Naar de inhoud
Terug naar het boek

Ziekte en gezondheid

Toen lopen niet meer vanzelf ging

Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.

Hoofdstuk 1

Tintelingen op zolder

Mijn naam is Dennis van Dijk. Ik ben eenenveertig jaar oud en ik woon in Hengelo. Mijn hele volwassen leven werkte ik als tegelzetter. Zwaar werk, prachtig werk. Je begint met een kale betonnen vloer of een scheve muur, en aan het einde van de week glimt alles strak in het gelid. Ik was trots op mijn lijf. Breed in de schouders, sterke knieën en handen vol eelt. Ziek was ik nooit. Als ik griep had, dronk ik een hete beker thee, slikte twee paracetamols en ging ik gewoon mortel draaien. Tot die bewuste vrijdag in november.

Ik stond op een zolder in Enschede. Een badkamerrenovatie. Ik legde grote, donkergrijze vloertegels van zestig bij zestig centimeter. Halverwege de middag merkte ik dat mijn sokken vreemd aanvoelden. Alsof er zand in zat, of alsof de stof dubbelgevouwen onder mijn tenen zat. Ik trok mijn werkschoenen uit, schudde mijn sokken uit, maar er zat niets in. Toen ik weer ging staan, voelde de vloer raar. Niet koud en hard, maar dof. Alsof er een laag dik karton tussen mijn voetzolen en het beton lag.

'Te lang op je knieën gezeten, Dennis,' zei ik tegen mezelf. 'De doorbloeding even kwijt.'

Ik maakte de klus af, ruimde mijn spullen op en reed naar huis. Het weekend verliep zonder veel bijzonderheden, al bleven die voeten slapen. Mijn vrouw Marleen vroeg zaterdagavond nog waarom ik zo slofte. Ik lachte het weg. Ik zei dat ik gewoon moe was van de drukke week. Maar op zondagavond merkte ik dat de tinteling omhoog kroop. Het zat nu rond mijn enkels en trok zachtjes naar mijn kuiten. Het voelde als duizenden kleine, koude mieren die vlak onder mijn huid liepen.

Maandagochtend ging de wekker om zes uur. Ik deed mijn ogen open en gooide het dekbed opzij. Ik zwaaide mijn benen over de rand van het bed en zette mijn voeten op het laminaat. Toen ik wilde gaan staan, gebeurde er iets wat ik nog nooit had meegemaakt. Mijn knieën weigerden dienst. Ze knikten simpelweg naar voren, zonder enige weerstand. Ik viel voorover op de grond, met mijn neus tegen het nachtkastje.

Marleen schoot wakker van de klap. 'Dennis! Wat doe je?'

'Ik struikelde,' zei ik vanaf de grond. Ik probeerde op te drukken, maar mijn handen voelden slap. Mijn armen deden het nog wel, maar mijn benen leken gevuld met nat zand. Ik hees mezelf aan de bedrand omhoog. Mijn hart sloeg in mijn keel. Ik probeerde op mijn benen te steunen, maar mijn rechterenkel klapte meteen dubbel. Er was geen kracht. Nul. Alsof iemand de stroomkabel naar mijn onderlichaam had doorgeknipt.

'Dit is niet goed,' zei Marleen. Haar stem sloeg over. Ze zag mijn bleke gezicht.

'Bel de huisarts maar,' mompelde ik. Dat ik dat zei, was voor Marleen het teken dat het echt foute boel was. Ik belde anders nooit een dokter.

De huisarts kwam binnen een uur aan huis. Hij liet me op de rand van het bed zitten en haalde een klein rubberen hamertje tevoorschijn. Hij tikte tegen mijn kniepees. Mijn onderbeen bewoog niet. Hij tikte nog een keer, harder. Niets. Hij kraste met een houten stokje onder mijn voetzool. Ik zag hem bewegen, maar ik voelde nauwelijks iets.

De dokter keek ernstig. Hij borg zijn hamertje op en pakte zijn telefoon. 'Ik ga het ziekenhuis bellen. Je moet nu direct naar de spoedeisende hulp.'

'Kan ik niet morgen?' vroeg ik nog dommig. 'Ik moet een klus afmaken in Almelo.'

De dokter schudde zijn hoofd. 'Nee, Dennis. Je gaat nu. Je reflexen zijn helemaal weg. We moeten weten wat hier aan de hand is, en snel ook.'

Marleen pakte haastig een tas met wat kleren. Onze zoon Bram van negen zat beneden aan de keukentafel zijn boterham te eten. Hij keek met grote ogen toen twee broeders van de ambulance met een brancard onze gang in kwamen lopen. Ik probeerde een grapje te maken. 'Papa gaat even een proefritje maken, jongen.' Bram lachte niet. Kinderen voelen precies wanneer de grote mensen bang zijn. En ik was doodsbang.

Hoofdstuk 2

Het zakt weg

De geur van het Medisch Spectrum Twente kende ik alleen van kraamvisites en de keer dat mijn vader zijn blindedarm liet weghalen. Schoonmaakmiddel, warme koffie en een vreemde, klinische stilte. Binnen een paar uur lag ik op een onderzoeksbank op de afdeling Neurologie. Er stonden vier verschillende artsen aan mijn bed. Ze stelden vragen, dezelfde vragen steeds opnieuw. Was ik recent verkouden geweest? Had ik diarree gehad? Had ik een tekenbeet opgemerkt?

'Drie weken geleden,' herinnerde ik me opeens. 'Een flinke buikgriep. Een weekend lang overgegeven en op het toilet gezeten. Daarna was het weer over.'

De oudste neuroloog knikte langzaam. 'Dat past in het plaatje.'

Wat volgde was een middag vol onderzoeken die ik liever wil vergeten. Het ergste was de lumbaalpunctie. Ik moest op mijn zij gaan liggen en mijn rug zo bol mogelijk maken. Dat ging al nauwelijks, want mijn rompspieren begonnen ook slap te worden. Een assistent hield me vast terwijl de arts een lange naald tussen mijn wervels drukte om hersenvocht af te tappen. Een doffe, gemene pijnscheut trok door mijn stuitje. Ik beet op mijn kaken tot het glazuur kraakte.

Daarna kwam het EMG, het spieronderzoek. Ze plakten stroomdraadjes op mijn benen en stuurden schokjes door mijn zenuwen om de geleiding te meten. De piepjes op het beeldscherm klonken traag en haperend. De dokter zuchtte zachtjes.

Om vijf uur 's middags zaten Marleen en ik samen in een klein kamertje. De neuroloog kwam binnen en ging op de kruk tegenover ons zitten. Hij nam geen blad voor de mond.

'Meneer Van Dijk, u heeft het syndroom van Guillain-Barré. Afgekort GBS.'

De naam zei me helemaal niets. Het klonk Frans, chic bijna, maar de blik in zijn ogen was allesbehalve feestelijk.

'Het is een auto-immuunziekte,' legde hij uit. 'Uw eigen afweersysteem is in de war geraakt na die buikgriep. Uw lichaam heeft antistoffen gemaakt om het virus te bestrijden, maar die antistoffen vallen nu per ongeluk de isolatielaag van uw eigen zenuwen aan. Het myeline. Daardoor komen de signalen vanuit uw hersenen niet meer aan bij uw spieren.'

'En nu?' vroeg ik schor. 'Pil erin en klaar?'

'Nee,' zei de neuroloog. 'Zo werkt het helaas niet. We gaan u zo snel mogelijk behandelen met immuunglobulines via een infuus. Dat zijn gezonde antistoffen van duizenden bloeddonoren, die uw eigen op hol geslagen antistoffen moeten neutraliseren. Maar de zenuwschade is er al. Het kan de komende dagen eerst nog erger worden voor het beter wordt. We moeten uw ademhaling scherp in de gaten houden. Als de verlamming uw middenrif bereikt, moet u naar de intensive care aan de beademing.'

Die laatste zin sloeg in als een sloopkogel. Niet meer kunnen ademen. Stikken in je eigen bed.

Die nacht lag ik aan een infuuspaal die zachtjes zoemde. De vloeistof druppelde langzaam via een canule in mijn arm. Slapen lukte niet. Ik lag doodstil en luisterde naar mijn eigen ademhaling. In, uit. In, uit. Deed mijn borstkas het nog wel goed? Was die teug net iets minder diep dan de vorige? Ik concentreerde me op mijn grote teen van mijn linkerhand. Ik probeerde hem te wiebelen. Er gebeurde niets. Mijn handen voelden nu ook stram, alsof ik dikke leren lashandschoenen aanhad.

Marleen sliep thuis bij Bram. Ik was alleen in die donkere kamer. Buiten op de gang klonken de zachte stappen van de nachtverpleegkundige en het rollen van een karretje. Ik voelde me net een drenkeling die langzaam wegzakte in koud water. Mijn eigen lichaam, die betrouwbare machine waarmee ik tonnen cement had versjouwd, was bezig zichzelf af te breken. Ik had nergens controle over. Helemaal nergens.

Hoofdstuk 3

Vlees en botten

Op dag vier bereikte de ziekte zijn dieptepunt. Ik was een lappenpop geworden. Mijn benen deden helemaal niets meer. Mijn handen kon ik nog een beetje bewegen, maar een glas water oppakken lukte niet; mijn vingers gleden er simpelweg langs af. Zelfs mijn nekspieren waren zo verzwakt dat ik mijn hoofd niet van het kussen kon tillen als ik plat lag. Gelukkig bleef mijn ademhaling net voldoende. De artsen maten drie keer per dag mijn longcapaciteit met een blaasapparaat. De waardes daalden gevaarlijk dicht naar de grens, maar ik hoefde net niet geïntubeerd te worden. Dat was mijn enige overwinning in die week.

Maar de prijs voor het niet bewegen was hoog. Ik leerde een nieuw soort vernedering kennen.

Om zeven uur 's ochtends gingen de felle tl-buizen aan. Twee verpleegkundigen, meestal jonge meiden van een jaar of vierentwintig, kwamen de kamer binnen met een waskom en handdoeken. Ze rolden me op mijn zij. Mijn arm plofte levenloos neer op het matras.

'Goedemorgen Dennis, we gaan je even lekker opfrissen,' zeiden ze vriendelijk. Ze deden hun best. Ze waren professioneel en respectvol. Maar ik was een man van eenenveertig die door twee jonge vrouwen gewassen moest worden met een vochtig washandje. Mijn billen, mijn kruis, mijn oksels. Ik staarde naar een vlekje op het systeemplafond en beet op mijn tong om niet te gaan vloeken. Ik voelde me ontdaan van elke vorm van waardigheid.

Het ergste was de ondersteek. Een metalen pispot die ze onder je schuiven terwijl je half opgetild wordt. Poepen terwijl iemand achter een gordijntje staat te wachten tot je klaar bent. Mijn darmen waren door het stilliggen en de medicijnen ook half stilgevallen. Alles deed zeer, een zeurende kramp die diep in mijn buik zat.

Op woensdagmiddag kwam Bram op bezoek. Marleen had hem voorbereid, maar toch zag ik de schrik in zijn ogen toen hij de drempel overstapte. Ik lag daar, ingeklemd tussen kussens, met slangetjes in mijn neus voor extra zuurstof en een infuus in mijn pols. Mijn wangen waren ingevallen.

'Hoi pap,' zei hij zachtjes. Hij bleef op een meter afstand van het bed staan. Zijn handen diep in de zakken van zijn hoodie.

'Hoi maatje,' probeerde ik. Mijn stem klonk hees en dun. 'Kom eens hier.'

Hij zette twee voorzichtige stappen. Ik wilde mijn arm uitsteken om hem een aai over zijn bol te geven, zoals ik altijd deed als ik thuiskwam uit het werk. Mijn arm kwam misschien vijf centimeter omhoog en viel toen met een doffe klap terug op het laken. Bram deinsde een stukje terug. Hij dacht dat hij iets fout deed.

'Het geeft niet, jongen,' zei Marleen snel. Ze legde een hand op zijn schouder. 'Papa kan zijn armen even niet goed gebruiken. Door de zenuwen.'

Bram keek naar mijn benen onder het deken. 'Ga je ooit weer voetballen met mij?'

De vraag sneed dwars door mijn ziel. Ik zag de tranen in de ogen van Marleen opwellen. Zij keek snel naar het raam om zich groot te houden. Ik slikte de brok in mijn keel weg. Ik wilde niet liegen, maar ik kon hem ook niet vertellen dat ik misschien wel de rest van mijn leven in een rolstoel zou zitten. Want dat spookbeeld tolde dag en nacht door mijn hoofd.

'We gaan heel hard oefenen, Bram,' zei ik zo stevig als ik kon. 'De dokters jagen eerst die foute beestjes weg. En daarna ga ik knokken. Afgesproken?'

Hij knikte langzaam, maar hij bleef op afstand. Toen ze na een halfuur weggingen, draaide ik mijn hoofd naar de muur. Voor het eerst sinds mijn kindertijd huilde ik. Zonder geluid, want zelfs voor snikken had ik nauwelijks genoeg lucht in mijn longen. De tranen liepen langs mijn slaap in mijn kussen. Ik was geen vader meer, geen echtgenoot, geen bouwvakker. Ik was gewoon honderd kilo vlees en botten waar iedereen voor moest zorgen.

Hoofdstuk 4

Het Roessingh

Na drieënhalve week in het ziekenhuis was de acute fase voorbij. De ziekte breidde zich niet verder uit. Mijn bloedwaarden waren stabiel. De neuroloog kwam aan mijn bed staan met een klembord. 'Meneer Van Dijk, het medische deel zit erop. Nu begint het echte werk. U gaat naar Het Roessingh.'

Het Roessingh is het grote revalidatiecentrum in Enschede. Iedereen in Twente kent het. Je ziet de busjes rijden. Mensen met dwarslaesies, mensen na zware herseninfarcten, kinderen met spastische benen. En nu hoorde ik bij die club.

De ambulance bracht me erheen op een grijze dinsdagochtend. Het gebouw voelde anders dan het ziekenhuis. Minder steriel, meer dynamiek. De geur was een mengeling van linoleumwas, vers gezette koffie en het rubber van sportmatten. In de gangen reden mensen in elektrische rolstoelen behendig om elkaar heen. Anderen strompelden moeizaam achter zware looprekken.

Ik kreeg een kamer op de afdeling Neurologische Revalidatie. Nog diezelfde middag kwam mijn vaste fysiotherapeut langs. Hij heette Arjan. Een man van rond de dertig, kort donker haar, een trainingsbroek en sportschoenen aan. Hij had een stevige handdruk en een open, nuchtere blik. Geen meelevende blikken, geen fluisterende stem.

'Nou Dennis,' zei hij terwijl hij het dossier doornam. 'Een flinke klap gehad van die Guillain-Barré. Maar je bent tegelzetter, hoorde ik. Dan weet je wat hard werken is.'

'Ik wist het,' zei ik bitter. 'Nu kan ik nog geen lepel optillen.'

'Dat gaan we veranderen,' antwoordde hij nuchter. 'Niet vandaag, niet morgen, maar stap voor stap. Kom, we gaan naar de zaal.'

Ik werd met een tillift in een zwarte handbewogen rolstoel gehesen. De banden zaten strak om mijn borst zodat ik niet voorover zou kiepen. Mijn rompbalans was nog steeds waardeloos. Arjan duwde me door de gangen naar de grote oefenzaal. Daar stonden behandeltafels, hometrainers, loopbruggen en spiegels.

Hij reed me voor een grote spiegel en zette de rolstoel op de rem. 'Kijk eens naar jezelf.'

Ik keek. Ik zag een man met ingezakte schouders, dunne benen in een joggingbroek die veel te wijd was geworden, en een grauwe huid. Mijn werkspieren waren in vier weken tijd compleet weggesmolten. Ik herkende mezelf nauwelijks.

'Dit is je startpunt,' zei Arjan rustig. 'Hier beginnen we. We gaan eerst zorgen dat je weer zelfstandig kunt blijven zitten zonder om te vallen. Daarna gaan we staan. En pas daarna gaan we denken aan lopen.'

Die eerste sessie voelde als een vernedering van epische proporties. Arjan tilde me op een brede, lage behandeltafel. Hij ging achter me zitten om me op te vangen. 'Oké Dennis. Handen op je knieën. Probeer je rug recht te houden. Drie tellen.'

Hij liet me los. Direct helde mijn hele bovenlichaam naar rechts. Mijn buikspieren en rugspieren deden gewoon niets. Ik voelde me een zandzak die omviel. Arjan ving me rustig op voor ik van de tafel gleed.

'Nog een keer,' zei hij. 'Span je buik aan alsof iemand je in je maag wil stompen.'

Ik perste mijn lippen op elkaar. Ik gaf in gedachten het bevel aan mijn spieren. Werk dan, verdomme! Er gebeurde nauwelijks iets, maar ik hield het één seconde vol voor ik weer begon te wankelen. Het zweet brak me aan alle kanten uit. Mijn ademhaling ging tekeer alsof ik een marathon had gelopen.

'Goed zo,' zei Arjan, zonder sarcasme. 'Dat was één seconde. Morgen doen we er twee.'

Toen hij me een uur later terugbracht naar mijn kamer, trilden mijn armen van uitputting. Mijn hoofd bonsde. Ik wilde boos zijn op hem, op zijn rustige toon, op zijn stomme oefeningen. Maar diep vanbinnen wist ik dat dit mijn enige redding was. Geen medicijn ter wereld ging die zenuwen weer aan elkaar knopen. Ik moest het zelf doen. Millimeter voor millimeter.

Hoofdstuk 5

Tussen twee vuren

Twee maanden na mijn opname in Het Roessingh belandde ik op een dood punt. Mijn vooruitgang, die in het begin langzaam zichtbaar was geweest, leek compleet stil te vallen. Ik kon inmiddels redelijk zelfstandig in mijn rolstoel zitten en met aangepast bestek eten. Maar mijn benen bleven halsstarrig weigeren. En toen kwam de zenuwpijn.

Niemand had me gewaarschuwd voor de pijn van herstellende zenuwen. De artsen noemden het een 'goed teken' omdat het betekende dat de zenuwen weer contact probeerden te maken. Voor mij voelde het alsof iemand 's nachts met een brander langs mijn schenen ging. Een diepe, brandende, prikkende pijn die dwars door alle pijnstillers heen sneed. Slapen werd een hel. Ik lag uren naar het plafond te staren, terwijl mijn benen aanvoelden alsof ze in kokend zuur waren gedompeld.

De vermoeidheid vrat me op. Ik werd kribbig, bitter en ongeduldig. Het dieptepunt kwam op een zaterdagmiddag toen Marleen op bezoek kwam. Ze bracht een tas vol gewassen kleren mee en een appeltaart die ze samen met Bram had gebakken.

'Hoe ging de fysiotherapie gisteren?' vroeg ze opgewekt terwijl ze de taart op mijn nachtkastje zette.

'Kut,' zei ik kortaf. 'Net als eergisteren. En net als de dag ervoor.'

Marleen zuchtte hoorbaar. Het was de verkeerde reactie op het verkeerde moment.

'Wat zucht je nou?' beet ik haar toe. 'Vind je het soms gezellig om hier te zitten? Denk je dat ik voor mijn lol in deze kutstoel zit weg te rotten?'

'Dennis, doe niet zo,' zei ze zacht, maar haar stem trilde. 'Ik probeer alleen maar geïnteresseerd te zijn. Ik trek het thuis ook bijna niet meer, weet je dat? De hypotheek, Brams school, mijn eigen werk, het huishouden, en elke dag naar Enschede rijden om jouw gemopper aan te horen.'

'Dan kom je toch lekker niet!' schreeuwde ik. Een paar mensen op de gang keken door het open raam naar binnen. Het kon me niets schelen. 'Blijf lekker thuis! Ga lekker door met je perfecte leventje terwijl ik hier niets meer kan! Mijn baas heeft gisteren gebeld. Ze kunnen die zolderklus niet openhouden. Ze hebben een zzp'er ingehuurd. Mijn hele bus staat leeg op de zaak. Ik ben niks meer waard, Marleen. Helemaal niks!'

Marleen zei niets meer. Ze keek me aan, en in haar ogen zag ik niet eens boosheid. Ik zag pure, verpletterende uitputting. Ze pakte haar jas van de stoel, liet de appeltaart staan en liep de kamer uit. Zonder iets te zeggen. De deur viel met een zachte klik achter haar dicht.

Die stilte daarna was oorverdovend.

Ik rolde mijn rolstoel naar de badkamer. Ik sloot de deur en draaide het slot erop. Ik keek in de spiegel naar die verbitterde, bleke kop. Ik walgde van mezelf. Ik reageerde mijn angst af op de enige persoon die me onvoorwaardelijk steunde. Omdat zij kon lopen en ik niet. Omdat zij het leven leidde dat ik kwijt was.

Ik zette de douche aan. Heet water. Ik hees mezelf met trillende armen op de douchestoel. Ik liet het water over mijn hoofd stromen. Het brandde op mijn huid, maar de pijn in mijn benen was erger. Ik boog voorover, klemde mijn hoofd tussen mijn knieën en liet alles eruit. De woede, het verdriet, de schaamte. Ik jankte als een klein kind, overstemd door het kletteren van de douchestraal.

Toen het water begon af te koelen, draaide ik de kraan dicht. Ik bleef een hele tijd zitten in de kille damp. Ik had twee keuzes. Ik kon hier blijven zitten, iedereen van me wegduwen en wegkwijnen in zelfmedelijden tot mijn huwelijk kapot was en mijn zoon me niet meer wilde zien. Of ik kon accepteren dat dit mijn nieuwe realiteit was en stoppen met vechten tegen de werkelijkheid.

Ik rolde terug naar mijn kamer, pakte mijn telefoon met mijn onhandige vingers en toetste Marleens nummer in. Ze nam na twee keer overgaan op.

'Het spijt me,' zei ik, en mijn stem brak. 'Het spijt me zo ontzettend.'

'Ik weet het,' zei ze aan de andere kant van de lijn, en ze huilde ook. 'Ik kom vanavond terug. We eten die taart samen op.'

Hoofdstuk 6

De eerste meter

De doorbraak kwam niet met trompetgeschal. Het kwam op een doordeweekse donderdagochtend in maart, precies vier maanden nadat ik op die zolder in elkaar was gezakt.

Arjan had me naar de parallelle loopbrug gereden. Twee lange, dikke houten leuningen op heuphoogte, stevig vastgebout aan de vloer. Aan weerszijden hingen spiegels. De afgelopen weken hadden we alleen maar geoefend op staan. Mezelf optrekken aan de stangen, tien seconden blijven staan terwijl mijn knieën bibberden als riet in de wind, en dan weer gecontroleerd gaan zitten. Mijn kuiten waren stijf en mijn achillespezen voelden verkort door het lange liggen.

'Vandaag gaan we een stap zetten,' zei Arjan alsof hij voorstelde om een kopje koffie te gaan drinken.

'Mijn voetheffers doen nog niks,' wierp ik tegen. Dat was waar: als ik mijn voet optilde, bleef de voorkant slap naar beneden hangen. Klapvoeten. Levensgevaarlijk, want je struikelt over je eigen tenen.

'Daar hebben we dit voor,' zei hij. Hij toverde twee harde kunststof spalken tevoorschijn, zogeheten evo's. Hij schoof ze achter mijn kuiten en ritste het klittenband strak over mijn schenen. Ze dwongen mijn enkels in een hoek van negentig graden.

'Oké,' zei Arjan. 'Handen aan de stangen. Trek jezelf omhoog. Gewicht op beide benen.'

Ik pakte het hout beet. Het voelde glad en stevig. Ik zette af met mijn armen, spande mijn bovenbenen aan en duwde mijn heupen naar voren. Mijn knieën protesteerden, maar de spalken hielden mijn enkels op hun plek. Ik stond. Rechtop. Tussen de leuningen.

'Mooi,' zei Arjan. Hij ging een meter voor me staan, met zijn handen losjes paraat. 'Nu verplaats je je gewicht naar je linkervoet. Voel de druk op links. Maak je rechterbeen los.'

Ik leunde naar links. Het voelde doodeng. Mijn hele zenuwstelsel schreeuwde dat ik ging vallen. Ik kneep mijn handen wit om het hout van de stangen.

'En nu rechts naar voren zwaaien. Vanuit je heup, Dennis. Niet vanuit je voet.'

Ik stuurde de impuls naar mijn rechterheup. Het voelde alsof ik een zware zak zand door dikke modder moest trekken. Mijn been haperde, trilde hevig, maar bewoog. De zool van mijn schoen schraapte over het linoleum. Tien centimeter. Twintig centimeter. Mijn hak raakte de grond. Ik zette mijn voet neer.

'Plaats je gewicht op rechts,' instrueerde Arjan strak. Geen applaus, gewoon doorgaan.

Ik verplaatste mijn zwaartepunt. Mijn rechterbovenbeen schudde zo hard dat mijn broekspijp wapperde. De pijn in mijn knie was vlijmscherp. Maar het been hield me. Ik zakte niet door.

'En nu links bijsluiten.'

Ik trok mijn linkerbeen naar voren. Mijn voet sleepte, maar kwam naast de andere terecht. Ik had één stap gezet. Tachtig centimeter vooruitgang. Zonder rolstoel. Zonder tillift.

Ik stond stil, klam van het zweet, hijgend alsof ik net honderd kilo tegels drie trappen op had gesjouwd. Ik keek in de spiegel aan het einde van de brug. Ik stond daar op mijn eigen benen. Krom, stijf, met plastic om mijn kuiten, maar ik stond.

Arjan glimlachte breed. 'Zie je wel. De kabels doen het weer. Het signaal is traag, maar de kabel is heel.'

Die middag, toen ik terugkwam op mijn kamer, wachtte Marleen op me. Ik zei niets. Ik duwde mijn rolstoel zelf naar het voeteneind van het bed. Ik zette de remmen erop. Ik pakte de stalen beugel aan de muur vast en drukte me omhoog. Marleen hield haar adem in. Ze wilde opspringen om me te vangen.

'Blijf zitten,' hijgde ik. 'Kijk.'

Ik liet de muurbeugel los. Ik wankelde, greep met twee handen de rand van het ziekenhuisbed en zette één wankele, houterige stap naar voren. Toen nog een. Ik plofte op het bed neer, uitgeput, maar ik lachte. Het was de eerste echte lach sinds november.

Marleen sloeg haar armen om mijn nek. Ze zei niets, maar ik voelde haar tranen op mijn schouder vallen. Het waren andere tranen dan die van een maand geleden. We wisten allebei dat de weg nog ontzettend lang was. Ik kon nog geen trap op, ik kon mijn veters nog niet strikken, en ik kon nog geen doos tegels optillen. Maar het fundament was gelegd. De stilstand was gebroken.

Hoofdstuk 7

Nieuw evenwicht

Anderhalf jaar na die eerste tinteling op de zolder in Enschede zit ik aan de keukentafel in Hengelo. Het is zaterdagmorgen. Buiten regent het zachtjes. Bram zit tegenover me een stripboek te lezen. De radio speelt zacht op de achtergrond.

Ik sta op om koffie in te schenken. Het opstaan gaat niet meer zoals vroeger, toen ik zonder na te denken uit mijn stoel veerde. Ik moet mijn voeten eerst plat onder mijn heupen zetten. Ik leun iets voorover, zet af met mijn handen op de tafelrand en strek mijn benen bewust. Mijn rechterknie kraakt een keer hard. Mijn kuiten voelen strak, alsof er een strakke elastieken band omheen zit die nooit helemaal verdwijnt. Maar ik sta. Zonder krukken, zonder rollator.

Ik loop naar het aanrecht. Mijn pas is niet meer symmetrisch. Mijn rechtervoet wikkelt niet perfect af; ik til mijn knie iets hoger op om te voorkomen dat mijn tenen over de vloer schrapen. Een 'hanentred', noemen fysiotherapeuten dat. In huis loop ik zonder spalken, maar als ik naar buiten ga voor een lange wandeling, doe ik mijn carbon veerspalk om mijn rechterschoen. Dan zie je nauwelijks dat er iets mis is, behalve dat ik na een kilometer begin te hinken.

Genezen van Guillain-Barré is een vreemd begrip. Mensen vragen me vaak op straat: 'En Dennis, ben je weer helemaal de oude?'

Ik zeg meestal maar 'ja', om van het gezeur af te zijn. Maar de waarheid is complexer. De oude Dennis bestaat niet meer. Die man die vijftig uur per week over de bouw sjouwde, zakken specie van vijfentwintig kilo onder elke arm klemde en nooit nadacht over zijn lijf, die is op die zolder achtergebleven. Mijn zenuwen zijn hersteld, maar ze zijn veranderd. Ze geleiden trager. Als ik moe ben, beginnen mijn tenen weer te tintelen, diezelfde koude mieren van toen. Mijn batterij is kleiner. Na een drukke werkdag ben ik om acht uur 's avonds leeg.

Maar ik werk weer. Niet meer fulltime met mijn knieën in de lijm. Mijn oude baas heeft me niet laten vallen, al zag het er in het begin somber uit. Ik werk nu vier dagen per week op de zaak. Twee dagen help ik op kantoor: offertes maken, tekeningen inlezen, materialen bestellen. Twee dagen sta ik op de bouwplaats om leerlingen te begeleiden. Ik leg het uit, ik meet in, ik controleer het tegelwerk met de waterpas. Als er zwaar getild moet worden, laat ik het aan de jonge jongens over. Soms steekt dat. Dan sta ik te kijken hoe zo'n gozer van negentien moeiteloos drie pakken tegels de trap op rent, en dan voel ik een steek van jaloezie in mijn borst.

Maar die steek duurt nooit lang. Want ik herinner me de smaak van die klamme ziekenhuiskamer nog te goed. Ik herinner me de metalen ondersteek, de tillift, en de angst dat mijn longen ermee op zouden houden.

'Pap?' vraagt Bram opeens. Hij kijkt over zijn stripboek heen.

'Ja maatje?'

'Gaan we zo nog een balletje trappen in het park?'

Ik pak twee mokken koffie van het aanrecht en zet er eentje voor Marleen neer, die net de keuken binnenkomt in haar ochtendjas. Ze strijkt langs mijn schouder als ze langsloopt. Een klein gebaar, maar het zegt alles.

'Geen partijtje over het hele veld,' zeg ik tegen Bram. 'Maar ik kan wel op doel staan. En als je slap schiet, trap ik hem gewoon terug over de middellijn.'

Bram grijnst. 'Jij kan helemaal niet meer duiken, ouwe.'

'Dat zullen we nog wel eens zien,' zeg ik.

Ik drink mijn koffie leeg. De warmte trekt door mijn vingers. Mijn vingertoppen zijn nog steeds een heel klein beetje doof, alsof ik net secondelijm heb gebruikt die er niet helemaal af wil. Het herinnert me er elke dag aan dat niets vanzelfsprekend is. Lopen niet. Ademhalen niet. Opstaan uit je bed niet. Veerkracht is niet dat je na een val weer precies dezelfde wordt als daarvoor. Veerkracht is dat je leert leven met de scheuren in je fundament, en er toch weer een fatsoenlijk huis op bouwt. Ik trek mijn schoenen aan, klik het klittenband van mijn spalk vast en pak de leren voetbal uit de gangkast. We gaan naar buiten.