Naar de inhoud
Terug naar het boek

Ziekte en gezondheid

Tussen scan en uitslag

Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.

Hoofdstuk 1

Tussen scan en uitslag

De envelop lag onder een folder van de supermarkt. Ik zag eerst het logo van het ziekenhuis. Daarna mijn naam. Ruben van Dijk. Alsof er nog een andere Ruben op de tweede verdieping van ons portiek in Amersfoort woonde.

Ik maakte hem open met een broodmes. Controle-CT, dinsdag 14 november, negen uur tien. Het gesprek met de oncoloog stond zes dagen later gepland.

Zes dagen. De scan zelf duurde nog geen kwartier. Daarna moest ik zes dagen leven zonder te weten wat er op die beelden stond.

‘Is dat je afspraak?’ vroeg Sanne.

Ze stond bij het aanrecht en sneed een appel voor onze dochter Mila. Sanne en ik waren sinds vier maanden uit elkaar. Op woensdag at ze nog bij ons voordat Mila met haar meeging. Een afspraak die bedoeld was om het eenvoudig te houden. Niemand had gezegd voor wie.

‘Gewoon controle.’

‘Dat vroeg ik niet.’

Ik schoof de brief naar haar toe.

Mila zat aan tafel met een werkblad over breuken. Ze was elf en luisterde sinds mijn ziekte naar gesprekken waar ze vroeger doorheen praatte.

‘Moet je weer in die tunnel?’ vroeg ze.

‘Die met de grote opening. Niet die lange.’

‘En daarna?’

‘Dan bespreekt de dokter de foto’s.’

‘Zijn het foto’s van de kanker?’

Sanne legde het mes neer. Ik wilde dat ze doorging met die appel. Het stille mes maakte de vraag groter.

‘Van mijn buik en mijn borst,’ zei ik. ‘Ze kijken of alles nog rustig is.’

Mila trok een lijn onder haar som. ‘Dat zei je vorige keer ook.’

Ze had gelijk.

Achttien maanden eerder was ik naar de huisarts gegaan met bloed bij mijn ontlasting. Ik was negenendertig. Ik werkte als planner bij een installatiebedrijf in Soest. Ik fietste naar mijn werk, at redelijk en had altijd gedacht dat ernstige ziekte zich vooraf duidelijk aankondigde.

Mijn huisarts, dokter Koster, stuurde me door. Tijdens het darmonderzoek zag ik zelf iets op het scherm. Een vernauwing. Rood, onregelmatig weefsel. De arts zei dat ze biopten nam. Ik vroeg of ik maandag kon werken.

Twee weken later hoorde ik dat ik darmkanker had. Er volgde een operatie. In drie weggehaalde lymfeklieren zaten kankercellen. Daarna kreeg ik chemotherapie om de kans op terugkeer te verkleinen.

Van die maanden herinner ik me geen doorlopend verhaal. Wel een bakje yoghurt dat naar metaal smaakte. Een verpleegkundige die mijn infuuspomp midden in de nacht stil kreeg. Mila die niet op mijn bed durfde te zitten omdat ze bang was dat mijn buik zou openscheuren.

De behandeling eindigde in maart. Mensen zeiden dat ik het achter de rug had. Ik liet ze praten.

Mijn voeten tintelden nog. Soms voelde ik de sokken niet die ik aantrok. Mijn darmen hielden zich niet aan vergadertijden. En iedere controle bracht me terug naar de stoel waarin ik voor het eerst slecht nieuws had gekregen.

Na het eten ging Mila haar tas pakken. Sanne bleef bij de tafel staan.

‘Wie gaat er mee naar de uitslag?’

‘Weet ik nog niet.’

‘Je moet iemand vragen.’

‘Ik weet hoe een ziekenhuis werkt.’

‘Dat is niet hetzelfde.’

Ik vouwde de brief dubbel. Daarna nog eens. Hij paste nu in mijn hand.

‘Ben je ergens bang voor?’ vroeg ze.

Ik keek naar het werkblad van Mila. Ze had zeven achtste opgeschreven waar vijf achtste moest staan.

‘Sinds een paar weken voel ik iets rechts onder mijn ribben.’

Sanne schoof een stoel naar achteren en ging zitten.

‘Heb je gebeld?’

‘Het doet niet echt pijn.’

‘Heb je gebeld, Ruben?’

‘Nee.’

Ze zuchtte, maar niet boos. Dat was bijna erger.

Ik voelde die plek vooral ’s avonds. Een druk, soms een steek. Misschien spieren. Misschien mijn darmen. Misschien iets waar ik geen naam aan wilde geven. Ik duwde er zo vaak op dat mijn huid gevoelig was geworden.

‘Bel morgen,’ zei Sanne.

Uit Mila’s kamer klonk een rits. Daarna haar stem.

‘Pap, mijn blauwe trui is nog nat.’

Ik stond meteen op. Een natte trui kon ik oplossen. Ik pakte de föhn uit de badkamer en hield hem boven de stof.

Sanne kwam in de deuropening staan.

‘Morgen,’ zei ze nog een keer.

Ik knikte zonder haar aan te kijken.

Hoofdstuk 2

De warme vloeistof

De verpleegkundige van de polikliniek belde die donderdag terug. Ze heette Fatima. Ik kende haar nog van de chemotherapie.

‘Vertel eens over die druk onder je ribben.’

Ik stond op mijn werk in de voorraadruimte. Tussen dozen thermostaten en rollen kabel. Door het dunne wandje hoorde ik mijn collega Dennis lachen.

Fatima vroeg wanneer ik de druk voelde. Of ik koorts had. Of ik nog at. Of mijn ontlasting was veranderd. Ik antwoordde zo precies mogelijk. Het klonk klein wanneer ik het hardop zei.

‘Ik overleg met de arts,’ zei ze. ‘Je scan staat al voor dinsdag. We bekijken of er eerder iets nodig is.’

‘Denk je dat het terug is?’

De vraag was eruit voordat ik hem kon tegenhouden.

‘Dat kan ik niet bepalen aan de telefoon.’

Ze zei het rustig. Niet ontwijkend. Toch hoorde ik vooral wat ze niet kon uitsluiten.

Later die middag liet ze weten dat de geplande scan kon blijven staan. Bij duidelijke verergering of nieuwe klachten moest ik contact opnemen. Ze noemde een paar dingen waar ik op moest letten. Ik schreef ze op de achterkant van een pakbon.

Dinsdag haalde mijn zus Eva me op. Ze had koffie in een thermosbeker en een zak pepermunt in haar jas.

‘Volgens je brief mag je nog drinken, toch?’ vroeg ze.

‘Water wel. Ik heb de instructies gevolgd.’

‘Goed. Dan is die koffie voor mij.’

Ze reed zonder de radio aan te zetten. Bij de rotonde naast het Meander Medisch Centrum sloeg ze bijna verkeerd af. Ze vloekte en ik moest lachen. Het was mijn eerste echte lach die ochtend.

Binnen rook het naar koffie en schoonmaakmiddel. Op een bankje zat een man met een doorzichtige tas vol medicijndoosjes. Een vrouw duwde een rolstoel met één hand en hield met haar andere hand een telefoon tegen haar oor.

Voor al die mensen was dit een dinsdag. Voor mij was het een dag waarop mijn lichaam opnieuw verdacht werd.

Bij radiologie controleerde een medewerker mijn gegevens. Ik moest mijn geboortedatum noemen. Daarna nog een keer, in de scanruimte.

‘Dat weet ik inmiddels zeker,’ zei ik.

De laborant glimlachte beleefd. Ze hoorde dat grapje waarschijnlijk dagelijks.

Ze prikte een infuus in mijn arm. Haar collega schoof een kussen onder mijn knieën. Ik lag met mijn armen boven mijn hoofd. De houding trok aan het litteken in mijn buik.

‘Van het contrastmiddel kunt u een warm gevoel krijgen,’ zei de laborant. ‘Sommige mensen denken even dat ze plassen. Dat gebeurt niet echt.’

‘Vorige keer dacht ik dat ook.’

‘Dan herkent u het zo.’

Ze liepen naar de ruimte achter het glas. De tafel bewoog. Een stem vroeg me in te ademen en mijn adem vast te houden.

Ik keek naar een klein lichtje boven me.

Het contrastmiddel werd warm in mijn borst, daarna in mijn buik en liezen. Ik dacht aan die druk rechts. Ik probeerde te voelen of er iets veranderde. Dat was onmogelijk, maar ik bleef het proberen.

‘U mag weer doorademen.’

Toen was het klaar.

De laborant haalde mijn infuus eruit en drukte een gaasje op de prikplek.

‘Zag het er goed uit?’ vroeg ik.

Ze keek me aan.

‘De radioloog beoordeelt de beelden. Uw behandelaar bespreekt de uitslag met u.’

Ik wist het antwoord voordat ik de vraag stelde. Toch schaamde ik me. Alsof ik haar had gevraagd iets voor me te stelen.

Eva wachtte bij de uitgang van de afdeling. Ze stond meteen op.

‘Koffie?’

‘Naar huis.’

In de auto vroeg ze of ik donderdag bij haar wilde eten. Haar zoon zou pannenkoeken bakken. Ik zei dat ik moest kijken hoe het liep.

‘Wat moet er lopen?’ vroeg ze.

‘Mijn week.’

‘Je hoeft niet zes dagen op een stoel te gaan zitten wachten.’

‘Dat weet ik.’

Mijn stem klonk scherp. Ze liet het rusten.

Thuis zette ik mijn schoenen naast de bank. Ik opende het patiëntenportaal op mijn laptop. Er stond nog geen verslag.

Ik vernieuwde de pagina.

Daarna nog eens.

Om kwart over elf belde Dennis. Een monteur stond bij een klant zonder de juiste onderdelen. Of ik even kon meedenken.

Ik zocht de order op. Ik belde het magazijn. Ik regelde een spoedrit.

Twaalf minuten lang was ik goed in iets.

Toen het probleem was opgelost, keek ik opnieuw in het portaal.

Hoofdstuk 3

Eén woord

Het verslag verscheen woensdag om zestien uur drieënveertig. Ik weet dat zo precies omdat ik daarna steeds naar de klok keek.

Ik zat achter mijn bureau op kantoor. Dennis was naar een bouwplaats. Buiten reed een vrachtwagen achteruit. Het piepen kwam door het open raam.

Bovenaan stonden termen die ik deels herkende. Status na operatie. Geen verdachte longafwijkingen. Geen vergrote lymfeklieren.

Ik ademde uit.

Verderop stond iets over mijn lever.

‘Nieuw hypodens focus in segment VI, circa 11 mm, onvoldoende te karakteriseren. Gezien de voorgeschiedenis aanvullende MRI geadviseerd.’

Ik las de zin opnieuw. Daarna alleen het eerste woord.

Nieuw.

Mijn telefoon lag naast mijn toetsenbord. Ik pakte hem en legde hem terug. Ik wilde iemand bellen die kon zeggen dat ik het verkeerd begreep. Tegelijk wilde ik niet horen dat ik het goed begreep.

Uiteindelijk belde ik de polikliniek. De assistente nam een bericht aan voor de verpleegkundige.

‘Ik zie iets in mijn verslag,’ zei ik. ‘Over mijn lever.’

‘Ik zorg dat u wordt teruggebeld.’

‘Vandaag?’

Ze kon het niet beloven.

Ik sloot mijn laptop. Op het scherm zag ik nog even mijn eigen gezicht. Mijn mond stond open.

Buiten liep ik naar mijn auto. Ik ontgrendelde hem, ging zitten en deed niets. Een collega tikte op mijn raam. Henk van de werkplaats.

‘Alles goed?’

Ik draaide het raam een stukje open.

‘Nee. Ik heb iets in mijn uitslag gelezen.’

Het was de eerste eerlijke zin van die middag.

Henk leunde niet op de deur. Hij maakte geen grap. Hij vroeg alleen of ik zelf kon rijden.

‘Nog niet.’

‘Dan wachten we even.’

Hij bleef naast de auto staan. Na een minuut wees hij op mijn telefoon.

‘Moet je iemand hebben?’

Ik belde Eva.

Ze was bij een klant in Utrecht. Ze stapte naar buiten terwijl ik de zin voorlas.

‘Wat betekent hypodens?’ vroeg ze.

‘Geen idee.’

‘Dan weten we dus nog niet wat er staat.’

‘Er staat nieuw.’

Dat woord kon ik niet loslaten.

Thuis zocht ik alles op. Segment VI. Leveruitzaaiingen. Darmkanker, lever, elf millimeter. Ik kwam op wetenschappelijke pagina’s terecht en op verhalen van mensen die waren overleden. Ik wist dat ik niet alle verhalen zag. Ik las toch door.

Om zes uur belde Fatima.

‘Ik heb je bericht gezien. De arts heeft het verslag ook gelezen. Er is een plekje dat op deze CT niet goed te beoordelen is.’

‘Een uitzaaiing.’

‘Dat weten we niet.’

‘Maar het kan.’

‘Ja. Het kan ook iets anders zijn. Daarom is verder onderzoek nodig.’

Ze vertelde dat de MRI-aanvraag al in gang werd gezet. Het gesprek op maandag bleef staan. Dan zou dokter Van Leeuwen het verslag met me doornemen en mijn vragen beantwoorden.

‘Waarom laten ze mij dit lezen zonder uitleg?’ vroeg ik.

‘Dat kan heel hard binnenkomen,’ zei ze. ‘Wil je dat ik de belangrijkste punten nog eens langsga?’

Ik schreef mee. Onzeker plekje. MRI nodig. Geen andere verdachte bevindingen op de CT.

Dat laatste had ik zelf gelezen. Toch was het volledig verdwenen uit mijn hoofd.

Na het gesprek belde ik Sanne. Mila was die avond bij haar.

‘Niet zeggen dat het terug is,’ zei ik meteen. ‘Dat weten we nog niet.’

‘Dat zal ik niet zeggen.’

‘Maar er is iets.’

Mijn stem brak op dat laatste woord. Ik drukte mijn hand tegen mijn mond. Sanne wachtte.

‘Wil je dat ik kom?’ vroeg ze.

Ik wilde ja zeggen. Ik wilde dat ze de sleutel gebruikte, haar schoenen uittrok en riep dat ik de verwarming te hoog had staan. Ik wilde een avond die niet meer bestond.

‘Nee,’ zei ik. ‘Blijf bij Mila.’

Om negen uur stond Eva voor de deur met een pan nasi. Ze zette die op het fornuis en pakte twee borden.

‘Ik heb geen honger.’

‘Dan eet je weinig.’

We zaten tegenover elkaar. Ze vroeg niet of ik positief kon blijven.

Halverwege mijn bord begon ik te huilen. Stil eerst. Daarna niet meer.

Eva schoof de doos tissues naar me toe. Ze bleef zitten tot ik weer normaal kon ademhalen.

Hoofdstuk 4

Wat Mila hoort

Donderdag haalde ik Mila van school. Ze kwam als laatste door het hek. Haar vriendin Noor liep naast haar. Ze fluisterden iets en keken toen allebei naar mij.

In de auto trok Mila haar jas niet uit.

‘Mam zegt dat er nog een onderzoek komt.’

‘Ja.’

‘Omdat ze iets hebben gezien.’

‘Een klein plekje op mijn lever. Ze weten nog niet wat het is.’

Ze draaide aan het uiteinde van haar sjaal.

‘Is je lever hetzelfde als je darmen?’

‘Nee. Het is een ander orgaan. Hier ongeveer.’

Ik legde mijn hand rechts op mijn buik. Precies op de plek waar ik steeds die druk voelde. Ik trok hem snel weer weg.

‘Dus je hebt nu op twee plekken kanker?’

‘Nee, Mila. Dat weten we niet. Ik heb nu een plekje dat ze beter willen bekijken.’

‘Je zegt steeds dat je het niet weet.’

‘Omdat dat zo is.’

Ze keek uit het raam. Bij een zebrapad stopte ik voor een man met een hond. Het duurde lang voordat ze aan de overkant waren.

‘Ga je dood?’ vroeg ze.

Daar was de vraag die ik zelf de hele nacht had vermeden.

Ik parkeerde in een zijstraat. Niet omdat ik een perfect antwoord had. Ik kon gewoon niet tegelijk rijden.

‘Ik weet niet wat dat plekje is,’ zei ik. ‘Ik kan je niet beloven dat er nooit meer iets gebeurt. Maar niemand heeft nu gezegd dat ik doodga. Ze gaan onderzoeken wat het is. En als er iets behandeld moet worden, bespreken ze hoe.’

‘Vorige keer zei je dat je snel weer beter was.’

Ik keek naar mijn handen op het stuur.

‘Dat had ik niet zo moeten zeggen.’

Ze knikte. Niet tevreden. Wel alsof ze ergens een vinkje zette.

Thuis bakten we tosti’s. Mila wilde de hare zonder tomaat. Dat wilde ze al jaren, maar ik vroeg het steeds opnieuw.

Tijdens het eten vertelde ze over een jongen die in de klas van zijn stoel was gevallen. Daarna vroeg ze of ze zaterdag bij Noor mocht slapen.

‘Natuurlijk.’

‘Ook als jij dan alleen bent?’

Ik legde mijn tosti neer.

‘Jij hoeft niet thuis te blijven om op mij te letten.’

‘Dat doe ik niet.’

‘Goed. Houden zo.’

Die avond kwam Sanne haar ophalen. Mila ging nog een oplader zoeken. In de keuken vertelde ik over het gesprek in de auto.

Sanne leunde tegen het aanrecht.

‘Ze vroeg gisteren of jij ziek was geworden omdat wij zoveel ruzie hadden.’

‘Wat?’

‘Ik heb gezegd van niet. Heel duidelijk. Maar je moet het zelf ook zeggen.’

Ik voelde schaamte, daarna woede. Niet op Mila. Op de maanden waarin Sanne en ik dachten zacht te ruziën. Op mijn eigen neiging alles praktisch te maken zodra iemand verdriet had.

‘Ik dacht dat we dat uit elkaar hielden.’

‘Wij misschien. Zij niet.’

Toen Mila terugkwam, gingen we met haar aan tafel zitten. We vertelden dat ruzie geen kanker veroorzaakt. Dat onze scheiding niet haar schuld was. Ook mijn ziekte niet. Ze trok een draadje uit de mouw van haar trui.

‘Oké,’ zei ze.

Ik wist niet of het genoeg was. We besloten het later nog eens te vragen.

Vrijdag probeerde ik een halve dag te werken. Om tien uur had ik een monteur tweemaal naar hetzelfde adres gestuurd. Dennis kwam bij mijn bureau staan.

‘Ga naar huis, Ruben.’

‘Dan zit ik daar maar.’

‘Blijf dan hier. Maar laat de planning even liggen.’

Hij gaf me een stapel oude werkbonnen om te controleren. Geen spoed. Geen mensen die door mijn fouten verkeerd zouden rijden.

Na de lunch liep ik buiten een rondje. Naast een fietsenstalling belde ik Fatima. Niet over het plekje. Over de nachten.

Ik sliep hooguit drie uur. Ik schrok wakker met mijn hand op mijn buik. Ik vergat te eten en bleef zoeken op mijn telefoon.

‘Ik trek dit wachten niet goed,’ zei ik.

Het kostte meer moeite dan vertellen dat ik pijn had.

Ze stelde voor contact te leggen met de medisch maatschappelijk werker. Ook raadde ze me aan mijn huisarts te bellen over het slapen.

Ik zei ja tegen allebei.

Daarna bleef ik nog even bij de fietsenstalling staan. Mijn handen trilden. Toch belde ik meteen de huisarts, voordat ik mezelf kon vertellen dat het inmiddels wel weer ging.

Hoofdstuk 5

De tweede scan

Maandag zat Eva naast me in de spreekkamer. Ze had een schrift meegenomen. Op de eerste bladzijde stond bovenaan: vragen Ruben.

Dokter Van Leeuwen draaide haar beeldscherm iets naar ons toe. Ze wees een klein rond gebied aan in mijn lever. Ik zag vooral grijstinten.

‘Dit is de afwijking die de radioloog beschrijft.’

‘Waarom stond die er vorige keer niet?’ vroeg ik.

‘Op de eerdere scan was hij niet duidelijk zichtbaar. Dat betekent niet automatisch dat het kanker is. Verschillen tussen scans kunnen ook een rol spelen. Maar met jouw voorgeschiedenis moeten we dit zorgvuldig uitzoeken.’

‘Hoe groot is de kans?’

Ze schoof haar stoel dichter naar het bureau.

‘Ik kan je op basis van deze beelden geen betrouwbaar percentage geven.’

Ik vond het een onbevredigend antwoord. Tegelijk vertrouwde ik haar meer omdat ze geen getal verzon.

Ze vertelde dat mijn bloeduitslagen geen opvallende veranderingen lieten zien. De tumormarker was niet verhoogd. Dat was gunstig, maar het sloot een terugkeer van kanker niet uit.

Eva schreef. Ik hoorde het krassen van haar pen.

‘En die druk onder mijn ribben?’ vroeg ik.

‘Dat wil ik zo onderzoeken. Een plekje van deze grootte verklaart die klacht niet vanzelf. We moeten niet alles meteen aan elkaar vastmaken.’

Ze onderzocht mijn buik. Ik wees waar ik het voelde. Ze vroeg me mijn knieën op te trekken en daarna te ontspannen.

‘Hier gevoelig?’

‘Ja. Maar ik zit er ook de hele tijd op te drukken.’

Ze knikte en hielp me niet met een snelle geruststelling. Ze legde uit waar ik opnieuw over moest bellen als de klachten veranderden.

De MRI kon donderdag plaatsvinden. De uitslag zou de dinsdag erna telefonisch worden besproken. Ze vroeg of ik dat wilde of liever naar het ziekenhuis kwam.

‘Telefonisch,’ zei ik. ‘Maar wel op een tijd.’

‘Tussen elf en twaalf. Ik zal proberen me daaraan te houden.’

Buiten telde ik de dagen. Weer acht vanaf vandaag. Mijn eerste uitslaggesprek had het wachten niet beëindigd. Het had een nieuwe periode geopend.

Woensdag sprak ik Leila, de medisch maatschappelijk werker. Ze vroeg niet meteen naar mijn jeugd. Ze vroeg wat er gebeurde tussen het moment dat ik wakker werd en het moment dat ik mijn telefoon pakte.

‘Niets,’ zei ik. ‘Dat is hetzelfde moment.’

We bekeken mijn dag. Niet mijn hele leven. Alleen een dag.

Ik sprak met haar af dat ik mijn vragen op papier zou zetten. Medische informatie zou ik niet meer midden in de nacht zoeken. Eva kreeg toestemming om te vragen of ik had gegeten, zonder dat ik daar een strijd van maakte.

‘En als het werkelijk slecht nieuws is?’ vroeg ik.

‘Dan is het werkelijk slecht nieuws,’ zei Leila. ‘Deze afspraken voorkomen dat niet. Ze kunnen wel helpen om vandaag door te komen.’

Daar kon ik iets mee.

Donderdag lag ik opnieuw in een ziekenhuishemd. De MRI was nauwer en luidruchtiger dan de CT. Ik kreeg een koptelefoon op en een belletje in mijn hand. Over mijn buik lag een onderdeel van de scanner dat zwaar aanvoelde.

De laborant vertelde dat ik meerdere keren mijn adem moest vasthouden. Als het niet ging, moest ik het zeggen.

Het eerste deel lukte. Daarna begon mijn schouder te trekken. Ik dacht aan het plekje. Aan Mila. Aan een operatie in mijn lever. Mijn ademhaling ging sneller.

‘Even,’ zei ik, veel te zacht.

Ik drukte op het belletje.

De geluiden stopten. Via de intercom vroeg de laborant wat er was.

‘Ik raak in paniek.’

‘We pauzeren. U hoeft nu niets vast te houden. Gewoon rustig ademen.’

Ik schaamde me voor de vertraging. Ik zei sorry.

‘Dat hoeft niet.’

Ze vertelde welk deel nog moest komen. Geen vage belofte dat het bijna klaar was. Een duidelijke uitleg. We hervatten het onderzoek.

Na afloop zat ik op een bankje mijn schoenen aan te trekken. Door het tintelen in mijn voeten voelde ik niet goed of mijn hiel in de schoen zat. Ik trok de schoen weer uit en probeerde het opnieuw.

Eva wachtte buiten de kleedruimte.

‘Gelukt?’ vroeg ze.

‘Ja. Met een pauze.’

‘Maar gelukt.’

We aten een broodje in het ziekenhuisrestaurant. Ik had voor het eerst die week vanzelf honger.

Thuis legde ik mijn telefoon op de kast. Ik hield het drie kwartier vol voordat ik keek. Dat was geen overwinning waar iemand voor klapte. Ik vertelde het de volgende dag wel aan Leila.

Hoofdstuk 6

Elf uur

Zaterdagochtend was Mila bij me. Ze moest om twee uur naar Noor. Voor die tijd gingen we naar de markt in Amersfoort. Ze wilde kaas voor haar tosti’s en een hoesje voor haar telefoon.

Bij een groentekraam zag ik een oud-collega. Hij vroeg hoe het ging.

‘Ik wacht op een uitslag,’ zei ik.

Hij trok een ernstig gezicht. ‘Je moet wel positief blijven, hè.’

Mila keek naar mij.

‘Dat lukt niet op bestelling,’ zei ik.

De man mompelde iets en pakte zijn tas op. We liepen door.

‘Was dat onaardig?’ vroeg Mila.

‘Een beetje kort misschien.’

‘Hij deed ook stom.’

We kochten twee warme stroopwafels. De mijne brak en er viel een stuk op mijn jas. Mila lachte zo hard dat ze bijna haar eigen wafel liet vallen.

Even later voelde ik de druk onder mijn ribben. Mijn hand ging ernaartoe. Ik liet hem weer zakken.

Die middag bracht ik haar naar Noor. Bij de deur vroeg ze wanneer de dokter zou bellen.

‘Dinsdag.’

‘Laat je het meteen weten?’

‘Zodra ik het zelf begrijp. Dan bellen mam en ik je na school.’

Ze dacht daarover na en knikte.

Zondag was lang. Ik verschoonde mijn bed. Ik maakte het filter van de wasmachine schoon. Ik liep naar de Eem en terug. Bij thuiskomst waren er pas twee uur voorbij.

’s Avonds belde ik mijn lotgenoot Jeroen. We hadden elkaar leren kennen bij oncologische revalidatie in Leusden. Hij was zesenvijftig en had ook darmkanker gehad. We stuurden meestal berichten over fietsen, vermoeidheid en toiletten onderweg.

‘Ik wil je niet gek maken met mijn angst,’ zei ik.

‘Daar ben je te laat mee. Ik was het al.’

Ik lachte.

Hij vroeg wat ik het moeilijkst vond.

‘Dat ik al afscheid neem terwijl niemand weet of dat nodig is.’

Aan de andere kant bleef het even stil.

‘Ja,’ zei hij. ‘Dat ken ik.’

Geen advies. Geen verhaal over een buurman bij wie het goed was gekomen. Alleen dat. We praatten nog twintig minuten.

Maandag werkte ik twee uur. Daarna ging ik naar huis. Ik zette drie vragen op papier. Wat is het plekje? Is verder onderzoek nodig? Wat gebeurt er met mijn controles?

Daaronder schreef ik een vierde. Wat doen we met de buikklacht als het plekje die niet verklaart?

Dinsdag kwam Eva om half elf. Ze trok haar jas uit en zette haar telefoon op stil. Mijn telefoon legden we midden op tafel. Opgeladen. Geluid aan.

Om elf uur zette ik koffie.

Om elf uur acht liep ik naar het toilet.

Om elf uur zeventien controleerde ik of mijn telefoon bereik had.

‘Ja,’ zei Eva voordat ik iets vroeg. ‘Alle streepjes.’

Om elf uur negenentwintig belde een onbekend nummer. Mijn hand schoot naar de telefoon.

‘Met Ruben van Dijk.’

‘Dag meneer Van Dijk, u spreekt met dokter Van Leeuwen. Zit u rustig?’

Ik kon uit die vraag niets afleiden. Ik probeerde het toch.

‘Ja. Mijn zus luistert mee.’

Ik zette de luidspreker aan.

‘De MRI laat zien dat het plekje past bij een hemangioom. Dat is een goedaardige afwijking van bloedvaatjes in de lever. Er zijn geen aanwijzingen dat dit een uitzaaiing is.’

Eva sloeg haar hand voor haar mond.

Ik keek naar mijn papier.

‘Dus geen kanker?’

‘Dit plekje is geen uitzaaiing. De beelden hebben de typische kenmerken van een hemangioom. Daar is geen behandeling voor nodig.’

Ik vroeg of ze zeker genoeg waren om geen stukje weefsel te onderzoeken.

Ze legde uit dat de MRI voldoende duidelijk was. Een biopt was niet nodig. Mijn gewone controles zouden doorgaan volgens het bestaande schema.

Toen vroeg ik naar mijn buik. Ze wilde dat de klacht gevolgd werd en adviseerde een afspraak bij de huisarts als die bleef aanhouden. Eerder bellen bij verergering of nieuwe klachten. Ik schreef het op.

‘Heeft u verder nog vragen?’

Ik keek naar Eva. Ze schudde langzaam haar hoofd.

‘Nee,’ zei ik. ‘Jawel. Kunt u die eerste zin nog een keer zeggen?’

Dat deed ze.

Na het gesprek bleef mijn telefoon op tafel liggen. Eva begon te huilen. Ik niet.

‘Het is goed,’ zei ze.

‘Ja.’

Mijn benen trilden zo hard dat ik ze onder mijn stoel klemde.

Ik had gedacht dat goed nieuws meteen goed zou voelen. Maar ik zat nog steeds voorover, met mijn pen in mijn hand, klaar om iets ergs op te schrijven.

Hoofdstuk 7

De week erna

Ik belde Sanne. Ze nam op in de gang van de school waar ze werkte.

‘Het is geen uitzaaiing,’ zei ik.

Ik hoorde haar uitademen. Daarna zei ze iets wat ik niet verstond.

‘Wat?’

‘Godverdomme, wat fijn.’

We lachten allebei. Kort en vreemd. We spraken af dat we Mila samen zouden vertellen wat de arts had gezegd. Sanne zou na school met haar naar mij komen.

Eva bleef tot de lunch. Ze bakte eieren en maakte de pan meteen schoon. Normaal liet ze die weken. Ik merkte het op en we moesten erom lachen.

Toen ze vertrok, sloeg ik mijn armen om haar heen. Ik hield haar langer vast dan gebruikelijk.

‘Dank je,’ zei ik.

‘Graag gedaan.’

Ze zei niet dat het allemaal was meegevallen.

Om kwart over drie kwam Mila binnen. Haar tas viel naast de kapstok. Ze keek eerst naar mij, daarna naar Sanne.

‘En?’

‘Het plekje is goedaardig,’ zei ik. ‘Geen kanker. Het hoeft niet behandeld te worden.’

‘Dus geen chemo?’

‘Geen chemo.’

Ze kwam tegen me aan staan. Haar voorhoofd drukte tegen mijn borst. Ik legde mijn hand op haar achterhoofd.

Na een tijdje stapte ze achteruit.

‘Mogen we pizza?’

‘Ja.’

‘Ook met ananas?’

‘Zelfs met ananas.’

We aten aan dezelfde tafel waar de brief had gelegen. Sanne bleef. Niet omdat alles tussen ons hersteld was. Omdat we die avond alle drie wilden horen hoe Mila’s spreekbeurt was gegaan.

Na het eten hielp Sanne met de borden. In de keuken zei ik dat ik het moeilijk had gevonden haar niet om de verkeerde reden te laten komen.

‘Welke verkeerde reden?’

‘Omdat ik bang was. En dan doen alsof we weer samen waren.’

Ze zette een bord in de vaatwasser.

‘Je mag me bellen als je bang bent. Maar we moeten wel blijven zeggen wat het is.’

Ik knikte. Het was niet het antwoord waarop een deel van mij hoopte. Het was wel eerlijk.

Die nacht sliep ik slecht. Ik werd om drie uur wakker en dacht meteen aan mijn lever. Pas daarna herinnerde ik me de uitslag.

De volgende ochtend was ik kwaad op mezelf. Ik had goed nieuws gekregen. Waarom lag ik dan nog wakker?

Bij mijn volgende gesprek met Leila vertelde ik het.

‘Je lichaam heeft niet meegeluisterd en meteen alles aangepast,’ zei ze. ‘Je hebt weken onder spanning gestaan.’

We spraken af nog een paar gesprekken te plannen. Ook buiten de dagen rond een scan. Ik wilde niet steeds wachten tot ik weer vastliep.

De huisarts onderzocht mijn buik toen de druk bleef terugkomen. Er waren geen nieuwe verontrustende bevindingen. We spraken af de klachten te volgen. Ik probeerde regelmatiger te eten en minder op de pijnlijke plek te duwen. Langzaam merkte ik de druk minder vaak. Ik kon niet bewijzen waardoor dat kwam. Dat hoefde ook niet.

Op mijn werk bouwde ik mijn uren weer voorzichtig op. Dennis schoof de planning niet meteen volledig terug naar me.

‘Eerst drie ochtenden goed,’ zei hij. ‘Dan zien we verder.’

Voor het eerst maakte ik daar geen discussie van.

De zenuwschade in mijn voeten bleef. Mijn darmen bleven onvoorspelbaar. Soms was ik na het avondeten zo moe dat een was ophangen te veel leek. Goed nieuws had die dingen niet verwijderd.

Jeroen stuurde een bericht: Durf je zaterdag een kort rondje fietsen?

We reden vanuit Leusden langs de weilanden. Geen lange tocht. Bij de eerste harde tegenwind wilde ik omkeren. Hij ook. We deden het gewoon.

Bij een koffiehuis bestelden we cappuccino. Hij vroeg hoe lang het nog duurde tot mijn volgende controle.

‘Een paar maanden.’

‘Al zenuwachtig?’

‘Soms.’

Hij knikte. Daarna vertelde hij over zijn dochter, die ging verhuizen en dacht dat hij wel even drie kasten kon tillen.

Een week later boekte ik voor Mila en mij twee nachten op Texel in de voorjaarsvakantie. Annuleerbaar. Dat wel.

Ze kwam naast me zitten toen ik de bevestiging opende.

‘Gaan we echt?’

‘Dat is het plan.’

‘Ook fietsen?’

‘Een stuk. Geen vijftig kilometer.’

Ze pakte mijn agenda en tekende een klein fietsje bij de vertrekdag. Een paar bladzijden verder stond mijn volgende ziekenhuisafspraak al.

Ik sloot de agenda niet meteen. Ik liet beide afspraken staan.