Naar de inhoud
Terug naar het boek

Tegenslag en opnieuw beginnen

Toen alles opnieuw moest beginnen

Hoofdstuk 1

De klap op de ring

Mijn naam is Dennis Meijer. Ik ben negenendertig jaar en ik woon in Schiedam. Tot twee jaar geleden dacht ik dat ik alles voor elkaar had. Ik had een eigen klusbedrijf, Meijer Afbouw. Drie busjes op de weg, twee jongens in vaste dienst en een orderportefeuille vol tot na de zomer. Thuis wachtte Sandra in een hoekhuis met een tuin op het zuiden. We praatten over kinderen en over een aanbouw aan de achterkant.

Het ging mis op een dinsdagochtend in november. Het regende pijpenstelen. Het was zeven uur en het verkeer op de A20 stond muurvast. Ik zat in mijn bus, een witte Transporter vol duur gereedschap. Op de bijrijdersstoel lag een map met offertes. Mijn telefoon ging. Het was Erik, mijn hoofdaannemer op een groot nieuwbouwproject in Vlaardingen. Een klus van tachtigduizend euro. Mijn hele winter hing eraan vast.

'Dennis,' zei Erik. Zijn stem klonk dof, alsof hij in een lege hal stond. 'Mogge Erik,' zei ik. 'Ik sta bij Spaanse Polder. Ik ben er over twintig minuten.' 'Draai maar om,' zei hij. Ik keek in mijn binnenspiegel. De ruitenwissers sloegen ritmisch heen en weer. 'Hoezo omdraaien? We gaan vandaag tegelen.' 'De holding is vanmorgen failliet verklaard,' zei Erik. 'Het hek zit op slot. De curator staat er al. Niemand mag het terrein op.'

De wereld viel even stil. Het geluid van de regen verdween naar de achtergrond. Tachtigduizend euro. Ik had al voor veertigduizend euro aan materialen voorgeschoten op rekening. De tegels, de lijm, het sanitair. Mijn leverancier wilde vrijdag zijn geld zien.

'Dat meen je niet,' zei ik. Mijn keel kneep dicht. 'Het spijt me verdomme ook, Dennis. Ik sta zelf ook op straat.' De verbinding werd verbroken.

Ik liet de telefoon op mijn schoot vallen. Mijn handen trilden op het stuur. Voor me remde een vrachtwagen plotseling hard voor een file die ineens stilstond. Ik zag de rode lichten te laat. Ik trapte op de rem, maar het asfalt was spekglad door de regen en modder. De wielen blokkeerden. De bus gleed door. Met een doffe klap boorde mijn neus zich in de stalen achterbumper van de oplegger.

De klap was hard. De airbag knalde eruit met een geur van buskruit en verbrand plastic. Mijn bril vloog van mijn hoofd. Overal lag glas. Het gereedschap achterin was door het tussenschot gedrukt. Ik voelde een scherpe pijn in mijn borstkas, maar ik kon ademen. Ik zat klem.

Binnen tien minuten stonden de zwaailichten om me heen. Blauwe flitsen weerkaatsten in de natte voorruit. Een brandweerman met een geel hesje klopte op mijn zijraam. 'Rustig blijven meneer, we halen u eruit.'

Ik dacht niet aan mijn ribben. Ik dacht niet aan de bus. Ik dacht alleen maar: ik ben kapot. Dit overleef ik zakelijk niet. In drie minuten tijd was mijn grootste klus weg en lag mijn bedrijfswagen in puin. Ik had geen buffer meer. Die buffer zat in de stenen en het hout van een project dat nu verzegeld was door een advocaat in een net pak.

In het ziekenhuis bleek dat ik twee gekneusde ribben had en een snee in mijn voorhoofd. Ze plakten er hechtstrips op. Sandra kwam me ophalen. Ze rook naar haar werk, naar de tandartspraktijk waar ze balieassistente was. Ze pakte mijn hand, maar haar vingers waren koud. Ze zei niks in de auto. Ze keek strak naar de weg.

'We moeten praten over de rekeningen,' zei ik zacht toen we de straat in reden. 'Niet nu Dennis,' zei ze. 'Je leeft nog. Dat is nu genoeg.' Maar het was niet genoeg. Dat wist zij ook. De rekeningen bleven niet wachten omdat ik leefde. Ze kwamen gewoon via de brievenbus binnen, wit met blauwe randen, genadeloos en precies op tijd.

Hoofdstuk 2

Het zand glijdt weg

De weken na het ongeluk leken op drijfzand. Hoe harder ik trapte, hoe dieper ik wegzakte. Zonder bus kon ik zelf nergens heen. De huur van een vervangende wagen kostte klauwen met geld. Mijn twee jongens, Kevin en Mo, moesten salaris hebben. Ik kon ze niet betalen. Op een vrijdagmiddag in december zat ik met hen in de loods.

'Jongens,' zei ik. Ik durfde ze amper aan te kijken. 'Het geld is op. De bank trekt het krediet in.' Kevin werd kwaad. Hij schopte tegen een lege emmer voorstrijk. 'Mijn vriendin is zwanger, Dennis! Je had beloofd dat we door konden tot de zomer!' 'Ik weet het, Kevin. Ik kan er niks aan doen.' 'Jawel,' schreeuwde hij. 'Beter opletten met wie je zaken doet!' Hij liep stampend weg. De stalen deur sloeg met een harde dreun dicht.

Mo bleef zitten op een houten krat. Hij stak een sjekkie op en bood mij er een aan. Ik rookte al vijf jaar niet meer, maar ik pakte hem toch aan. Mijn vingers trilden toen de vlam erbij kwam. De rook brandde in mijn keel. 'Wat ga je doen, baas?' vroeg Mo rustig. 'Faillissement aanvragen,' zei ik. Het woord smaakte naar gal. 'Anders sleep ik jullie en mezelf nog verder de afgrond in.' Mo knikte langzaam. Hij blies rook uit naar het golfplaten dak. 'Het is klote. Maar jij bent een goede vakman. Je komt er wel weer.' Hij stond op, gaf me een hand en liep weg. Ik bleef alleen achter in de tochtige loods tussen de halflege zakken cement en het stof.

Thuis werd het stil. Een kille, giftige stilte. Sandra en ik liepen om elkaar heen alsof we vreemden waren in hetzelfde huis. Elke envelop die op de deurmat viel, bracht ruzie. De hypotheek kon niet betaald worden. Mijn bedrijf was een eenmanszaak; ik was privé aansprakelijk voor de schulden. Alles waar we tien jaar voor gewerkt hadden, stond op de tocht.

Op een avond in januari smeet Sandra haar vork op haar bord. De pasta kletterde tegen de rand. 'Stop met dat gestaar, Dennis!' 'Ik staar niet,' zei ik mat. 'Je bent er niet meer. Je zit alleen maar op die bank naar de vloer te kijken. De deurwaarder stond vanmorgen aan de deur toen jij weg was. Weet je hoe vernederend dat is? De buurvrouw stond in haar voortuin te kijken!' 'Wat wil je dat ik doe?' riep ik uit. 'Ik kan geen geld toveren! Ik slaap niet meer, San. Ik kots elke ochtend gal van de stress.' 'Ik wil dat je vecht!' schreeuwde ze. Haar ogen stonden vol tranen, maar niet van verdriet. Het was pure woede en vermoeidheid. 'Maar je vecht niet. Je geeft het gewoon op.'

Ze sliep die nacht op zolder. Een week later kwam ik thuis van het kantoor van de curator. Mijn knokkels waren grijs van de kou. Op de eettafel lag een sleutelbos met een briefje eronder. Drie zinnen: *Ik trek dit niet meer. Ik ga tijdelijk naar mijn zus. Zoek alsjeblieft hulp.*

Ze had haar kleren meegenomen. De kledingkast op onze slaapkamer stond halfopen. De lege hangers rammelden nog een beetje toen ik de deur verder openduwde. Het huis rook naar haar shampoo en naar leegte. Ik ging op de rand van het bed zitten en deed het licht uit. Ik huilde niet. Ik voelde helemaal niks meer. Ik was verdoofd, alsof iemand een zware zak zand over mijn hoofd had leeggegooid. Mijn bedrijf weg. Mijn geld weg. Mijn vrouw weg. Ik was negenendertig en ik had alleen nog een stapel rode aanmaningen en een bed dat veel te groot was.

Hoofdstuk 3

De kelder van Schiedam

Het huis werd in mei verkocht via een veiling. De opbrengst dekte de hypotheek net niet helemaal. Er bleef een restschuld over van achtentwintigduizend euro. Bovenop de schuld van de leveranciers. Ik moest de Wsnp in, de schuldsanering. Dat betekende dat ik drie jaar lang op een bestaansminimum moest leven. Elke euro die ik meer verdiende dan het absolute minimum, ging naar de bewindvoerder.

Via een kennis vond ik een kamer in Schiedam-Oost. Het was eigenlijk een souterrain onder een oud herenhuis: half onder de grond, vochtig en donker. Als er buiten een vrachtwagen door de straat reed, trilde het kleine bovenraampje in zijn sponning. De muren waren geel van oude rook. Er stond een tweedehands bed, een wankele tafel en een tweepits elektrisch kooktoestel.

De eerste maand kwam ik de deur amper uit. Ik schaamde me kapot. Schiedam is een dorp als je er geboren bent. Overal waar ik kwam, was ik bang om oude bekenden tegen te komen. Klanten voor wie ik een badkamer had verbouwd, aannemers met wie ik biertjes had gedronken in de kroeg. Ik zag er verwaarloosd uit. Ik schoor me niet meer regelmatig. Mijn spijkerbroeken hingen los om mijn heupen omdat ik nauwelijks at.

Op een dinsdagmiddag zat ik aan mijn tafel. Buiten regende het weer. Ik had trek, maar de koelkast was leeg op een halve pot augurken na. In mijn broekzak zat nog één euro en veertig cent. Mijn weekgeld van de bewindvoerder, zeventig euro om van te leven, kwam pas over twee dagen. Ik liep naar de supermarkt op de hoek. Ik kocht het goedkoopste blik witte bonen in tomatensaus en een pakje vloeitjes. Ik hield tien cent over.

Terug in de kelder trok ik het blik open met het lipje. Ik had het geduld niet eens om het warm te maken. Ik pakte een lepel en at de bonen koud uit het blik. Ze smaakten naar metaal en zoetige meelpap. Terwijl ik at, keek ik naar de muur tegenover me. Het behang liet los in de hoek. Eronder zat zwarte schimmel.

'Kijk je nou naar,' zei ik hardop tegen mezelf. Mijn eigen stem klonk raar in de kleine ruimte. 'De grote aannemer. De man die alles zo goed wist.'

Ik smeet de lepel op tafel. De rode saus spatte tegen het behang. Ik zakte in elkaar met mijn armen op de tafel en begon te janken. Niet zachtjes, maar rauw en schokkend, vanuit het diepste van mijn maag. Alles kwam eruit. De woede over die aannemer die me bedrogen had. De haat naar mezelf omdat ik te veel risico had genomen. De pijn over Sandra, die me had laten vallen toen het fundament instortte. Ik huilde tot mijn slapen bonkten en mijn keel droog stond.

Toen het stil werd, was het buiten donker geworden. Alleen het schijnsel van een lantaarnpaal viel door het kelderraam op de vloerbedekking. Ik keek naar de rode vlek op het behang. Het zag er armoedig uit. Goedkoop.

Ik stond op en liep naar het kleine gootsteentje. Ik waste mijn gezicht met koud water. Ik keek in de spiegel boven de wasbak. De barst in het glas liep precies over mijn voorhoofd, over het litteken van het ongeluk. Ik zag er slecht uit. Dof, grijs, verslagen.

'Dit is de bodem, Dennis,' zei ik tegen mijn spiegelbeeld. 'Dieper dan dit kan je niet zakken. Je vreet koude bonen en je jankt in een kelder.'

Ik draaide de kraan dicht. Het drupte nog na, regelmatig, tik-tik-tik. Ik pakte een theedoek en veegde de tomatensaus van de muur. Ik spoelde het blik om en zette het bij het afval. Er was niemand die me kwam redden. Sandra niet. Mijn vrienden niet. De overheid niet. Als ik hier niet over drie jaar nog wilde zitten, moest ik zelf bewegen. Hoe dan ook.

Hoofdstuk 4

Werk aan de lopende band

De volgende ochtend stond ik om acht uur bij het uitzendbureau. Mijn haar zat strak naar achteren gekamd, ik had me geschoren met een wegwerpmesje en ik droeg mijn enige schone trui. De jongen achter de balie was begin twintig. Hij droeg een te strak colbert en keek op zijn scherm terwijl ik praatte.

'Je hebt vijftien jaar als zzp'er gewerkt in de bouw?' vroeg hij zonder op te kijken. 'Ja. Aannemer, timmerman, tegelzetter. Ik kan alles met mijn handen.' 'In de bouw hebben we nu niks waar je meteen in kan zonder eigen vervoer en eigen gereedschap,' zei hij zakelijk. 'Heb je een auto?' 'Nee. Een fiets.'

Hij zuchtte zachtjes en scrolde door een lijst. 'Nachtdienst in de diepvriesopslag in de Waalhaven. Dozen stapelen bij min twintig graden. Vis en vlees voor de export. Ploegendienst van tien uur 's avonds tot zes uur 's ochtends. Fysiek zwaar. Minimumloon.' Hij keek me nu pas aan. Zijn blik zei: *dit ga jij toch niet doen, ouwe*. 'Wanneer kan ik beginnen?' vroeg ik. 'Vanavond om kwart voor tien melden bij poort drie.'

Om half negen fietste ik door de haven. Het regende niet, maar er stond een snijdende oostenwind over de Nieuwe Maas. Mijn knieën kraakten op de oude herenfiets die ik van een buurman had gekregen. De haven was een wereld van staal, containers en felle natriumlampen. Gigantische hijskranen staken als dinosaurussen af tegen de grijze lucht.

Bij de diepvriesloods kreeg ik een dikke thermo-overal, veiligheidsschoenen en handschoenen die veel te stijf waren. De kou in de hal sloeg direct op je longen. Binnen één minuut bevroor het vocht in mijn neus. Mijn adem wolkte wit voor me uit. Het geluid was oorverdovend: het gezoem van gigantische koelmotoren en het piepen van heftrucks.

Mijn werk was simpel. Er kwamen pallets vol bevroren zalm binnen. Ik moest die dozen met de hand overstapelen op andere pallets volgens een strak patroon. Elke doos woog vijftien kilo. Ze waren koud en glibberig van het ijs. Na een uur deden mijn schouders pijn. Na drie uur voelde ik mijn vingertoppen niet meer. Mijn gekneusde ribben van het auto-ongeluk protesteerden bij elke draai die ik maakte.

Naast me werkte Mo. Niet mijn oude werknemer, maar een man van in de vijftig met diepe groeven in zijn gezicht en ogen die alles al gezien hadden. Hij bewoog ritmisch, als een machine. Hij gooide de dozen neer alsof het kussens waren.

Tijdens de pauze om twee uur zaten we in een kille kantine met TL-licht. Ik probeerde met trillende handen een plastic bekertje automaatkoffie vast te houden. De koffie smaakte naar karton en warm water, maar het gaf warmte aan mijn vingers.

'Nieuw?' vroeg de oudere man. Hij at een stuk Turks brood met kaas. 'Eerste nacht,' zei ik hees. 'Je bent te langzaam. Als je zo tilt, scheur je over twee weken je onderrug af.' 'Ik ben timmerman,' zei ik, bijna verontschuldigend. 'Ik ben gewend om te tillen.' 'Dit is geen hout, vriend,' zei hij nuchter. 'Hout leeft. Dit is dood ijs. Je moet tillen vanuit je heupen, niet vanuit je rug. En je moet niet nadenken. Als je gaat nadenken over wat je aan het doen bent, hou je het hier geen nacht vol.'

Ik keek naar mijn handen. De eeltplekken van het timmeren waren zacht geworden in de maanden van niks doen. Nu zaten er al blaren onder de huid door de stijve werkhandschoenen. 'Hoe lang doe jij dit al?' vroeg ik. 'Acht jaar,' zei hij. 'Sinds mijn scheiding. Mijn restaurant ging kopje-onder in Rotterdam-Zuid. Schulden. Je kent het wel.'

Ik keek hem aan. Hij keek rustig terug. Er zat geen schaamte in zijn blik. Geen zelfmedelijden. Gewoon een man die om twee uur 's nachts brood at in een vriesloods omdat er rekeningen betaald moesten worden. 'Houdt het ooit op?' vroeg ik zacht. Mo haalde zijn schouders op. 'De schuld houdt een keer op als je blijft betalen. De kou went nooit. Maar je leeft nog, toch? Je armen doen het nog. Vreet je brood op, we moeten weer naar binnen.'

Hoofdstuk 5

Een scheur in de muur

Na vier maanden in de vrieskou was ik twaalf kilo lichter geworden. Mijn lichaam was hard, pezig en altijd moe. Maar er zat weer een ritme in mijn leven. Slapen overdag, fietsen in de schemering, kou lijden in de nacht. Mijn loon ging bijna rechtstreeks naar de bewindvoerder. Ik hield zeventig euro per week over. Geen bier, geen tabak, geen nieuwe kleren. Maar de schuld daalde, millimeter voor millimeter.

Op een zaterdagochtend in september kwam ik terug van mijn shift. Ik was kapot. Terwijl ik mijn fiets tegen het hek zette, stopte er een zwarte Mercedes langs de stoeprand. Het raampje gleed geruisloos naar beneden. Een man met een zonnebril en een duur jack keek me aan. Het was Jeffrey. Jeffrey deed vroeger 'in vastgoed'. Iedereen in Schiedam wist dat hij vooral deed in zaken die het daglicht niet konden verdragen, maar hij had altijd stapels contant geld op zak.

'Dennis!' riep hij met een vette grijns. 'Jezus man, wat zie jij eruit. Ben je aan het trainen voor een marathon ofzo?' Ik bleef bij mijn fiets staan. 'Hoi Jeffrey.' 'Ik hoorde van je bedrijf. Zonde man. Klote voor je.' Hij tikte met zijn vingers op het stuur. 'Stap even in. Ik wil wat aan je vragen.'

Ik aarzelde. De geur van de leren bekleding kwam me al tegemoet door het open raam. Het rook naar rijkdom, naar dure aftershave en airconditioning. Ik stapte in. De stoel zat belachelijk lekker na die nacht op de koude betonnen vloer.

'Luister,' zei Jeffrey. Hij zette zijn zonnebril af. 'Ik heb een loodsje in het havengebied. Binnenkort moeten daar wat tussenwanden in. Dubbel gips, isolatie, goede ventilatie erin gebouwd. Je snapt wel wat voor werk.' Ik snapte het meteen. Een wietkwekerij. Dat deden ze altijd zo: strakke tussenwanden, afzuiging weggewerkt achter schrootjes. 'Ik doe dat soort werk niet, Jeff,' zei ik.

'Laat me uitpraten, Meijer,' zei hij zachter. Hij pakte een dikke envelop uit het dashboardkastje en legde die op mijn schoot. Ik voelde aan de dikte wat erin zat. 'Tienduizend euro. Handje contantje. Vier dagen werk, van zaterdag tot dinsdag. Niemand die het ziet. Jij kan je schuldeisers in één keer een flinke klap geven. Of gewoon zelf wat leuks doen. Wat kan jou die bewindvoerder schelen?'

Mijn hand lag op de envelop. Tienduizend euro. Dat was voor mij op dat moment meer dan een jaar overleven op zeventig euro per week. Ik kon nieuwe kleren kopen. Ik kon een normale kamer huren met daglicht. Ik kon Sandra bellen en laten zien dat ik weer geld had.

Mijn hart sloeg in mijn keel. De spanning trok mijn maag samen in een keiharde knoop. 'Vier dagen,' zei Jeffrey. 'Jij hebt de spullen, je leent een busje, je regelt die wanden. Ik zorg dat er niemand in de buurt is.'

Ik keek naar mijn handen op de envelop. Mijn knokkels waren schraal van de diepvrieskou. Er zat een litteken op mijn duim van een stanleymes, tien jaar geleden opgelopen toen ik mijn allereerste kozijn stelde als zelfstandige. Ik was een vakman geweest. Een eerlijke vakman. Ik had fouten gemaakt, verkeerde aannemers vertrouwd, te veel risico genomen met andermans geld. Maar ik had nooit gestolen. Ik had nooit troep gebouwd om mensen te verzieken.

Als ik gepakt werd, en de politie hield die havenloodsen scherp in de gaten, raakte ik alles kwijt. De schuldsanering zou direct worden stopgezet. Ik zou een strafblad krijgen en de rest van mijn leven vastzitten aan de schuldeisers. Geen schone lei. Nooit meer.

'Nee,' zei ik. Jeffrey keek me verbaasd aan. 'Wat zeg je?' 'Nee,' herhaalde ik. Mijn stem was rustiger dan ik me voelde. Ik schoof de envelop terug op zijn dashboard. 'Ik doe het niet.' 'Ben je helemaal gek geworden?' zei hij fel. 'Je woont in een krot, Meijer! Je vreet uit de vuilnisbak bij wijze van spreken! En je gaat nu de heilige uithangen?'

'Ik leef tenminste niet van jouw rotzooi,' zei ik. Ik trok aan de hendel van het portier en stapte uit in de koude ochtendlucht. De straat was leeg en grijs. De wind blies een leeg chipszakje over de stoep.

Jeffrey spuugde uit zijn raam. 'Sukkel,' beet hij me toe. Hij gaf gas. De banden piepten over het natte asfalt en hij schoot weg, de bocht om.

Ik bleef op de stoep staan. Mijn benen trilden zo erg dat ik tegen mijn fiets moest leunen. Mijn maag krampte van de spanning. Tienduizend euro, zo door mijn vingers geglipt. Ik had het geld kunnen pakken. Niemand had het geweten. Maar toen ik naar de roestige herenfiets keek en naar mijn eigen versleten schoenen, voelde ik voor het eerst in een jaar iets anders dan schaamte. Ik voelde een sprankje trots. Ze hadden me alles afgepakt, maar ik had net zelf besloten wie ik wilde zijn. Een arme sjouwer in een diepvriesloods. Maar geen boef.

Hoofdstuk 6

Het gereedschap weer oppakken

Twee straten verderop woonde mevrouw De Jong. Ze was dik in de zeventig en liep met een rollator. Ik kende haar omdat ze elke ochtend haar kleine terrier uitliet als ik net terugkwam van mijn werk. We zeiden altijd beleefd gedag. Meer niet.

In november, precies een jaar na mijn crash op de ringweg, stond ze radeloos in het portiek van haar benedenwoning. De tranen stonden in haar ogen. Uit haar voordeur liep een dun straaltje water over de stenen van de gang. 'Meneer Meijer!' riep ze toen ze me zag lopen. 'Het houdt niet op! Het water komt onder de douche vandaan!'

Ik zette mijn tas met thermo-kleding neer en liep naar binnen. Het rook muf. In de badkamer stond drie centimeter water. De afvoer zat verstopt en de oude mengkraan in de muur was finaal doorgeslagen. Het water spoot langs de tegels naar beneden. 'Heeft u een hoofdkraan?' vroeg ik. Ze keek me glazig aan. 'Ik weet het niet. In de meterkast misschien?'

Ik dook de meterkast in. Onderin, achter een stapel oude kranten, vond ik de zwarte afsluiter. Ik zette kracht. Het ding zat muurvast door kalk. Met een harde ruk kreeg ik beweging in het wiel. Ik draaide hem dicht. Het spuiten in de badkamer hield op. Alleen het druppen bleef over.

'Zo,' zei ik terwijl ik opstond en het stof van mijn broek veegde. 'Het water is eraf. Maar die kraan is naar de knoppen. Het binnenwerk is gescheurd.' 'Oh god,' zuchtte ze. Ze ging op de rand van een stoel zitten. 'Ik heb de woningbouw al gebeld, maar die sturen pas maandag iemand. Ik kan toch geen twee dagen zonder water zitten?'

Ik keek naar de kraan. Het was een simpel modelletje uit de jaren tachtig. Twee schroeven, een nieuw leertje of gewoon een nieuw kraanhuis van twee tientjes bij de bouwmarkt. 'Heeft u gereedschap in huis?' vroeg ik. Ze schudde haar hoofd. 'Mijn man had een kist in de schuur. Maar die is al zes jaar dood. Ik heb er nooit meer in gekeken.'

We liepen naar het kleine schuurtje achter haar tuin. In de hoek, onder een laag spinnenwebben, stond een oude groene stalen gereedschapskist. Ik knipte de roestige klemmen los en deed het deksel open. De geur sloeg meteen in mijn neus: machineolie, staal, een vleugje terpentine. Het was de geur van mijn hele leven. Mijn vaders schuur vroeger. Mijn eigen werkplaats.

In de kist lagen bahco's, een waterpomptang van degelijk Duits staal, wat schroevendraaiers met houten handvatten en een rol teflontape. Goed gereedschap. Een beetje roest op de bekken, maar onverwoestbaar.

Ik pakte de tang vast. Het vertrouwde gewicht lag meteen perfect in mijn handpalm. Mijn vingers vonden vanzelf de ribbels van het instelmechanisme. Zonder na te denken klikte ik de bek op de juiste wijdte. 'Mag ik dit even lenen?' vroeg ik. 'Alsjeblieft jongen,' zei ze zacht.

Ik liep terug naar haar badkamer. Ik knielde op het natte linoleum. Eerst haalde ik de deksel van het putje en trok een prop haar en zeepresten eruit met een gebogen stuk ijzerdraad dat ik vond. Het water kolkte met een diepe slurp weg. Daarna zette ik de tang op de wartel van de kraan. Ik zette druk. Mijn schouders spanden zich aan. De bout gaf met een luide *krak* mee. Ik draaide hem los, inspecteerde de leiding, maakte de schroefdraad schoon en wikkelde er drie slagen verse teflontape omheen die nog in de kist lag. Ik zette een reserve-ringetje uit het doosje van haar man ertussen en draaide alles weer muurvast aan.

Ik liep naar de meterkast en zette de hoofdkraan weer open. In de badkamer siste de leiding toen de lucht eruit werd geperst. Maar er lekte geen enkele druppel. Alles bleef droog.

Mevrouw De Jong stond in de deuropening te kijken. Haar handen tegen haar wangen geslagen. 'Doet hij het weer?' 'Hij doet het weer,' zei ik. Ik draaide de kraan open. Een volle, rechte straal kletterde in de wasbak. Geen gespetter. Geen lekkage.

Ze begon te stralen. 'Wat geweldig! Wat ben jij een vakman. Wat kost het me?' Ik wilde 'niks' zeggen, uit gewoonte. Maar ik slikte het in. Mijn tijd was niet niks waard. Mijn kennis was niet niks waard. 'Heeft u een tientje voor de moeite?' vroeg ik. Ze liep haastig naar haar portemonnee en drukte me een briefje van twintig in de hand. 'En geen cent minder. En je blijft een kop soep eten.'

Ik zat die middag in haar warme keuken aan een kom groentesoep met ballen. Op de tafel naast mijn kom lag de waterpomptang van haar overleden man. 'Neem die kist maar mee,' had ze gezegd. 'Hij staat daar toch maar te verroesten. Bij jou heeft hij een baas.'

Ik fietste die middag naar huis met de zware stalen kist achterop mijn bagagedrager gebonden met twee snelbinders. De kist rammelde bij elke klinker in de weg. Het was het mooiste geluid dat ik in een jaar had gehoord. Ik had weer gereedschap. Ik was weer iemand die dingen kon maken in plaats van alleen maar dozen verplaatsen.

Hoofdstuk 7

Een andere stad, dezelfde handen

Het is nu twee jaar later. Ik ben net veertig geworden.

Ik woon niet meer in de kelder in Schiedam-Oost. Ik heb een klein tweekamerappartement op de derde verdieping van een portiekflat in Vlaardingen. Geen tuin op het zuiden, geen eigen oprit. Een balkonnetje van twee bij twee meter met uitzicht op een grasveld en een basisschool. Maar er is licht. De ramen zijn groot en als de zon schijnt, staat mijn hele woonkamer vol warmte.

De schuldsanering loopt nog één jaar. Ik zit nog steeds op het minimum. Elke maandag check ik mijn rekening om te zien of mijn weekgeld is gestort. Het went nooit helemaal, die controle van een vreemde over jouw centen. Maar de eindstreep is in zicht. Over twaalf maanden krijg ik een schone lei. Nul euro schuld. Geen deurwaarders meer, geen zwarte lijsten.

Ik werk niet meer in de diepvriesloods. Sinds negen maanden werk ik bij een middelgroot renovatiebedrijf hier in de regio. Gewoon in loondienst. Ik ben geen baas meer. Ik heb geen drie bussen op de weg. Ik heb een vaste bedrijfsbus van de zaak die ik na werktijd netjes voor de deur parkeer. Ik krijg op de vierentwintigste van de maand mijn salaris gestort, waar de bewindvoerder direct het afgesproken deel van inhoudt.

Mijn wekker gaat om zes uur. Ik sta op, zet een pot zwarte koffie en bak twee eieren. Geen stress meer over facturen die niet betaald worden. Geen paniek als de telefoon gaat. Als ik om vier uur 's middags mijn gereedschap schoonmaak en de bus op slot draai, is het klaar. Dan ben ik vrij. Die rust in mijn hoofd is meer waard dan alle winstmarges die ik vroeger op papier had staan.

Sandra spreek ik soms nog. Heel soms. We kwamen elkaar een paar maanden geleden tegen bij de Hema in het centrum. Zij schoof een karretje met handdoeken, ik kocht een setje schroefbits. We bleven allebei even stokstijf staan. 'Hoi Dennis,' zei ze zacht. 'Hoi San.'

We dronken koffie op het terras buiten. Zij vertelde over haar nieuwe vriend, een fysiotherapeut uit Rotterdam. Ze zag er goed uit, rustig. Geen wallen onder haar ogen zoals in die laatste vreselijke maanden in ons koophuis. 'Het spijt me hoe het gegaan is,' zei ze terwijl ze in haar suikerzakje peuterde. 'Ik kon het gewoon niet meer aan. De angst voor de afgrond.' 'Ik snap het wel,' zei ik. En ik meende het. Vroeger had ik gedacht dat ik haar zou uitschelden als ik haar weer zag. Dat ik haar zou verwijten dat ze me in de steek liet toen de boot zonk. Maar terwijl ik tegenover haar zat, voelde ik geen woede meer. Alleen een lichte weemoed, zoals wanneer je naar een oude foto kijkt van een vakantie die al heel lang voorbij is. 'Je ziet er goed uit,' zei ze. 'Beter dan toen.' 'Ik ben er nog,' zei ik met een glimlach. We gaven elkaar een knuffel bij het afscheid. Een echte knuffel, zonder wrok. Daarna liep zij naar links, naar haar nieuwe leven, en ik naar rechts, naar mijn bus.

Vanochtend sta ik op een steiger aan de buitengevel van een oud pand in Dordrecht. Het is koud, de eerste vrieskou van november zit weer in de lucht. De geur van natte baksteen en voegspecie vult mijn neus. Beneden raast het verkeer voorbij, mensen onderweg naar kantoor, gehaast, bellend achter het stuur.

Ik pak mijn voegspijker en een plankje mortel. Ik zet de specie strak in de voeg. Met een soepele beweging van mijn pols strijk ik het glad. Strak, recht, precies waterpas. Mijn handen zijn ruw, vol kleine krasjes en eelt. Dezelfde handen waarmee ik failliet ging. Dezelfde handen waarmee ik bevroren zalm stapelde voor een hongerloontje.

Het leven is niet gelopen zoals ik op mijn dertigste had gedacht. Ik ben niet rijk geworden. Ik heb geen groot gezin in een vrijstaand huis. Ik begin helemaal opnieuw, onderaan de ladder, op mijn veertigste.

Maar als ik over de gevel wrijf en voel hoe stevig de stenen in de nieuwe specie staan, voel ik me rustig. De muur staat. Hij wankelt niet meer. En ik ook niet.