Ziekte en gezondheid
Toen mijn kind ziek werd
Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.
Hoofdstuk 1
Blauwe plekken op het gras
Mijn naam is Dennis van der Meer. Ik ben negenendertig jaar, woon in Tiel en werk als heftruckchauffeur in een distributiecentrum voor bouwmaterialen. Het is zwaar en nuchter werk. Pallets verplaatsen, dozen tellen, niet zeuren. Mijn leven was tot vorig jaar mei precies zoals dat van de meeste vaders in onze straat. Ik stond op zaterdagochtend met een kartonnen beker slappe koffie langs de lijn van het voetbalveld te kijken naar mijn zoon Luuk. Zeven jaar oud, een sprietje met een bos blond haar dat altijd voor zijn ogen hing.
Die zaterdag in mei speelde Luuk slecht. Normaal vloog hij over het gras. Hij doook overal tussen, schopte tegen schenen en kwam altijd met zwarte knieën en een grijns van het veld. Nu bleef hij achterin hangen. Hij leek geen lucht te krijgen. Na twintig minuten ging hij zomaar op het gras zitten. De scheidsrechter floot niet eens af, het spel ging gewoon door aan de overkant. Ik stapte over de witte kalklijn.
"Wat is er, Luuk?" riep ik vanaf de zijkant.
Hij keek naar me op. Zijn lippen waren droog en zijn wangen hadden een vreemde, grijze kleur. "Mijn benen zijn zo zwaar, pap," zei hij zacht. "Ze willen niet meer rennen."
Ik tilde hem over de boarding. Sanne, mijn vrouw, kwam direct aanlopen met een bidon water. We dachten aan de griep. Iedereen op school had op dat moment een snotneus of koorts. Ik trok in de kleedkamer zijn voetbalsokken en scheenbeschermers uit. Op zijn scheenbenen zaten blauwe plekken. Donkerpaars, bijna zwart. Niet gewoon een paar schaafplekken van een trap, maar grote plakkaten, alsof hij van een trap was gevallen. Ook op zijn bovenbenen zag ik ze. En een rare, doffe vlek net boven zijn heupbot.
"Heb je gevochten op het schoolplein?" vroeg ik terwijl ik zijn veters losmaakte.
Hij schudde zijn hoofd. "Nee. Ik stootte alleen tegen de tafel."
We gingen naar huis. Luuk viel op de achterbank van onze oude Opel Astra in slaap voor we de straat uit waren. Thuis bracht Sanne hem naar bed. Hij sliep de hele middag. Rond een uur of zes begon hij te gloeien. De thermometer wees negenendertig komma twee aan. Een gewone kinderkoorts, zeiden we tegen elkaar. We gaven hem een paracetamol en een waterijsje. Maar de koorts zakte niet. Drie dagen later was hij nog steeds heet, at hij amper drie happen van een boterham met pindakaas en werd hij wakker met een bloedneus die pas na twintig minuten ophield.
"Ik vertrouw dit niet, Dennis," zei Sanne op woensdagochtend. Ze zat aan de keukentafel met Luuk op haar schoot. Het jochie hing slap tegen haar borst. "Kijk naar zijn nek. Die klieren zijn zo dik als knikkers."
Ik voelde met mijn vingers onder zijn kaaklijn. Twee harde bobbels gleden weg onder mijn vingertoppen. Mijn eigen maag trok samen. Ik ben geen dokter. Ik ben een man van hefmasten, pakbonnen en staal. Maar mijn instinct zei dat er iets grondig mis was. Ik belde mijn werk dat ik later kwam en toetste het nummer van de huisarts in.
Dokter Van Beek is een kalme man die al dertig jaar in onze wijk zit. Hij kent Luuk vanaf de geboorte. Hij keek in Luuks oren, drukte op zijn buik en liet hem op zijn rug liggen op de behandeltafel met het witte papier. Toen hij Luuks shirt omhoog schoof, zag ik zijn gezicht veranderen. Hij zei niks, maar zijn ogen bleven net iets te lang rusten op een rij kleine, rode puntjes op Luuks buik. Alsof iemand met een rode balpen over zijn huid had gestipt.
"Puntbloedinkjes," mompelde Van Beek. Hij keek me strak aan. "Dennis, Sanne. Ik wil dat jullie nu meteen doorrijden naar het ziekenhuis in Rivierenland. Ik bel vast naar het laboratorium. Ze gaan direct bloed afnemen."
"Kan het wachten tot morgenochtend?" vroeg ik nog dom. "Ik moet eigenlijk de middagploeg draaien."
Van Beek legde zijn hand op mijn arm. Zijn hand was zwaar en warm. "Nee, Dennis. Nu gaan. Ik geef jullie een spoedverwijzing mee."
Toen we de praktijk uitliepen, scheen de zon fel op de motorkap van de auto. De wereld ging gewoon door. Mensen fietsten met tassen vol boodschappen langs. Op het zebrapad stak een moeder over met een kinderwagen. Ik hield de autodeur voor Sanne open. Ze ging achterin zitten, naast Luuk. Ze hield zijn hand vast. Mijn hand trilde toen ik de sleutel in het contactslot stak. Ik voelde een koude rilling over mijn rug lopen die niets met het weer te maken had. In die rit van acht minuten naar het streekziekenhuis werd het stil in de auto. Een soort stilte waarin je je eigen hart in je keel voelt bonzen. We wisten allebei dat de gewone zaterdagen voorlopig voorbij waren.
Hoofdstuk 2
De witte gang
Het ziekenhuis rook naar schoonmaakmiddel en warme soep. We liepen door de schuifdeuren naar de afdeling bloedafname. Er was geen wachttijd voor ons. Zodra Sanne de envelop van dokter Van Beek over de balie schoof, keek de medewerkster naar het scherm, knikte kort en wees naar kamer vier. Daar zat een jonge laborante met een bril. Ze probeerde vrolijk te doen tegen Luuk. Ze liet hem een pleister met kikkers zien.
Luuk gaf geen kik toen de naald in zijn arm ging. Dat was niets voor hem. Normaal gilde hij moord en brand bij een splinter of een schram. Nu staarde hij gewoon naar de poster van een savanne op de muur. Zijn armpje was zo wit als het laken op de tafel. De laborante vulde drie buisjes met donkerrood bloed. Te donker, dacht ik nog. Waterig.
"Jullie mogen even plaatsnemen op de kinderafdeling," zei ze zacht. "De kinderarts komt zometeen bij jullie."
We zaten een uur in een kleine wachtruimte met plastic speelgoed. Tess, onze dochter van vier, was gelukkig op het kinderdagverblijf. Ik zag hoe Luuk in elkaar zakte op een houten bankje. Hij leunde met zijn voorhoofd tegen mijn dijbeen. Ik streek door zijn haar. Plukken bleven tussen mijn vingers hangen. Ik veegde ze stiekem af aan mijn spijkerbroek, zodat Sanne het niet zou zien. Maar Sanne zag alles. Ze zat met haar handen strak om haar knieën geklemd, haar knokkels wit.
Om half een ging de deur open. Er kwam geen assistent. Er kwamen twee mensen binnen. Een vrouwelijke kinderarts met een stethoscoop om haar nek en een man in een donkere trui. Ze hadden allebei een map onder hun arm.
"Dennis, Sanne? Komen jullie even mee naar de spreekkamer? Luuk mag hier even met de pedagogisch medewerker een puzzel maken."
Dat is het moment waarop de grond onder je wegzakt. Je weet het al voor je zit. In films hoor je dan dramatische muziek. In het echt is er alleen het gezoem van een tl-buis en het geluid van wieltjes op het linoleum. De spreekkamer had geen ramen. Er stonden vier stoelen en een doos tissues op de hoek van het bureau. Het leek wel een verhoorkamer.
De arts ging zitten en vouwde haar handen. "Het bloedbeeld van Luuk is ernstig afwijkend," zei ze direct. Geen omwegen. Geen praatjes over het weer. "Zijn hemoglobine is veel te laag. Zijn bloedplaatjes zijn bijna op. En we zien in het microscopisch onderzoek cellen die daar absoluut niet horen. Witte bloedcellen die onrijp zijn en zich ongecontroleerd vermenigvuldigen."
Sanne gaf een kort, schor gilletje. Het klonk alsof iemand haar in haar maag stompte. "Wat betekent dat?" vroeg ze met overslaande stem.
"We vermoeden heel sterk acute leukemie," zei de arts. Ze keek ons om de beurt aan. Haar ogen waren meelevend, maar zakelijk. "Bloedkanker. We kunnen de definitieve diagnose hier niet stellen. Daarvoor moeten jullie direct naar het academisch centrum. Het Prinses Máxima Centrum in Utrecht wacht op jullie komst. De ambulance is onderweg om jullie op te halen."
"Ambulance?" bracht ik uit. Mijn stem klonk vreemd, heel ver weg, alsof ik onder water sprak. "Ik kan toch gewoon zelf rijden? Mijn auto staat beneden op het parkeerdek."
"Nee, meneer Van der Meer," zei de arts rustig maar beslist. "Zijn bloedwaarden zijn zo kritiek dat hij onderweg moet worden gemonitord. Elk risico op een bloeding of een infectie moet worden vermeden. Jullie gaan met de ambulance."
Ik keek naar mijn handen. Er zat nog een restje zwarte smeerolie onder mijn nagels van het sleutelen aan de hefmast gisteren. Gisteren was ik bezorgd over een kapotte hydraulische pomp en een zeurende teamleider. Nu zat ik in een kamertje zonder ramen en vertelde een wildvreemde vrouw dat mijn kind kanker had.
Sanne begon te huilen. Niet zachtjes, maar met diepe, rauwe uithalen. Ik sloeg mijn arm om haar heen. Mijn eigen ogen bleven kurkdroog. Er zat een prop in mijn keel, zo groot als een vuist. Ik kon niet ademen. Ik moest denken aan Luuks voetbalschoenen die nog in de gang stonden. De noppen vol opgedroogde modder. Zou hij ze ooit nog aandoen?
Tien minuten later stonden er twee broeders in felgele jassen naast het bankje waar Luuk zat. Ze tilden hem op een brancard. Luuk keek me bang aan met grote, holle ogen.
"Gaan we een ritje maken, pap?" vroeg hij met een piepstemmetje.
"Ja, jongen," zei ik, en ik slikte de brok in mijn keel met geweld weg. "We gaan met de snelle wagen naar Utrecht. Met zwaailichten als het moet." Ik forceerde een glimlach op mijn bek. Het voelde alsof mijn lippen zouden scheuren. We liepen achter de brancard aan door de lange, witte gang. De wielen van de brancard maakten een ritmisch geluid: *klak-klak, klak-klak*. Bij elke tegel werd ons oude leven verder achter ons gelaten.
Hoofdstuk 3
Scherpe naalden
Het Prinses Máxima Centrum leek niet op een ziekenhuis. Er waren houten speeltoestellen, felle kleuren op de wanden en grote glijbanen in de hal. Maar het bleef een plek waar zieke kinderen kwamen om te vechten. Je zag het aan de kale koppies, de mondkapjes en de metalen infuuspalen die overal meereden als trouwe honden. Binnen vierentwintig uur na onze aankomst was het officiële vonnis gevallen: Acute Lymfatische Leukemie. ALL. Drie letters die als lood op onze schouders drukten.
Er was geen tijd om na te denken. Alles ging in een stroomversnelling. Op donderdagochtend werd Luuk naar de operatiekamer gereden. Hij kreeg een narcosekapje op zijn gezicht. Ik mocht erbij blijven tot hij sliep. Zijn ogen rolden weg en zijn lijfje werd zwaar en slap in mijn armen. De artsen voerden twee ingrepen uit: een beenmergpunctie in zijn bekkenkam en het plaatsen van een PAC-lijn. Een port-a-cath. Een klein metalen kastje onder de huid van zijn borstkas, aangesloten op een ader die rechtstreeks naar zijn hart leidde. Geen geprik meer in zijn dunne armpjes, zeiden ze ter geruststelling. Elk medicijn, elk buisje bloed, elke zak gif zou voortaan door dat kastje gaan.
Toen hij terugkwam op de uitslaapkamer, had hij een grote witte pleister op zijn borst. Uit zijn neus stak een slangetje voor de sondevoeding. Zijn lippen waren gebarsten. Ik zat op de plastic stoel naast het bed en hield zijn voeten vast. Ze waren ijskoud. Ik wreef eroverheen met mijn eeltige handen tot ze weer een beetje warm werden.
De volgende dag begon het protocol. Chemo.
Het spul zat in grote, plastic zakken die waren ingepakt in oranje beschermfolie. Alsof de vloeistof zelf gevaarlijk was om naar te kijken. De verpleegkundige droeg blauwe nitril handschoenen en een speciale schort toen ze de zak aan de paal hing en de slang aansloot op de naald in Luuks borst. Het apparaat begon te zoemen en te piepen. *Druppel. Druppel. Druppel.*
"Dit is de vincristine," legde ze uit. "En de doxorubicine. Die is rood. Schrik niet als zijn urine straks rood kleurt, meneer Van der Meer. Dat hoort erbij."
Ik knikte alleen maar. Ik keek naar de rode vloeistof die langzaam door het transparante slangetje kroop. Het leek op kersenlimonade. Maar het was gif. Ze spoten gif in mijn zoon om het andere gif, de foute cellen, te doden. Luuk keek televisie. Hij leek nog nergens last van te hebben. Maar binnen twee uur begon de hel.
Hij begon te kotsen. Niet een beetje spugen zoals bij een buikgriep, maar golvend, donkergroen braaksel. Zijn hele buik krampte samen. Hij gilde van de pijn in zijn botten. "Mijn benen, pap! Maak het los! Maak die paal los!"
Ik hield een plastic bakje onder zijn kin terwijl Sanne een koud washandje over zijn voorhoofd haalde. De stank van maagsap en chemicaliën vulde de kleine isolatiekamer. We belden de zuster. Ze spoot een anti-misselijksmiddel in zijn infuus. Het hielp een beetje, maar de blik in Luuks ogen veranderde die middag voorgoed. De kinderlijke onschuld verdween. Er kwam een doffe, oude blik voor in de plaats. Een blik van een dier dat in een klem zit en weet dat het niet weg kan.
De dagen smolten samen tot een grijze brij van medicatieschema’s, temperatuurlijsten en controles. Luuks lichaam protesteerde tegen alles. Zijn eetlust verdween als sneeuw voor de zon. Alles smaakte naar metaal, zei hij. Zelfs een slokje koud water spuugde hij direct weer uit. Zijn wangen vielen in, maar zijn buik zwol op door de prednison.
En toen kwam de douchescène. Het was dag twaalf.
Sanne was even naar beneden om een broodje te halen. Ik hielp Luuk onder de douche op de afdeling. Het warme water kletterde op zijn smalle rug. Ik pakte de milde kindershampoo en wreef zachtjes over zijn hoofd. Toen ik mijn handen wegtrok, zaten ze vol. Grote, dikke plukken blond haar plakten aan mijn handpalmen. Ik verstijfde. Ik keek naar het putje. Het water liep niet meer goed weg; een dikke kluwen haar versperde de afvoer.
Luuk voelde aan zijn hoofd. Zijn handjes gingen over zijn kruin en kwamen terug met haar tussen de vingers.
Hij keek naar zijn hand. Toen keek hij naar mij in de spiegel. Het water stroomde over zijn gezicht, maar ik zag de tranen in zijn ogen.
"Ben ik nu een monster, pap?" vroeg hij met een stem die brak.
Ik zakte door mijn knieën op de natte douchetegels. Het water liep over mijn spijkerbroek en mijn sokken, maar het kon me geen barst schelen. Ik trok hem tegen me aan, zijn natte, kale schedel tegen mijn wang. Ik rook de shampoo en de geur van chemo die uit zijn poriën leek te dampen.
"Nee," zei ik, en voor het eerst brak mijn stem ook. "Nee, maatje. Jij bent geen monster. Jij bent de sterkste gozer van de hele wereld. En morgen scheren we mijn haar er ook af. Dan lijken we precies op elkaar."
Hoofdstuk 4
Spookhuis
Na drie weken mochten we voor het eerst een paar dagen naar huis. Het was geen feestelijke thuiskomst. Ons huis aan de rand van Tiel voelde niet meer als een thuis. Het voelde als een dependance van het ziekenhuis, maar dan zonder de veiligheid van verpleegkundigen op de gang.
De keukentafel stond vol met plastic mandjes. Doosjes dexamethason, zakjes kalium, antibiotica om infecties te voorkomen, spuitjes met fysiologisch zout om de PAC-lijn door te spoelen, handschoenen, desinfectiemiddel en een digitale thermometer die we drie keer per dag moesten gebruiken. Alles moest steriel zijn. Als Luuk koorts kreeg boven de achtendertig graden, moesten we binnen een uur op de spoedeisende hulp staan. Geen uitzonderingen. Een gewone verkoudheid kon hem fataal worden, want zijn witte bloedcellen stonden op nul. Neutropenie heette dat. Zijn afweersysteem was platgebombardeerd.
Het gewone leven probeerde zich op te dringen, en dat wrikte aan alle kanten. Tess, onze dochter van vier, begreep er niets van. Ze was wekenlang bij haar oma gedumpt. Als ze nu thuis was, mocht ze Luuk niet knuffelen als ze snotterde. Ze mocht niet wild spelen. Als ze een driftbui kreeg omdat haar beker de verkeerde kleur had, kon ik haar wel wat doen. Ik schaamde me kapot voor die gedachte, maar de rek was eruit. Mijn lontje was zo kort als een millimeter.
Ik moest weer aan het werk. De rekeningen moesten betaald worden. Mijn leidinggevende op het distributiecentrum deed zijn best om begripvol te zijn, maar na een maand begon de zakelijke realiteit te knagen. De ploegentoeslag viel weg als ik niet draaide. Dus ging ik de nachtdienst in. Zestig uur wakker zijn, pallets stapelen met een hoofd vol watten, en dan om zeven uur 's ochtends thuiskomen om de wacht van Sanne over te nemen.
Sanne en ik leefden als twee vreemden die toevallig dezelfde sleutelbos deelden. We spraken elkaar alleen nog in telegramstijl.
"Heeft hij geplast?"
"Ja, om vier uur. Weinig."
"Temperatuur?"
"Zevenendertig komma zes."
"Medicijnen van acht uur gehad?"
"Ja. De rode pil zit erin."
We raakten elkaar niet meer aan. We keken elkaar amper aan, bang voor wat we in de ogen van de ander zouden zien: pure, verlammende angst. Als Sanne huilde, liep ik naar de schuur om hout te zagen of gereedschap schoon te maken. Ik kon haar verdriet er niet bij hebben. Ik had al mijn kracht nodig om Luuk de trap op te tillen als zijn benen weigerden dienst te doen.
En dan waren er de mensen van buiten. De buren, kennissen, teamgenoten van de voetbalclub. In het begin stroomden de kaartjes binnen. De vensterbank stond vol met knuffels en kaarten met teksten als *Kop op, vechter!* en *Je kunt het!*. Maar naarmate de weken voorbijgingen, werd het stil.
Mensen wisten niet wat ze moesten zeggen. Als ik bij de plaatselijke supermarkt liep om brood en luiers te halen, zag ik bekenden snel een ander gangpad inschieten als ze me zagen aankomen. Ze wilden niet geconfronteerd worden met het ongemak. Of ze kwamen wél naar me toe en zeiden dingen die me deden koken van woede.
"Nou, gelukkig zijn kinderen zo veerkrachtig hè Dennis?" zei de overbuurvrouw bij de kassa. "En ze kunnen tegenwoordig zoveel met leukemie. Een nichtje van mijn schoonzus had het ook, en die studeert nu gewoon!"
Ik knikte kort, betaalde en liep weg. Ik wilde schreeuwen tegen die vrouw. Ik wilde haar bij haar schouders pakken en zeggen: *Veerkrachtig? Mijn zoon ligt thuis op de bank te creperen van de zenuwpijn in zijn vingertoppen. Hij heeft gisteren drie keer in zijn broek geplast omdat hij de kracht niet had om op te staan. Houd je bek over je nichtje.*
Maar ik zei niks. Je slikt het in. Je wordt een kluizenaar in je eigen straat. Het huis was een vesting geworden. De gordijnen bleven half dicht. Binnen vochten we tegen een onzichtbare vijand, en buiten scheen de zon op mensen die zich druk maakten over vakanties naar Spanje en krassen op hun leasebak. We hoorden er niet meer bij. We leefden in een parallelle wereld waar tijd werd gemeten in infuuszakken en koortspieken.
Hoofdstuk 5
De isolatiekamer
Het dieptepunt kwam in november. Het regende al dagen onafgebroken. Luuk zat midden in de zwaarste consolidatiekuur. Zijn weerstand was nul komma nul. Geen enkele afweercel in zijn hele lijf.
Om twee uur 's nachts werd ik wakker van een vreemd geluid door de babyfoon. Geen huilen, maar een zagend, ritmisch gekreun. Ik schoot mijn bed uit en rende op blote voeten naar zijn kamer. Luuk lag te schudden in zijn bed. Zijn hele lichaam trilde alsof hij buiten in de sneeuw lag. Zijn tanden klapperden zo hard op elkaar dat ik bang was dat ze zouden breken. Zijn voorhoofd was kletsnat engloeiend heet.
Ik pakte de thermometer en drukte het knopje in zijn oor. Een piepje. Veertig komma acht.
"Sanne!" schreeuwde ik door het trappengat. "Sanne, kleren aan! Nu!"
Neutropene koorts. De grootste nachtmerrie van elke ouders op de oncologie. Zonder witte bloedcellen kan een simpele bacterie binnen een paar uur je hele lichaam overnemen en een septische shock veroorzaken. Je kind kan doodgaan aan een gewone darmbacterie terwijl je ernaar staat te kijken.
Ik wikkelde Luuk in een wollen deken. Hij was slap, zijn ogen draaiden weg in zijn kassen. Hij reageerde niet toen ik zijn naam riep. Sanne belde vanuit de auto het spoednummer van het Máxima. De ruitenwissers sloegen wild heen en weer op de voorruit. Ik reed honderdzestig over de A2. Het kon me niets schelen of er flitspalen stonden. Ik zag alleen de rode achterlichten van vrachtwagens en het natte asfalt. Luuk lag op de achterbank bij Sanne, kreunend bij elke oneffenheid in de weg.
Toen we de spoedingang binnenreden, stonden de verpleegkundigen en de arts-assistent al klaar met een brancard. Vanaf daar ging alles in een roes van paniek en actie.
Binnen vijf minuten lag Luuk op een isolatiebed. Ze prikten direct zijn PAC-lijn aan. Twee brede buizen antibiotica gingen erin onder hoge druk. Ze hingen zakken vocht aan om zijn bloeddruk op peil te houden, want die was gevaarlijk gekelderd. Zesenzestig over veertig. Een monitor begon te loeien met schrille, harde piepjes.
"We moeten een bloedkweek afnemen," zei de kinderarts. Ze sprak snel en doelgericht. "Zijn lactaat is te hoog. Hij compenseert niet meer goed. We bellen de intensive care om stand-by te staan."
IC. Dat woord viel als een baksteen in het water. Luuk begon blauw aan te lopen rond zijn neusvleugels. Ze duwden een zuurstofkapje op zijn gezicht. Ik stond in de hoek van de kamer, tegen de muur gedrukt. Mijn rug schraapte langs het koude stucwerk. Ik voelde me gigantisch groot en volkomen nutteloos. Ik was een volwassen vent van negentig kilo, ik kon met gemak zakken cement van vijftig kilo sjouwen, maar ik kon helemaal niets doen om mijn kind van de verdrinkingsdood op het droge te redden.
Sanne zakte door haar knieën naast het bed. Ze bad. Sanne was helemaal niet gelovig, we gingen nooit naar de kerk, maar ze zat op de grond met haar handen gevouwen tegen het koude frame van het bed en prevelde woorden die niemand kon verstaan.
De monitor bleef krijsen. *Biep-biep-biep-biep.* Luuks hartslag zat op honderdtachtig slagen per minuut. Zijn kleine borstkas ging tekeer als een blaasbalg. Een verpleegkundige spoot een medicijn in om zijn bloedvaten open te zetten. De arts bleef over hem heen gebogen, met de stethoscoop op zijn borst, luisterend naar de chaos in zijn lijf.
Ik keek naar Luuks gezichtje onder het plastic zuurstofmasker. Zijn wangen waren grauw. Hij zag er al uit als een lijkje. Ik dacht aan de kist. Het klinkt verschrikkelijk, maar op dat moment dacht ik aan het formaat van een kistje voor een zevenjarige. Hoe til je zoiets? Hoe overleef je de dag erna? Hoe ga je ooit nog terug naar dat lege huis in Tiel?
"Komaan Luuk," fluisterde ik door mijn op elkaar geklemde tanden. Mijn nagels sneden in mijn handpalmen tot het bloedde. "Vechten, jochie. Blijf hier. Niet weggaan. Blijf bij ons."
Het duurde vier uur. Vier uur waarin de tijd stilstond. Rond zes uur in de ochtend begon de antibiotica eindelijk grip te krijgen. De hartslag zakte langzaam van honderdtachtig naar honderdvijftig. De bloeddruk kroop millimeter voor millimeter omhoog. De piepjes op de monitor veranderden van een paniekerig alarm naar een gestaag, geruststellend ritme.
De kinderarts liet haar schouders zakken. Ze veegde een pluk haar uit haar bezwete gezicht en keek naar ons. "Het ergste gevaar is geweken. De bacterie lijkt gevoelig voor deze combinatie. We hoeven niet naar de IC."
Sanne viel huilend voorover op het matras, haar hoofd op Luuks benen. Ik bleef tegen de muur staan. Mijn knieën trilden zo erg dat ik bang was dat ik zou omvallen als ik een stap verzette. Ik keek naar buiten. De regen was opgehouden. Boven de snelweg brak een waterig, grijs ochtendlicht door de wolken. We hadden hem nog. Voor vandaag hadden we hem nog.
Hoofdstuk 6
Opnieuw leren lopen
Na die nacht op het randje van de afgrond veranderde er iets. De naïviteit was definitief weg. We wisten nu hoe dun de scheidslijn was tussen leven en dood. Maar tegelijkertijd ontstond er een soort taaie hardheid in ons gezin. We gingen niet meer bij de pakken neerzitten. We werden een geoliede machine.
Ik nam zorgverlof op. Geen nachtdiensten meer. Geen pallets. Mijn plek was thuis en in het ziekenhuis. Ik leerde dingen die ik nooit had willen leren. Ik leerde hoe je een neussonde inbrengt als Luuk hem er tijdens het spugen weer eens had uitgetrokken. Een dun slangetje door zijn neus, via zijn keel naar zijn maag duwen terwijl je kind kokhalst en huilt. De eerste keer trilden mijn handen zo erg dat ik het slangetje liet vallen. De vierde keer deed ik het in dertig seconden, strak en zakelijk, en controleerde ik met een spuitje en een lakmoespapiertje of de pH-waarde van het maagsap klopte.
Ik werd Luuks verpleger. Ik inspecteerde zijn mondholte op aften en schimmels. Ik smeerde zijn schrale billen in als de diarree van de kuren zijn huid tot bloedens toe openhaalde. Ik spoot heparine in zijn PAC-lijn om te zorgen dat de leiding niet dichtslibde.
En we kregen te maken met het monster dat prednison heet.
Prednison redt levens bij leukemie, maar het sloopt de ziel van je kind. Luuk veranderde van een rustig, zachtaardig jochie in een onherkenbaar tiran. Hij kreeg het bekende 'vollemaansgezicht'. Zijn wangen zwollen op tot twee strakke ballonnen, terwijl zijn armen en benen juist dunner werden als luciferhoutjes. En hij had honger. Een onverzadigbare, woeste honger die werd aangedreven door de steroïden.
"Ik wil pannenkoeken!" gilde hij midden in de nacht, om half vier. Hij sloeg met zijn vuisten op zijn matras. "Nu! Pap! Pannenkoeken!"
Als ik zei dat we gingen slapen, smeet hij zijn drinkbeker tegen de slaapkamermuur. Hij schold ons uit voor alles wat hij op het schoolplein had opgepikt. Het was niet Luuk die sprak, het waren de chemicaliën in zijn bloedbaan. Maar het sneed door je ziel. Sanne kon er niet meer tegen; ze vluchtte soms naar beneden en zat met haar handen op haar oren in de bijkeuken. Dus stond ik om vier uur 's nachts in de keuken beslag te kloppen en pannenkoeken te bakken voor een zevenjarige die me aankeek met woeste, koortsige ogen en na twee happen het bord van tafel duwde omdat het "smerig" was.
Toch kwamen er scheurtjes in de duisternis. Kleine overwinningen.
In februari, negen maanden na de eerste blauwe plek, liep de zware chemoblokkenfase ten einde. We gingen over naar de onderhoudsfase. Minder zware ziekenhuisopnames, meer pillen thuis. Luuks bloedwaarden begonnen heel langzaam uit het dal te kruipen. Zijn beenmerg bleef schoon. De kanker was in remissie. Het woord betekende niet dat hij genezen was, maar wel dat de vijand zich had teruggetrokken in zijn schuilhol.
Op een dinsdagmiddag in maart zette Luuk zijn eerste stappen zonder hulp. Zijn beenspieren waren door de maanden van bedrust en de neuropathie van de medicijnen bijna verdwenen. Hij liep wankel, met zijn voeten naar buiten gedraaid, als een oud mannetje achter een denkbeeldige rollator.
"Kijk pap," zei hij. Hij liet de leuning van de bank los. Hij zette een stap. Zijn linkerknie knikte door, maar hij herstelde zich. Nog een stap. En nog een. Hij haalde de keukentafel en greep zich vast aan de rand. Zijn gezicht glom van trots.
Tess kwam aangerend en gaf hem een tekening. Een krakkemikkelig getekend poppetje zonder haar met een hele grote glimlach. Luuk pakte de tekening aan en lachte voor het eerst in maanden weer zoals vroeger. Het was geen grote, uitbundige lach, maar een klein giebeltje.
Sanne kwam achter me staan en legde haar kin op mijn schouder. Ik pakte haar hand. Haar vingers waren koud, maar ze kneep zachtjes terug. Voor het eerst sinds die rit in de ambulance voelde ik de spanning een heel klein beetje uit mijn nek zakken. We waren er nog niet, bij lange na niet. Maar Luuk stond op zijn eigen benen in onze keuken. En dat was voor die dag genoeg.
Hoofdstuk 7
Geen handleiding
Het is nu twee jaar na die zaterdagochtend op het voetbalveld. Luuk is bijna tien. Als je hem nu ziet lopen over straat, zie je op het eerste oog niets bijzonders. Hij heeft weer haar. Geen blond sprietjeshaar meer zoals vroeger, maar donkerblond en met een lichte slag erin. Hij draagt weer een spijkerbroek en gympen.
Maar wie beter kijkt, ziet de sporen van de oorlog.
Onder zijn rechter sleutelbeen zit een litteken van vier centimeter. Een paarsroze streep waar de PAC-lijn twee jaar lang in zijn borstkas heeft gezeten. Vorige maand is hij eruit gehaald op de dagbehandeling. We hebben het kastje mee naar huis gekregen in een plastic potje met een groen deksel. Het staat nu op zijn slaapkamer op de plank boven zijn lego. Een stukje titanium dat zijn leven heeft gered. Luuk noemt het zijn 'oorlogsmedaille'.
Hij voetbalt weer, maar niet meer bij de eerste selectie. Hij zit in een lager team, met jongens die het niet erg vinden dat hij na tien minuten moet wisselen. Zijn conditie is nooit meer helemaal de oude geworden. De chemo heeft zijn longen en zijn spieren geraakt. Soms klaagt hij over pijn in zijn enkels als het koud en vochtig weer is. Dan wrijf ik eroverheen met warme tijgerbalsem, net zoals ik vroeger op de isolatiekamer over zijn ijskoude voeten wreef.
Mensen denken vaak dat het klaar is als de behandelingen stoppen. Dat je de bel luidt op de afdeling van het ziekenhuis – zo'n koperen scheepsbel waar iedereen bij staat te klappen en te janken – en dat je dan weer teruggaat naar je oude leven. Maar er is geen oud leven meer om naar terug te keren. Dat leven is dood.
De angst verdwijnt nooit. Hij zit in onze muren gemetseld. Als Luuk 's ochtends zegt dat hij keelpijn heeft, stokt mijn adem nog steeds. Als hij struikelt en een blauwe plek op zijn scheenbeen krijgt, buig ik me eroverheen om te kijken hoe donker hij is. Blijft hij te lang zitten? Zijn het er meer? Ik tel ze soms stiekem als hij onder de douche staat. Eén op zijn knie, één op zijn dij. Gewone jongensplekken van het buitenspelen. Pas als ze na een week geel en groen worden en verdwijnen, durf ik weer normaal adem te halen.
Sanne en ik hebben het overleefd. Veel stellen om ons heen op de afdeling zijn uit elkaar gegaan. Kanker trekt de barsten in een huwelijk open tot gapende kloven. Bij ons heeft het de scheuren juist dichtgeschroeid met littekenweefsel. We zijn niet meer de mensen die we waren. We maken ons niet meer druk over een kapotte vaatwasser of een rekening die tegenvalt. We hebben samen in de afgrond gekeken en gezien wat er echt toe doet. Maar we zijn ook een stukje van onze luchtigheid kwijt. We lachen anders. We genieten harder, maar altijd met een randje waakzaamheid.
Ik werk weer op de heftruck. Gewoon in de dagdienst nu. Soms, als ik hoog in de stellingen rijd en de hal even leeg is, zet ik de motor af. Dan luister ik naar de stilte van het magazijn en denk ik aan die witte gangen in Utrecht. Aan de geur van die rode vloeistof. Aan Luuks handje dat mijn vinger vasthield toen hij in slaap viel voor de zoveelste punctie.
Er is geen handleiding voor hoe je verder moet na zoiets. Er is geen morele les. Kanker kiest niet. Het pakt willekeurig een kind uit een klas, breekt een gezin doormidden en kijkt toe hoe je de scherven bij elkaar veegt. Je wordt er niet wijzer van, en zeker niet beter. Je wordt er alleen harder van, en dankbaarder voor doodgewone dingen.
Gisteren kwam Luuk thuis van school. Hij smeet zijn rugzak in de gang, trapte zijn schoenen uit en riep dat hij honger had. Gewone trek, geen prednison-honger. Hij pakte een krentenbol van het aanrecht en rende de tuin in om met een buurjongen tegen een plastic bal te trappen. Ik stond bij het keukenraam en keek naar hem.
Hij rende niet snel. Hij liep nog steeds een beetje stram. Maar hij rende wel. In het zonlicht, over het groene gras. Ik deed mijn ogen even dicht en haalde diep adem. Luuk is er nog. Vandaag is hij er. En meer zekerheid dan vandaag krijg je in dit leven toch niet.