Psychische gezondheid
Tussen twee uitersten
Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.
Hoofdstuk 1
De ketting vliegt eraf
Mijn naam is Dennis van Veen. Ik ben vierendertig jaar en ik woon in Deventer. Mijn hele werkzame leven sta ik al tussen de fietsen. Ik ben eerste mecanicien in een grote zaak vlak bij het station. Vet onder mijn nagels, de geur van ontvetter en rubber om me heen, het getik van een ratel in mijn hand. Dat is mijn wereld. Fietsen begrijp ik. Als een versnelling overslaat, zoek je de kabelspanning op. Als een wiel zwabbert, draai je aan de spakenspanner tot de slag eruit is. Alles heeft een logische oorzaak. Je stelt het af en het werkt weer.
Maar mensen werken niet zoals fietsen. En ik al helemaal niet.
Het begon in de lente, drie jaar geleden. Ik zat in een periode waarin alles leek te lukken. Tenminste, zo voelde het voor mij. Ik sliep vier uur per nacht en werd wakker met een stoot adrenaline in mijn lijf. Mijn vriendin Sanne lag dan nog diep te slapen. Ik sloop om vijf uur ’s ochtends al naar beneden. Ik zette sterke koffie, at een droge boterham en stapte op de racefiets naar de zaak. Ik was er altijd als eerste.
Mijn baas, Fred, vond het fantastisch. In het voorjaar staat de werkplaats altijd vol met mensen die hun e-bike willen laten nakijken voor het mooie weer. Normaal deden we twintig beurten op een dag met zijn drieën. Ik draaide er in mijn eentje al vijftien doorheen. Mijn handen vlogen over de frames. Ik praatte sneller, ik liep sneller, ik dacht sneller dan iedereen om me heen. Ik voelde me onoverwinnelijk.
"Doe je een beetje rustig aan, Den?" vroeg Fred op een dinsdagmiddag. Hij zette een mok thee op mijn werkbank. Ik was bezig met de trapas van een zware bakfiets. Het zweet liep langs mijn slapen, maar ik voelde geen vermoeidheid. Alleen een harde, snerpende vaart.
"Rustig aan?" lachte ik. Het klonk feller dan ik bedoelde. "Hoezo rustig aan? De tent staat vol. Als we nu doordrukken, hebben we de achterstand voor het weekend weggewerkt. Ik zit in een lekkere flow, Fred. Laat mij maar gaan."
Fred keek me aan met een blik die ik toen niet begreep. Hij keek niet trots. Hij keek bezorgd. "Je ogen staan zo wild," zei hij zacht. "Je hebt al drie dagen niet geluncht in de kantine."
"Geen tijd voor," beet ik hem toe. Ik zette de dopsleutel op het lager en trok met een ruk. Mijn hand schoot uit. Het staal van het tandwiel sneed diep in mijn knokkels. Het bloed droop meteen op het witte beton van de vloer.
Fred schrok. "Verdomme Dennis, ga zitten. Ik pak het verband erbij."
"Er is niks aan de hand!" schreeuwde ik. Mijn stem sloeg over. De andere jongens in de werkplaats stopten met poetsen en keken op. De radio speelde een vrolijk popliedje. De stilte tussen de gitaren door voelde ijskoud. Ik keek naar mijn bebloede hand. Mijn vingers trilden zo hard dat ik de sleutel niet meer kon oppakken.
In plaats van te luisteren, pakte ik een stuk poetskatoen, wikkelde het strak om mijn hand en trok het vast met tape. Ik weigerde naar huis te gaan. Ik moest door. Als ik zou stoppen, zo voelde het diep vanbinnen, zou er iets vreselijks gebeuren. Een soort donkere schaduw die vlak achter me rende. Zolang ik maar hard genoeg bleef trappen, bleef ik die schaduw voor.
Die avond kwam ik pas om negen uur thuis. Het eten stond koud in de magnetron. Sanne zat op de bank met de tv aan. Ze keek me aan toen ik de kamer in liep. Ze rook het meteen: zweet, spanning, de geur van metaal en bloed onder het provisorische verband.
"Dennis," zei ze rustig. Te rustig. "Dit kan niet langer zo. Kijk naar jezelf."
"Ik zorg dat het geld binnenkomt," zei ik bot. Ik trok een biertje open aan het aanrecht. Mijn hand klopte van de pijn. "Ik werk hard. Is dat tegenwoordig een misdaad?"
"Je bent er niet meer," zei ze. Ze stond op en liep naar me toe. Ze legde haar hand op mijn arm. Haar aanraking voelde als schuurpapier op mijn zenuwen. Ik trok mijn arm weg alsof ze me verbrandde.
"Laat me even," zei ik hees. "Ik ben gewoon moe."
Maar dat was de leugen. Ik was niet moe. Ik stond strak van de spanning. Mijn hoofd was een radio die tussen twee zenders in stond te piepen en te kraken. Ik dronk het flesje leeg in drie grote slokken. Die nacht sliep ik helemaal niet. Ik lag naast Sanne en staarde naar het plafond. De wekker tikte als een tijdbom. En ergens om vier uur ’s nachts, toen de vogels buiten begonnen te fluiten, voelde ik het gebeuren. Alsof iemand een hoofdschakelaar in mijn rug omdraaide. Met een harde, doffe klik. Het licht ging uit. De motor sloeg af. En de schaduw die me al die tijd had achtervolgd, stapte over me heen.
Hoofdstuk 2
Het zwarte zeil
De ochtend begon met een geluid dat pijn deed aan mijn kaken: het gezoem van de elektrische tandenborstel van Sanne in de badkamer. Normaal sprong ik om deze tijd al rond. Nu lag ik op mijn rug. Mijn benen voelden aan alsof ze waren volgegoten met vloeibaar beton. Loodzwaar. Onbeweeglijk.
Sanne kwam de slaapkamer in. Ze had haar jas al aan, haar tas over haar schouder. Ze werkt als administratief medewerker bij een basisschool. Ze zag me liggen en bleef in de deuropening staan.
"Ben je nog niet op?" vroeg ze verbaasd. "Het is half acht. Fred verwacht je over een halfuur."
Ik deed mijn mond open om iets te zeggen. Een simpele zin. Iets van: 'Ik kom eraan.' Maar er kwam alleen een schor geluid uit mijn keel. Mijn tong voelde te dik voor mijn mond. Ik kon mijn arm niet optillen om de deken van me af te slaan. Het was geen gewone moeheid na een zware week. Dit was anders. Alsof er een dik, zwart landbouwzeil over mijn hele lichaam en geest was getrokken. Donker, verstikkend en zwaar.
"Dennis?" Sanne liep naar het bed. Ze ging op de rand zitten. Het matras veerde mee, en zelfs die kleine beweging deed zeer in mijn hoofd. Ze legde haar hand op mijn voorhoofd. "Heb je koorts? Ben je ziek?"
"Ik..." begon ik. Mijn ogen brandden. "Ik kan het niet."
"Wat kun je niet?"
"Opstaan. Bewegen." De tranen kwamen zomaar. Zonder dat ik snikte, zonder waarschuwing. Ze liepen langs mijn slapen in mijn kussensloop. Ik schaamde me kapot. Ik was Dennis. De man die frames rechtboog met brute kracht, de man die nooit klaagde, de man die het wel even regelde. En nu lag ik te janken als een klein kind omdat ik mijn sokken niet kon aantrekken.
Sanne keek geschrokken. Ze had me nog nooit zien huilen. In de zeven jaar dat we samen waren, had ik misschien twee keer een brok in mijn keel gehad, bij de begrafenis van mijn opa en toen onze oude hond doodging. Nooit om mezelf.
"Ik bel Fred," zei ze beslist. Ze pakte mijn telefoon van het nachtkastje.
"Nee," fluisterde ik. De paniek schoot door het lood heen. "Niet bellen. Dan denkt hij dat ik slap ben."
"Dennis, stel je niet aan. Je bent ziek. Dit gaat niet." Ze toetste het nummer in en liep de gang op. Ik hoorde haar gedempte stem. 'Ja, met Sanne... Nee, Dennis kan echt niet komen vandaag... Ik weet het niet, Fred. Hij ligt helemaal stil. Hij kan nauwelijks praten.'
Ik trok de deken over mijn hoofd. Het rook onder de deken naar mijn eigen zweet, muf en zuur van de spanning van de afgelopen weken. Buiten scheen de zon. Het was een strakblauwe voorjaarsdag. Ik haatte die zon op dat moment. Ik haatte het vrolijke gefluit van de merel in de dakgoot. Alles wat bewoog, alles wat leefde, voelde als een persoonlijke belediging.
Sanne kwam terug. Ze zette een glas water op het nachtkastje en een strip paracetamol. "Fred zegt dat je moet uitzieken. Neem je tijd, zei hij."
'Neem je tijd.' De woorden galmden na in mijn lege hoofd. Tijd was altijd mijn vijand geweest. Ik moest dingen afmaken, meters maken. Zonder tijd was er niets.
Sanne gaf me een kus op mijn voorhoofd. "Ik moet nu gaan, de kinderen komen zo op school. Ik kom tussen de middag even kijken, goed? Bel me als er iets is."
De voordeur viel beneden in het slot. De klik van het nachtslot klonk definitief. Ik was alleen.
Urenlang heb ik naar het behangpatroon gestaard. Zes bloemen in een rij, dan een streep, dan weer zes bloemen. Ik telde ze. Vooruit, achteruit. Mijn gedachten draaiden in een cirkel rond. 'Je stelt je aan. Sta gewoon op. Ga douchen. Iedereen werkt, jij ligt hier lui te wezen. Fred lacht je uit. De jongens lachen je uit. Je bent een mislukkeling.'
Het vreemde was: de stem in mijn hoofd was keihard, maar mijn lijf reageerde er niet op. Het bleef liggen. Rond twaalf uur probeerde ik naar de wc te gaan. Ik gooide de deken opzij. De kou van de slaapkamer sloeg op mijn blote borst. Ik zette mijn voeten op het laminaat. Mijn knieën knikten direct door. Ik moest me vasthouden aan de kledingkast om niet om te vallen. In de spiegel van de kast zag ik een schim. Wit gezicht, donkere kringen onder holle ogen, ongekamde haren die alle kanten op stonden. Ik herkende de man in het glas niet. Wie was dit wrak? Dit was Dennis niet. Dit was een lege huls.
Hoofdstuk 3
De stilte in de gang
Drie weken later lag ik nog steeds grotendeels op dezelfde plek. De slaapkamer was mijn hele wereld geworden, met af en toe een verhuizing naar de bank in de woonkamer. De gordijnen hield ik half dicht. Het felle licht deed pijn aan mijn ogen.
In het begin dacht iedereen nog aan een zware griep of een fikse overbelasting. Fred had een fruitmand gestuurd. Hij stond op de salontafel. De bananen waren inmiddels bruin geworden, de mandarijnen droogden uit tot harde, oneetbare balletjes. Niemand raakte ze aan. Die mand stond daar als een monument van mijn eigen falen.
Sanne veranderde. De eerste week was ze zorgzaam geweest. Ze bracht thee, smeerde boterhammen met kaas die ik na twee happen weer liet liggen, en vroeg zacht hoe het ging. Maar na drie weken was de rek eruit. Ik zag het aan de strakke lijn van haar lippen als ze thuiskwam. Ik zag het aan de manier waarop ze de pannen op het fornuis zette. Met net iets te veel kracht.
Op een donderdagavond barstte het open. Ik zat op de bank. Ik had al twee dagen niet gedoucht. De tv stond op een herhaling van een kookprogramma. Ik keek niet echt; ik staarde gewoon naar de bewegende kleuren.
Sanne kwam binnen met twee zware boodschappentassen. Ze liet ze met een doffe plof op de keukenvloer vallen. Een pak melk scheurde bijna open. Ze bleef in de doorgang naar de kamer staan, met haar armen over elkaar.
"Dennis," zei ze. Haar stem trilde van ingehouden woede. "Heb je de vuilniszakken buitengezet?"
Ik kromp ineen. "Vergeten."
"Vergeten?" Ze stapte de woonkamer in. "Je zit hier de hele dag. De hele godganse dag op die bank. Ik vraag je één ding. Eén klein dingetje: loop naar de schuur en zet die twee grijze bakken aan de straat. En zelfs dat kun je niet opbrengen?"
"Het lukte me niet, San," zei ik zacht. Ik keek naar mijn sokken. Er zat een gat bij mijn grote teen. Ik schaamde me, maar ik kon de energie niet vinden om van me af te bijten.
"Zeg dat nou niet steeds!" riep ze uit. De tranen sprongen in haar ogen. "'Het lukt me niet.' Wat betekent dat nou helemaal? Je bent kerngezond! De dokter heeft je bloed geprikt, je schildklier is goed, je hebt geen ontstekingen, niks! Er is lichamelijk niets mis met je!"
"Mijn hoofd..." mompelde ik.
"Ja, je hoofd!" Ze liep heen en weer door de kamer. "Praat dan met me! Vertel me dan wat er aan de hand is! Maar je zit hier alleen maar als een zoutzak voor je uit te staren. Ik kom thuis van een drukke dag en het huis ruikt naar oud zweet en stilstand. Ik trek dit niet meer, Dennis. Ik meen het. Ik ga hieraan kapot."
Haar woorden kwamen aan als stompen in mijn maag. Ze had gelijk. Dat was het ergste. Ze had volkomen gelijk. Ik zag hoe zwaar ze het had. Ze deed het huishouden, ze deed de boodschappen, ze werkte fulltime en ze moest zorgen voor een man die mentaal dood leek te zijn. Ik was een blok aan haar been.
"Misschien..." bracht ik er met moeite uit, "misschien moet je maar gewoon weggaan. Zoek iemand die wel normaal kan doen."
Sanne bleef stokstijf staan. Haar gezicht trok wit weg. "Is dat jouw oplossing? Jezelf nog dieper de put in trappen? Zodat je helemaal geen verantwoordelijkheid meer hoeft te nemen?"
Ze draaide zich om en liep de gang in. De slaapkamerdeur boven sloeg even later hard dicht. Beneden viel de stilte weer terug over de kamer. De radio op de zender van mijn hoofd begon weer te piepen.
Ik keek naar mijn handen. Dit waren de handen waarmee ik kromme velgen recht trok. Handen waarmee ik fijngevoelige elektronica in dure racefietsen instelde tot op de millimeter. Nu voelden ze nutteloos. Als ik geen fietsenmaker was, als ik geen harde werker was, wat was ik dan nog wel? Een last. Een parasiet die teerde op de liefde en het geduld van een vrouw die beter verdiende.
Ik stond op. Mijn benen voelden wankel, maar er brandde opeens iets donkers en hards vanbinnen. Een besluit. Ik kon hier niet blijven zitten wachten tot Sanne me het huis uit schopte. Ik moest weg. De kou in.
Hoofdstuk 4
Een vreemde in de spiegel
Het was half elf ’s avonds. De straat was leeg en verlaten. Er viel een fijne, ijzige motregen die direct op mijn huid plakte. Ik had niet eens de moeite genomen om een goede jas aan te trekken. Ik liep in een oud vest met een rits die halverwege vastzat, een trainingsbroek en mijn afgetrapte werkschoenen zonder sokken.
Ik liep richting de IJssel. Mijn voeten vonden de weg vanzelf, over de natte klinkers van de binnenstad, onder de spoorbrug door naar de kade. De wind vanaf het water sneed door mijn kleren heen. Het deed pijn, maar die fysieke pijn was bijna een opluchting. Het leidde af van de zware, stroperige mist in mijn brein.
Ik bleef staan bij het hekwerk aan de kade. Het water van de IJssel stroomde snel en kolkend voorbij, zwart als teer onder de weinige lantaarnpalen. Het leek haast te trekken. Niet eens op een dramatische manier, maar gewoon als een logische uitweg. Een punt waar alles stopt met tollen. Geen Fred meer die vroeg wanneer ik weer kwam. Geen Sanne meer die wanhopig naar me keek met tranen in haar ogen. Geen mislukte vent meer die op een bank zat te rotten.
Ik legde mijn handen op de koude, natte ijzeren buis van de reling. Het staal voelde vertrouwd. IJzer bedriegt je niet. IJzer buigt of het breekt, maar het liegt nooit.
'Als je springt,' dacht ik heel nuchter, 'is het binnen twee minuten voorbij. Dan heeft iedereen rust.'
Ik zette één voet op de onderste stang van het hek. Mijn natte zool gleed bijna weg op het vochtige metaal. Ik keek naar beneden, naar de donkere wervelingen rond de basaltblokken.
En toen hoorde ik een geluid. Vlak achter me.
Een fiets. Een oude stadsfiets, aan het piepen van de ketting te horen. Het was een ritmisch, schurend geluid. Piep-krak, piep-krak. Een versleten trapas, dacht ik automatisch. En de ketting staat veel te slap, die klapt tegen het kettingscherm.
Ik verstijfde. Ik keek niet om, maar bleef staan, half hangend aan de reling. De fietser kwam dichterbij en remde. De remblokjes waren tot op het ijzer versleten; het gaf een schel, metaalachtig gekrijs.
"Mooie avond voor een wandeling, buurman," zei een stem. Het was een oudere man, een krantenbezorger waarschijnlijk, met fietstassen vol reclamefolders. Hij bleef staan met één voet op de grond. Hij keek me niet recht aan, alsof hij me niet wilde laten schrikken, maar hij keek wel degelijk.
"Koud," bracht ik uit. Mijn stem klonk krakerig, alsof hij maanden niet gebruikt was.
"Zeker koud," zei de man rustig. Hij stak een sjekkie op. De geur van zware shag dreef mijn kant op. "De wind staat verkeerd. Vriest je oren van je kop. Weet je hoe laat het is?"
"Nee," zei ik.
"Kwart voor elf. Tijd om binnen te zitten met een pot thee. Of een borrel." Hij nam een trek van zijn peuk en blies de rook in de wind. "Gaat-ie een beetje?"
Die simpele vraag. Niet boos zoals Sanne. Niet zakelijk zoals Fred. Gewoon: 'Gaat-ie een beetje?'
Ik haalde mijn voet van de stang af. Mijn hele lijf begon onbedaarlijk te rillen. Niet van de kou, maar van het besef waar ik mee bezig was geweest. Ik had op het randje gestaan. Letterlijk.
"Nee," zei ik eerlijk. De tranen mengden zich met de regen op mijn wangen. "Het gaat helemaal niet."
De oude man knikte langzaam. Hij stelde geen moeilijke vragen. Hij begon niet over therapie of dat het leven mooi was. Hij zei alleen: "Dan moet je naar huis gaan, jongen. Morgen weer een dag. Hoe koud het vanacht ook is, morgenochtend wordt het gewoon weer licht. Dat hou ik mezelf altijd maar voor als de tassen te zwaar zijn."
Hij trapte zijn fiets weer aan de praat. Piep-krak. Piep-krak. Het geluid stierf langzaam weg in de mist langs de rivier.
Ik bleef nog even staan. Ik keek naar de rivier en voelde geen aantrekkingskracht meer, alleen nog een kille schrik. Ik wilde niet dood. Ik wilde helemaal niet verdwijnen. Ik wilde alleen maar van die verschrikkelijke pijn af. Ik wilde ophouden met vechten tegen iets wat ik niet begreep.
Ik draaide me om en begon te lopen. Stap voor stap. Terug naar huis.
Hoofdstuk 5
Het kleine schroefje
Toen ik de sleutel in het slot stak, hoorde ik binnen meteen beweging. De deur vloog open voor ik hem goed en wel vast had. Sanne stond daar. Ze had haar jas nog aan, haar sleutels in haar hand. Ze had op het punt gestaan om me te gaan zoeken. Haar ogen waren rood en opgezwollen.
Toen ze me zag staan – doorweekt, trillend, met natte haren langs mijn gezicht geplakt – zei ze niets. Ze trok me naar binnen, sloeg haar armen om me heen en hield me vast. Ik begon te huilen. Niet zachtjes dit keer, maar rauw en schokkend, met mijn gezicht in haar natte jas. Ik liet alles lopen: de schaamte, de angst, het gevoel dat ik een mislukking was.
"Ik kan het niet alleen, San," snikte ik. "Er is iets goed mis met me. Ik weet niet meer hoe ik moet leven."
"We gaan hulp halen," zei ze in mijn haar. "Morgenochtend. Samen."
De volgende dag zat ik bij de huisarts. Een nuchtere vrouw van een jaar of vijftig. Ik vertelde haar alles. Niet alleen over de donkere put van de afgelopen weken, maar ook over de weken daarvoor. Hoe ik door de werkplaats raasde, hoe ik dacht dat ik de hele wereld aankon, hoe ik nachten oversloeg alsof slaap voor zwakkelingen was.
Ze luisterde aandachtig en maakte aantekeningen op haar computer. Ze keek me daarna strak aan over de rand van haar leesbril.
"Dennis," zei ze, "jij leeft alsof je een gaspedaal hebt en een handrem, maar geen gewone rem daartussenin. Je trapt hem vol in tot de motor oververhit raakt, en dan trek je met tachtig kilometer per uur de handrem aan. Dan vlieg je uit de bocht."
Het was een metafoor die ik begreep. Ze noemde termen die me deden duizelen: stemmingswisselingen, een zware depressieve episode na een periode van overmatige hypomane activiteit. Geen gekte, maar een hapering in het systeem.
"We gaan je aanmelden bij de praktijkondersteuner en de specialist," zei ze. "Maar jij moet me één ding beloven: je gaat stoppen met alles of niets. Vanaf vandaag doe je elke dag één ding. Eén klein dingetje dat geen haast heeft."
Die middag liep ik na het consult naar mijn eigen schuur achter het huis. Het rook er vertrouwd: olie, zaagsel, oude binnenbanden. In de hoek stond een oud kinderfietsje. Een rood driewielertje van het buurjongetje, dat ik maanden geleden al had beloofd op te knappen. Het lag onder een dikke laag stof.
Ik pakte een doek. Geen dopsleutel, geen accutol, geen stopwatch. Alleen een doek en een spuitbus ontvetter.
Ik zette het fietsje op de houten werkbank. Mijn handen beefden nog steeds lichtjes. Mijn hoofd voelde nog steeds aan alsof het vol watten zat. De zwaarte was niet weg. Die huisarts had geen toverstaf gehad. Maar ik pakte het doekje, spoot een beetje vloeistof op het verroeste spatbordje en begon te wrijven.
Cirkels draaien. Zachtjes. Niet te hard duwen, anders kras je de lak.
Langzaam verdween het vet en de roest. Eronder kwam een felrood stukje lak tevoorschijn. Het glom dof in het middaglicht dat door het schuurraampje viel.
Ik keek ernaar. Tien vierkante centimeter schoongemaakt. Meer was het niet. Normaal had ik dit fietsje in tien minuten uit elkaar getrokken, gereviseerd en weer in elkaar gezet. Nu had ik een kwartier gedaan over één spatbord.
Maar ik had het gedaan. Ik had niet op de bank gelegen. Ik had niet aan de reling van de kade gestaan.
Ik pakte een steeksleuteltje maat 8. Een klein schroefje aan het zadel zat los. Ik zette het sleuteltje erop. Eén slag naar rechts. Twee slagen. Vast. Niet te strak aandraaien, want dolgedraaid schroefdraad herstelt zich niet vanzelf. Je moet weten wanneer je moet stoppen met aandraaien. Dat was de les die ik nooit had geleerd.
Hoofdstuk 6
Praten over roest
Twee maanden later zat ik in het kantoortje van Fred. Buiten hoorde ik het vertrouwde geluid van de werkplaats: het zoemen van de compressor, het geratel van een ketting, de stemmen van mijn collega's Mo en Stefan. Het gaf me een mengeling van heimwee en een knoop in mijn maag.
Fred schoof een mok koffie naar me toe. Zwart, zoals ik hem altijd dronk. Hij keek me aan. Zijn blik was anders dan die dag dat ik mijn knokkels openhaalde. Minder geschrokken, maar nog steeds voorzichtig.
"Goed om je weer te zien, Den," zei hij.
"Fijn om er weer even te zijn," zei ik. Ik hield mijn handen om de warme mok geklemd om te voorkomen dat hij zag dat ze nog een heel klein beetje trilden. "Al is het maar voor een uurtje."
We hadden afgesproken om te praten over mijn re-integratie. Het plan van de bedrijfsarts lag tussen ons op tafel: beginnen met twee ochtenden van drie uur. Alleen lichte klusjes. Geen deadlines, geen baliecontact met klanten.
"Ik voel me net een beginner," zei ik met een wrange glimlach. "Drie uur per dag. Fred, dat deed ik vroeger voor het ontbijt."
Fred leunde achterover in zijn bureaustoel. De stoel piepte zacht. "Dennis, luister eens goed naar me. Vroeger deed je het werk van twee man. En kijk waar het je heeft gebracht. Drie maanden uit de running. Sanne overstuur aan de telefoon. En jij die bijna door het ijs zakte."
Ik slikte. Het bleef pijnlijk om te horen, ook al sprak ik er inmiddels wekelijks over met een psycholoog. We noemden het 'mijn valkuil'. Ik noemde het gewoon mijn stomme trots. Ik had altijd gedacht dat mijn waarde als mens afhing van het aantal fietsen dat aan het eind van de dag buiten op de stoep stond, klaar voor vertrek.
"Ik was bang dat je me zou ontslaan," zei ik eerlijk. De woorden voelden zwaar, maar ik sprak ze toch uit. "Toen ik instortte. Ik dacht: Fred heeft niks aan een vent die niet kan leveren."
Fred schudde zijn hoofd. Er kwam een boze trek om zijn mond, maar niet naar mij gericht. "Wat denk je nou eigenlijk van mij, man? Ik ken je al vanaf je negentiende. Je bent de beste mecanicien die ik ooit heb gehad. Maar je bent een koppige ezel. Als een klant hier binnenkomt met een frame dat krom is van een aanrijding, zeg jij toch ook niet: 'Rij er maar gewoon op door, trap maar harder'?"
"Nee," zei ik zacht. "Dan zeg ik dat het frame gericht moet worden. En dat het tijd kost om het metaal weer sterk te maken."
"Nou dan," zei Fred. Hij wees met zijn vinger naar mijn borst. "Jouw frame was krom. Zwaar verbogen. We gaan het niet forceren. Als jij denkt dat je hier volgende week binnenkomt en meteen weer tien e-bikes per dag uit elkaar trekt, stuur ik je persoonlijk weer naar huis. Begrepen?"
Ik knikte. Er viel een brok spanning van mijn schouders af. De angst om 'ontmaskerd' te worden als een zwakkeling, bleek vooral in mijn eigen hoofd te hebben gewoond. Fred wilde geen superheld. Fred wilde gewoon een Dennis die heel bleef.
Na het gesprek liep ik even de werkplaats in. Mo en Stefan stopten meteen met waar ze mee bezig waren. Mo veegde zijn vette handen af aan zijn overall en gaf me een stevige handdruk. Stefan gaf me een stomp tegen mijn schouder.
"Hé, ouwe reus," zei Mo met een brede grijns. "Wanneer kom je ons weer redden? Die bakfietsen van tegenwoordig zijn niet te tillen zonder jou."
"Volgende week," zei ik. "Maar ik ga jullie niet redden. Ik kom alleen een beetje aan kleine wieltjes draaien."
"Beter iets dan niets," lachte Stefan. "De koffie smaakt naar slootwater sinds jij er niet meer bent om het apparaat schoon te maken."
Er werd niet moeilijk gedaan. Niemand vroeg naar psychiaters of pillen. Ze zagen dat ik magerder was geworden, ze zagen dat mijn blik rustiger was, misschien wat doffer dan voorheen. Maar ze zagen me nog steeds als hun collega. Er was geen roest die we niet konden wegschuren, zolang we er maar over praatten.
Hoofdstuk 7
Het midden van de weg
Het is nu een jaar later. Het is weer herfst. De bomen langs de IJssel laten hun bladeren vallen en het water is grauw en wild. Maar vanavond sta ik niet aan de kade met donkere gedachten. Ik sta gewoon in mijn eigen keuken, aardappels te schillen voor de boerenkool.
Sanne zit aan de keukentafel met een stapel proefwerken. Af en toe kijkt ze op. Geen angst meer in haar ogen, geen spanning die als een dik touw tussen ons in hangt. Gewoon rust. We hebben littekens overgehouden aan die winter, allebei. Maar de wond is dicht.
Ik werk weer vier dagen in de week. Geen veertig uur meer, maar tweeëndertig. Fred en ik hebben duidelijke afspraken gemaakt. Om vijf uur leg ik mijn gereedschap neer. Zelfs als er nog een band geplakt moet worden, zelfs als de baas van de plaatselijke tennisclub staat te stampvoeten omdat zijn racefiets nog niet klaar is. Mijn gezondheid gaat voor. Dat was een keiharde les, maar ik heb hem geleerd.
Is alles nu perfect? Nee. Absoluut niet.
Er zijn nog steeds ochtenden dat ik wakker word en voel dat de zwaarte weer op de loer ligt. Dan voelen mijn armen weer zwaarder dan normaal en fluistert dat stemmetje op de achtergrond: 'Blijf maar liggen. Het heeft toch allemaal geen zin.' Maar ik weet nu wat ik moet doen. Ik luister niet meer naar die stem als een wet. Ik herken het als een signaal van oververmoeidheid. Dan neem ik een douche, eet rustig een bord pap, en doe die dag een stapje terug.
En andersom gebeurt het ook nog. Vorige maand had ik opeens weer drie dagen achter elkaar die harde rush. Ik sliep korter, praatte sneller, kocht online gereedschap dat ik eigenlijk niet nodig had. Sanne merkte het meteen.
Ze legde tijdens het eten haar hand op de mijne en zei alleen maar: "Dennis. Je versnelling staat te hoog."
En in plaats van boos te worden, zoals twee jaar geleden, ademde ik diep in. Ik keek naar haar hand. Ik voelde de onrust in mijn borstkas jagen, maar ik vocht er niet tegen. "Je hebt gelijk," zei ik. Ik zette mijn telefoon uit, meldde me de volgende dag uit voorzorg een dagje ziek met oververmoeidheid, en ging wandelen in het bos bij Diepenveen. Na twee dagen zakte de piek weer af.
Ik heb moeten accepteren dat ik een man ben van uitersten. Ik zal nooit die volkomen vlakke, stabiele lijn worden die sommige mensen van nature lijken te hebben. Mijn bloed stroomt soms te snel, en soms te traag. De kunst is niet om die pieken en dalen helemaal weg te toveren. De kunst is om niet meer mee te springen als de afgrond zich aandient, en om niet blind te vliegen als de zon te fel schijnt.
Ik loop op het midden van de weg nu. Het asfalt is daar niet altijd glad. Er zitten gaten in en soms moet ik uitwijken voor een tegenligger. Maar ik rijd niet meer met tachtig kilometer per uur de vangrail in.
Ik gooi de geschilde aardappels in de pan met water en zet het fornuis aan. Het blauwe gasvlammetje plopt tevreden onder de pan. Buiten tikt de regen zachtjes tegen de ruiten van ons huis aan de rand van Deventer. Het is een doodgewone dinsdagavond. Ik ben Dennis. Ik repareer fietsen, en soms moet ik mezelf een beetje bijstellen. Niet met brute kracht, maar met geduld, een kwartslag per keer.