mijn reactie op de stimulatie minder goed was dan we hadden gehoopt. Verdere behandeling met eigen eicellen bood geen zekerheid. De kansen moesten we opnieuw bespreken.

Ik hoorde: nog een mogelijkheid.

Ruben hoorde: we mogen stoppen.

Hij had tijdens het gesprek gevraagd wat een leven zonder kinderen met stellen deed. Ik had hem onder tafel tegen zijn enkel geschopt.

In de auto zei hij dat het pijn had gedaan.

‘Het was niet hard.’

‘Dat bedoel ik niet.’

Nu stond hij bij de keukentafel met zijn sleutel naast het zoutvaatje.

‘Ik kan niet blijven doen alsof ik hetzelfde wil als jij,’ zei hij.

‘Je wilt geen kind meer?’

‘Ik wil niet nóg zo’n behandeling. Dat is iets anders.’

‘Voor jou misschien.’

Hij pakte zijn sleutel weer op.

‘Zie je? Ik mag alleen meedoen als ik doorga.’

Toen ging hij wel.

Ik schilde de rest van de aardappels. Kookte ze. Gooide ze weg. Om halfelf stuurde ik: Wanneer kom je terug?

Hij antwoordde: Morgen praten. Niet via berichten.

Ik sliep die nacht in de kleine kamer op een oud matras. De stoel stond allang niet meer voor de deur. Er stonden inmiddels een droogrek, winterschoenen en een kapotte printer. Een gewone rommelkamer. Dat vond ik erger dan een lege babykamer.

De volgende avond kwam Ruben met eten. We aten zwijgend aan tafel.

‘Ik mis jou,’ zei hij.

‘Ik zit hier.’

‘Dat weet ik.’

Ik wilde zeggen dat hij niet begreep wat ik verloor. Maar ik zag zijn gezicht. Hij was dunner geworden. Ik wist niet eens wanneer.

Hij vertelde dat hij voor sommige ziekenhuisafspraken in zijn bus had gehuild. Dat hij daarna zijn gezicht waste bij een tankstation. Dat hij bang was dat onze relatie alleen nog bestond omdat we samen op een uitslag wachtten.

‘Waarom zeg je dat nu pas?’

‘Omdat jij bij iedere twijfel hoorde dat ik je in de steek liet.’

Ik schoof mijn bakje eten weg.

‘Dat hoor ik nog steeds.’

‘Dan hebben we hulp nodig.’

We kwamen bij een relatietherapeut in Utrecht. Geen wondervrouw. Ze had een harde bank en stelde vragen waarop ik vaak geen antwoord wilde geven.

Tijdens het derde gesprek vroeg ze wat ik zou doen als Ruben definitief niet verder wilde.

‘Dan weet ik niet of ik kan blijven.’

Naast me verschoof hij zijn voet.

Ik had het nooit hardop gezegd.

Daarna vroeg ze Ruben wat hij nodig had om te blijven.

‘Dat mijn nee geen bewijs is dat ik minder van haar hou.’

We gingen niet hand in hand naar buiten. We liepen apart naar de auto.

Toch kwam hij die avond thuis slapen.

We spraken een pauze af. Zes maanden zonder nieuwe behandeling. Geen verborgen afspraken. Geen klinieken zoeken om twee uur ’s nachts. Ik liet mijn verwijzing liggen, maar gooide haar niet weg.

We bespraken ook adoptie en pleegzorg. Bij een informatieavond schreven we allebei veel op. In de auto zeiden we hetzelfde: dit mochten geen noodroutes naar een baby zijn. De vragen en verantwoordelijkheden waren anders. We waren er op dat moment niet klaar voor.

In september gingen we drie dagen naar Texel. Het regende. We kregen ruzie over een fietsslot. Voor het eerst in jaren ging een ruzie werkelijk over iets kleins.

’s Avonds speelden we kaarten in ons vakantiehuisje.

‘Ik ben nog steeds niet klaar met hopen,’ zei ik.

Ruben legde zijn kaarten neer.

‘Ik weet het.’

‘Maar ik wil niet dat jij verdwijnt terwijl je naast me zit.’

Hij knikte en schoof mijn glas naar me toe.

Dat was geen oplossing. Wel een gesprek dat niet eindigde met een deur.

In november belde Lotte.

‘Ik wil iets met jullie bespreken,’ zei ze. ‘Niet nu beslissen. Alleen luisteren.’

Hoofdstuk 5

Van mijn zus

Lotte kwam alleen. Ze zette haar fiets tegen de schutting en vroeg eerst om koffie. Ik dacht dat zij en Daan uit elkaar gingen.

‘Ik heb uitgezocht of ik eicellen kan doneren,’ zei ze.

Ruben keek naar mij. Ik bleef naar mijn zus kijken.

‘Aan ons?’

‘Nee, aan de buurvrouw. Ja, aan jullie.’

Ze probeerde te glimlachen, maar haar handen trilden rond haar mok.

Ik zei meteen nee.

Het kwam eruit voordat ik wist waarom.

Lotte zette haar koffie neer.

‘Je hoeft me niet te beschermen door niet na te denken.’

‘Jij hebt Mees. Je hebt een gezin. Ik ga jou niet laten prikken en een punctie laten ondergaan omdat mijn lijf het niet doet.’

‘Dat bepaal jij niet alleen.’

‘Mijn antwoord wel.’

Ruben vroeg of we er een week over mochten nadenken.

Later werd ik boos op hem.

‘Je wilde stoppen.’

‘Met hoe het ging. Niet met ieder gesprek.’

Ik begreep hem wel. Dat maakte mijn boosheid minder bruikbaar.

Tijdens onze volgende afspraak bespraken we eiceldonatie. Wat het medisch inhield. Wat er onderzocht moest worden. Dat een donor niet automatisch geschikt was omdat ze familie was. Dat ook deze route kon mislukken.

De arts vroeg wat het voor mij betekende om een kind te krijgen dat niet uit mijn eigen eicel zou ontstaan.

‘Als het maar gezond is,’ zei ik snel.

Thuis moest ik huilen om dat antwoord. Natuurlijk wilde ik een gezond kind. Maar ik moest ook afscheid nemen van iets. Van de gedachte dat ik mijn oma’s ogen zou herkennen. Van een foto waarop iemand zou zeggen: precies jij als baby.

Ik schaamde me daarvoor. Het klonk ondankbaar tegenover iemand die iets groots aanbood.

Bij de psychosociale begeleiding zei ik het toch.

Niemand vond dat een reden om het gesprek te stoppen.

Ruben en ik spraken afzonderlijk en samen met de begeleider. Lotte en Daan ook. Daarna zaten we met elkaar aan tafel. We bespraken meer dan ik van tevoren kon bedenken.

Wat zouden we een kind vertellen? Vanaf het begin de waarheid, in woorden die bij de leeftijd pasten. Wie zou Lotte zijn? Mijn zus en de donor. Niet een geheim. Niet een tweede moeder. Hoe zou Mees begrijpen dat er een genetische band was? Wat als iemand ruzie kreeg? Wat als de behandeling faalde?

Daan stelde de lastigste vraag.

‘Als het lukt, mogen wij dan nog klagen dat we moe zijn?’

Ik keek hem aan.

‘Ja.’

‘Ook tegen jullie?’

Ik knikte. Pas toen merkte ik hoe voorzichtig iedereen om ons heen was gaan lopen.

Het traject duurde lang. Onderzoek, afspraken, wachttijd. Tijdens de coronaperiode werden consulten verplaatst of op afstand gedaan. Soms dacht ik dat we nooit verder zouden komen. Soms was ik opgelucht dat ik nog niets hoefde te ondergaan.

In 2021 werd ik achtendertig. Lotte stuurde een foto van haar moestuin. Ik vergrootte haar gezicht op mijn scherm en vroeg me af of ik later steeds háár zou zien.

Daarna belde ik haar.

‘Wat als ik jaloers op je word?’

‘Dan zeg je dat.’

‘Zo simpel is dat niet.’

‘Nee. Maar doen alsof je nooit jaloers bent, werkt ook niet geweldig bij ons.’

Ze had gelijk.

Voor de start spraken we duidelijk af dat ze mocht stoppen. Ook als de medicatie al klaar lag. Ook als ik verdrietig zou worden. Zij hoefde mijn teleurstelling niet op te lossen met haar lichaam.

De punctie vond in 2022 plaats.

Daan ging met haar mee. Ik zat thuis met mijn telefoon op tafel. Dat was bewust. Lotte had gevraagd of die dag van haar en Daan mocht blijven.

Ik vond het moeilijk. Ik zei dat het goed was. Beide waren waar.

Er ontstonden uiteindelijk twee embryo’s die konden worden ingevroren. Twee kansen, zonder belofte.

Toen Lotte voldoende hersteld was, bracht ik eten naar Zwolle. Ze lag met een deken op de bank.

‘Niet zo kijken,’ zei ze.

‘Hoe?’

‘Alsof ik een nier heb afgestaan en jij nu mijn boodschappen moet betalen tot mijn dood.’

Ik lachte. Daarna huilde ik toch.

Ze pakte mijn hand.

‘Je hoeft me geen kind terug te geven, Marit. Ook geen succesverhaal.’

De eerste terugplaatsing mislukte.

Ik belde haar vanaf dezelfde keukentafel waar ze het had aangeboden.

‘Het spijt me,’ zei ik.

‘Niet doen.’

‘Ik weet het.’

‘Nee. Echt niet doen.’

We bleven aan de lijn terwijl ik huilde. Ze probeerde deze keer niets normaal te maken.

Hoofdstuk 6

Niet gerust

In mei 2023 werd het tweede embryo teruggeplaatst. Ik was veertig. Het was onze laatste kans binnen dit traject. Over wat daarna kwam, hadden we geen afspraak gemaakt.

Ruben reed naar Utrecht. Bij de afslag vroeg hij of ik muziek wilde.

‘Nee.’

‘Praten?’

‘Ook niet.’

Hij knikte. Vroeger zou hij zich afgewezen hebben gevoeld. Nu legde hij een rol pepermunt in mijn hand en reed verder.

Bij de terugplaatsing keek ik naar het scherm. Ik wist inmiddels dat het heldere stipje dat we zagen niet letterlijk ons embryo was. Toch bleef ik ernaar kijken tot het beeld verdween.

Daarna gingen we broodjes eten bij een bakker. Geen ritueel. We hadden honger en thuis lag alleen oud brood.

De test deed ik op de afgesproken ochtend. Ruben stond onder de douche. We hadden afgesproken samen te kijken, maar ik hield het niet vol.

Twee strepen.

Ik zette de test neer en liep de badkamer uit.

‘Ruben.’

Hij deed de kraan dicht.

‘Wat?’

‘Je moet komen.’

Hij kwam druipend naast me staan. We keken allebei zonder iets te zeggen.

Ik voelde geen overwinning. Ik voelde gevaar. Nu konden we weer iets verliezen.

Bij de eerste echo was er een hartslag. Bij de volgende ook.

Ik vroeg telkens wanneer de kans op verlies kleiner werd. De antwoorden hielpen tot de volgende ochtend. Dan controleerde ik opnieuw of mijn borsten nog gevoelig waren.

Een dag zonder misselijkheid maakte me bang. Een dag met misselijkheid putte me uit. Ik durfde niet te klagen en klaagde daardoor steeds tegen Ruben over dingen die er niets mee te maken hadden.

‘De vaatwasser is niet het probleem,’ zei hij op een avond.

Ik stond met een verkeerd neergezette pan in mijn hand.

‘Dat weet ik.’

Via het ziekenhuis kreeg ik gesprekken met een psycholoog die ervaring had met zwangerschap na verlies. Ze beloofde niet dat alles goed zou gaan. Daar was ik haar dankbaar voor.

We maakten kleine afspraken. Niet de hele avond zoeken naar miskraamverhalen. Vragen opschrijven voor de verloskundige. Ruben vertellen wanneer ik bang was, in plaats van te testen of hij het zelf zag.

Het lukte lang niet altijd.

Met twaalf weken vertelden we het aan onze ouders. Mijn moeder bracht haar handen naar haar gezicht.

‘Eindelijk,’ zei ze.

Ik verstijfde.

Ze zag het en liet haar handen zakken.

‘Sorry. Ik ben heel blij. En ik begrijp dat jij nog bang bent.’

Dat was beter.

Lotte wist het al. We hadden haar na de test gebeld. Ze had gejuicht en daarna gevraagd hoe wij ons voelden. Toen ik zei dat ik bijna niets durfde te voelen, luisterde ze.

Bij twintig weken zag de echoscopist geen grote afwijkingen. We verwachtten een meisje.

Ruben kocht die middag een geel rompertje. Hij legde het op tafel en wachtte mijn reactie af.

‘Je hoeft niet meer met toestemming blij te zijn,’ zei ik.

Hij streek het stofje glad.

‘Jij ook niet.’

Met vierentwintig weken begonnen we aan de kleine kamer. De printer ging naar de milieustraat. Ik sorteerde dozen met kerstspullen. Onderin één doos vond ik de folder van mijn eerste miskraam.

Ik ging op de vloer zitten.

Ruben kwam naast me zitten, met een verfroller nog in zijn hand.

We besloten de folder in een andere doos te bewaren. Niet in deze kamer. Ook niet weg.

De muur werd groen.

Ik koos een tweedehands commode in Soest. De verkoper vertelde uitgebreid over haar drie bevallingen. Ik betaalde te snel en liep naar buiten voordat ze klaar was.

In de auto zei ik: ‘Ik kan nog steeds slecht tegen onbekommerde mensen.’

‘Misschien waren zij vroeger ook bang,’ zei Ruben.

‘Misschien. Vandaag kan ik dat niet bedenken.’

Rond de dertig weken begon mijn bloeddruk op te lopen. Bij een controle was hij opnieuw te hoog. Er volgden extra metingen en bloed- en urineonderzoek. Ik kreeg medicatie en vaker controles.

Mijn zwangerschapsverlof begon eerder dan gepland. Ik stuurde mijn overdracht vanaf de bank, terwijl Ruben boven het bedje in elkaar zette.

Iedere keer als de baby bewoog, legde ik mijn hand op mijn buik.

In januari kreeg ik hoofdpijn die niet wegtrok. Daarna zag ik flitsen aan de rand van mijn blik.

Ik belde meteen het nummer dat op mijn controlekaart stond.

‘Kom nu naar het ziekenhuis,’ zei de verpleegkundige.

Ik trok mijn schoenen aan zonder mijn veters te strikken.

Hoofdstuk 7

Ze blijft

In het Meander lag ik binnen een uur aan bewaking. Mijn bloeddruk was veel te hoog. De onderzoeken wezen op zwangerschapsvergiftiging. Ik was ruim zesendertig weken zwanger.

Een arts kwam bij mijn bed zitten.

‘We willen niet lang meer afwachten. We gaan bespreken hoe we de bevalling veilig op gang kunnen brengen.’

‘Is zij in gevaar?’ vroeg ik.

‘We houden jullie allebei nauwlettend in de gaten.’

Ik wilde een ja of nee. Dat kon ze me niet geven.

Ruben pakte mijn kleren uit de tas. Hij legde een joggingbroek in een kast, haalde hem er weer uit en vouwde hem opnieuw op.

‘Kom hier,’ zei ik.

Hij liet de broek liggen.

Ik belde Lotte. Ze nam meteen op.

‘Moet ik komen?’

‘Nog niet. Wil je gewoon bereikbaar blijven?’

‘Mijn telefoon ligt naast me.’

De bevalling werd ingeleid. Er volgden uren waarin weinig gebeurde. Daarna uren waarin ik de tijd kwijt was. Mensen wisselden diensten. Een verpleegkundige schreef haar naam op een bord, maar ik vergat hem steeds.

Ruben gaf me water. Ik duwde zijn hand weg. Even later vroeg ik waarom hij me niets te drinken gaf.

‘Omdat ik blijkbaar vandaag alles twee keer moet proberen,’ zei hij.

Ik moest lachen en kreeg tegelijk een wee.

Later veranderde de sfeer in de kamer. Een verpleegkundige keek lang naar de registratie van de hartslag. Ik moest op mijn zij gaan liggen. Er kwam een arts bij.

Onze dochter herstelde na sommige weeën niet goed genoeg. De arts adviseerde een keizersnede. Niet omdat iedereen al in paniek was, maar omdat verder wachten geen verstandige keuze leek.

Ik begon te trillen.

‘Jullie moeten haar eruit halen,’ zei ik.

‘Dat gaan we doen.’

Onderweg naar de operatiekamer zag ik lampen boven me voorbijgaan. Ruben liep mee in kleding die hem te groot was. Hij bleef mijn gezicht zoeken.

‘Ik ben hier,’ zei hij.

Ik kneep in zijn vingers tot hij zijn adem inhield.

Onze dochter werd op een donderdagochtend in januari 2024 geboren. Twaalf jaar nadat ik die eerste test naast Rubens koffie had gelegd.

Ze huilde niet meteen hard. Er werd met haar naar een opvangtafel gegaan. Ik kon haar niet goed zien.

‘Waar is ze?’

De anesthesiemedewerker vertelde wat er gebeurde. Dat ze ondersteuning kreeg. Dat het team bij haar was.

Toen hoorde ik een kort, schor geluid.

Geen indrukwekkende schreeuw. Genoeg om mijn hele lijf te laten schokken.

Ze heette Noor. Die naam hadden we pas een week eerder durven vastleggen.

Ik kon haar even zien en aanraken voordat ze voor verdere controle en ondersteuning naar de kinderafdeling ging. Ruben ging met haar mee. Dat hadden we afgesproken.

Toen hij verdween, voelde ik me toch verlaten.

Een verpleegkundige bleef bij me. Ze vertelde steeds waar ik was en wat er daarna zou gebeuren. Ik heb haar later een kaart gestuurd. Niet omdat ze iets groots zei. Omdat ze bleef praten toen ik zelf niets meer kon vragen.

Noor had hulp nodig met ademen, warm blijven en drinken. Ik herstelde van de operatie en bleef onder controle voor mijn bloeddruk. We lagen niet meteen samen tevreden op een kraambed.

Ik kolfde kleine beetjes melk en huilde om een leeg flesje. Een verpleegkundige zei dat bijvoeding geen oordeel was over mij.

Ik liet haar die zin herhalen.

Lotte kwam toen Noor stabiel genoeg was voor bezoek. Ze bleef naast het bed staan tot ik vroeg of ze haar wilde vasthouden.

Mijn zus keek naar het kleine gezicht.

‘Hoi Noor. Ik ben tante Lotte.’

Daarna keek ze naar mij.

Ik voelde liefde. Vermoeidheid. Een beetje van de oude jaloezie, onverwacht en beschamend. Het ging weer voorbij. Ik hoefde die gedachte niet te geloven of uit te spreken om eerlijk te zijn.

Na negen dagen mochten we naar huis.

Thuis sliep ik nauwelijks, ook als Noor sliep. Ik controleerde haar ademhaling. Ik schrok van ieder geluid en daarna van iedere stilte. De gesprekken met de psycholoog gingen door.

Ruben en ik maakten nachtdiensten. We kregen ruzie over flessen, bezoek en wie er het moeist was. Soms zei ik dat we niet mochten klagen.

‘Jawel,’ zei hij. ‘Ook wij moeten slapen.’

Nu is Noor vijf maanden. Over haar ontstaan praten we al, eenvoudig, terwijl ze op haar speelkleed ligt. Later komen haar vragen. Dan zullen we verder vertellen.

Gisteren zat ik met haar aan de keukentafel. Ruben zette koffie. Noor sloeg met haar hand tegen mijn mok en lachte toen ik hem wegschoof.

De map staat nog boven. Ik gooi hem niet weg.

Maar ik heb hem al weken niet opengeslagen.