Naar de inhoud
Terug naar het boek

Identiteit en zelfacceptatie

Te gevoelig voor deze wereld

Hoofdstuk 1

Het gezoem van de buizen

Mijn naam is Daan Visser. Ik ben tweeëndertig jaar en ik woon in een portiekflat in Amersfoort-Zuid. Tot vorig jaar werkte ik als werkvoorbereider bij Van Dijk Installatietechniek. Een middelgroot bedrijf met veertig monteurs op de weg en vijftien man op kantoor. Een kantoortuin. Dat woord alleen al bezorgt me nog steeds een kramp in mijn maag.

Het begon altijd om half acht ’s ochtends. Ik hing mijn jas aan de haak en liep de ruimte in. TL-buizen aan het plafond. Geen gewone lampen, maar lange witte buizen die zachtjes zoemden. Niemand anders hoorde dat geluid. Ik wel. Dag in, dag uit. Een monotone pieptoon op de achtergrond van mijn hele werkdag.

"Mogge Daan," riep Rob vanaf de overkant. Rob was chef planning. Zware stem, leren schoenen met harde hakken, altijd een mok zwarte koffie in zijn hand. Als Rob binnenkwam, veranderde de luchtdruk in de kamer. Hij hoefde nog niets te zeggen. Ik voelde aan de manier waarop hij zijn tas op zijn bureau smeet al hoe de ochtend zou verlopen. Zag ik een frons op zijn voorhoofd? Dan trok mijn nekspier strak. Voelde ik zijn haast? Dan ging mijn eigen hartslag omhoog.

"Daan, die ketels voor het project in Leusden, waar blijven die?" vroeg hij.

"De leverancier had vertraging," zei ik. Mijn stem klonk rustig, maar vanbinnen schoot ik in de verdediging.

"Dan bel je ze toch op? Even doordrukken, man. Niet zo afwachten."

Het was geen aanval. Het was gewoon Rob. Hij dacht er twee seconden over na en ging door naar het volgende punt. Maar bij mij bleef het hangen als een natte wollen deken. Zijn irritatie kroop onder mijn huid. Mijn hele lijf stond op scherp. Waarom had ik niet harder aangedrongen bij die groothandel? Waarom was ik altijd zo slap?

"Je moet een dikkere huid kweken, Daan." Dat zinnetje hoor ik al zolang ik leef. Mijn vader zei het vroeger al als we langs het voetbalveld stonden. Als de trainer tegen me schreeuwde dat ik feller op de bal moest zitten, en ik met tranen in mijn ogen naar de grond keek. Mijn moeder zei het als ik na een kinderfeestje over de rooie op de bank zat en niet kon slapen van de herrie. "Iedereen kan ertegen, Daan. Waarom jij nou niet?"

Op kantoor deed ik alsof. Ik lachte om de harde grappen bij het koffiezetapparaat. Ik knikte als collega’s klaagden over het management. Maar ondertussen zoog ik alles op. Een collega die ruzie had met haar man en met rode ogen achter haar beeldscherm zat? Ik voelde haar verdriet alsof het van mij was. Twee monteurs die elkaar niet konden luchten in de gang? De spanning brandde in mijn borstkas.

Om elf uur ’s ochtends voelde ik me vaak al alsof ik een marathon had gelopen. Niet door het werk. Tekeningen maken en leidingdiameters berekenen vond ik prachtig. Cijfers logen niet. Cijfers hadden geen verborgen emoties of passieve agressie. Maar de mensen om me heen, de radio die zachtjes op Radio 2 stond, de geur van cup-a-soup om vier uur, het geklik van twaalf computermuizen tegelijk; het was te veel. Het was altijd te veel.

"Je bent een prima gozer, maar je trekt je alles te veel aan," zei Rob die middag bij de printer. Hij gaf me een schouderklop die net iets te hard aankwam. "Laat het van je afglijden. Schouders eronder."

Ik knikte braaf. "Ja, tuurlijk. Komt goed."

Toen ik om vijf uur in mijn oude Volkswagen Polo stapte, draaide ik de sleutel om en deed ik de radio niet aan. Ik deed de deuren op slot. Ik bleef twintig minuten op de parkeerplaats staan in het donker, met mijn handen op het stuur en mijn ogen dicht. Alleen om de stilte te voelen. Maar de stilte kwam niet. In mijn hoofd zoemden de TL-buizen gewoon door.

Hoofdstuk 2

Spons op twee benen

Thuis was het niet veel beter. Ik woonde toen nog samen met Sophie. We waren vier jaar bij elkaar. Sophie werkte in het onderwijs, op een basisschool in Amersfoort-Noord. Zij was het tegenovergestelde van mij: energiek, praktisch, en gezegend met een brein dat dingen kon loslaten zodra ze de voordeur achter zich dichttrok.

Als ik thuiskwam, zag ze het meteen. Ze stond in de keuken pasta te koken.

"Wat is er gebeurd?" vroeg ze, terwijl ze het deksel van de pan tilde.

"Niks," zei ik. Mijn standaardantwoord.

"Daan, je kijkt alsof er iemand dood is gegaan. Heb je weer mot gehad met Rob?"

"Nee. Gewoon druk."

Ik plofte op de bank. De geur van knoflook en tomatensaus vulde de kamer. Normaal gesproken hou ik van lekker eten, maar op dat moment voelde elke zintuiglijke prikkel als een overval. De afzuigkap maakte herrie. De televisie stond nog op stand-by met een klein rood lampje dat irritant fel leek. Ik wilde mijn schoenen uitdoen, maar zelfs het bukken kostte moeite.

"We moeten om acht uur bij Mark en Linda zijn," zei Sophie vanuit de keuken. "Verjaardag van Mark. We blijven niet te lang, beloofd."

Een koude rilling liep over mijn rug. Mark was haar zwager. Een aardige vent, accountmanager bij een leasebedrijf, maar zijn verjaardagen waren mijn persoonlijke hel. Een woonkamer vol dertigers, kratten bier in de gang, harde praat over verbouwingen, vakanties en hypotheekrentes. Iedereen praatte door elkaar heen.

"Moet dat echt vanavond?" vroeg ik zacht.

Sophie kwam de keuken uit met een pollepel in haar hand. Ze keek me aan. De warmte in haar blik was weg. Ik zag irritatie, maar daaronder iets wat nog veel pijnlijker was: vermoeidheid.

"Daan, het is mijn zwager. We hebben dit twee weken geleden al afgesproken. Je kunt toch wel even twee uurtjes normaal doen?"

Dat woord sneed door me heen. *Normaal.* Waarom lukte het me niet om gewoon te zijn zoals de rest? Waarom had ik na een werkdag een donkere kamer nodig, terwijl andere mensen nog puf hadden voor een borrel of de sportschool?

"Ik ben moe, Soph."

"Iedereen is moe na het werk," zei ze scherp. "Ik heb vandaag dertig kinderen van acht jaar in het gareel moeten houden. Denk je dat ik geen hoofdpijn heb? Maar we hebben ook een sociaal leven. Je sluit jezelf helemaal op. En mij neem je mee in die put."

Ze had gelijk. Dat maakte het zo erg. Ik at mijn bord pasta leeg zonder te proeven wat erin zat. Om kwart voor acht stapten we in de auto.

Bij Mark en Linda zat de woonkamer al vol. Twintig mensen op twee banken en een kring van klapstoelen. Zodra ik over de drempel stapte, sloeg de hitte me in het gezicht. Sigarettenrook van buiten die door de schuifpui naar binnen waaide, de geur van frituurhapjes, stemmen die tegen elkaar opboksten.

Ik ging op een kruk in de hoek zitten. Ik probeerde me te concentreren op het gesprek naast me, maar het lukte niet. Mijn oren pikten alles tegelijk op: het gelach aan de eettafel, een kind dat boven huilde, het getik van iemands ring tegen een bierflesje, de bas van de muziekbox. Mijn hoofd werkte als een spons die al kletsnat was en toch nog een emmer water over zich heen kreeg gegoten.

Na drie kwartier begon mijn zicht wazig te worden. Mijn keel snoerde dicht. Ik stond op, mompelde iets over naar de wc gaan en liep de gang in. Ik deed de badkamerdeur op slot, deed het licht niet aan en ging op de deksel van het toilet zitten.

Ik drukte mijn handen tegen mijn slapen. Mijn hart bonsde in mijn keel. Zelfs door de dikke deur hoorde ik de verjaardag doorgaan. Gezelligheid. Iets wat leuk hoorde te zijn. Waarom kon ik er niet tegen? Wat was er in godsnaam mis met mijn bedrading? Ik voelde me een defect apparaat. Een volwassen man van tweeëndertig die zich op een verjaardag opsluit op de wc omdat het geluid van pratende mensen pijn doet aan zijn hersenen.

Hoofdstuk 3

De knik in de kabel

Op het werk werd de druk groter. We kregen de renovatie van een vleugel van het Meander Medisch Centrum binnen. Een prestigieus project voor ons bedrijf, maar een logistieke nachtmerrie. De planning zat potdicht. Elke fout in de bestellingen van leidingen, appendages of luchtbehandelingskasten kostte duizenden euro’s per dag.

Ik zat er middenin. Als werkvoorbereider was ik de schakel tussen de engineers en de monteurs op de bouw. De telefoon op mijn bureau ging de hele dag door.

"Daan, die flenzen kloppen niet!" schreeuwde voorman Hennie door de lijn, met op de achtergrond het kabaal van een breekhamer.

"Ik kijk het na, Hennie," zei ik.

"Niks nakijken, ik heb ze over een uur nodig! Regel het!"

Voordat ik kon ademhalen, stond Rob alweer aan mijn bureau. Hij leunde over mijn scheidingswandje heen. "Daan, heb je die revisietekeningen al naar de directie gestuurd? Ze zitten te wachten."

"Ben ik mee bezig, Rob."

"Moet sneller. We lopen achter de feiten aan."

Ik sliep nauwelijks meer. Drie, vier uur per nacht. Als ik in bed lag, bleef mijn brein malen. Ik zag leidingloops voor me, hoorde de stemmen van Hennie en Rob, voelde de blikken van de directie. Om vijf uur ’s ochtends staarde ik naar het plafond, wachtend tot de wekker zou gaan, met een maag die voelde als een knoop van staaldraad.

Ik dronk liters koffie om op de been te blijven. Dat hielp niet; het maakte me alleen maar zenuwachtiger. Mijn handen trilden op het toetsenbord. Ik merkte dat ik steeds vaker fouten begon te maken. Kleine dingen eerst: een verkeerd typenummer op een bestelbon, een vergeten bijlage in een mail.

Iedereen op kantoor leek harder te gaan lopen. De sfeer werd grimmig. Er werd gescholden bij het koffiezetapparaat. Collega’s snauwden elkaar af. Anderen leken dat van zich af te kunnen schudden met een grap of een schouderophalen. Ik niet. Ik voelde de spanning van de hele afdeling in mijn eigen lichaam. Mijn maagzuur brandde in mijn slokdarm. Mijn kaakspieren deden pijn van het klemmen.

Op een dinsdagmiddag ging het mis.

Ik had een bestelling geplaatst voor regelkleppen voor de operatiekamers. Speciale kleppen, met een levertijd van zes weken. Toen de vrachtwagen bij het ziekenhuis aankwam, bleek dat ik per ongeluk de verkeerde maat had doorgegeven. Een verschil van vijftien millimeter. Waardeloos. De hele montageploeg van twaalf man stond stil.

Rob kwam niet naar mijn bureau gelopen. Hij stormde.

"Daan! Wat is dit voor gezeik?"

Zijn stem galmde door de kantoortuin. Het tikken van de toetsenborden stopte. Iedereen keek op. Veertien paar ogen op mij gericht.

"Ik... ik heb de lijst van de engineer overgenomen," stamelde ik. Mijn stem klonk dun, alsof ik weer een jongetje van acht was.

"Je hebt niet gecontroleerd!" Rob gooide de pakbon op mijn bureau. Het papier dwarrelde over mijn toetsenbord. "We verliezen hier tienduizend euro op. Tienduizend! Heb je enig idee wat dat betekent voor onze marge? Waar zit je met je kop, man?"

Ik keek naar de letters op de bon. Ze dansten voor mijn ogen. Ik wilde iets zeggen. Uitleggen dat ik al drie weken overuren draaide, dat ik drie projecten tegelijk deed, dat mijn hoofd vol zat met ruis. Maar er kwam geen geluid uit mijn keel. Alleen een hete golf van schaamte die vanuit mijn borst naar mijn gezicht trok.

"Nou?" vroeg Rob. Hij stond over me heen gebogen. Ik rook zijn aftershave, gemengd met de geur van oude koffie. "Heb je nog wat te melden, of blijf je me alleen maar aanstaren?"

"Het spijt me," zei ik. Het was het enige wat ik kon uitbrengen.

"Met sorry koop ik geen nieuwe kleppen," beet hij me toe. Hij draaide zich om en beende weg. Zijn hakken sloegen hard op het linoleum.

De stilte in de kantoortuin was oorverdovend. Niemand zei iets. Iedereen keek snel weer naar zijn eigen scherm, alsof er niets gebeurd was. Maar de lucht was giftig. Ik zat op mijn stoel en voelde mijn hele lijf schokken. Niet van verdriet, maar van pure, overstelpende overbelasting. De zekering was doorgeslagen. Er was geen stroom meer.

Hoofdstuk 4

De badkamervloer

Het gebeurde drie dagen later, op zaterdagochtend. Het weekend had me geen rust gebracht. Mijn hoofd zat nog steeds vol met de stem van Rob en de cijfers van het ziekenhuisproject.

Sophie vroeg of ik boodschappen wilde doen.

"Ik moet nakijken," zei ze. Ze wees naar een stapel schriften op de keukentafel. "Als jij naar de Jumbo gaat, kunnen we vanavond rustig aan doen."

Ik pakte het briefje. Een simpel lijstje: melk, brood, eieren, koffie, appels. Dingen die een kind kan halen. Ik stapte in de auto en reed naar het winkelcentrum bij ons in de wijk.

Zaterdagmorgen elf uur. De drukste tijd van de week.

Ik pakte een winkelwagentje. Eén van de wieltjes piepte en wiebelde. Een schel, metaalachtig geluid bij elke meter die ik liep. Ik liep de schuifdeuren door.

Binnen sloeg de waanzin toe. Het felle licht van de supermarkt weerkaatste op de witte vloertegels. Er draaide een vrolijk popmuziekje door de krakende luidsprekers. Overal waren mensen. Moeders met jengelende peuters, ouderen die hun karretje midden in het gangpad lieten staan, vakkenvullers die dozen opensneden met ritselend plastic. Bip. Bip. Bip. Het constante scannen bij de kassa’s.

Ik stond bij het schap met de koffiebonen. Ik moest een rood pak hebben. Maar er stonden vijftig verschillende soorten. Rood, goud, zwart, zilver. Arabica, Robusta, espresso, mild.

Ik keek naar de pakken, maar mijn hersenen weigerden de informatie te verwerken. Het was alsof ik naar Chinees keek. De kleuren leken feller te worden, bijna verblindend. Het gepiep van mijn eigen winkelwagentje echode na in mijn oren. Vlak achter me vroeg een vrouw met luide stem: "Mag ik er even bij, meneer?"

Haar stem klonk als een zweepslag. Ik deed een stap opzij en stootte mijn heup tegen een stelling. Een blikje viel op de grond met een doffe dreun.

Mijn borstkas trok samen. Ik kreeg geen lucht meer. Geen millimeter. Het voelde alsof iemand een leren riem om mijn longen had getrokken en die met een ruk aantrok. Mijn zicht werd zwart aan de randen, een soort koker waardoor ik alleen nog maar het felrode schap voor me zag.

Ik liet mijn karretje staan. Midden in het gangpad. Ik liep weg. Eerst snel, daarna bijna rennend. Langs de kassa’s, door de schuifdeuren, de koude buitenlucht in. Mensen keken me na, maar het kon me niets meer schelen. Ik haalde hijgend de auto, liet mezelf op de bestuurdersstoel vallen en sloeg het portier dicht.

Ik trilde over mijn hele lichaam. Mijn tanden klapperden op elkaar, alsof ik midden in de vrieskou stond. Ik kon niet huilen. Mijn lijf gaf alleen nog maar panieksignalen af.

Ik reed naar huis op de automatische piloot. Ik liet de auto schuin op de stoep staan, liep het trappenhuis op en stormde ons appartement binnen. Sophie keek op van haar schriften.

"Daan? Waar zijn de..."

Ik zei niks. Ik liep rechtstreeks door naar de badkamer, deed de deur dicht en zakte door mijn knieën. Ik ging liggen. Niet op de mat, maar op de koude, grijze tegels van de vloer. Met mijn wang tegen het steen. Mijn ogen dicht. Mijn armen strak om mijn borst geklemd.

Sophie klopte op de deur. "Daan? Doe open. Wat is er aan de hand?"

"Ik kan niet meer," fluisterde ik tegen de tegels. Mijn stem droeg niet eens tot de gang.

Ze duwde de klink naar beneden. Ik had de deur niet op slot gedaan. Ze kwam binnen en zag me liggen. Een man van tweeëndertig, languit op de badkamervloer naast de wasmand.

Ze knielde bij me neer. Ze raakte mijn schouder aan, maar zelfs die aanraking deed pijn aan mijn huid. Het voelde te zwaar, te veel.

"Daan, alsjeblieft, sta op. Je maakt me bang."

"Laat me liggen, Soph. Alsjeblieft. Gewoon even niets. Geen geluid. Geen licht."

In haar stilte voelde ik geen medelijden meer. Ik voelde de breuklijn. Ze zat naast me, maar ze was al een kilometer van me vandaan. Ze kon dit niet meer dragen. En ik kon het haar niet kwalijk nemen. Ik was een spons die niets anders deed dan zwart water lekken.

Hoofdstuk 5

Stilte langs het water

De maandag daarop meldde ik me ziek. Niet via de telefoon; ik durfde Robs stem niet te horen. Ik stuurde om zes uur ’s ochtends een kort zakelijk mailtje naar personeelszaken en zette daarna mijn telefoon uit.

De eerste twee weken deed ik bijna niets. Ik sliep twaalf uur per nacht en werd nog steeds moe wakker. Mijn dagen bestonden uit zitten op de bank, staren naar de overkant van de straat waar bomen langzaam hun bladeren verloren, en zwijgen. Sophie en ik liepen op kousenvoeten om elkaar heen. Ze probeerde aardig te zijn, maar er hing een zware, ongemakkelijke afstand tussen ons. Als twee vreemden die toevallig dezelfde koelkast deelden.

Na drie weken zat ik bij de praktijkondersteuner van de huisarts. Marianne heette ze. Een vrouw van achter in de vijftig met grijs haar in een staart en een bril met een dik montuur. Geen zweverig type. Geen wierook of zachte klankschalen in haar spreekkamer. Gewoon twee stoffen stoelen en een bureau van de IKEA.

"Nou Daan," zei ze, terwijl ze haar leesbril op haar neus schoof. "Vertel het maar eens. Waarom lig jij op de badkamervloer?"

Ik keek naar mijn handen. Ik schaamde me kapot. "Ik kan de wereld gewoon niet aan," zei ik zacht. "Iedereen kan functioneren. Mijn collega’s, mijn vriendin, iedereen. Ze werken, ze feesten, ze maken herrie, ze lossen problemen op. En ik klap in elkaar van een supermarkt. Ik ben gewoon te gevoelig."

"En wat betekent dat volgens jou? Te gevoelig zijn?"

"Dat ik zwak ben. Dat ik een afwijking heb. Een foutje in de fabriek."

Marianne leunde achterover. Haar stoel kraakte zachtjes. "Je hebt geen foutje, Daan. Je hebt een zenuwstelsel dat openstaat. Waar andere mensen een filter hebben dat negentig procent van de prikkels tegenhoudt, komt bij jou bijna alles ongecensureerd binnen. Het geluid, de spanning, de emoties van een ander. Je registreert het allemaal."

"Nou, geweldig," zei ik bitter. "Wat heb ik daaraan? Je hebt er geen reet aan in deze maatschappij. Je moet hard zijn. Schouders eronder, dikke huid kweken."

"Dat heb je geprobeerd," zei ze rustig. "Tweeëndertig jaar lang. Hoe goed heeft die dikke huid gewerkt?"

Haar vraag viel stil in de kamer. Ik slikte. Het had me op de badkamervloer gebracht.

"Je kunt jezelf niet verbouwen tot een bulldozer als je gebouwd bent als een racefiets," zei ze. "Een racefiets is niet kapot omdat hij niet over een zandpad kan rijden. Je gebruikt hem gewoon op de verkeerde weg."

Het klonk eenvoudig. Te eenvoudig, misschien. Maar het was de eerste keer dat iemand niet tegen me zei dat ik harder moest worden.

"Wat moet ik dan doen?" vroeg ik.

"Beginnen met stoppen met liegen," zei ze. "Tegen jezelf, en tegen de rest. Je zegt op alles ja omdat je bang bent voor het conflict dat 'nee' oplevert. Maar elk conflict dat je ontwijkt met een ander, vecht je daarna uit in je eigen lijf."

Die middag ging ik wandelen. Niet door de stad, maar buiten Amersfoort, langs de rivier de Eem. Het was een koude, grijze middag in november. De wind sneed over het open water. Er was niemand op het fietspad.

Ik liep stevig door. Het riet ritselde zachtjes. Boven me vlogen ganzen in een strakke V-formatie naar het zuiden. Geen felle lampen. Geen Rob. Geen pratende mensen. Alleen het monotone geluid van de wind en mijn eigen schoenen op het asfalt.

Voor het eerst in maanden voelde ik de spanning in mijn nek een klein beetje zakken. Mijn antenne ving nog steeds alles op: de geur van natte klei, de kou op mijn wangen, de roep van de vogels. Maar deze prikkels eisten niets van me. Ze vroegen niet om een oplossing. Ze waren er gewoon. En ik was er ook.

Hoofdstuk 6

De eerste nee

Twee maanden na mijn instorting moest ik op gesprek komen bij Van Dijk Installatietechniek. Re-integratieoverleg. De bedrijfsarts had geoordeeld dat ik rustig aan weer kon gaan opbouwen. Twee ochtenden in de week, lichte taken.

Toen ik de parkeerplaats opreed, voelde ik de oude knoop direct weer terugkeren in mijn maag. Mijn vingers klampten zich vast om het stuur. Het kantoorpand zag er precies hetzelfde uit als toen ik vertrok: grijs beton, grote glazen ruiten, het blauwe logo op het dak. De plek waar ik kapot was gegaan.

Ik liep naar binnen. De geur van het tapijt, het zachte gezoem van de servers in de gang. Het sloeg meteen weer toe. Maar ik dacht aan Mariannes woorden: *Niet meer liegen.*

Het gesprek vond plaats in de kleine spreekkamer naast de directie. Rob zat er, samen met Anja van Personeelszaken. Rob keek me aan met een blik die het midden hield tussen bezorgdheid en ongeduld. Hij gaf me een stevige handdruk. Weer net te hard.

"Mooi dat je er weer bent, Daan," zei hij toen we gingen zitten. "We hebben je gemist. De planning loopt over. We kunnen je handjes goed gebruiken."

"Dank je," zei ik. Mijn stem trilde een klein beetje, maar ik keek hem aan.

Anja schoof een formulier naar me toe. "Het plan van de bedrijfsarts is duidelijk. Beginnen met vier uur per week. Administratieve afronding van oude projecten. Rustig inkomen."

Rob knikte, maar nam meteen het woord over. "Prima plan natuurlijk. Gezondheid voorop. Maar Daan, als je er toch bent op donderdagochtend... Kun je dan niet meteen even die revisietekeningen van het Meander oppakken? Niemand snapt dat dossier zoals jij. Als jij dat even vlot trekt, scheelt ons dat enorm veel gedoe."

Daar was het. De oude dynamiek. Rob die een opening zag en er direct induikt. Vroeger had ik geknikt. Vroeger had ik gezegd: *Is goed Rob, ik kijk er wel even naar.* Om de vrede te bewaren. Om nuttig gevonden te worden. Om te bewijzen dat ik niet zwak was.

Ik voelde de impuls opkomen. Het was alsof mijn mond vanzelf open wilde gaan om 'ja' te zeggen. Mijn hartslag schoot omhoog. Mijn handpalmen werden nat.

Ik ademde in. Diep, naar mijn buik, zoals ik de afgelopen weken had geoefend langs de Eem.

"Nee," zei ik.

Het woord viel op tafel als een baksteen. Zwaar en definitief.

Rob knipperde met zijn ogen. Hij leek oprecht verbaasd. Alsof zijn computer ineens een foutmelding gaf die hij nog nooit had gezien. "Wat zeg je?"

"Nee, Rob. Dat doe ik niet."

"Het is maar een paar uurtjes tekenwerk, Daan. Even doordrukken. Je kunt toch wel..."

"Ik ga niet doordrukken," onderbrak ik hem. Mijn stem was niet luid, maar hij was helder. Zonder excuses. Zonder omwegen. "Ik kom terug om te re-integreren volgens het advies van de bedrijfsarts. Lichte administratie. Geen Meander. Geen deadlines. Geen crisissen."

Rob keek naar Anja, en daarna weer naar mij. Zijn kaken spanden zich aan. "Als we allemaal zo gaan werken, Daan, dan dondert de tent in elkaar."

"Dat kan zijn," zei ik. "Maar als ik dit werk doe zoals jij het wilt, donder ik zelf in elkaar. En dat doe ik niet meer. Nooit meer."

Er viel een stilte in de spreekkamer. Een zware, ongemakkelijke stilte. Vroeger had ik alles gedaan om die stilte op te vullen, om de spanning weg te masseren. Nu bleef ik gewoon zitten. Ik keek naar Robs koffiemok. Ik keek naar de ringband van Anja.

Anja kuchte zachtjes en trok het formulier naar zich toe. "Daan heeft gelijk, Rob. De afspraken met de bedrijfsarts zijn bindend. We houden ons aan het opbouwschema. Lichte administratie."

Rob haalde zijn schouders op, snoof kort en leunde achterover. "Prima. Jouw feestje."

Toen ik een kwartier later naar buiten liep, trilden mijn benen. Ik voelde me leeggezogen, alsof ik zojuist een zware heuvel was op gefietst. Maar toen ik bij mijn auto aankwam en de sleutel in het slot stak, merkte ik iets anders op.

Mijn borstkas voelde ruim. Ik kon ademen. De riem om mijn longen was verdwenen. Ik had voor het eerst in mijn leven een grens getrokken. En de wereld was niet vergaan. Rob leefde nog. Ik leefde nog. Het kantoorpand stond er nog steeds.

Hoofdstuk 7

Gewoon Daan

We zijn nu een jaar verder. Mijn leven ziet er niet uit als een reclamespotje voor een zorgverzekering. Er zijn geen magische doorbraken geweest waardoor ik plotseling veranderd ben in een zorgeloze avonturier die lachend door overvolle zalen banjert. Ik ben nog steeds Daan. Ik hoor nog steeds alles. Ik voel nog steeds te veel.

Maar de manier waarop ik ermee omga, is veranderd.

Sophie en ik zijn uit elkaar. Het gebeurde drie maanden na mijn gesprek met Rob. We zaten aan de keukentafel, niet in woede, maar met een diepe, droevige rust. We moesten toegeven dat we niet pasten. Zij had beweging nodig, rumoer, een partner die meeging in de vaart der volkeren. Ik had stilte nodig om te kunnen overleven. We hielden van elkaar, maar we trokken elkaar langzaam leeg. Ze woont nu in Utrecht. Ik woon nog steeds in de portiekflat in Amersfoort-Zuid.

Bij Van Dijk werk ik niet meer. Na drie maanden re-integreren werd duidelijk dat een kantoortuin voor mij simpelweg een ongezonde werkplek is. Geen enkele cursus timemanagement of ademhalingsoefening kan veranderen dat vijftien pratende mensen en zoemende TL-buizen mijn systeem overbelasten.

Ik werk nu drie dagen in de week als technisch tekenaar bij een klein architectenbureau in Baarn. We zitten met vier man in een oud herenhuis. Houten vloeren, veel daglicht, geen radio op de achtergrond. Iedereen heeft zijn eigen bureau met een fatsoenlijke tussenwand. Als ik geconcentreerd bezig ben, zet ik een koptelefoon op met ruisonderdrukking. Niemand die daar raar van opkijkt. Niemand die roept dat ik een dikkere huid moet kweken.

Ik verdien minder dan vroeger. Ik rijd nog steeds in mijn oude Polo en ik koop minder kleren. Maar de winst zit in mijn hoofd. De permanente mist is opgetrokken.

Gisteren was ik weer bij de supermarkt. Vrijdagmiddag rond vijf uur. Het was druk. Er huilde een kind bij het snoepschap. Een caissière riep om dat er een kassa bij moest.

Vroeger zou ik in paniek zijn geraakt. Nu bleef ik even stilstaan bij de groenteafdeling. Ik voelde de prikkels binnenkomen: het licht, het geluid, de geur van natte prei en versgebakken brood. Ik voelde hoe mijn schouders omhoog wilden kruipen.

Ik ademde rustig uit en zei in gedachten tegen mezelf: *Het is gewoon veel. Dat klopt. Je hoort het allemaal. Rustig aan.* Ik pakte mijn appels, mijn brood en mijn koffie. Ik liep naar de zelfscankassa, rekende af en liep naar buiten.

Ik ben niet genezen, want gevoeligheid is geen ziekte. Het is een eigenschap. Net zoals iemand lange benen heeft of rood haar. Het heeft voordelen die ik vroeger nooit zag: ik zie een fout in een bouwtekening binnen drie seconden omdat mijn oog elk detail registreert. Ik voel feilloos aan wanneer een vriend echt klem zit, zelfs als hij zegt dat het goed gaat. Ik kan intens genieten van de geur van het bos na een regenbui, op een manier die me kippenvel bezorgt.

Maar het heeft een prijs. En die prijs heet: grenzen.

Vanavond ga ik niet naar de kroeg, ook al heeft een oud-studiegenoot me gevraagd. Ik ga niet uitleggen dat ik me niet lekker voel, of dat ik moet overwerken. Ik heb gewoon een appje gestuurd: *"Bedankt voor de uitnodiging, maar ik sla vanavond over. Ik heb rust nodig."*

Geen excuses meer. Geen leugens.

Ik zit nu op mijn bank met een mok thee. Buiten regent het zachtjes tegen het raam. In de woonkamer brandt één schemerlamp. Er is geen radio. Geen televisie. Alleen het getik van de druppels op het glas.

De wereld daarbuiten is luid, snel en hard. Dat zal hij altijd blijven. Maar hier binnen, in deze kamer en in dit lijf, bepaal ik zelf het volume.