Psychische gezondheid
Terug van de gesloten afdeling
Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.
Hoofdstuk 1
De deur
De deur viel achter me dicht. Geen klap. Een droge klik. Ik draaide me meteen om en drukte de klink omlaag.
Niets.
‘Die gaat niet zomaar open,’ zei de verpleegkundige.
‘Dan maak je hem open.’
Ze bleef naast me staan. Op haar pasje stond Sanne. Ze droeg blauwe schoenen met witte veters. Daar keek ik naar, omdat haar gezicht te veel informatie gaf.
‘Eerst gaan we even zitten, Bram.’
Mijn naam is Bram van Dijk. Ik was vierendertig en woonde boven een bakkerij in Utrecht. Ik repareerde fietsen. Tot die week had ik nog nooit een psychiatrische afdeling van binnen gezien.
Nu stond ik er met één schoen zonder veter. Die veter was onderweg geknapt. Mijn jas hing scheef. In mijn zak zat een kassabon waarop ik telefoonnummers had geschreven van mensen die mij volgens mij volgden.
Mijn zus Merel stond nog aan de andere kant van de deur.
‘Zij moet mee,’ zei ik.
‘Ze komt zo binnen. De arts praat eerst kort met haar.’
‘Dus jullie gaan jullie verhaal afstemmen.’
Sanne antwoordde niet meteen. Dat maakte me nog kwader.
Vier nachten had ik nauwelijks geslapen. Misschien vijf. Ik had koffie gedronken uit een maatbeker omdat alle mokken vies waren. Overdag werkte ik door. ’s Nachts schreef ik plannen voor een landelijke fietsenketen. Geen gewone keten. Een systeem dat files, armoede en eenzaamheid tegelijk zou oplossen.
Het klonk in mijn hoofd niet groot. Het klonk logisch.
Op donderdag had ik mijn baas Kees verteld dat hij de werkplaats aan mij moest overdragen. Ik had drieduizend euro uitgegeven aan onderdelen die niemand nodig had. Daarna begon de radio aanwijzingen te geven. Liedjes kwamen precies op het juiste moment. Presentatoren lieten stiltes vallen voor mij.
Vrijdagavond stond Merel voor mijn deur. Ik had de lampen uitgedraaid en aluminiumfolie tegen een ventilatierooster geplakt.
‘Je komt mee,’ had ze gezegd.
‘Jij begrijpt niet wat hier gebeurt.’
‘Dat klopt. Maar je eet niet. Je slaapt niet. En je bent bang.’
Dat laatste had ze niet mogen zeggen. Ik was niet bang. Ik moest opletten. Dat was iets anders.
Toen ze haar telefoon pakte, sloeg ik die uit haar hand. Hij schoof onder de koelkast. Ze deinsde achteruit. Dat beeld zou later terugkomen. Haar opgetrokken schouders. Haar hand nog in de vorm van een telefoon.
De crisisdienst kwam. Twee mensen, natte jassen, rustige stemmen. Ik liep heen en weer terwijl ze vragen stelden. Uiteindelijk ging ik mee, omdat ik dacht dat ik in het ziekenhuis bewijs kon laten zien.
Daar bleek ik niet meer weg te mogen.
‘Mijn telefoon,’ zei ik tegen Sanne.
‘Die ligt bij je spullen. We kijken er zo naar.’
‘Iedereen zegt hier zo.’
Ze knikte. ‘Je wilt weten waar je aan toe bent. Dat snap ik.’
‘Nee. Dat snap je niet.’
Ze wees naar een kleine kamer. Een bed. Een kast. Een raam dat maar een stukje open kon. Buiten stond een kale boom achter een hek.
Op tafel lag een handdoek. Ik trok hem opzij. Daaronder zat niets.
‘Zoek je iets?’ vroeg Sanne.
‘Een microfoon.’
Ze zei niet dat ik onzin uitkraamde. Ook niet dat er inderdaad iemand luisterde.
‘Ik zie hier geen microfoon. Ik zie wel dat je de kamer niet vertrouwt.’
Merel kwam binnen. Haar wangen waren rood. Ze had mijn toilettas bij zich en een plastic zak met sokken.
‘Je hebt de verkeerde,’ zei ik.
‘Welke verkeerde?’
‘Die sokken zijn te klein.’
Het waren mijn eigen sokken. Ze legde ze toch neer en ging op de stoel zitten.
Een arts kwam uitleggen wat er ging gebeuren. Onderzoek. Rust. Medicatie bespreken. Hij vertelde ook op welke grond ik voorlopig moest blijven en dat ik hulp kon krijgen om mijn rechten te begrijpen. De woorden bereikten me maar half. Ik wilde één antwoord.
‘Wanneer mag ik eruit?’
‘Dat kan ik vanavond nog niet zeggen.’
Ik schopte tegen de bedpoot. Hard genoeg om pijn te krijgen, niet hard genoeg om iets te veranderen.
Niemand schreeuwde terug.
Later bracht Sanne een boterham met kaas. Ik had uren niets gegeten. Toch onderzocht ik eerst de randjes.
Merel bleef zitten tot ik een hap nam.
Toen ze vertrok, keek ik strak naar het raam. Ik wilde niet dat ze zag hoe bang ik inmiddels wel was.
Hoofdstuk 2
Nachtlicht
De eerste nacht sliep ik nauwelijks. Op de gang piepte een kar. Er klonk een stem, daarna nog een. Iemand riep dat zijn moeder beneden stond.
Boven mijn deur brandde een klein lampje. Ik besloot dat het een camera was.
Om kwart over twee drukte ik op de bel.
Een verpleegkundige kwam binnen. Idris. Groot, kaal, bril met een rood montuur.
‘Dat ding moet uit,’ zei ik.
Hij keek omhoog. ‘Dat is het nachtlampje.’
‘Haal het dan weg.’
‘Dat kan ik nu niet doen.’
‘Omdat jullie me filmen.’
Hij trok de stoel iets naar achteren en ging zitten. Niet dicht bij het bed.
‘Ik film je niet. Je voelt je hier onveilig. Zal ik even blijven?’
Ik vond zijn kalmte verdacht. Tegelijk wilde ik niet dat hij wegging.
‘Vijf minuten,’ zei ik.
Hij bleef langer. We praatten niet. Hij zat met zijn handen op zijn knieën. Ik luisterde naar zijn ademhaling en probeerde te horen of daar een patroon in zat.
Bij het ontbijt zat ik tegenover een vrouw die haar hagelslag sorteerde. Donker links. Melk rechts. Naast haar las een man een folder over stoppen met roken terwijl hij om een sigaret vroeg.
‘Nieuw?’ vroeg hij.
‘Nee,’ zei ik.
‘Ik zag je gisteren niet.’
‘Dan keek je niet goed.’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik ben Mo.’
Ik gaf geen antwoord.
Er stonden twaalf stoelen. Niet iedereen kwam eten. Achter één deur werd gehuild. Een medewerker klopte en bleef wachten. De televisie stond aan zonder geluid. Op het scherm liep een man door een zonnig vakantiepark. Ik had hem kunnen slaan.
Om tien uur sprak ik psychiater Elske Vos. Ze had een notitieboek en vroeg toestemming om dingen op te schrijven.
‘Dat doen jullie toch wel,’ zei ik.
‘Ik vraag het nu aan jou.’
Ze wilde weten wanneer ik voor het laatst normaal had geslapen. Of ik drugs had gebruikt. Welke medicijnen ik nam. Of zoiets eerder was gebeurd.
Ik vertelde over mijn plannen. Over de radio. Over de bestelbus die drie keer door mijn straat was gereden.
‘Hoe zeker ben je dat die bus voor jou kwam?’
‘Honderd procent.’
‘Dat geloof ik, dat jij daar zeker van bent. Ik denk dat je op dit moment ziek bent. Je gedachten gaan heel snel en je verbindt dingen die waarschijnlijk niet bij elkaar horen.’
Ik stond op.
‘Dan heeft dit gesprek geen zin.’
Ze liet me naar de deur lopen.
‘We kunnen later verder. Eén ding wil ik nog zeggen. We denken aan een manie met psychotische verschijnselen. We moeten meer weten voordat we een definitieve diagnose kunnen stellen.’
Ik kende het woord manie alleen van mensen die heel netjes waren. Schoonmaakmanie. Verzamelmanie. Niet van een man die dacht dat een radio hem opdrachten gaf.
Die middag belde ik Kees. Sanne zat op mijn verzoek in de buurt, al deed ik alsof dat haar idee was.
‘Ze houden me vast,’ zei ik.
Kees zweeg.
‘Zeg iets.’
‘Merel heeft gebeld. Ik ben blij dat je ergens bent waar ze op je letten.’
Ik gooide mijn telefoon op de bank.
‘Hij doet ook mee.’
Sanne vroeg of ik wilde lopen. We liepen twintig rondjes door dezelfde gang. Bij de buitendeur bleef ik telkens staan.
’s Avonds bespraken we opnieuw de medicijnen. Ik wilde weten wat ze met me deden. Of ik er suf van werd. Of ik mezelf nog zou zijn.
De arts gaf geen mooie garantie. Sufheid kon. Andere bijwerkingen ook. Ze zouden het volgen en met me bespreken.
Ik nam de tabletten omdat ik uitgeput was. Niet omdat ik ineens vertrouwen had.
De volgende ochtend werd ik wakker met een droge mond en zware benen. Voor het eerst in dagen zat er een gat in mijn herinnering. Geen zwart gat. Gewoon slaap.
Aan tafel schoof Mo de koffie naar me toe.
‘Je snurkte,’ zei hij.
‘Je kamer zit aan de andere kant.’
‘Goed punt.’
Ik keek hem aan. Hij grijnsde niet. Dat maakte het grappiger.
Ik lachte één keer. Kort. Het geluid verraste me.
Vijf minuten later controleerde ik opnieuw het ventilatierooster.
Beide dingen waren waar. Ik kon even lachen. En ik geloofde nog steeds dat er naar me werd geluisterd.
Hoofdstuk 3
De rekening
Op de zesde dag mocht ik met Sanne naar de binnentuin. De lucht rook naar regen en sigaretten. Het hek was hoger dan ik vanuit mijn kamer had gedacht.
Ik liep tot de verste bank. Daar lagen twee natte peuken in een plastic beker.
‘Mijn vader rookte dat merk,’ zei ik.
Sanne ging aan het andere eind zitten.
‘Leeft hij nog?’
‘Sinds november niet meer.’
Het was maart. Ik had dat feit maandenlang verteld alsof ik een adres doorgaf. Mijn vader was dood. De winkel ging om negen uur open. Er moest nog een achterband worden vervangen.
‘Wat is er gebeurd?’
‘Hartstilstand. In zijn keuken in Nieuwegein.’
Ik had hem gevonden. De radio stond aan. Zijn boterham lag op een bord naast de gootsteen. Dat vertelde ik niet meteen. Eerst praatte ik over de uitvaart, over parkeerplaatsen en de rekening van de bloemist.
Toen stopte ik midden in een zin.
Sanne wachtte.
‘Ik dacht dat hij boos op me was,’ zei ik. ‘Die laatste week. Via de radio.’
Ze schoof geen verklaring tussen ons in. Ze vroeg wat dat met me had gedaan.
Ik boog voorover en keek naar mijn schoenen. De kapotte veter was vervangen door een veel te lange witte.
‘Ik kon nergens meer gewoon zitten.’
Die middag kwam Merel op bezoek. Ze had schone kleren en mijn post meegenomen. We zaten in een spreekkamer omdat ik de huiskamer niet trok.
Ze legde een envelop op tafel.
‘Er zijn meer betalingen dan je zei.’
‘Hoeveel?’
‘Ik weet het nog niet precies. Maar niet alleen die onderdelen.’
Ik opende mijn bankapp. Mijn hand trilde. Ik zag hotelboekingen. Een abonnement op zakelijke software. Twee dure presentatieschermen. Een aanbetaling voor een bedrijfsruimte in Amersfoort.
Mijn hart begon te bonken.
‘Dat kan niet.’
‘Heb je iemand je pas gegeven?’
‘Nee.’
Ik herkende de transacties. Er kwamen beelden terug. Ik in een hotellobby, pratend tegen een receptionist die naar huis wilde. Ik met een verkoper aan de telefoon, roepend dat geld geen probleem was.
Het geld was wel een probleem.
Merel wilde een lijst maken. Ik duwde de telefoon van me af.
‘Doe jij het.’
‘Ik wil helpen. Maar niet alles overnemen.’
‘Waarom kom je dan?’
Ze leunde achterover. Haar gezicht sloot zich.
Daar was het weer. De toon die ik thuis had gebruikt. Alsof zij personeel was dat zijn werk niet goed deed.
‘Sorry,’ zei ik.
Ze keek naar de deur.
‘Je hebt me bang gemaakt, Bram.’
‘Ik was ziek.’
‘Dat weet ik. Ik was alsnog bang.’
Ik wilde mezelf verdedigen. Dat ik haar nooit zou slaan. Dat ik alleen die telefoon had geraakt. Maar ik wist niet meer precies wat ik die avond allemaal had geroepen.
‘Heb ik je pijn gedaan?’
‘Niet aan mijn lijf.’
We zaten lang zonder iets te zeggen.
Daarna maakten we de lijst. Zij las bedragen voor. Ik schreef. Bij sommige aankopen konden we nog annuleren. Bij andere niet. Een maatschappelijk werker zou meekijken. Het bedrag bleef groot, ook nadat we drie dingen hadden doorgestreept.
Later sprak ik de patiëntenvertrouwenspersoon. Dat gesprek had ik zelf gevraagd. Ik wilde begrijpen waarom ik moest blijven en hoe ik bezwaar kon maken. Ze luisterde zonder me te vragen eerst rustig te worden. Ze legde mijn mogelijkheden uit en hielp me vragen voor de arts op papier te zetten.
Ik voelde me nog steeds opgesloten. Maar ik was niet alleen iemand over wie vergaderd werd.
Die avond kwam Mo naast me zitten. Hij zag de bankafschriften.
‘Duur grapje?’
‘Geen grapje.’
‘Nee. Slecht gezegd.’
Hij bleef zitten.
Ik vertelde hem dat mijn grootse plan nu uit dozen fietsonderdelen bestond. Hij vertelde niet dat alles goed zou komen. Hij vroeg of er nog iets verkocht kon worden.
Dat was een bruikbare vraag.
Voor het slapengaan belde ik Merel.
‘Je hoeft morgen niet te komen,’ zei ik.
‘Wil je me niet zien?’
‘Jawel. Maar je hebt ook een leven.’
Ze ademde hoorbaar uit.
We spraken af voor zondag. Een uur. Zonder post.
Na het gesprek huilde ik voor het eerst om iets waarvan ik wist dat het echt gebeurd was.
Hoofdstuk 4
Buiten oefenen
De eerste keer dat ik weer door de voordeur mocht, moest Idris mee. Twintig minuten. Alleen het terrein af en terug.
Ik had om meer gevraagd. Tot bij de bushalte. Even naar de supermarkt. Gewoon laten zien dat het ging.
‘We beginnen hiermee,’ had de arts gezegd.
Ik vond het kinderachtig. Tot de deur openging.
Buiten reed een bestelwagen achteruit. Het waarschuwingssignaal sneed door mijn hoofd. Iemand liet een metalen container vallen. Verderop lachte een groep scholieren.
Ik bleef staan.
‘Welke kant?’ vroeg Idris.
Ik wees naar links, zonder te weten waarom.
We liepen langs een parkeerplaats. Ik telde rode auto’s. Bij de vierde voelde ik de oude zekerheid terugkomen. Dit betekende iets.
Ik keek naar Idris. Hij wachtte op een antwoord dat hij nog niet had gevraagd.
‘Ik denk dat die auto’s een teken zijn,’ zei ik zacht.
‘Hoe sterk is dat gevoel?’
‘Best sterk.’
‘Moeten we terug?’
Ik wilde nee zeggen. Teruggaan voelde als zakken voor een examen.
‘Even staan,’ zei ik.
We gingen naast een fietsenrek staan. Ik noemde wat ik zag. Een scheef spatbord. Een slot met roest. Modder op een band. Dingen waar ik iets van wist. Dingen die geen boodschap voor mij hoefden te zijn.
Na een paar minuten zakte de spanning.
We liepen geen twintig minuten. We liepen er twaalf.
Binnen schreef Idris niet alleen op dat ik spanning had gevoeld. Hij noteerde ook dat ik het had verteld en om een pauze had gevraagd. Ik las het later terug. Zelf had ik alleen mijn mislukte wandeling onthouden.
In de derde week praatte Elske uitgebreider over de diagnose. Mijn eerdere sombere periodes kwamen ter sprake. De maanden waarin douchen een hele taak was geweest. Ook een zomer waarin ik wekenlang weinig sliep en iedereen vond dat ik eindelijk lekker in mijn vel zat.
Het beeld paste bij een bipolaire stoornis, zei ze. Ze legde uit waar ze zeker van was en wat gevolgd moest worden.
‘Dus ik krijg dit weer?’ vroeg ik.
‘Dat risico is er. We kunnen veel doen om het kleiner te maken. En om eerder in te grijpen.’
Ik wilde een getal. Een datum. Een garantie dat ik nooit meer folie tegen een rooster zou plakken.
Ze gaf die niet.
We bespraken behandeling, controles en slaap. Ik vertelde dat mijn handen trilden en dat ik ’s ochtends nauwelijks op gang kwam. Ze nam het serieus. Er kwam extra controle en een aanpassing in overleg. Ik hoefde niet te kiezen tussen zwijgen of alles weigeren.
Noor kwam die zaterdag. We waren een jaar uit elkaar. Toch had ik haar tijdens mijn opname achttien berichten gestuurd. In sommige vroeg ik haar terug. In andere beschuldigde ik haar van dingen die niet gebeurd waren.
Ze hield haar jas aan.
‘Ik kom niet om opnieuw te beginnen,’ zei ze.
‘Dat dacht ik niet.’
Dat had ik wel gedacht.
Ze zette een tas op tafel. Mijn blauwe trui zat erin. Die had nog bij haar gelegen.
‘Ik wil weten hoe het met je gaat. Maar ik ga je niet iedere nacht antwoorden.’
‘Dat hoeft niet meer.’
‘Ook niet als je het dan heel dringend vindt.’
Ik keek naar de tas.
‘Goed.’
We dronken thee. Ze vertelde over een lekkage in haar keuken. Ik vroeg hoe haar kat het maakte. Het gesprek was stroef en gewoon. Daarna vertrok ze.
Ik heb die avond geen nieuw bericht gestuurd.
Een paar dagen later ging ik met Merel naar mijn huis. Proefverlof, met duidelijke afspraken. Twee uur thuis, dan terug.
Boven de bakkerij rook het muf. De maatbeker stond naast de gootsteen. Op de muur hing een vel papier met MIJN SYSTEEM WERKT in dikke letters.
Merel pakte een vuilniszak.
‘Niet alles,’ zei ik.
‘Wat wil je bewaren?’
Ik wist het niet.
We haalden eerst het bed af. Daarna gooiden we bedorven eten weg. De papieren legden we in een doos. Niet omdat er een verborgen waarheid op stond. Omdat ik nog niet alles tegelijk kon weggooien.
Toen we terugreden, was ik blij dat mijn kamer op de afdeling nog op me wachtte.
Daar schaamde ik me voor. Toch vertelde ik het aan Sanne.
Hoofdstuk 5
De eigen sleutel
Mijn ontslag was op een dinsdag. Het regende. Merel stond in de hal met een opvouwbare paraplu die niet meer dicht wilde.
Ik kreeg afspraken mee, een medicatieoverzicht en telefoonnummers voor als het misging. We hadden de dagen ervoor besproken wie wat deed. De ambulante verpleegkundige zou donderdag komen. De huisarts kreeg bericht. Vrijdag had ik een afspraak met de psychiater buiten de afdeling.
Op papier zat er geen gat.
In mijn buik wel.
Sanne controleerde of ik mijn spullen had. Oplader. Toilettas. Bankpas. De witte veter zat nog in mijn schoen.
‘Je hoeft niet te laten zien dat je nu alles kunt,’ zei ze.
‘Ik ga alleen naar huis.’
‘Precies.’
Mo stond bij de koffieautomaat. Hij stak zijn hand op.
‘Geen fietszaak beginnen vandaag.’
‘Morgen dan.’
Hij keek me even scherp aan. Toen begreep hij dat ik een grap maakte.
Buiten draaide ik me om. De deur was alweer dicht.
Thuis legde Merel brood in de vriezer. Ze had soep meegenomen en bananen. Ik vond het te veel, tot ze vroeg wat ik zelf in huis had willen halen.
Daar had ik niet over nagedacht.
Om vier uur moest ze weg. Haar dochter had zwemles in Houten.
‘Wil je dat ik later nog bel?’
‘Hoeft niet.’
Ze trok haar wenkbrauwen op.
‘Ja,’ zei ik. ‘Graag.’
Toen haar auto wegreed, ging ik op de bank zitten. Niemand liep langs mijn deur. Niemand vroeg naar mijn dag. De stilte was niet rustig. Ik hoorde de koelkast aanslaan en schrok alsof er iemand binnenkwam.
Om zes uur at ik soep uit de pan.
Om zeven uur lag ik in bed.
Om acht uur stond ik weer op, omdat ik bang was dat vroeg slapen mijn ritme zou verpesten. Ik raadpleegde het schema dat we samen hadden gemaakt. Het leek geschreven voor iemand die beter kon nadenken.
Die eerste nacht sliep ik slecht. Niet helemaal niet. Wel in stukken. Ik keek te vaak op de klok.
De volgende ochtend was ik overtuigd dat het alweer begon.
Ik belde het nummer op mijn kaart.
De verpleegkundige vroeg wat ik had gemerkt. Alleen slecht slapen? Ook meer energie? Snellere gedachten? Nieuwe plannen? Achterdocht?
Ik had vooral angst. En buikpijn.
We maakten een afspraak voor die dag. Geen heldendaad. Geen spoedrit. Gewoon eerder contact dan gepland.
Amira kwam om twee uur. Ze zette haar tas naast de bank en vroeg waar ik wilde zitten.
‘Jij bent nu thuis,’ zei ze. ‘Ik ben op bezoek.’
Dat kleine verschil deed iets met me.
We bekeken de koelkast. Daarna mijn week. Er stonden vijf afspraken in, waarvan drie door Merel geregeld. Amira vroeg wat er uit kon.
‘Ik moet toch herstellen?’
‘Ja. Niet ieder uur bewijzen dat je eraan werkt.’
We schrapten een bezoek aan een kennis en het plan om meteen mijn hele administratie te doen.
De middag erna ging ik naar de supermarkt aan de Amsterdamsestraatweg. Een mandje, zeven boodschappen, een briefje. Bij het brood zag ik een vaste klant van de fietsenzaak.
‘Bram! Tijd niet gezien. Vakantie?’
Mijn mond werd droog.
‘Ziek geweest.’
‘Griep?’
Ik keek naar zijn jas, naar het brood, naar de uitgang.
‘Nee. Psychisch. Ik ben een tijd opgenomen geweest.’
Hij knikte langzaam.
‘O. Dat is niet niks.’
Daar bleef het bij. Hij vroeg niet naar medicijnen. Hij maakte geen grap. We namen allebei een brood en liepen een andere kant op.
Bij de kassa vergat ik mijn pincode. Ik moest opnieuw proberen. Mijn handen waren nat van het zweet.
Thuis belde ik Merel.
‘Ik heb boodschappen gedaan.’
‘Goed zo.’
‘Zeg het niet alsof ik zes ben.’
‘Goed dat je het zegt.’
Ik ging op de keukenvloer zitten en begon te huilen. Niet alleen om die boodschappen. Om mijn geld. Om mijn vader. Om de vanzelfsprekendheid waarmee ik vroeger ergens naar binnen liep.
Merel bleef aan de lijn.
Na een tijdje zei ze: ‘Zit er iets in je tas dat in de koelkast moet?’
Ik keek.
‘Yoghurt.’
‘Doe die dan eerst.’
Dat deed ik. Daarna ging ik weer zitten.
Hoofdstuk 6
Te snel
Zes weken na mijn ontslag ging ik terug naar de werkplaats. Niet om te werken. Dat hadden Kees en ik vooraf afgesproken. Alleen koffie.
Toch had ik mijn werkschoenen aangetrokken.
De bel boven de deur klonk hetzelfde. Achterin stond een bakfiets op de brug. Iemand had mijn gereedschapskar verplaatst.
‘Niet aankomen,’ zei Kees toen hij mijn blik zag.
‘Hij staat verkeerd.’
‘Dat overleeft hij.’
We gingen in het kantoortje zitten. Mijn plek werd tijdelijk opgevangen door een jongen uit Zeist. Ik had hem één keer ontmoet. Nu hing zijn jas aan mijn haak.
Kees vroeg hoe het ging.
‘Beter.’
‘En het lange antwoord?’
Ik vertelde dat ik moe was. Dat ik soms midden in een zin vergat wat ik wilde zeggen. Dat ik bang was klanten tegen te komen die mijn berichten hadden gezien.
Kees draaide zijn mok tussen zijn handen.
‘Ik moet ook iets zeggen. Toen je hier zo opgejaagd rondliep, wist ik niet wat ik moest doen. Ik dacht eerst dat je iets had gebruikt. Ik ben boos geworden.’
‘Ik heb je uitgescholden.’
‘Ja. Dat vond ik niet prettig.’
We zwegen.
‘Kun je me nog vertrouwen?’ vroeg ik.
‘Met een fiets? Ja. Met jezelf twaalf uur laten doorwerken? Voorlopig niet.’
Het deed pijn. Het was ook een eerlijk antwoord.
Samen met de bedrijfsarts kwam er later een plan. Twee korte ochtenden. Eenvoudige klussen. Geen klantenbalie. Geen extra uren als het toevallig goed voelde.
De eerste ochtend verving ik twee binnenbanden. Bij de tweede moest ik drie keer controleren of de band goed zat. Daarna was ik op.
Thuis sliep ik bijna twee uur. Ik werd boos wakker. Dit was mijn vak. Ik kon vroeger twintig fietsen op een dag wegwerken.
Tijdens een lotgenotengroep in buurthuis De Uithoek vertelde ik dat ik me nutteloos voelde. Er zaten zeven mensen aan een tafel met bekers die naar afwasmiddel roken.
Een vrouw, Anita, vroeg: ‘Vergelijk je jezelf met vroeger, of met drie weken geleden?’
Ik zuchtte.
‘Dat klinkt als iets uit een folder.’
‘Kan. Geef toch maar antwoord.’
Ik moest lachen, tegen mijn zin.
Drie weken eerder had ik niet eens de telefoon durven opnemen als Kees belde.
Het ging langzaam beter. Daardoor werd ik onvoorzichtig.
Op een donderdag bleef ik langer in de werkplaats. Er stond een klant met een kapotte ketting. Vijf minuten werk, dacht ik. Daarna hielp ik nog met een bestelling. Kees was naar de tandarts en zag het niet.
’s Avonds voelde ik me scherp. Eindelijk weer scherp. Ik sorteerde de papieren uit de doos. Daarna maakte ik een spreadsheet om mijn schulden sneller af te lossen. Om twee uur was ik nog bezig.
De volgende nacht sliep ik vier uur. Ik was niet moe.
Vrijdag kocht ik een domeinnaam.
Toen Merel belde, vertelde ik dat ik een nieuw verdienmodel had. Kleiner dan het vorige. Realistisch deze keer. Ik praatte door haar vragen heen.
‘Bram,’ zei ze. ‘Pak je signaleringsplan.’
‘Niet iedere ingeving is een ziekte.’
‘Dat zeg ik niet. Je slaapt weinig. Je praat sneller. Je koopt iets voor een bedrijf dat gisteren nog niet bestond.’
Ik verbrak de verbinding.
Daarna liep ik door mijn kamer. Ik was woedend. Op haar. Op die diagnose. Op iedereen die voortaan mijn enthousiasme zou controleren.
Op tafel lag het plan. Mijn eigen woorden stonden erin: als ik weinig slaap en toch veel energie heb, dezelfde dag contact opnemen.
Ik wilde het papier verscheuren.
In plaats daarvan belde ik Amira.
‘Ik denk dat je moet komen,’ zei ik. ‘Maar ik vind zelf van niet.’
Ze begreep genoeg.
Er kwam die dag een beoordeling. Mijn behandeling werd met de arts bijgesteld. Het werk lag tijdelijk stil. Merel bleef die avond eten en kwam de volgende ochtend terug. We spraken af wanneer ik opnieuw moest bellen, ook buiten kantooruren.
Ik hoefde niet opnieuw opgenomen te worden. Dat wist niemand vooraf zeker.
Na een paar dagen sliep ik beter. Mijn grote plan paste weer in één zin. Daarna vond ik het vooral een slecht idee.
Ik zegde de domeinnaam op.
Merel stuurde geen overwinningsbericht. Alleen: ‘Hoe laat eten we?’
Hoofdstuk 7
Gewone dinsdag
Acht maanden na mijn ontslag stond ik opnieuw voor de deur van de afdeling. Deze keer had ik een afspraak met Sanne. Geen controle. Ik wilde iets terugbrengen en even binnenkijken, als dat kon.
In mijn tas zat een boek dat ik per ongeluk had meegenomen. Een detective zonder achterkaft. Ik had hem thuis nog steeds niet uitgelezen.
Bij de ingang begon mijn hart te bonken. Ik voelde de veter in mijn schoen tegen mijn enkel schuren. Het was nog altijd die witte. De andere schoen had een zwarte.
Ik had ze expres niet hetzelfde gemaakt. Niet om er iets groots van te maken. Ik bleef het vervangen gewoon uitstellen.
Sanne haalde me op bij de centrale hal.
‘We kunnen ook hier koffie drinken,’ zei ze.
Ik keek naar de gang achter haar.
‘Liever hier.’
We gingen bij een raam zitten. Buiten zette iemand een fiets tegen een bord waarop stond dat je daar geen fietsen mocht plaatsen.
‘Hoe gaat het?’ vroeg ze.
Ik had onderweg bedacht wat ik zou zeggen. Dat ik weer werkte. Dat ik sportte. Dat ik trouw mijn afspraken nakwam. Een keurig verslag.
‘Wisselend,’ zei ik.
Ze knikte.
Ik werkte inmiddels drie ochtenden per week. Soms ging dat goed. Soms was ik na het eerste uur al moe. De bedrijfsarts keek met me mee. Kees hield zich beter aan mijn grenzen dan ikzelf.
De schulden waren niet weg. Een deel van de spullen had ik verkocht. Een paar aankopen waren teruggedraaid. Voor de rest was een regeling gemaakt. Iedere maand zag ik het bedrag van mijn rekening gaan.
De medicijnen hielpen, maar ik had nog klachten. Trillen. Extra gewicht. Soms een traag hoofd. Ik besprak het bij controles. Er werd gezocht naar wat werkte én vol te houden was. Ik was gestopt met zeggen dat het allemaal wel meeviel om maar geen lastig gesprek te hoeven voeren.
Noor en ik hadden af en toe contact. Niet vaak. Ik had haar grenzen leren respecteren, ook wanneer ik me alleen voelde.
Met Merel sprak ik iedere zondag. Soms over mijn gezondheid. Vaker over haar werk, haar dochter of de hond van de buren. Ze nam niet meer automatisch op tijdens vergaderingen. Ik was daar eerst gekwetst door geweest. Nu wist ik welke andere nummers ik kon bellen.
‘En je vader?’ vroeg Sanne.
Ik keek naar mijn handen.
‘Daar praat ik nu over. Met een behandelaar. Niet elke week even makkelijk.’
Vorige maand was ik in zijn oude straat geweest. Het huis had andere gordijnen. Ik had vijf minuten tegenover de voordeur gestaan en was toen teruggelopen naar mijn fiets. Geen openbaring. Wel een middag waarna ik iemand had gebeld in plaats van vier uur door te werken.
Ik schoof het boek over tafel.
‘Hier kwam ik voor.’
‘Helemaal uit?’
‘Nee. Volgens mij liegt de buurman.’
‘Dat doen ze vaak in detectives.’
Toen ik vertrok, liep ze mee tot de uitgang. Ik hoefde nergens toestemming voor te vragen. Toch wachtte ik heel even voordat ik doorliep.
Buiten belde ik Kees.
‘Morgen gewoon negen uur?’
‘Half tien. Dat staat in je rooster.’
‘Goed dat jij het leest.’
Hij vroeg hoe het bezoek was geweest.
‘Vreemd. Niet verkeerd.’
Daar nam hij genoegen mee.
Ik fietste langs het Amsterdam-Rijnkanaal naar huis. Het waaide hard. Halverwege stapte ik af om mijn jas dicht te doen. Een jaar eerder had ik daar nooit de moeite voor genomen. Nu had ik geen zin om koud thuis te komen.
Boven de bakkerij lag een envelop op de mat. Ik voelde meteen spanning. Rekeningen deden dat nog steeds.
Het was een uitnodiging van mijn nichtje. Ze werd acht. Op de voorkant had ze een fiets getekend met drie wielen en een mand vol taart.
Ik zette de datum in mijn agenda. Daarna keek ik of er die week niet al te veel stond.
’s Avonds maakte ik nasi. Eén pan. Twee porties. De helft ging in de koelkast. Ik keek televisie en zette die uit toen het programma klaar was.
Niet omdat ik bang was voor verborgen boodschappen. Omdat ik moe was.
Voor het slapengaan legde ik mijn telefoon aan de lader. Het kaartje met belangrijke nummers lag ernaast. Ik hoopte dat ik het voorlopig niet nodig had. Ik wist inmiddels ook dat gebruiken geen nederlaag was.
Mijn leven was nog kleiner dan ik wilde. Er waren dagen waarop ik daar razend om werd.
Deze dinsdag niet.
Ik controleerde de wekker, deed het licht uit en bleef liggen.