Verlies en rouw
Schuldgevoel na afscheid
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
Drie minuten over half twaalf
Mijn naam is Dennis Kuijpers. Ik ben tweeënveertig jaar en ik woon in Tilburg. Ik werk als storingsmonteur bij de woningstichting. Ik weet precies hoe leidingen lopen, waarom een ketel uitvalt en waar een lekkage vandaan komt. Water zoekt altijd de makkelijkste weg. Met mensen is dat vaak net zo. Maar die nacht koos ik niet de makkelijkste weg. Ik koos voor mezelf. En dat vreet me nog steeds vanbinnen op.
Het was dinsdagavond, begin november. Buiten regende het niet gewoon, het sloeg tegen de ruiten van onze hoekwoning. Een gure herfstwind trok door de straat. Ik zat op de bank met Sanne, mijn vriendin. Mijn werkdag was lang geweest: zeven adressen afgewerkt, twee keer drijfnat geregend onder een gootsteen in Tilburg-Noord. Mijn rug deed pijn. De televisie stond aan op een detectiveserie waarvan ik het plot alweer kwijt was. Ik wilde naar bed. Gewoon slapen, wekker om half zeven.
Om drie minuten over half twaalf trilde mijn telefoon op de salontafel. Het scherm lichtte op in het donker. 'Jeroen mobiel', stond er.
Jeroen was mijn jongere broer. Vierendertig jaar oud. Hij had geen vrouw, geen vaste baan, maar wel een hart van goud en een hoofd dat nooit stilstond. Jeroen leefde in vlagen. De ene maand had hij drie klussen als lasser en kocht hij een dure racefiets, de andere maand zat hij krap en leende hij vijftig euro voor de boodschappen. Hij kon fantastisch koken, grappen maken tot je kaken zeer deden, maar hij kon ook verdrinken in een glas bier als het tegenzat.
Ik keek naar het scherm. Het blauwe licht prikte in mijn ogen.
'Neem je niet op?' vroeg Sanne zacht vanaf de andere kant van de bank. Ze had haar boek laten zakken.
'Nee,' zei ik. Ik zuchtte diep. 'Het is half twaalf. Hij heeft weer wat te zeuren over zijn huurbaas of hij zit in de kroeg en wil praten over de wereld. Ik heb er echt geen puf voor, San.'
'Misschien is het belangrijk,' zei ze.
'Met Jeroen is alles altijd belangrijk op het moment zelf, en de volgende ochtend weet hij het amper nog. Ik bel hem morgenochtend om zeven uur wel terug als ik in de bus stap. Kijken of hij dan nog wakker is.'
Ik drukte op de rode knop aan de zijkant van het toestel. Het scherm werd zwart. Ik wees hem af. Het voelde op dat moment volkomen logisch en terecht. Ik was moe. Ik had recht op mijn nachtrust. Ik was zijn oudere broer, niet zijn vader en niet zijn therapeut.
We gingen naar boven. Ik poetste mijn tanden, zette het raam op een kier tegen het benauwde gevoel en stapte in bed. Buiten huilde de wind langs de dakpannen. Ik hoorde Sanne naast me ademhalen, een regelmatig, rustgevend geluid. Ik draaide me op mijn zij. Mijn telefoon lag beneden op het dressoir aan de oplader.
Om kwart over vijf die ochtend ging de deurbel.
Niet één keer kort, maar twee keer lang en hard. Sanne schoot overeind. 'Dennis? Hoorde je dat?'
Mijn hart sloeg direct een slag over. De deurbel om kwart over vijf betekent nooit goed nieuws. Nooit. Ik stapte het bed uit op blote voeten, trok een joggingbroek aan en liep de trap af. De treden kraakten onder mijn gewicht. Door het matglas van de voordeur zag ik twee donkere silhouetten staan. Er knipperde een blauwachtig schijnsel over de natte straatstenen van de oprit.
Ik deed de deur open op een kier van de tochtstrip. Twee agenten, een man en een vrouw, met natte neongele jassen. De vrouw had haar pet afgedaan en hield die in haar hand.
'Meneer Dennis Kuijpers?' vroeg de mannelijke agent. Zijn stem klonk kalm, geoefend en vreselijk zacht.
'Ja,' zei ik. Mijn keel was kurkdroog. 'Wat is er aan de hand?'
'Mogen we even binnenkomen, meneer? Het gaat over uw broer Jeroen.'
Ik liet de deur los. De gang voelde ijskoud aan. Ik hoorde Sanne bovenaan de trap staan. Ze vroeg wat er was, maar ik kon haar geen antwoord geven. In de keuken zei de agente de woorden die een mens niet wil horen. Er was een ongeluk geweest. Op de N261, bij Waalwijk. Jeroen was van de weg geraakt. Tegen een boom. De auto was direct vlam gevat. Hij was ter plekke overleden. Tijdstip van het ongeval: geschat rond kwart voor twaalf.
Kwart voor twaalf. Twaalf minuten nadat ik op de rode knop had gedrukt.
Hoofdstuk 2
Iedereen noemt me sterk
De dagen daarna trokken voorbij als een film die met halve snelheid werd afgespeeld. Mensen kwamen en gingen in ons huis. Mijn moeder zat in de hoek van de bank, gekrompen tot een hoopje ellende. Mijn vader, van wie mijn moeder al tien jaar gescheiden was, stond in de keuken doelloos aan het koffiezetapparaat te rommelen. We moesten keuzes maken die je nooit voor je broertje zou willen maken. Wat trekken we hem aan? Geen pak, Jeroen haatte pakken. Zijn zwarte spijkerbroek en dat grijze wollen vest waarin hij altijd liep te klooien in zijn schuur. Welke muziek draaien we? Pearl Jam. Daar hield hij van. En Bruce Springsteen.
Iedereen keek naar mij. Omdat ik de oudste was. Omdat ik mijn emoties niet op straat gooide. Omdat ik monteurskleren aan had en gewend was om problemen op te lossen met een waterpomptang of een nieuwe zekering.
'Je slaat je er zo goed doorheen, Dennis,' zei een tante die ik in geen vijf jaar had gezien, terwijl ze me een bordje met cake aanreikte. 'Jeroen zou trots op je zijn geweest. Je bent een rots in de branding voor je moeder.'
Haar woorden voelden als brandnetels op een open wond. Een rots in de branding. Ze wisten niets. Niemand wist het. Sanne wist dat de telefoon was gegaan, maar ze kende het exacte tijdstip van het ongeval niet tot op de minuut. Ik had het niet hardop gezegd. Ik durfde het niet. Elke keer als ik mijn mond opendeed om te zeggen: 'Ik heb hem weggedrukt, ik had hem kunnen redden', snoerde een ijzeren band zich om mijn borstkas.
Op vrijdagmiddag moesten we naar het rouwcentrum in Tilburg-Zuid om de laatste dingen te bekijken. De kist was dicht. Dat was het advies van de politie en de uitvaartverzorger geweest. De klap was te zwaar geweest, de brand te hevig. We kregen een gesloten eikenhouten kist te zien, met een koperen handvat aan weerszijden en een bos witte lelies erbovenop.
Ik stond daar met mijn hand op het hout. Het eikenhout voelde koud en glad aan, behandeld met een laag matte lak. Eronder lag het lichaam van de jongen met wie ik vroeger hutten had gebouwd in het bos achter ons ouderlijk huis in Oisterwijk. De jongen met wie ik vuurtjes had gestookt en stiekem sigaretten had gerookt achter de schuur.
'Waarom reed je daar, Jeroen?' fluisterde ik in de lege rouwkamer, terwijl mijn ouders even naar de gang waren gelopen voor een glas water. 'Waarom belde je me? Wat wilde je zeggen?'
Er kwam geen antwoord. Alleen het zachte gezoem van de luchtverversing in het plafond.
De condoleanceavond was een martelgang van drie uur. Zeker honderd mensen stonden in de rij. Vrienden uit de kroeg, oude schoolgenoten, collega’s van het lasbedrijf. Ze schudden mijn hand. Stevige handdrukken, vochtige ogen, bemoedigende klopjes op mijn schouder.
'Dennis, man, wat vreselijk. Hij sprak altijd zo vol lof over je. Als hij vastliep, zei hij altijd: ik vraag Dennis wel even, die lost het op.' Dat zei Mark, een vriend van Jeroen met een baard en een leren jack.
Ik knikte strak. Mijn kaken deden pijn van het op elkaar klemmen. 'Dank je, Mark. Fijn dat je er bent.'
Ik loste het op. Ja hoor. Behalve toen hij me nodig had. Toen drukte ik op rood omdat ik een moordenaar op televisie wilde zien ontmaskeren. Omdat ik mijn luie lichaam op de bank wilde houden.
Die nacht kon ik niet slapen. Sanne lag naast me te slapen met haar hand op mijn buik, maar ik lag naar het plafond te staren. De lantaarnpaal buiten wierp een oranje rechthoek op het stucwerk. Ik zag de N261 voor me. Die weg ken ik als mijn broekzak. Lange, rechte stukken, afgewisseld met flauwe bochten door de bomen. Als het regent, blijft het water daar in sporen staan. Aquaplaning. Als Jeroen aan de lijn was gebleven, had hij misschien stilgestaan bij een benzinestation. Hij had de auto aan de kant gezet om te praten. Hij had niet met honderd kilometer per uur door die plassen gescheurd. Ik had hem vijftien minuten aan de praat kunnen houden, en dan was hij die gevaarlijke bocht voorbij geweest. Of hij had gevraagd of ik hem kwam halen. En ik had ja gezegd, natuurlijk had ik ja gezegd als ik had geweten dat de dood op hem wachtte.
Maar ik wist het niet. En juist die onwetendheid veranderde in een zware, zwarte schuld die zwaarder woog dan lood.
Hoofdstuk 3
Twee vuilniszakken en een jas
Twee weken na de begrafenis moest Jeroens huurwoning leeg. De woningbouwvereniging gaf ons tot het einde van de maand. Mijn ouders konden het niet opbrengen om erheen te gaan. Mijn moeder kreeg al een paniekaanval als ze de straatnaam hoorde. Dus deed ik het, samen met Sanne en mijn zwager Rob.
Jeroen woonde in een tweekamerappartement op de derde verdieping van een galerijflat. Het rook er naar hem: shag, sterke koffie en de goedkope wasverzachter die hij altijd bij de supermarkt kocht. Op tafel lag de krant van die noodlottige dinsdag nog open op de sportpagina. Er stond een halfvol koffiekopje op het aanrecht, bedekt met een dunne laag schimmel.
'We beginnen in de woonkamer,' zei ik zakelijk. Ik zette een paar verhuisdozen neer die ik had meegebracht. 'Alles wat weg kan, doen we in de zwarte zakken. Papieren en spullen van waarde verzamelen we op de eettafel.'
Rob knikte en begon met de boekenplank. Sanne liep naar de keuken om de kastjes leeg te halen. Ik liep naar zijn kledingkast in de slaapkamer.
Het was raar om iemands leven in te pakken. Een leven past verbazingwekkend snel in karton. Zijn overhemden, zijn T-shirts met opdrukken van festivals, zijn versleten werkschoenen met de stalen neuzen vol deuken. Ik pakte zijn spijkerjasje van de haak. De geur sloeg me direct in het gezicht. Ik drukte mijn gezicht een halve seconde in de kraag. Het rook naar regen en tabak. Waarom deed ik dit zo koud? Waarom huilde ik niet zoals Sanne, die net in de keuken met een theedoek in haar handen stond te snikken?
Omdat ik bang was dat als ik begon, ik nooit meer zou ophouden. En omdat ik vond dat ik het recht niet had om te huilen. Ik had hem immers laten vallen.
In de gangkast vond ik zijn gereedschapskist. Hij had dezelfde als ik: een blauwe metalen kist met twee uitschuifbare vakken. We hadden ze samen gekocht toen we achttien en twintig waren, bij een doe-het-zelfzaak die allang niet meer bestond. Bovenop lag een rol isolatietape en een steeksleutel maat tien. Die sleutel was eigenlijk van mij. Hij had hem drie maanden geleden geleend om de accu van zijn scooter vast te zetten. 'Krijg je volgende week terug, broer,' had hij gezegd met die scheve grijns van hem.
Ik stak de steeksleutel in mijn broekzak. Het metaal voelde zwaar en scherp tegen mijn heupbeen.
'Dennis, moet je dit zien,' riep Sanne zachtjes vanuit de woonkamer.
Ik liep naar haar toe. Ze stond bij het kleine bureau waar Jeroen zijn post bewaarde. Ze hield een geel notitieblok vast. Jeroen krabbelde altijd dingen op van die gelinieerde A5-blokjes: to-do-lijstjes, telefoonnummers, maten voor een klus.
Op de bovenste pagina stonden een paar regels in zijn slordige handschrift. Balpen, half doorgedrukt in het papier.
* Dennis vragen voor hulp met radiator lekt.* *APK vervalt 18 nov.* *Ma bellen ivm verjaardag.*
En daaronder, met een dubbele streep eronder: *Dennis bellen. Belangrijk. Praten over papieren.*
Ik staarde naar het papier. Mijn hart bonkte tegen mijn ribben alsof het eruit wilde breken. Sanne keek me aan met medelijden in haar ogen. 'Hij was echt op je aangewezen, hè? Hij keek zo tegen je op.'
'Hou op,' zei ik korter dan ik bedoelde.
Ze schrok van mijn toon. 'Dennis, ik bedoel het goed.'
'Ik weet wat je bedoelt,' snauwde ik. 'Maar we zijn hier om op te ruimen, niet om sentimentspraatjes te houden. Die flat moet voor vrijdag leeg zijn. We hebben nog een aanhangwagen vol te gooien.'
Ik rukte de pagina van het blok, verfrommelde het tot een prop en gooide het in de vuilniszak. Sanne deinsde een stap terug. Haar lippen trilden even, maar ze zei niets meer. Ze draaide zich om en ging verder met het inpakken van borden in krantenpapier.
Ik voelde me een beest. Tegenover Sanne, tegenover Jeroen, tegenover iedereen. De woede zat niet in mijn hoofd, hij zat overal. In mijn vingers die trilden, in mijn ademhaling die kort en oppervlakkig was. Ik pakte twee grote zwarte vuilniszakken, bond ze dicht met een harde knoop en liep ermee naar de galerij. Vanaf drie hoog keek ik naar de parkeerplaats. Beneden stond mijn werkbus. Een vertrouwde, witte wagen met gereedschap en onderdelen. Alles wat kapot was, kon je repareren als je maar het juiste onderdeel had. Maar voor wat ik had stukgemaakt, was geen reserveonderdeel te krijgen.
Hoofdstuk 4
Breken op de steiger
De weken na het leegruimen van de flat werden een grijze waas. Ik ging weer aan het werk. Dat leek me het beste: meters maken, handen uit de mouwen, bezig blijven. Als je werkt, denk je niet na. Dat dacht ik tenminste.
Maar het werkte niet zo. Mijn concentratie was weg. Ik vergat ringetjes te plaatsen bij kranen, waardoor er bij een bejaarde vrouw in Tilburg-West water onder het keukenblok vandaan stroomde. Ik zette een gaskraan niet goed vast, wat gelukkig werd opgemerkt door een collega die me nakeek. Dat was nog nooit gebeurd in de zestien jaar dat ik dit werk deed. Ik was de man van de details. Ik was degene die jonge jongens inwerkte en zei: 'Controleer het twee keer. Eén fout kan iemands huis onder water zetten.'
Begin december stonden we met een ploeg bij een renovatieproject in Goirle. Een blok van acht woningen kreeg nieuwe kozijnen en zonnepanelen. Buiten was het bitter koud, net boven het vriespunt. De wind sneed over de steigers.
Ik stond op de tweede steigerlaag, bezig met het losdraaien van een oude afvoerpijp. De bouten waren verroest. Mijn vingers waren gevoelloos door de kou, ondanks de werkhandschoenen met grip. Ik zette kracht met een ringsleutel. Het metaal gaf geen krimp.
'Lukt het een beetje, Dennis?' riep Dave vanaf de begane grond. Dave was een jongen van drieëntwintig, net van school, altijd vrolijk, altijd met een koptelefoon om zijn nek.
'Het zit muurvast,' beet ik hem toe.
'Moet ik even kruipolie omhoog gooien? Of een verlengstuk?'
'Ik red me wel!' snauwde ik harder dan nodig was. Mijn stem sloeg over.
Ik zette nog een keer aan. Al mijn gewicht ertegenaan. Ik dacht aan de kist. Ik dacht aan de rode knop op mijn telefoon. Ik dacht aan de agente die haar pet afdeed. Ik dacht aan Jeroen die alleen in die auto zat, in het donker, terwijl het water tegen de ruiten sloeg en niemand opnam.
De ringsleutel schoot van de moer af. Mijn knokkels klapten met volle kracht tegen het ruwe metselwerk van de gevel. De pijn was direct, fel en misselijkmakend. Mijn handschoen scheurde en er trok meteen een donkere bloedvlek door de stof.
'Godverdomme!' brulde ik over de bouwplaats.
Ik smeet de sleutel neer. Het staal kletterde over de houten steigerplanken en stuiterde naar beneden, waar het een meter naast Dave op de modderige grond viel.
Dave keek geschrokken omhoog. 'Rustig man, Dennis! Kijk uit!'
'Houd gewoon je bek!' schreeuwde ik. Ik beefde over mijn hele lijf. 'Houd allemaal je bek en laat me met rust!'
De andere bouwvakkers keken op. Timmermannen lieten hun zagen zakken. Het werd doodstil op het plein, op het geluid van een stationair draaiende compressor na. Iedereen staarde naar mij. De betrouwbare Dennis, die nooit vloekte, die nooit klaagde, die altijd kalm bleef als een klant een grote mond had.
Ik zakte door mijn knieën op de koude steigerplanken. Ik hield mijn bebloede hand tegen mijn borst. Mijn adem kwam in stoten, zware witte wolkjes in de vrieskou. Mijn maag draaide zich om. Ik dacht dat ik ging overgeven.
Kees, de uitvoerder, een man van zestig met een buik en een baard, kwam rustig de steigerladder op geklommen. Geen haast. Trap voor trap. Hij stapte over de gereedschapskisten heen en ging gehurkt naast me zitten. Hij zei eerst niets. Hij stak een sigaret op, beschermde de vlam met zijn grote eeltige handen tegen de wind en blies de rook weg van me vandaan.
'Je hand ligt open, Dennis,' zei hij rustig.
'Weet ik,' mompelde ik. Ik keek naar de houten planken tussen mijn laarzen. Er zat een scheur in het hout.
'Het gaat niet over die rotte pijp, hè?'
Ik schudde mijn hoofd. Praten lukte niet. Er zat een brok in mijn keel zo groot als een vuist.
'Je moet naar huis,' zei Kees. 'Niet morgen, niet na de middagpauze. Nu. Je meldt je ziek. Je gaat Sanne knuffelen en je gaat pas weer op een klus staan als je kop er weer bij is. Als je zo doorgaat, lazer je van deze steiger af en dan kan ik jouw vrouw gaan vertellen dat ze jou ook kwijt is. En dat ga ik niet doen.'
'Ik kan niet thuiszitten, Kees,' bracht ik eruit. Mijn stem klonk krakerig, als schuurpapier. 'Thuis ga ik kapot.'
'Hier ga je ook kapot, jochie,' zei Kees zacht. Hij legde een zware hand op mijn schouder. 'Alleen trek je hier andere mensen mee naar beneden.'
Die woorden kwamen harder aan dan de slag tegen de muur. Ik stond langzaam op, hield me vast aan de steigerbuis en liep naar de ladder. Ik liet mijn gereedschap liggen.
Hoofdstuk 5
Het geluid van zijn stem
Thuis zat Sanne aan de keukentafel met haar laptop open. Ze werkte die dag vanuit huis voor de gemeente. Toen ze de voordeur hoorde en me om half elf de keuken binnen zag lopen met een gescheurde handschoen en een bebloede hand, sloeg ze haar laptop direct dicht.
'Dennis? Wat is er gebeurd?'
'Uitgeschoten op het werk,' zei ik dof. Ik liep door naar de bijkeuken, pakte de verbanddoos en zette de kraan aan om de wond uit te spoelen. Het koude water prikte hard in het open vlees. Ik trok geen spier.
Sanne kwam achter me staan. Ze pakte rustig het gaasje en de betadine uit mijn handen. 'Laat mij maar even.'
Ze waste mijn hand, depte de schaafwonden droog en plakte er een snelverband omheen. Haar handen waren warm en zacht. Het contrast met de ruwe kou buiten was te groot. Toen ze klaar was, liet ze mijn hand niet los. Ze hield hem tussen haar twee handen geklemd.
'Je slaapt niet meer, Dennis,' zei ze. 'Je eet amper. Als ik tegen je praat, kijk je dwars door me heen. En nu kom je halverwege de ochtend thuis van je werk. Wat is er aan de hand? Is het Jeroen?'
Ik trok mijn hand terug. 'Natuurlijk is het Jeroen. Mijn broer is dood, Sanne. Wat denk je dan?'
'Nee,' zei ze resoluut. Ze stapte voor me zodat ik niet weg kon lopen naar de woonkamer. 'Er is iets anders. Je bent niet alleen verdrietig. Je bent boos. Je sluit me buiten alsof ik de vijand ben. Als we het over hem hebben, loop je weg. Waarom mag ik er niet voor je zijn?'
De keuken werd te klein. De lucht leek op. Het geheim dat ik al bijna twee maanden met me meedroeg, begon te zwellen in mijn keel. Het wilde eruit, maar ik hield mijn kaken stijf op elkaar. Als ik het hardop zou zeggen, zou het definitief zijn. Dan was ik officieel degene die hem had laten sterven.
'Laat maar,' zei ik, en ik maakte een beweging om langs haar heen te lopen.
'Nee, Dennis! Ik laat het niet!' Ze verhief haar stem nu. Dat deed ze zelden. 'Ik hou van je, verdomme! Maar ik trek dit niet meer. Die stilte in huis maakt me gek. Zeg me wat er is, of ga ergens anders heen om te zwijgen.'
Ik bleef staan met mijn rug naar haar toe. Mijn ademhaling ging snel. In mijn broekzak voelde ik mijn telefoon branden. Dat apparaat dat ik haatte, maar dat ik niet weg kon gooien.
Ik draaide me om. Ik haalde de telefoon uit mijn zak en legde hem op het granieten aanrechtblad. Met een doffe tik.
'Die nacht,' zei ik. Mijn stem trilde zo erg dat ik nauwelijks uit mijn woorden kwam. 'Drie minuten over half twaalf. Toen hij belde.'
Sanne keek naar het toestel. 'Ja? Je zei dat hij vast weer zat te kletsen.'
'Ik heb hem weggedrukt.'
'Dat weet ik, Dennis. Dat heb je toen gezegd. Je was moe.'
'Nee, je begrijpt het niet!' schreeuwde ik ineens. De woede en de wanhoop braken dwars door mijn borstbeen heen. 'Hij belde me om drie minuten over half twaalf! Het ongeluk gebeurde om kwart voor twaalf! Twaalf minuten later, Sanne! Twaalf minuten!'
De stilte die volgde was oorverdovend. Sanne staarde me aan met grote ogen.
'Hij had me nodig,' snikte ik. De tranen kwamen nu, heet en brandend over mijn wangen. Ik kon ze niet meer tegenhouden. Mijn knieën voelden slap. 'Hij zat in die auto. Hij was onderweg naar huis in die rotstorm. Hij wilde dat ik hem hielp. Misschien wilde hij dat ik hem kwam halen. Misschien was hij bang. En ik... ik vond een stomme televisieserie belangrijker. Ik drukte hem weg omdat ik geen zin had in zijn gezeur. Ik heb hem die boom in gejaagd. Als ik had opgenomen, had hij stilgestaan. Dan was hij blijven leven.'
Ik zakte in elkaar tegen de keukenkastjes, met mijn rug tegen het hout, precies zoals een uur eerder op de steiger. Ik sloeg mijn armen om mijn hoofd en huilde zoals ik nog nooit in mijn volwassen leven had gehuild. Het was lelijk, luid en rauw. Zestien weken ingehouden gif kwam er in één keer uit.
Sanne aarzelde geen seconde. Ze ging niet praten. Ze zei niet dat het niet waar was, ze zei niet dat ik me niet schuldig moest voelen. Ze kwam gewoon op de koude keukenvloer zitten, trok mijn hoofd tegen haar borst en hield me vast. Ze liet me huilen tot mijn hele shirt nat was en ik geen adem meer overhad.
Toen ik wat rustiger werd, pakte ze heel voorzichtig mijn telefoon van het aanrecht. Ze ontgrendelde hem en gaf hem aan mij.
'Er staat een voicemail op,' fluisterde ik met schorre stem. 'Van die nacht. Ingesproken om vier over half twaalf. Ik heb er nog nooit naar durven luisteren.'
Sanne keek me aan. 'Zullen we het samen doen?'
Hoofdstuk 6
De geur van nat asfalt
We bleven op de vloer zitten. De koelkast sloeg aan met een zacht gebrom. Mijn hand deed pijn waar het verband zat, maar die pijn voelde tenminste echt en overzichtelijk aan.
Ik pakte de telefoon met trillende vingers aan. Mijn duim zweefde boven het icoontje van de voicemail. Ik was doodsbang voor wat ik zou horen. Zou hij schreeuwen? Zou hij wanhopig zijn? Zou hij zeggen: 'Dennis, help me alsjeblieft'? Als dat zo was, wist ik niet hoe ik de rest van mijn leven door moest komen.
Sanne legde haar hand over mijn pols. Haar vingers gaven een lichte, stevige druk. 'Doe maar,' zei ze zacht. 'Wat er ook op staat, het verandert niet wat er is gebeurd. Maar je moet stoppen met je eigen verhaal maken.'
Ik drukte op de luidspreker.
Eerst was er ruis. Het vertrouwde kraken van een carkit over een slechte verbinding. Het geluid van ruitenwissers die ritmisch over glas schraapten: *tsjik-tsjak, tsjik-tsjak*. En het geroezemoes van regen die op een autodak kletterde.
Toen kwam zijn stem.
'Hee Den,' zei Jeroen. Hij klonk niet dronken. Hij klonk ook niet in paniek. Hij klonk gewoon... moe. En een beetje lacherig.
'Je ligt zeker al te maffen, ouwe lul,' ging hij verder. Er klonk een korte zucht op de opname. 'Geef je geen ongelijk hoor. Luister, ik belde even over die verjaardag van ma voor zaterdag. Ik heb die barbecue geregeld via die gast van de sportschool. Vlees is top. Ik dacht, ik meld het even, dan hoef jij je daar geen zorgen over te maken. Enne... die radiator van mij drupt nog steeds, maar dat kijken we van het weekend wel even naar. Geen haast. Slaap lekker man. Spreek je morgen.'
Een klik. De verbinding werd verbroken. Een mechanische vrouwenstem zei: *'Einde van het bericht. Om dit bericht te wissen, toets negen.'*
Ik liet de telefoon op mijn schoot vallen. De stilte in de keuken was anders nu. De ruitenwissers op de opname leken nog na te echoën in mijn oren.
Geen noodkreet. Geen smeekbede om hem te komen halen. Geen paniek over gladde wegen of gladde banden. Gewoon Jeroen, die over een barbecue voor onze moeder praatte en een lekkende verwarmingsbuis.
'Dennis,' zei Sanne. Ze keek me recht aan, haar ogen vol tranen. 'Hij was niet bang. Hij had je niet nodig om hem te redden.'
'Maar hij belde wel,' bracht ik ertegenin, al voelde het verweer nu zwakker, alsof het zand onder mijn voeten begon weg te spoelen. 'Als ik had opgenomen, had hij twee minuten met me geluld. Dan had hij twee minuten later op die plek gereden. Dan was die boom er niet geweest, of hij was die plas voorbij geweest.'
'Of hij was twee minuten eerder afgeleid geraakt,' zei Sanne heel kalm en stellig. 'Of hij was tegen een andere auto gebotst omdat hij met één hand aan het stuur zat te bellen. Dennis, luister naar me. Je bent een monteur. Je denkt in oorzaak en gevolg. Als je aan een knop draait, gebeurt er iets. Maar het leven is geen cv-ketel. Je kunt het lot niet terugdraaien door een telefoontje.'
Ik boog mijn hoofd naar voren. Mijn voorhoofd rustte op mijn opgetrokken knieën. Het monster dat al die weken in mijn maag had gewoond, leek een klein stukje te krimpen. Niet veel, maar genoeg om weer lucht in mijn longen te krijgen.
Die middag stapte ik in mijn eigen auto. Sanne wilde mee, maar ik vroeg haar thuis te blijven. 'Ik moet dit alleen doen,' zei ik.
Ik reed naar de N261. Ik nam de afslag bij Waalwijk en reed de provinciale weg op. Het was grijs weer, net als die fatale avond, maar de weg was droog. Na een kilometer of vier zag ik de plek. Je kon het nog steeds zien aan de berm: diepe bandensporen die half waren dichtgegroeid met onkruid, en een grote berk waarvan de bast aan één kant helemaal was weggeslagen. Het hout eronder zag er wit en gehavend uit.
Ik zette de wagen op een vluchthaven honderd meter verderop en liep langs de vangrail terug. De auto’s raasden voorbij met tachtig, negentig kilometer per uur. De wind van het verkeer trok aan mijn jas.
Ik liep naar de berk toe. Aan de voet van de boom lagen een paar verweerde bloemen die vrienden er weken geleden hadden neergelegd. Een verregend kaartje, waarvan de inkt was weggespoeld.
Ik rook het asfalt, de natte aarde en de geur van dennenaalden uit het bosje ernaast. Ik raakte de boom aan met mijn gezonde hand. Het hout voelde ruw en koud aan. Hier was het gebeurd. In een fractie van een seconde.
'Ik had moeten opnemen, eikel,' zei ik hardop tegen de boom. 'Ik had gewoon moeten opnemen om je een ouwe lul terug te noemen.'
De wind blies door de takken boven me. Er kwam geen antwoord, maar voor het eerst sinds die nacht voelde de stilte niet meer aan als een beschuldiging. Het was gewoon stilte.
Hoofdstuk 7
Verder zonder pardon
Het is nu acht maanden later. De zomer is voorbij, de bladeren beginnen weer te verkleuren aan de bomen langs de Ringbaan in Tilburg. Ik werk weer gewoon. Volledige dagen. Niet meer met die blinde razernij van vroeger, maar met meer rust. Als een bout vastzit, spuit ik er kruipolie op en wacht ik tien minuten. Je kunt dingen niet forceren als het materiaal niet mee wil werken. Dat geldt voor staal, en dat geldt voor mensen.
Mijn schuldgevoel is niet verdwenen. Wie zegt dat rouw en schuld na een jaar slijten tot er niets meer van over is, vertelt sprookjes. Het zit er nog steeds. Als mijn telefoon 's avonds laat overgaat, voel ik nog altijd een reflex in mijn buik. Een korte, felle samentrekking. Mijn hand aarzelt altijd een halve seconde voor ik opneem.
Maar het schuldgevoel heeft een andere vorm gekregen. Het is niet meer die verstikkende brok beton die op mijn borst ligt en me het ademen belet. Het is meer geworden als een oud litteken, zoals dat op mijn hand van de steiger in Goirle. De huid is daar wit en een beetje stugger dan de rest. Als het koud wordt, trekt het een beetje. Je ziet het altijd zitten als je ernaar kijkt. Maar het bloedt niet meer.
Vorige week zaterdag was ik bij mijn moeder. Ze woont nog steeds in het ouderlijk huis. Het gras in de achtertuin stond te hoog en de schutting hing scheef. Jeroen deed dat soort klussen vroeger altijd voor haar. Hij nam een krat bier mee, zette de radio luid op piratenmuziek en deed er de hele zaterdag over. Hij praatte meer dan hij kluste, maar aan het eind van de dag stond de schutting weer overeind.
Ik had mijn gereedschapskist meegenomen. De oude, blauwe metalen kist. Bovenin lag de steeksleutel maat tien die ik uit zijn flat had meegenomen. Ik heb hem schoongemaakt met een staalborstel en ingevet tegen de roest.
Mijn moeder kwam naar buiten met twee mokken koffie. Zwart voor haar, met een scheut melk voor mij.
'Fijn dat je dit even doet, Dennis,' zei ze, terwijl ze op het tuinbankje ging zitten. Ze zag er nog steeds ouder uit dan voor het ongeluk, de groeven rond haar mond waren dieper geworden. Maar haar ogen stonden weer wat helderder.
'Kleine moeite, ma,' zei ik. Ik draaide de schroeven van het scharnier aan. 'Hij hangt weer recht. Gaat nog wel een paar jaar mee.'
Ze keek naar mijn handen terwijl ik bezig was. 'Jeroen had twee linkerhanden vergeleken met jou. Als hij een schroef erin draaide, zat hij altijd scheef.'
Ik moest glimlachen. Het was de eerste keer dat we om hem konden lachen zonder dat er meteen een krampachtige stilte viel. 'Dat kwam omdat hij geen geduld had. Hij pakte altijd de verkeerde bitjes op de boormachine.'
'Hij dacht altijd dat alles vanzelf wel goed kwam,' zei mijn moeder zacht.
'Ja,' zei ik. 'Dat dacht hij echt.'
Ik ruimde mijn spullen op, legde de steeksleutel terug in het vakje en klikte de metalen sluitingen van de kist dicht. De klik klonk vertrouwd en definitief.
Ik mis hem. Ik mis hem als ik op zondagmiddag naar het voetbal kijk en niemand me een flauwe app stuurt over de scheidsrechter. Ik mis hem als ik over de snelweg rijd en een oude roestige bestelbus zie die op de zijne lijkt. Ik mis zijn chaos in mijn overzichtelijke, strak georganiseerde wereld.
Het afscheid dat ik hem gaf, was een druk op een knop. Dat kan ik niet meer overdoen. Ik kan die dinsdagavond niet terughalen om alsnog op te nemen en te zeggen: 'Hee kerel, wat is er?' Die kans is voorbij. Dat is de rauwe waarheid waar ik mee moet leven. Geen troostend praatje kan dat wegnemen.
Maar ik weet nu ook dat die drie minuten over half twaalf niet zijn hele leven bepaalden. En ook niet onze band. Onze band zat in die steeksleutel, in de dertig jaar daarvoor, in de herinneringen die we deelden en in de barbecue die hij nog voor onze moeder had geregeld terwijl hij door de regen naar huis reed.
Ik stapte in mijn auto, zette de koffiebeker in de houder en startte de motor. Voor ik wegreed, keek ik even naar mijn telefoon op het dashboard. Geen gemiste oproepen. Gewoon de tijd: tien over vier.
Ik zette de radio aan. Bruce Springsteen zong over een stad vol verloren dromen. Ik schakelde door naar de tweede versnelling en reed de straat uit, de middag in.