Mantelzorg en ouder worden
Samen oud, alleen in de zorg
Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.
Hoofdstuk 1
De tegelvloer om vier uur 's nachts
Mijn naam is Henk van Dijk. Ik ben eenenzeventig jaar. Dertig jaar lang werkte ik als magazijnmeester bij een groothandel in bouwmaterialen in Alphen aan den Rijn. Zakken cement van vijfentwintig kilo tilde ik vroeger op één schouder alsof het pakken suiker waren. Mijn rug deed wel eens zeer, maar na een warme douche en een bord boerenkool ging het weer. Nu ben ik een oude man met versleten knieën en een vrouw die langzaam uit elkaar valt. Haar naam is Martha. Ze is negenenzestig.
Het begon niet met een klap, maar met een zachte dreun op het linoleum. Vannacht, om tien voor vier. Ik schrok wakker uit een droomloze, zware slaap. Direct wist ik hoe laat het was. Ik tastte naast me. De deken lag teruggeslagen. Haar kant van het tweepersoonsbed was al koud.
'Martha?' riep ik schor. Mijn stem klonk als een schuurpapiertje.
Er kwam geen antwoord, alleen een raspende ademhaling vanuit de gang. Ik gooide mijn benen over de rand van het bed. Mijn linkerknie kraakte zo hard dat het pijn deed in mijn kaken. Ik stapte in mijn pantoffels en schuifelde de overloop op. Het nachtlampje wierp een geel, smerig schijnsel over de trapleuning. Daar lag ze. Half in de deuropening van de badkamer, met haar nachthemd om haar heupen gestroopt. Haar dunne, blauwgevlekte benen lagen in een vreemde hoek.
'Henk,' fluisterde ze. Meer een zucht dan een woord.
Ik knielde bij haar neer. Mijn gewrichten protesteerden direct tegen het koude steen. Ze had geprobeerd naar het toilet te lopen zonder haar rollator te pakken. Dat deed ze de laatste tijd vaker, uit een soort koppigheid die ik vroeger bewonderde, maar die me nu tot wanhoop drijft. Ze dacht nog steeds dat haar benen deden wat haar hoofd wilde. Maar haar hoofd heeft vasculaire dementie en haar benen zijn aangetast door een lichte beroerte van drie jaar geleden.
'Waarom heb je me niet geroepen, Martha?' vroeg ik. Ik probeerde mijn stem rustig te houden, maar er zat een scherpe rand aan. Een rand van pure vermoeidheid waar ik me meteen voor schaamde.
'Ik wilde je niet wakker maken,' zei ze zacht tegen de plint. 'Je slaapt zo slecht.'
'En nu lig je hier op de tocht,' bromde ik. Ik schoof mijn armen onder haar oksels. Vroeger woog Martha een pondje meer, nu was ze mager, maar een menselijk lichaam zonder eigen kracht weegt lood. Ik zette mijn voeten klem tegen het kozijn. 'Eén, twee, hup.'
Een scheurende pijnscheut trok vanuit mijn onderrug omhoog naar mijn schouderbladen. Ik beet op mijn kiezen tot ik bloed proefde aan de binnenkant van mijn wang. Mijn adem gierde in mijn keel. Martha kreunde van de pijn in haar heup. Terwijl ik haar overeind hees, voelde ik de warmte van urine door haar dunne katoenen nachthemd trekken, zo tegen mijn schone pyjamabroek aan. Ze had het niet meer op kunnen houden.
Ik liet haar op de wc-bril zakken. Ze boog haar hoofd. Haar witte haar, dat altijd zo netjes door de kapper werd gewassen, hing in slierten voor haar gezicht. Ze huilde zonder geluid. Alleen haar schouders schudden zachtjes op en neer.
'Het geeft niet,' loog ik terwijl ik naar adem hapte. Mijn hart bonsde in mijn keel alsof ik een sprint had getrokken. 'Het geeft helemaal niks, Martha. We maken het gewoon schoon.'
Ik pakte een washandje, draaide de warme kraan open en begon haar te wassen. Ze verzette zich niet. Ze liet het gebeuren als een kind van drie. Dat vond ik nog het ergste van alles: niet de stank, niet de koude gang, niet mijn kapotte rug, maar de volkomen overgave in haar ogen. Dertig jaar geleden stonden we samen te dansen op de bruiloft van onze dochter. Ze droeg een rode jurk en lachte zo hard dat haar oorbellen rinkelden. Nu zat ze hier, naakt vanaf haar middel, rillend op een plastic bril, terwijl ik de ontlasting van haar dijen veegde.
Toen ze een schoon nachthemd aan had en weer in bed lag, keek ik op de wekker. Het was kwart voor vijf. Over twee uur zou de wekker gaan voor haar ochtendmedicatie. Slapen had geen zin meer. Ik ging naar beneden, zette de waterkoker aan en bleef in het donker aan de keukentafel zitten. Mijn handen trilden op het tafelzeil. Ik keek naar buiten, naar de straatlantaarn die weerkaatste in de natte herfstbladeren op de stoep. De straat was leeg en doodstil. Iedereen in onze wijk sliep. Alleen ik zat hier, met een zere rug en een klamme pyjama, en ik wist niet hoe ik de dag door moest komen.
Hoofdstuk 2
Het schema op de koelkast
Op de deur van onze witte koelkast hangt een A4’tje in een plastic hoesje. Het is vastgezet met vier sterke magneten. Ik heb het zelf gemaakt op de oude computer boven, met dikke zwarte lijnen en duidelijke blokletters. Tijd, medicijn, handeling.
07.30 uur: Twee tabletten bloeddrukverlagers, één capsule voor het geheugen, boterham met jam (korstjes afsnijden), kop thee met twee zoetjes. 10.30 uur: Eén glas water, controleren of ze naar het toilet moet, benen insmeren tegen de jeuk. 13.00 uur: Twee bruine boterhammen met smeerkaas, paracetamol voor de knieën, wandeling naar de erker. 16.00 uur: Half uurtje rusten op de bank, kop bouillon, bloedsuiker prikken. 18.00 uur: Warm eten (alles klein snijden), vezelzakje door de vla. 21.30 uur: Nachtluier omdoen, slaapmedicatie, tandenpoetsen, transfer naar bed.
Dat papiertje regeert mijn leven. Als ik er één ding van oversla, stort de hele dag in elkaar. Als ze haar vezels niet krijgt, raakt ze verstopt en schreeuwt ze van de buikpijn. Als ik haar pillen te laat geef, wordt ze onrustig en gaat ze dwalen.
Het was dinsdagochtend, negen uur. De bel ging. Het was Annet, onze overbuurvrouw. Ze stond op de stoep met een plastic bakje zelfgemaakte appeltaart.
'Goeiemorgen Henk,' zei ze met een vriendelijke lach. Ze keek steels over mijn schouder de gang in. 'Ik dacht, ik breng even wat lekkers. Hoe is het ermee? Red je het een beetje met d'r?'
'Het gaat z'n gangetje, Annet,' zei ik. Het antwoord rolde automatisch uit mijn mond. Het is het antwoord dat ik iedereen geef: de bakker, de buurman, de neven op verjaardagen waar ik allang niet meer kom. 'We mogen niet klagen. Ze heeft redelijk geslapen.'
'Nou, wat ben je toch een fantastische man,' zei ze, en ze legde even een warme hand op mijn onderarm. 'Echt een mantelzorger uit duizenden. Menig vrouw zou willen dat haar man zo voor d'r zorgde.'
Ik voelde een plotselinge, hete woede opkomen in mijn maag. Mantelzorger. Ik haat dat woord. Het klinkt alsof ik een warme mantel om haar schouders leg en we samen genoeglijk naar de open haard kijken. Ze zien niet dat ik haar nagels moet knippen terwijl ze naar me uithaalt omdat ze denkt dat ik haar pijn wil doen. Ze zien niet dat de wasmand uitpuilt van de bevuilde lakens. Ze zien alleen een oudere heer die nog trouw achter de rolstoel loopt.
'Bedankt voor de taart,' zei ik kortaf. 'Ik moet weer naar binnen, haar thee wordt koud.'
Ik deed de deur dicht voordat ze nog iets kon zeggen. Ik zette het bakje op het aanrecht. Ik had geen trek in taart. Ik had nergens trek in. Mijn maag voelde al weken aan als een harde knoop.
Om half elf ging de vaste telefoon. Het was onze dochter Sandra uit Groningen. Ze belde elke dinsdag vanuit haar lease-auto, op weg naar een klant.
'Hoi pap, hoe is het daar?' Haar stem klonk snel en zakelijk, overstemd door het geruis van de snelweg.
'Goed hoor meid,' zei ik, terwijl ik met een theedoek over het aanrecht veegde. 'We redden het wel.'
'Eet mama een beetje?'
'Vanmorgen een hele snee brood op. Geen probleem.'
'Mooi zo. Luister pap, Mark en ik kunnen dit weekend niet langskomen. Lucas heeft een hockeytoernooi en Sophie moet naar vioolles. We komen de week erna, goed? Geef mama een dikke kus van me.'
'Doe ik, kind. Veel succes bij de klant.'
Ik hing op. De klik van de hoorn op de haak klonk luid in de stille gang. Ik had kunnen zeggen: *Sandra, kom alsjeblieft. Ik trek het niet meer. Ik heb vannacht niet geslapen en mijn rug is kapot.* Maar wat schiet ik ermee op? Ze heeft een drukke baan, twee opgroeiende kinderen en een man die ook altijd werkt. Ze woont op tweeënhalf uur rijden. Als ze komt, blijft ze twee uur, drinkt ze een kop koffie, kijkt ze bezorgd naar haar moeder en vraagt ze of we niet eens 'een indicatie moeten aanvragen'. Daarna stapt ze weer in haar auto en zit ik weer alleen met de afwas en de medicijnen.
In de woonkamer zat Martha in haar stoel. Ze staarde naar het raam. Er kwam een merel op de vensterbank zitten. Vroeger wees ze me altijd op de vogels in de tuin. 'Kijk Henk, een roodborstje. Haal eens wat zaad.' Nu bewoog haar hoofd niet eens. Haar ogen waren leeg en dof. Ze leek op een standbeeld dat langzaam verweerde in de regen. Ik ging naast haar zitten en pakte haar hand. Haar huid voelde koud en droog als papier. Ze kneep niet terug.
Hoofdstuk 3
De supermarkt en de paniek
De geur van het huis begon me te benauwen. Het rook er naar oude mensen, naar biotex, naar urine die ondanks al het schrobben in de kieren van het parket leek te trekken, en naar de weeïge geur van bloemkool die we drie dagen geleden hadden gegeten. Ik moest eruit. Al was het maar voor twintig minuten.
De koelkast was leeg. We hadden melk nodig, zachte bolletjes voor Martha en incontinentiemateriaal. De voorraad Tena-broekjes die door de verzekering werd geleverd, was op en de nieuwe doos kwam pas donderdag.
'Martha,' zei ik luid en duidelijk, recht voor haar gezicht. 'Ik ga even naar de supermarkt. Naar de Albert Heijn op het plein. Ik ben over twintig minuten terug.'
Ze knipperde met haar ogen. 'Moet je werken?' vroeg ze zacht.
Ik zuchtte onwillekeurig. 'Nee schat, ik werk al tien jaar niet meer. Ik ga boodschappen doen. Blijf jij rustig in je stoel zitten? Niet opstaan hè. Beloof me dat.'
'Nee, ik blijf zitten,' zei ze gehoorzaam. Haar handen lagen netjes gevouwen in haar schoot.
Ik zette de afstandsbediening van de televisie binnen handbereik op tafel, schoof haar looprek demonstratief net buiten haar bereik zodat ze niet in de verleiding zou komen om te gaan lopen, en sloot de tussendeur naar de gang. Ik draaide de voordeur achter me op slot. Het geluid van de sleutel in het slot gaf me een misselijk gevoel. Ik sloot mijn eigen vrouw op in haar eigen huis. Alsof ze een misdadiger was. Maar als ze naar buiten glipte in haar pantoffels, vond ik haar terug op de bodem van de sloot aan het einde van de straat.
Buiten scheen een waterig najaarszonnetje. De frisse lucht sneed in mijn longen. Even voelde ik mijn schouders zakken. Twee straten verderop liepen mensen die geen zorgen leken te hebben. Een jonge moeder duwde een kinderwagen voort en keek op haar telefoon. Een bouwvakker at een broodje bal op de rand van zijn busje. Ik voelde een enorme jaloezie. Niemand van hen wist wat er zich achter mijn voordeur afspeelde. Voor hen was ik gewoon een oude man in een beige jas die langzaam naar de winkel liep.
In de supermarkt pakte ik een mandje. Melk. Witbrood. Bananen. Ik liep met gehaaste pas door de gangpaden. Mijn blik schoot voortdurend naar mijn polshorloge. Tien over twee. Kwart over twee. Ik moest opschieten. Bij het schap met de verzorgingsproducten greep ik twee grote pakken verband. Ik schaamde me nog steeds om die dingen op de band te leggen, al kende de caissière me al jaren.
Toen ik bij de kassa stond, begon het. Een plotselinge, ijskoude knoop in mijn maag. Wat als ze probeerde op te staan om water te pakken? Wat als ze voorover over het tafeltje viel en haar hoofd stootte tegen de stenen schouw? Ze lag er dan alleen. Bloedend op het kleed. Ze kon niet bij de telefoon. Niemand zou haar horen.
'Dat is dan achttien euro vijftig, meneer Van Dijk,' zei het meisje achter de kassa vriendelijk.
Ik tastte in mijn jaszak. Mijn vingers vonden alleen een zakdoek en een pepermuntje. Mijn portemonnee. Ik was mijn portemonnee vergeten. Hij lag nog op het dressoir in de gang, naast de sleutelbos die ik niet had meegenomen omdat ik de reservesleutel had gepakt.
'Ik... ik heb mijn geld niet bij me,' stamelde ik. Het bloed trok weg uit mijn gezicht. Mijn handen begonnen hevig te beven.
De mensen in de rij achter me zwegen. Ik voelde hun ogen in mijn rug prikken. Een man met een aktetas zuchtte hoorbaar en keek op zijn horloge.
'Geeft niks hoor meneer,' zei het meisje geduldig. 'Zet ik het even aan de kant, dan haalt u het straks op.'
'Nee, u begrijpt het niet,' zei ik, en mijn stem sloeg over. 'Mijn vrouw is alleen thuis. Ze kan vallen. Ze kan niet alleen zijn.'
Ik liet de tassen en het mandje staan. Ik draaide me om en liep de winkel uit. Niet snel, want rennen konden mijn knieën niet meer aan, maar met grote, ongecoördineerde passen. Mijn hart bonkte tegen mijn ribben als een gevangen vogel. Ik kreeg te weinig lucht. De twee straten terug naar ons huis leken kilometers lang.
Toen ik de hoek van onze straat om sloeg, zag ik de voordeur. Die zat gelukkig nog dicht. Geen zwaailichten. Geen buren die zich verzamelden. Ik stak de sleutel met trillende hand in het slot. Het slot weigerde eerst, pas bij de derde poging draaide de sleutel om.
'Martha!' schreeuwde ik door de gang terwijl ik de deur achter me dichtsloeg.
Ik rukte de huiskamerdeur open. Ze zat nog precies zoals ik haar had achtergelaten. Haar handen in haar schoot. De televisie stond nog aan op hetzelfde programma over natuurparken in Canada.
Ze keek langzaam op. 'Ben je daar alweer, Henk? Was het druk op de zaak?'
Ik zakte op mijn knieën op het tapijt voor haar stoel. Mijn hele lichaam trilde. Ik begroef mijn gezicht in haar versleten rok en begon te snikken. Het was een lelijk, verstikkend geluid. Martha legde aarzelend haar hand op mijn kalende kruin. Ze streek over mijn haren, heel zachtjes. Ze begreep er niets van. En ik wist op dat moment dat ik dit niet nog een jaar vol zou houden.
Hoofdstuk 4
De grens die schoof
Als je iemand langzaam ziet afglijden, verschuiven je grenzen zonder dat je het doorhebt. Dingen die je vroeger onvoorstelbaar vond, worden binnen een paar maanden het nieuwe normaal.
Twee jaar geleden zei ik nog tegen mezelf: 'Zolang ze nog weet wie ik ben, hou ik haar thuis.' Toen ze mijn naam begon te vergeten en me soms aanzag voor haar vader of voor haar vroegere buurman Geert, schoof de grens op: 'Zolang ze zichzelf nog maar een beetje kan wassen en aankleden.' Toen ze het washandje in haar mond stopte in plaats van over haar gezicht te wrijven, zei ik: 'Zolang ze maar zindelijk blijft overdag.' En toen ze dat niet meer was, zei ik: 'Zolang we samen nog maar kunnen lachen.'
Nu lachten we nooit meer. Er viel niets te lachen. Het leven was een aaneenschakeling geworden van fysieke arbeid, alert zijn en wachten op het volgende incident.
Het was donderdagmiddag. De wijkverpleegkundige zou tussen één en twee komen om haar te douchen. Dat deden ze twee keer per week. Die twee uurtjes in de week waren mijn enige houvast. Dan kon ik de was doen, de administratie bijwerken of gewoon even twintig minuten doelloos op een stoel op zolder zitten zonder dat ik op elk geluidje hoefde te letten.
Om kwart over twee was er nog niemand. Om half drie belde ik de centrale.
'Met Henk van Dijk. Ik wacht op de zorg voor mijn vrouw Martha.'
'Ogenblikje meneer Van Dijk, ik kijk even in de planning... Ah, ja. Ik zie het al. Er is een zieke collega uitgevallen en we hebben te maken met extreme onderbezetting. De route is omgegooid. De collega redt het vanmiddag helaas niet meer. We kunnen morgenochtend rond negen uur iemand sturen.'
'Morgenochtend?' Mijn stem klonk schel. 'Ze zit al de hele ochtend in haar badjas te wachten. Ze heeft gisteren in bed een ongelukje gehad, ze moet écht onder de douche. Ik kan haar niet alleen in die cabine tillen, mevrouw. Mijn rug ligt in puin.'
'Ik begrijp dat het vervelend is, meneer. Maar ik kan geen personeel toveren. Als het echt niet gaat, moet u haar maar even met een washandje aan de wastafel opfrissen.'
'Vervelend?' herhaalde ik. 'U noemt dit vervelend?'
De verbinding werd verbroken. Ze had gewoon opgehangen. Waarschijnlijk had ze nog twintig van dit soort telefoontjes te plegen.
Ik smeet de hoorn op de haak. De plastic behuizing van de telefoon barstte. Ik keek naar de barst. Ik voelde me net zo kapot als dat apparaat.
'Moet ik naar bed?' vroeg Martha vanuit de gang. Ze stond wankel tegen het dressoir geleund. Ze had haar badjas opengeknoopt. Haar hemd hing scheef.
'Nee Martha, niet naar bed,' snauwde ik. 'We gaan je douchen. Ik doe het zelf wel weer. Zoals ik altijd alles zelf moet doen.'
Ik greep haar bij de arm. Iets te hard. Ik voelde haar botjes onder mijn vingers. Ze trok een pijnlijk gezicht en deinsde achteruit.
'Niet doen papa, je doet me zeer,' zei ze met een piepstem.
Die woorden sloegen in als een mokerslag. *Papa.* Ze zag me niet eens meer als haar man. Ik was haar strenge vader geworden, een autoriteit voor wie ze bang was. Ik liet haar arm direct los alsof ik me had gebrand. Ik deed een stap terug en leunde tegen de muur.
'Sorry,' fluisterde ik. Mijn ademhaling ging snel en oppervlakkig. 'Het spijt me zo, Martha. Het spijt me.'
Ik keek naar mijn eigen handen. Eeltige, grove handen. Handen die haar vroeger streelden, die haar hand vasthielden toen onze kinderen werden geboren, die een huis voor ons hadden verbouwd. Nu waren het de handen van een vermoeide, verbitterde cipier geworden. Ik herkende mezelf niet meer. Waar was de rustige Henk gebleven? De man die nooit kwaad werd, die altijd een grapje maakte als het tegenzat? Hij was verdwenen, langzaam gewurgd door de slapeloze nachten, de pijn in zijn rug en de constante, drukkende eenzaamheid.
We gingen samen naar de badkamer. Ik deed het heel voorzichtig. Ik hielp haar uit haar kleren. Ik zette haar op het plastic krukje onder de douchekop. Ik stelde het water precies op de juiste temperatuur af. Terwijl de straal over haar dunne rug liep, waste ik haar haren met babyshampoo. Heel teder, om het goed te maken. Maar vanbinnen voelde ik niets meer. Alleen maar een holle, grijze leegte. De liefde was niet weg, maar ze was begraven onder een dikke laag vermoeidheid. Ik hield van haar, maar ik wilde dat het ophield. En die gedachte maakte me banger dan de dood.
Hoofdstuk 5
De nacht dat ik bleef liggen
Het dieptepunt kwam op een donderdag in november. Het regende al dagen onafgebroken. Het water kletterde tegen de ruiten van de slaapkamer alsof er grind tegenaan werd gegooid.
Het gebeurde om drie uur 's nachts. Weer die doffe klap. Deze keer harder dan anders, gevolgd door het geluid van brekend glas. Ze had het nachtkastje meegenomen in haar val, inclusief het waterglas en haar leesbril.
Ik werd wakker. Mijn ogen waren direct wijd open. Maar in plaats van overeind te schieten, in plaats van mijn voeten over de bedrand te gooien zoals ik al honderden nachten had gedaan, gebeurde er iets anders. Ik bleef liggen.
Ik bewoog geen spier.
Mijn gezicht lag in het kussen. Ik staarde naar de donkere vouw van het laken. Naast het bed, op de vloer, klonk een zacht, reutelend gekreun. Martha probeerde zich op te drukken. Ik hoorde haar nagels over het laminaat schrapen, op zoek naar houvast die er niet was. Ze kon niet overeind komen. Dat wist ik. Zonder mijn hulp zou ze daar uren blijven liggen.
En toch bewoog ik niet.
Er ging een duistere, giftige gedachte door mijn hoofd. Een gedachte die zo zwart was dat het voelde alsof mijn bloed plotseling bevroor: *Als ik nu gewoon blijf liggen. Als ik mijn ogen dichtdoe en doe alsof ik slaap. Als ik haar niet help. Dan stopt het misschien. Dan belt de wijkverpleging morgenochtend om negen uur de ambulance. Dan nemen ze haar mee. Dan is het voorbij.* Ik wilde dat het voorbij was. Niet omdat ik haar dood wilde hebben, maar omdat ik niet meer kon leven zoals wij leefden. Ik kon die last niet meer dragen. Mijn knieën waren op, mijn rug was stuk, mijn geest was gebroken.
Ik bleef vijf minuten liggen. Vijf minuten die voelden als een eeuwigheid. De klok op het dressoir tikte: *tik, tak, tik, tak.* Beneden ruiste de regen. Naast me kermde mijn vrouw van de pijn en de angst.
'Henk?' riep ze. Het was geen boze vraag. Het was het bange piepen van een dier dat vastzit in een klem. 'Henk, help me alsjeblieft. Het doet zo'n zeer.'
Op dat moment brak er iets in mijn borstkas. De zwarte waas trok weg en maakte plaats voor een misselijkmakende golf van zelfhaat. Wat was ik voor een monster geworden? Dit was Martha. Het meisje van negentien met wie ik door de duinen fietste. De vrouw die mijn sokken stopte, die drie nachten aan mijn bed zat toen ik een blindedarmontsteking had, die me kuste als ik thuiskwam uit het magazijn. En ik liet haar liggen op een ijskoude vloer tussen glasscherven omdat ik te moe was om op te staan.
Ik rolde uit bed. Mijn hele lijf deed zeer, maar ik voelde het niet eens. Ik knipte het grote licht aan. De felle tl-buis verblindde me even.
Martha lag op haar zij tussen de scherven van het waterglas. Er liep een dun straaltje bloed over haar voorhoofd waar ze de rand van het kastje had geraakt. Ze had haar knieën opgetrokken. Ze was doorweekt van haar eigen urine, vermengd met het omgevallen water van het nachtkastje.
'Ik ben hier,' zei ik, en mijn stem brak finaal doormidden. 'Ik ben hier, Martha.'
Ik schoof de glasscherven met mijn blote voet opzij, zonder erom te geven of ik mezelf sneed. Ik ging plat op de natte vloer naast haar liggen. Ik tilde haar niet op. Ik had de kracht niet meer. In plaats daarvan sloeg ik mijn armen om haar heen en trok haar hoofd tegen mijn borst. De geur van urine en klam zweet drong mijn neus binnen, maar het kon me niet meer schelen.
'Het spijt me,' snikte ik luidkeels tegen haar voorhoofd. 'Het spijt me zo. Vergeef me alsjeblieft.'
Ze begreep niet waarom ik sorry zei. Ze voelde alleen de warmte van mijn lichaam. Haar beven werd langzaam minder. Ze legde haar hand met de blauwe aderen op mijn wang. Haar vingers waren ijskoud.
'Je hoeft niet te huilen, Henk,' zei ze heel helder. Voor het eerst in maanden leek er even een lampje aan te gaan in haar hoofd. Ze keek me recht aan. 'Je hebt zo je best gedaan.'
Die woorden maakten het alleen maar erger. Ze troostte míj, terwijl zij degene was die op de grond lag te bloeden. We bleven daar samen op het natte laminaat liggen tot het buiten grijs begon te worden. Ik wist dat dit de laatste nacht was dat we samen in dit huis sliepen als man en vrouw. De rek was eruit. Als ik nu niet ingreep, zou ik haar kapotmaken, of zij mij. Of allebei.
Hoofdstuk 6
De keukentafel met de casemanager
Om half negen 's ochtends belde ik de huisarts. Ik sprak niet met de assistente zoals gewoonlijk. Ik zei alleen: 'Dokter Visser moet nu komen. Het gaat niet meer.' Iets in mijn stem zorgde ervoor dat ze niet doorvroeg.
Om tien uur zat dokter Visser aan onze keukentafel, samen met Anika, een casemanager dementie die ik al een jaar buiten de deur had weten te houden met smoesjes dat we het zelf wel afkonden. Martha zat op de bank in de woonkamer. De wond op haar voorhoofd was schoongemaakt en afgeplakt met een grote witte pleister. Ze sliep, uitgeput door de nacht.
Dokter Visser schoof zijn koffiekopje opzij. Hij keek me strak aan over de rand van zijn bril. Hij was een man van mijn eigen leeftijd. Hij kende ons al dertig jaar.
'Henk,' zei hij zacht. 'Kijk me eens aan.'
Ik keek hem aan. Mijn ogen waren rooddoorlopen en dik van het huilen. Mijn wangen waren ongeschoren en grauw.
'Hoeveel weeg je nu?' vroeg hij.
'Weet ik veel,' bromde ik. 'Zeventig kilo?'
'Zesenzestig,' zei hij. 'Ik heb je dossier gezien. Je bent in een half jaar tijd acht kilo afgevallen. Je bloeddruk is torenhoog. Je hebt een beginnende hernia, dat zie ik aan hoe je loopt. Als jij nu door je hoeven gaat, Henk, wie zorgt er dan voor haar?'
Ik gaf geen antwoord. Ik staarde naar het bloemetjespatroon op het tafelzeil. Anika, de casemanager, legde een map voor zich neer. Ze had een vriendelijk gezicht, maar haar blik was zakelijk en vastberaden.
'Meneer Van Dijk, u heeft de grens al lang overschreden,' zei ze. 'Wat u doet is geen mantelzorg meer. Dit is een professionele verpleegtaak voor drie ploegen per dag. U probeert in uw eentje een instelling te zijn. Dat kán een mens niet opbrengen. Zeker niet op uw leeftijd.'
'Ik heb haar beloofd dat ze thuis mocht blijven,' zei ik, en mijn keel kneep dicht. 'Toen ze de diagnose kreeg. Zaten we hier aan dezelfde tafel. Ik zei: Martha, zolang ik leef, zorg ik voor je. Je gaat niet naar zo'n tehuis.'
'Die belofte deed u aan een andere vrouw, in een andere tijd,' zei dokter Visser resoluut. 'En u houdt haar niet in leven door zelf ten onder te gaan. Als je haar hier houdt, valt ze straks van de trap en breekt ze haar heup. Of u krijgt een hartinfarct terwijl u haar optilt en ze ligt drie dagen alleen in de gang. Is dat wat u haar beloofd heeft?'
Zijn woorden waren hard, maar ze sneden door de mist in mijn hoofd. Hij had gelijk. Ik deed dit niet meer voor háár. Ik deed het voor mijn eigen trots. Omdat ik niet wilde toegeven dat ik had gefaald. Omdat ik bang was voor het oordeel van de buitenwereld, voor het lege huis, voor het schuldgevoel.
'Er is een plek vrijgekomen,' zei Anika voorzichtig. 'In De Weidehoek. De gesloten afdeling voor mensen met gevorderde dementie. Het is kleinschalig. Acht bewoners per huiskamer. Eigen sanitair, dagbesteding, dag en nacht professionele zorg aanwezig. Het is vier kilometer hiervandaan.'
'Een gesloten afdeling,' herhaalde ik. Het woord smaakte naar as. 'Achter een cijferslot.'
'Omdat ze beschermd moet worden tegen zichzelf, meneer Van Dijk. Ze weet de weg niet meer. Vorige week vonden de buren haar al in de voortuin op haar sokken.'
Ik kneep mijn ogen dicht. Mijn vingers krampten samen tot vuisten. Het voelde alsof ik een doodvonnis moest ondertekenen. Mijn hele leven lang had ik geleerd dat je je plicht deed. Je werkte voor je geld, je klaagde niet over pijntjes, je bleef bij je vrouw in voor- en tegenspoed. Dit voelde als desertie. Alsof ik de wachtpost verliet terwijl de vijand naderde.
'Wanneer?' vroeg ik nauwelijks hoorbaar.
'Maandag,' zei Anika. 'Ze kunnen haar maandagochtend verwelkomen. Ik regel het vervoer en de indicatiestelling met het CIZ. U hoeft alleen maar haar kleren in te pakken en haar toiletspullen.'
'Haar kleren inpakken,' zei ik wezenloos.
Dokter Visser stond op en legde een zware hand op mijn schouder. 'Het is goed zo, Henk. Je hebt gestreden als een leeuw. Maar de strijd is voorbij. Nu moet je weer haar man worden, in plaats van haar verzorger.'
Ik knikte, maar vanbinnen voelde ik me leger dan ooit tevoren. Toen ze weg waren, liep ik naar de woonkamer. Martha sliep nog steeds op de bank. Haar mond stond een stukje open. Ik ging op de rand van de salontafel zitten en keek naar haar. Mijn hart scheurde in tweeën, maar voor het eerst in drie jaar voelde ik ook iets anders: een heel klein, schuldig vonkje verlichting. Ik hoefde haar maandagnacht niet meer op te tillen.
Hoofdstuk 7
Twee kamers, één leven
Het is nu drie maanden later. Het is februari. De vorst zit in de grond en de sloten langs de polder liggen dicht met een dun, grijs laagje ijs.
Mijn wekker gaat om half acht. Ik word wakker in een tweepersoonsbed dat veel te groot is geworden. De rechterkant is keurig opgemaakt, het dekbed strak ingestopt zoals in een hotel. Niemand heeft er in drie maanden onder geslapen. Mijn rug doet nog steeds pijn, maar de scherpe, scheurende steken zijn weg. Ik slaap weer zes uur achter elkaar. Zonder te luisteren naar gestommel. Zonder te schrikken van elk kraakje van het hout.
Het huis is schoon. Geen Biotex meer, geen schalen met pillen op het aanrecht. Het ruikt er naar filterkoffie en naar de boenwas die ik vorige week op de vloer heb gesmeerd. De rust is oorverdovend. Soms zet ik de radio maar aan op Radio 5, gewoon om een menselijke stem te horen terwijl ik mijn boterham met kaas eet.
Om kwart voor twee stap ik op mijn elektrische fiets. Ik heb fietstassen gekocht waar precies een trommeltje met zandkoekjes in past. Ik rijd de vier kilometer naar De Weidehoek door de koude wind. Mijn knieën doen het goed als ik trap.
Bij de ingang toets ik de viercijferige code in: 4-2-0-8. Het hek klikt van het slot. De geur in de gang van De Weidehoek is anders dan thuis. Het ruikt er professioneel schoon, vermengd met de geur van warme maaltijden die om twaalf uur al zijn geserveerd. Verpleegkundigen in blauwe tunieken groeten me bij mijn voornaam.
'Middag Henk. Ze zit in de binnentuin, bij het raam.'
Ik loop naar de gezamenlijke woonkamer. Er zitten zes ouderen aan een lange tafel. Een vrouw met grijs kroeshaar vouwt eindeloos theedoeken op. Een man staart voor zich uit en mompelt tegen zijn eigen pantoffels. En daar, in de hoek bij de verwarming, zit Martha.
Ze ziet er goed uit. Ze draagt een schone, blauwe blouse die ik nog niet kende; waarschijnlijk gekocht door Sandra toen ze vorige maand op bezoek kwam. Haar haren zijn gewassen en netjes gekamd door de verzorging. Ze heeft geen pleister meer op haar hoofd, alleen een klein wit littekentje bij haar wenkbrauw.
'Dag Martha,' zeg ik terwijl ik naast haar ga zitten.
Ze draait haar hoofd langzaam naar me toe. Het duurt even voordat haar blik scherpstelt. Er gaat een rimpeling van herkenning over haar gezicht, maar het is niet meer de blik van vroeger. Het is de blik waarmee je een vage kennis begroet die je al een tijdje niet hebt gezien.
'Henk,' zegt ze. Ze glimlacht flauwtjes. 'Heb je koekjes meegebracht?'
'Natuurlijk heb ik koekjes meegebracht. Zandkoekjes van de bakker.'
Ik haal het trommeltje tevoorschijn en geef haar er een. Ze pakt het met beide handen aan en neemt een klein hapje. Ze kruimelt op haar schoot, maar ik veeg het niet direct weg. Een jonge verzorgster komt voorbij met een kan thee en schenkt twee plastic bekertjes vol.
'Fijn dat u er bent, meneer Van Dijk,' zegt het meisje met een oprechte glimlach. 'Ze was vanmorgen een beetje onrustig, maar ze fleurt altijd op als u komt.'
Ik knik en bedank haar. Ik pak Martha's vrije hand. Die voelt warm aan. Haar nagels zijn netjes geknipt en gelakt met blanke lak. Iemand anders heeft dat gedaan. Vreemde handen hebben haar gewassen vanochtend. Vreemde handen hebben haar broek omhoog gehesen en haar luier verschoond.
Soms vreet dat nog aan me. Het gevoel dat ik mijn taak heb uitbesteed. Dat ik heb opgegeven. Als de buren in de straat vragen hoe het met Martha is, zeg ik nog steeds: 'Ze zit op haar plek.' Dat klinkt zo netjes en opgeruimd. Alsof ze een vaas is die je op de juiste plank in de kast hebt gezet.
We zitten een uur samen bij het raam. We praten nauwelijks. Ze vertelt me dat haar moeder vanmorgen langs is geweest – haar moeder die al dertig jaar dood is. Vroeger zou ik haar hebben gecorrigeerd. Ik zou hebben gezegd: 'Nee Martha, je moeder leeft allang niet meer, denk toch na.' Nu knik ik alleen maar. 'Wat gezellig,' zeg ik. 'Was ze vrolijk?'
'Ja,' zegt Martha, terwijl ze naar buiten kijkt waar een paar mussen ruziën om een korst brood. 'Ze had appeltaart mee.'
Om vier uur wordt ze moe. Haar oogleden worden zwaar. Ze zakt een beetje scheef in haar stoel. De verzorging begint de tafel te dekken voor de vroege broodmaaltijd.
'Ik ga weer eens naar huis, Martha,' zeg ik zacht.
Ze kijkt me aan. 'Ga je al naar huis?'
'Ja. Het wordt donker. Ik moet op de fiets.'
Ik buig me voorover en geef haar een kus op haar voorhoofd. Ze ruikt naar zeep die ik niet ken. Maar haar huid voelt nog steeds als mijn Martha. Ik loop naar de uitgang van de afdeling, toets opnieuw de code 4-2-0-8 in en hoor de zoemer gaan.
Buiten stap ik op mijn fiets. De koude vrieslucht slaat op mijn wangen. Het is eenzaam op de weg terug naar het lege rijtjeshuis. De stilte zal me straks weer tegemoet komen als ik de voordeur openmaak. Maar als ik naar mijn handen op het stuur kijk, zie ik dat ze niet meer trillen. Mijn rug doet geen pijn meer. Ik heb haar niet kunnen redden van haar ziekte. Niemand kan dat. Maar ik heb wel voorkomen dat we samen verdronken. We zijn oud geworden, allebei op onze eigen manier, gescheiden door een cijfercode van vier getallen. Het is geen sprookje, maar het is het enige leven dat we nog hebben.