Verlies en rouw
Rouwen zonder afscheid
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
De laatste woorden
Mijn naam is Thomas van Dijk. Ik ben achtendertig jaar en ik woon in Gouda. Ik werk als transportplanner bij een distributiecentrum net buiten de stad. Mijn werk bestaat uit cijfers, routes en tijden. Alles moet kloppen. Als een vrachtwagen tien minuten te laat vertrekt, schuift de hele planning op. Ik hou van die voorspelbaarheid. Op een scherm is een probleem altijd op te lossen. Je zoekt een andere route, je belt een chauffeur en het is geregeld.
Maar het echte leven werkt niet met een scherm. Dat weet ik nu.
Het begon allemaal op een dinsdagavond in november, twee jaar geleden. Het regende zachtjes, zo'n miezerige regen die tegen de ruiten plakt. Ik zat met mijn jongere broer Jesse in Eetcafé De Vrijheid, vlak bij het station in Gouda. Jesse was vierendertig. Hij werkte als matroos op de binnenvaart. Twee weken op, twee weken af. Als hij aan wal was, leefde hij alsof geld geen waarde had. Hij trakteerde iedereen, sliep te weinig en kwam altijd geld tekort voor zijn vaste lasten.
Die avond wilde hij weer geld lenen. Vijfhonderd euro.
'Het is maar voor een week, Thom,' zei hij. Hij duwde zijn glas bier naar voren en keek me aan met die bekende grijns van hem. 'Zodra we gelost hebben in Mannheim, krijg ik mijn overuren uitbetaald. Dan staat het direct weer op je rekening. Dat weet je toch?'
Ik keek naar zijn handen. Zijn knokkels zaten onder de eeltplekken en zwarte vegen van de machinekamer. Ik kende die belofte. Drie maanden eerder had ik hem achthonderd euro geleend voor zijn zorgverzekering. Daar had ik nooit een cent van teruggezien.
'Nee, Jesse,' zei ik. Mijn stem klonk harder dan ik bedoelde. 'De bank is gesloten. Je zoekt het dit keer zelf maar uit.'
Zijn grijns verdween meteen. Zijn ogen werden donker. 'Doe niet zo ontzettend burgerlijk, man. Jij zit daar maar op je kantoor met je pensioentje en je spreadsheetjes. Voor jou is vijfhonderd euro niks. Voor mij is het de huur van mijn studio.'
'Dan had je vorige week niet drie avonden in de kroeg moeten hangen!' beet ik hem toe. Mensen aan het tafeltje naast ons keken op. Het kon me niets schelen. Ik was het zat. Ik was al zijn hele leven bezig om zijn rommel op te ruimen. Toen hij zijn scooter in de sloot reed, betaalde ik de boete. Toen hij zijn baan bij de haven kwijtraakte omdat hij zich versliep, regelde ik een gesprek voor hem. Ik was de oudste. Ik deed wat van me verwacht werd.
Jesse schoof zijn stoel naar achteren met een scherp, krassend geluid over de houten vloer. Hij stond op. Zijn jas hing open. Hij leek ineens veel groter en vreemder dan de broer met wie ik vroeger hutten bouwde in de polder.
'Weet je wat het met jou is, Thomas?' siste hij. 'Jij gunt mij helemaal niks. Je voelt je beter dan ik, alleen maar omdat je een stropdas draagt naar je werk. Val toch dood met je geld.'
Ik voelde het bloed naar mijn slapen stijgen. De woede zat al maanden opgekropt, misschien wel jaren. Ik stond ook op. Ik boog over het tafeltje heen, zo dichtbij dat ik het bier in zijn adem rook.
'Als ik doodval, heb jij helemaal niemand meer die je redt,' zei ik ijskoud. 'En weet je wat? Ik hoef je voorlopig niet meer te zien. Zoek het maar uit. Donder maar een eind op.'
Jesse keek me een seconde lang aan. Er flitste iets door zijn blik, een mengeling van verbazing en pijn. Daarna trok hij een sarcastische grijns. 'Is goed, broer. Dan zie je me toch lekker nooit meer?'
Hij draaide zich om en liep naar de uitgang. De bel boven de cafédeur rinkelde vrolijk toen hij de natte straat op stapte. Ik bleef alleen achter met twee halfvolle glazen bier en een rekening van veertien euro.
Ik dronk mijn glas leeg. Mijn handen trilden een beetje, maar ik zei tegen mezelf dat ik gelijk had gehad. Grenzen stellen, noemden mensen dat toch? Hij zou over twee dagen wel weer afkoelen. Dan stuurde hij een domme meme op WhatsApp en was alles weer zoals het was. Zo ging het namelijk altijd.
Twee nachten later ging de telefoon. Het was donderdagochtend, kwart over vier. Ik werd wakker van het felle getril op mijn nachtkastje. Buiten waaide het hard. De takken van de berk in de tuin sloegen tegen het slaapkamerraam.
Ik pakte mijn telefoon. Een onbekend vast nummer uit Rotterdam.
'Met Thomas van Dijk,' zei ik hees.
'Goedenacht, meneer Van Dijk. U spreekt met brigadier De Wit van de Zeehavenpolitie. Bent u de broer van Jesse van Dijk?'
De lucht leek in één klap uit mijn slaapkamer te verdwijnen. Mijn maag kromp ineen tot een harde, koude knoop. 'Ja. Wat is er?'
'Er heeft vannacht een incident plaatsgevonden aan boord van het motorschip de *Vios*, ter hoogte van de Waalhaven,' zei de stem. De stem was rustig, zakelijk, geoefend. 'Uw broer is te water geraakt. We zijn op dit moment bezig met een grootschalige zoekactie.'
Ik ging rechtop in bed zitten. 'Te water geraakt? Wat bedoelt u? Heeft hij gezwommen? Waar is hij?'
'Meneer Van Dijk,' zei de politieman, en in die twee woorden hoorde ik het hele vonnis al vallen. 'Het water is erg koud en de stroming is hevig. We hebben hem nog niet gevonden. Kunt u naar het bureau in Rotterdam komen?'
Hoofdstuk 2
Zoeken naar niets
De snelweg naar Rotterdam was bijna leeg. De ruitenwissers van mijn auto maakten een ritmisch, piepend geluid tegen het glas. Het regende niet meer, maar het waaide stormachtig. De wind beukte tegen de zijkant van mijn wagen als ik over een viaduct reed. Ik hield het stuur met twee handen krampachtig vast tot mijn knokkels wit zagen.
Mijn gedachten tolden rondjes. *Hij kan goed zwemmen*, dacht ik. *Jesse heeft zijn zwemdiploma's allemaal gehaald toen we klein waren. Hij heeft een reddingsvest aan. Iemand heeft hem vast al uit het water getrokken en hij ligt nu met onderkoelingsverschijnselen in het Erasmus MC aan de warme thee.* Dat hield ik mezelf voor, kilometer na kilometer. Maar diep vanbinnen wist ik dat de Waalhaven geen zwembad was. De Nieuwe Maas is een zwart, kolkend monster met zuigende stromingen en gigantische zeeschepen die geen meter opzijgaan.
Op het politiebureau aan de Waalhaven zat mijn moeder al in een kantoortje. Ze was zeventig, een kleine vrouw met een grijze permanent die altijd haar best deed om er netjes uit te zien. Nu zat ze daar in haar oude winterjas, zonder make-up, met haar handtas strak tegen haar borst geklemd. Haar buurman had haar gebracht. Toen ik binnenstapte, keek ze op. Haar ogen waren rood en dof.
'Thomas,' fluisterde ze. Ze stond niet op. Ze kon het niet.
Ik liep naar haar toe en sloeg mijn armen om haar schouders. Ze rook naar de lavendelzeep die ze altijd gebruikte, vermengd met de scherpe geur van angstzweet. 'We weten nog niks zeker, mam,' zei ik. Het was een leugen, en we wisten het allebei.
Brigadier De Wit kwam binnen met twee kartonnen bekertjes automatenkoffie. Hij zette ze op tafel en schoof een stoel aan. Hij had kringen onder zijn ogen en zijn uniformjas rook naar buitenlucht en natte kade.
'Vertel het maar,' zei ik.
De Wit vouwde zijn handen op tafel. 'Jesse was rond half drie bezig met het vastmaken van de trossen bij een steiger. Het schip was net gemeerd. De schipper was in de stuurhut bezig met het logboek. Hij hoorde een schreeuw en een harde plons. Toen hij naar het dek rende, was Jesse verdwenen. Zijn werklamp lag nog op het gangboord. Geen reddingsvest. Dat lag nog in de roef.'
'Geen vest?' vroeg mijn moeder met een overslaande stem. 'Hij had altijd een vest aan. Dat had hij me beloofd.'
'Het gebeurde snel, mevrouw,' zei De Wit zacht. 'Waarschijnlijk is hij uitgegleden over een natte bolder of een olievlek. We hebben direct boten ingezet van de politie, de havendienst en de KNRM. Twee helikopters hebben met warmtecamera's boven het water gevlogen tot het eerste ochtendlicht.'
'En?' vroeg ik. Mijn keel was kurkdroog. De koffie voor me dampte, maar ik kon mijn arm niet bewegen om het bekertje te pakken.
'Niks,' zei de politieman. 'Het tij liep af. De stroomsnelheid was op dat moment ruim vier knopen. Als iemand in dat ijskoude water valt, treedt er binnen enkele seconden een koudeshock op. Je hapt naar adem en zuigt direct water je longen in. Binnen een paar minuten verlies je het bewustzijn.'
Hij zei het feitelijk, zonder omwegen. Ik was hem daar bijna dankbaar voor, maar tegelijkertijd wilde ik over de tafel springen en zijn strot dichtknijpen. Hoe kon hij over mijn broertje praten alsof het ging om een lading zand die overboord was gekieperd?
'We blijven zoeken,' voegde De Wit eraan toe. 'Met sonarboten. We scannen de bodem van de havenbekkens. Maar u moet rekening houden met het ergste scenario. De kans dat we hem levend aantreffen, is nihil. We zoeken nu naar een lichaam.'
*Een lichaam.* Het woord bleef in de kamer hangen als dikke mist. Twee dagen geleden was hij nog een man van vlees en bloed die bier dronk en tegen me schreeuwde over vijfhonderd euro. Nu was hij gereduceerd tot een object dat ergens op de modderige bodem van een haven lag, tussen oude fietswrakken en ankerkettingen.
Rond het middaguur reden we naar de kade waar de *Vios* lag afgemeerd. De politie liet ons toe achter de rood-witte linten. Het regende weer zacht. Het water van de Waalhaven zag er grauw en stroperig uit. Grote kranen stonden stil tegen de grijze lucht. Er lag een sonarboot van Rijkswaterstaat in het midden van het water, die tergend langzaam heen en weer voer. Een meter vooruit, draaien, weer een meter.
Mijn moeder liep naar de rand van de kade. Ik greep haar arm vast, bang dat ze zou springen of vallen. Ze boog voorover en staarde in het troebele water. De deining sloeg tegen de verroeste damwanden met een hol, klappend geluid.
'Jesse!' riep ze opeens. Haar stem was dun en brak af tegen de wind. 'Jesse, jongen!'
Er kwam geen antwoord. Alleen het gekrijs van een meeuw die laag over het water scheerde en het monotone brommen van de dieselmotor van de sonarboot. Ik keek naar de rivier en voelde een misselijkmakende steek in mijn borst. *Donder maar een eind op*, had ik gezegd. *Ik hoef je voorlopig niet meer te zien.*
Hij had geluisterd. Jesse had altijd al een hekel gehad aan bevelen, maar naar deze laatste woorden had hij geluisterd met een angstaanjagende precisie.
Hoofdstuk 3
De lege kist
De sonarboten zochten vijf dagen. Vijf dagen lang zat ik naast mijn moeder op de bank in haar flatje in Gouda. We keken naar onze telefoons. Elke keer als er een berichtje binnenkwam of de deurbel ging, schoot mijn hartslag omhoog naar honderdtwintig. Maar het was telkens een bezorgde tante, een buurvrouw met een pan soep, of een collega van mijn werk die vroeg hoe het ging.
Op de zesde dag belde brigadier De Wit. Het officiële actieve zoeken werd gestopt. De stroming was te sterk geweest; het lichaam kon kilometers ver zijn meegesleurd, misschien wel richting de Noordzee. Ze hielden de sluizen en oevers in de gaten, maar er zou geen gerichte zoektocht meer zijn. We moesten wachten tot het water hem vanzelf teruggaf. Als dat ooit gebeurde.
'Wat doen we nu?' vroeg mijn moeder. Ze zat aan de keukentafel met een pen en een leeg vel papier. Haar handen beefden zo erg dat ze de pen nauwelijks vast kon houden.
'We moeten iets regelen, mam,' zei ik. 'Een herdenking.'
'Een begrafenis zonder Jesse?' Haar stem klonk schril en boos. 'Hoe kan ik mijn kind begraven als hij er niet is? We hebben geen kist. We hebben geen graf. We hebben helemaal niks!'
Ze had gelijk. Een uitvaart zonder lichaam is een bizar toneelstuk. We zaten twee dagen later bij een uitvaartondernemer in een strak, wit kantoor. Er stond een doos tissues op tafel en we kregen slappe koffie met een biscuitje. De uitvaartverzorger, een man van in de vijftig met een zachte, zalvende stem, keek ons meelevend aan.
'In situaties van vermissing kiezen families vaak voor een herdenkingsdienst,' legde hij uit. 'We kunnen foto's neerzetten. We kunnen muziek draaien. Sommige mensen kiezen voor een symbolische kist, gevuld met brieven of persoonlijke bezittingen. Of een lege kist vooraan in de aula.'
'Geen lege kist,' zei ik meteen. Mijn stem klonk harder dan gepast was in die serene kamer. 'Geen toneelstukje met een lege doos. Jesse is er niet. We gaan niet doen alsof.'
Uiteindelijk kozen we voor een dienst in het crematorium, maar dan zonder verbranding of begraving. Gewoon een zaal met stoelen, een spreekgestoelte en een grote tafel vol bloemen. In het midden van de tafel stond een ingelijste foto van Jesse. Het was een foto die ik drie jaar geleden had gemaakt tijdens een vakantie in Zeeland. Hij zat op een terras, met warrig haar door de zeewind, een zonnebril op zijn hoofd en een brede lach op zijn gezicht. Hij hield een glas bier omhoog naar de camera.
De aula zat stampvol. Collega's van de binnenvaart in donkere pakken die duidelijk te strak zaten om hun brede schouders. Vrienden uit de kroeg. Familieleden die we in geen jaren hadden gezien. Mensen huilden. Ze vielen mijn moeder om de hals en zeiden dingen als: 'Wat een verschrikkelijk drama,' en 'Geen afscheid kunnen nemen, dat is het ergste wat er is.'
Ik stond ernaast en schudde handen. Honderden handen. Ik voelde me een standbeeld van gips. Als ik bewoog, zou ik in duizend stukken barsten. Ik keek naar de foto van Jesse op de tafel. Telkens als mijn ogen zijn gezicht raakten, hoorde ik mijn eigen stem weer: *Zoek het maar uit. Donder maar een eind op.*
Iedereen dacht dat ik intens verdrietig was. Dat was ik ook, maar onder dat verdriet zat iets wat veel giftiger was: pure, brandende schuld. Niemand in die zaal wist wat ik twee dagen voor zijn dood tegen hem had gezegd. Mijn moeder dacht dat we een fijne avond hadden gehad in het eetcafé. Ze had gezegd: 'Wat fijn dat jullie elkaar nog even hebben gezien voor hij aan boord ging.' Ik had geknikt en gezwegen. Die leugen vrat aan me vanbinnen als zoutzuur.
Toen het tijd was voor de toespraken, liep ik naar voren. Mijn benen voelden zwaar, alsof ik door nat zand waadde. Ik had een briefje in mijn hand met een paar zinnen die ik die ochtend had opgeschreven. Dingen over zijn humor, zijn liefde voor het varen, hoe handig hij was met motoren.
Ik ging achter het spreekgestoelte staan en keek de zaal in. Al die gezichten keken me verwachtingsvol aan. Ik keek naar beneden, naar mijn papiertje. De letters dansten voor mijn ogen. Mijn keel kneep dicht.
'Jesse...' begon ik.
Stilte. De zaal hield de adem in.
Ik keek naar de foto van Jesse. Zijn ogen leken me recht aan te kijken. *Nou, Thomas?* leek hij te vragen. *Ga je ze vertellen wat je echt van me vond? Vertel ze eens over die vijfhonderd euro.*
Ik kon het niet. Ik kreeg geen lucht meer. De lucht in de aula was te warm, te zwaar van de geur van lelies en natte jassen.
'Jesse hield van het water,' bracht ik er met moeite uit. Mijn stem kraakte. 'En het water heeft hem gehouden. We zullen hem nooit vergeten.'
Dat was alles. Ik liep weg van de microfoon en ging weer naast mijn moeder zitten. Ze pakte mijn hand en kneep erin. Ze dacht dat ik overmand was door verdriet. Ze wist niet dat ik gewoon laf was.
Hoofdstuk 4
Spoken in de stad
Drie maanden na de herdenking ging ik weer aan het werk. Mijn manager bij het distributiecentrum was aardig voor me geweest. 'Neem de tijd, Thomas. Verlies heeft tijd nodig.' Maar stilzitten in mijn lege appartement maakte me gek. Ik moest bezig zijn. Ik moest vrachtwagens zien vertrekken en cijfers in vakjes slepen.
Alleen werkte mijn hoofd niet meer zoals vroeger. Ik staarde naar de computerschermen en zag de lijnen vervagen. Twee keer stuurde ik een oplegger naar de verkeerde vestiging in Groningen in plaats van Breda. Een gigantische fout die duizenden euro's kostte. Mijn chef riep me op kantoor, keek me bezorgd aan en zei dat ik het rustig aan moest doen. Geen standje, geen woede. Juist die voorzichtigheid maakte me razend. Iedereen behandelde me alsof ik van breekbaar glas was.
Het echte probleem begon buiten op straat. Rouwen zonder lichaam betekent dat je brein weigert te accepteren dat iemand weg is. Er was geen kist de grond in gegaan. Ik had geen as uitgestrooid. Er was geen tastbaar bewijs dat Jesse dood was. Er was alleen een proces-verbaal en een lege kamer.
Daardoor begon ik hem overal te zien.
Het begon op een dinsdagmiddag bij het station van Gouda. Ik liep van mijn werk naar huis. Voor me liep een man met een zwarte muts en een donkerblauwe werkjas van Helly Hansen. Jesse had precies zo'n jas. De manier waarop de man liep — met zijn schouders een beetje opgetrokken en zijn handen diep in zijn jaszakken — was identiek aan hoe Jesse liep. Mijn hart sloeg een slag over. Mijn adem stokte in mijn keel.
*Hij is het*, dacht ik. Een volstrekt krankzinnige gedachte, maar op dat moment was het de enige waarheid. *Hij is niet verdronken. Hij heeft zijn verdwijning in scène gezet. Hij wilde van zijn schulden af. Hij wilde van mij af.*
Ik begon sneller te lopen. 'Jesse!' riep ik.
De man reageerde niet. Hij stak de straat over richting de bussen.
'Jesse!' schreeuwde ik harder. Voorbijgangers keken me bevreemd aan. Ik zette het op een rennen. Mijn aktetas sloeg tegen mijn heup. Ik greep de man bij zijn schouder en trok hem ruw om.
De man draaide zich geschrokken om. Het was een jongen van begin twintig met een puistige kin en een gouden ringetje in zijn oor. Hij keek me woedend en angstig aan. 'Wat moet je, man? Ben je helemaal van de pot gerukt?'
Ik liet zijn jas los alsof de stof gloeiend heet was. 'Sorry,' mompelde ik. 'Sorry, ik dacht... ik dacht dat je iemand anders was.'
De jongen schold me uit voor idioot en liep snel door. Ik bleef midden op het trottoir staan, terwijl de koude wind door mijn kleren sneed. Mijn hele lichaam trilde. Ik voelde me vernederd, maar dieper dan dat zat de bittere teleurstelling. Een deel van mij had gehoopt dat hij het was. Dat hij me zou uitschelden, me een klap zou verkopen, wat dan ook — zolang hij maar leefde.
Die hallucinaties stopten niet. Ze werden erger. Ik zag zijn profiel achter het stuur van een passerende bestelbus. Ik hoorde zijn lach in een druk café waar ik langs liep. Als de huistelefoon ging, dacht ik telkens: *Daar is hij. Hij belt vanuit een havenkroeg in Hamburg of Antwerpen om te zeggen dat het een grap was.*
's Avonds dronk ik bier op de bank. Niet één of twee flesjes, maar vier, vijf zware jongens. Ik dronk tot de scherpe randen van mijn gedachten afsleten. Maar zodra ik mijn ogen sloot in het donker, begon de film weer opnieuw te spelen.
Eetcafé De Vrijheid. De regen tegen de ruit. Jesse's stem: *Is goed, broer. Dan zie je me toch lekker nooit meer?*
Ik had hem weggestuurd. Hij had geld nodig gehad, misschien was hij wanhopig geweest, en ik had hem afgeblaft om vijfhonderd lullige euro's. Op mijn spaarrekening stond ruim twaalfduizend euro. Ik had het geld makkelijk kunnen missen. Waarom had ik zo moeilijk gedaan? Om een principe? Om hem een lesje te leren?
Je leert een dode geen lessen meer. Dat is het smerige van de dood: hij bevriest de situatie voor altijd. Je krijgt geen herkansing. Je kunt niet over een week zeggen: 'Hé man, sorry van dinsdag, hier heb je die flappen alsnog.' De ruzie blijft staan, voor eeuwig gebeiteld in steen. Mijn laatste daad naar mijn broer was niet liefde of bescherming geweest, maar afwijzing.
Hoofdstuk 5
Jesse's kamer
In het voorjaar, bijna zes maanden na de ramp, belde de verhuurder van Jesse's studio in Schiedam. Het huurcontract moest worden beëindigd. De huur was de afgelopen maanden doorbetaald vanaf Jesse's spaarrekening, maar die rekening was nu leeg. De spullen moesten eruit.
Mijn moeder kon het niet aan. 'Doe jij het alsjeblieft, Thomas?' smeekte ze aan de telefoon. Haar stem klonk breekbaar als droog hout. 'Ik trek het niet om tussen zijn kleren te staan. Ik kan het gewoon niet.'
'Ik regel het wel, mam,' zei ik.
Ik huurde een verhuisbusje en reed op een zaterdagochtend naar Schiedam. Het was een grauwe flat uit de jaren zestig, vlak bij de havens. In het trappenhuis rook het naar vochtige vloerbedekking en oud frituurvet. Ik had de sleutelbos van Jesse bij me. Die had de politie me teruggegeven; hij had hem in zijn hut op het schip laten liggen. Het bosje voelde koud en zwaar in mijn broekzak.
Toen ik de deur van zijn studio opendeed, kwam zijn geur me direct tegemoet. Het was een mengsel van zware shag, goedkope aftershave en de weeïge geur van ongeopende post. Het was alsof hij net even naar de supermarkt was gelopen om brood te halen.
De studio was een puinhoop. Op het aanrecht stond een uitgedroogde koffiekop met een blauwe schimmellaag erin. Over de leuning van de bank hing een spijkerbroek. Op de salontafel lagen folders van bezorgrestaurants, ongeopende enveloppen van het incassobureau en een halfvol pakje vloeitjes.
Ik zette de eerste verhuisdoos op de vloer en begon met inpakken. Het was mechanisch werk. Boeken in een doos. Dvd's in een doos. Kleren in vuilniszakken voor het Leger des Heils. Ik probeerde nergens te lang naar te kijken. Niet naar zijn favoriete leren jas. Niet naar de versleten hardloopschoenen in de gang.
Toen ik zijn bureau opruimde, vond ik een blauw schrijfblok met een spiraalrug. Jesse hield niet van schrijven, dus ik was verbaasd. Ik sloeg het open. Het bleek een soort kasboekje te zijn, maar dan chaotisch en onvolledig. Krabbels met bedragen, berekeningen van vaardagen, telefoonnummers van aflossers.
Op een van de laatste pagina's stond iets geschreven met zwarte balpen. Zijn handschrift was slordig, bijna kinderlijk.
*Schuld Thom: 800 (oude zooi) + 500 (huur nov).* Daaronder had hij een streep gezet. En daaronder stond: *Afbetalen per dec: 200 p/m. Eerst Thom, dan de rest. Hij heeft gelijk. Ik moet kappen met klooien.*
Ik zakte op de bureaustoel. Het schrijfblok lag op mijn knieën. De inkt leek me aan te staren vanaf het geruite papier.
Hij was niet van plan geweest me te bedriemen. Hij wist dat hij fout zat. Hij had op die bewuste dinsdagavond niet alleen om geld gevraagd; hij had geprobeerd zijn leven weer op de rails te krijgen, op zijn eigen stuntelige, chaotische manier. En wat had ik gedaan? Ik had hem uitgelachen en gezegd dat hij dood kon vallen.
Daar, in die tochtige studio in Schiedam, tussen de verhuisdozen en het stof, brak er iets in me. De stenen muur die ik om mezelf heen had gebouwd sinds het telefoontje van de politie, stortte in één keer in.
Ik begon te huilen. Het was geen stil, net verdriet met een paar tranen over mijn wangen. Het was een lelijk, rauw snikken dat vanuit het diepste van mijn buik omhoog kwam. Ik boog voorover met mijn hoofd op het bureau en sloeg met mijn vuist op het hout tot mijn knokkels pijn deden. Ik huilde om Jesse, om zijn eenzame dood in het donkere water, maar vooral om de klootzak die ik was geweest.
'Het spijt me,' snikte ik in de lege kamer. 'Het spijt me zo verdomd erg, Jesse.'
Er was niemand die het hoorde. Geen echo, geen antwoord. Alleen het suizen van het verkeer buiten op de ringweg. Het briefje in het schrijfblok veranderde niets aan de werkelijkheid. Jesse lag nog steeds ergens op de bodem van de zee of de rivier. Hij wist niet dat ik spijt had. Hij zou het nooit weten. Dat was de vloek van geen afscheid kunnen nemen: de woorden die je niet hebt gezegd, blijven voor altijd in je keel steken, en de woorden die je wél hebt gezegd, blijven voor altijd nagalmen.
Hoofdstuk 6
Het water bij storm
Het schuldgevoel werd na die dag in Schiedam niet minder, maar het veranderde van vorm. Het was geen doffe verdoving meer. Het was een scherpe, constante pijn die me dwong om iets te doen. Ik wist alleen niet wat.
In oktober, bijna een jaar na zijn verdwijning, trok er een zware herfststorm over Nederland. Code oranje. De bomen bogen diep door en de regen kletterde in golven tegen de ruiten van mijn woonkamer. Het weerbericht op het nieuws liet beelden zien van opstipend water in de havens van Rotterdam. Schepen die stillagen. Kademuren die overstroomden.
Ik keek naar de televisie en voelde een onweerstaanbare drang. Ik trok mijn zwaarste regenjas aan, pakte mijn autosleutels en liep naar buiten.
'Waar ben je mee bezig?' vroeg ik mezelf hardop af toen ik de straat uit reed. Het was gekkenwerk. De radio waarschuwde automobilisten om niet de weg op te gaan met aanhangers of lege busjes. Maar ik moest naar het water. Ik moest zien waar hij was gebleven.
De rit naar de Waalhaven was angstaanjagend. Takken waaiden over de weg en het water op het asfalt zorgde voor aquaplaning waardoor de auto af en toe even weggleed. Maar ik trapte het gaspedaal dieper in. Rond tien uur 's avonds parkeerde ik mijn auto op een verlaten parkeerterrein aan de rand van de haven, vlak bij de plek waar Jesse te water was geraakt.
Toen ik het portier openduwde, sloeg de wind het bijna uit mijn hand. De lucht was ijskoud en smaakte naar zout, diesel en nat zand. Ik liep strompelend tegen de storm in naar de waterkant. Het water van de Waalhaven was geen water meer; het was een kokende, zwarte massa van schuimende golven die met donderend geraas tegen de betonnen kadewanden beukten.
Er was niemand. Geen havenwerkers, geen politie, geen schepen die durfden te manoeuvreren. Alleen ik, het beton en het water.
Ik liep tot aan de uiterste rand van de kade. De wind rukte aan mijn jas. Als ik nu een stap naar voren zette, zou het voorbij zijn. Eén stap, en het water zou me pakken net zoals het Jesse had gepakt. Ik keek naar beneden in de kolkende diepte. Het was angstaanjagend, maar op een vreemde manier ook aantrekkelijk. Daar beneden was geen schuldgevoel. Daar beneden waren geen spreadsheets, geen rekeningen en geen lege verhuisdozen.
'Waarom ben je niet naar me toe gekomen?' schreeuwde ik tegen het water. De wind blies mijn woorden direct terug in mijn gezicht. 'Waarom heb je die trossen niet gewoon laten liggen, idioot?!'
Ik schreeuwde tot mijn keel schraal was. Ik schold op Jesse. Ik schold hem uit voor alles wat hij was: roekeloos, onverantwoordelijk, eigenwijs, een kind dat nooit volwassen wilde worden. En daarna schold ik op mezelf. Ik schreeuwde de woorden die ik die avond in het café had gezegd. Ik spuugde ze uit in de storm.
'Ik wilde het niet!' brulde ik. 'Hoor je me?! Ik meende het niet!'
Er kwam geen antwoord van de rivier. De golven bleven gewoon tegen de kade slaan. Het water gaf geen krimp. Het water gaf niet om mijn woede, niet om mijn schuldgevoel en niet om Jesse's plannen om zijn leven te beteren. Het water was gewoon water: koud, diep en volstrekt onverschillig.
En op dat moment, terwijl de regen over mijn wangen stroomde en zich mengde met mijn tranen, drong er iets tot me door.
Het water had Jesse niet gepakt om mij te straffen. Jesse was niet verdronken omdat we ruzie hadden gehad. Hij was verdronken omdat het donker was, omdat hij geen reddingsvest droeg en omdat hij zijn voet verkeerd had neergezet op een glad dek. Het was een ongeluk. Een stom, oneerlijk, banaal bedrijfsongeval.
Onze ruzie had hem niet vermoord. Mijn harde woorden hadden het schip niet laten schommelen. Hij had die avond kwaad op me kunnen zijn, hij had me kunnen haten, maar het had niets te maken met die ene misstap op die natte kolder.
Ik zette een stap naar achteren. Weg van de rand. Mijn benen voelden zwaar, maar de verstikkende knoop in mijn maag — die knoop die er al bijna een jaar zat — leek een heel klein beetje losser te raken. De pijn was er nog, onverminderd hevig, maar de waanzin was eruit.
Ik stapte weer in mijn auto, zette de verwarming op de hoogste stand en reed terug naar Gouda.
Hoofdstuk 7
Het anker
Het is nu twee jaar later.
Jesse is nooit gevonden. De politie heeft zijn dossier gesloten, tenzij er ooit nog menselijke resten aanspoelen die via DNA aan hem gekoppeld kunnen worden. De kans daarop wordt met de dag kleiner. We moeten leven met een vraagteken waar eigenlijk een punt hoort te staan.
Ik werk nog steeds als planner bij het distributiecentrum. Maar ik ben veranderd. Als een chauffeur nu een fout maakt of te laat komt, schreeuw ik niet meer. Ik vraag wat er aan de hand is. Ik heb geleerd dat controle een illusie is. Je kunt routes plannen tot je een ons weegt, maar uiteindelijk kan één windvlaag alles overhoop gooien.
Vorige week ben ik met mijn moeder teruggegaan naar Rotterdam. Het was een heldere zaterdag in het najaar. De zon scheen zwak over de Nieuwe Maas. We liepen naar een klein parkje aan de kade, niet ver van de haven, waar een herdenkingsmonument staat voor omgekomen zeelieden. Het is een groot, roestig anker dat half in het gras is ingegraven.
Mijn moeder had een bosje gele tulpen meegenomen. Jesse's lievelingsbloemen, toen hij nog een jongetje was en ze plukte uit de tuin van de buren.
We stonden stil bij het anker. Mijn moeder legde de bloemen op het koude ijzer. Ze veegde een traan weg, maar haar gezicht stond rustig. Ze heeft een manier gevonden om ermee te leven. Ze praat over hem alsof hij op een hele lange reis is. 'Jesse vaart ergens op een verre oceaan,' zegt ze soms. Ik spreek haar niet tegen. Als die gedachte haar helpt om de nacht door te komen, wie ben ik dan om haar de waarheid op te dringen?
'Denk je nog vaak aan die laatste avond?' vroeg ze plotseling. Ze keek me aan met haar heldere, oude ogen.
Ik slikte. Het schuldgevoel zat er nog steeds, als een oud litteken dat trekt als het gaat vriezen. Het zou nooit helemaal verdwijnen. Dat hoefde misschien ook niet. Het litteken herinnerde me eraan dat ik van hem hield, hoe stroef en krom die liefde soms ook was geweest.
'Ja, mam,' zei ik eerlijk. 'Elke dag.'
'Hij wist wel dat je van hem hield, hoor,' zei ze zacht, terwijl ze haar hand op mijn arm legde. 'Jesse was niet gek. Hij wist heus wel wie er altijd voor hem klaarstond als het echt misging.'
Ik keek naar het water in de verte. Er voer een groot containerschip voorbij, geladen met duizenden gekleurde dozen op weg naar zee. De boeggolf sloeg zachtjes tegen de stenen van de oever.
Ik dacht aan het blauwe schrijfblokje in mijn la thuis. *Eerst Thom, dan de rest.*
Ik had nooit afscheid kunnen nemen. Geen laatste omhelzing, geen verzoenend gesprek bij het ochtendgloren, geen kist om zand op te strooien. Ik had alleen die laatste blik in het café, zijn rug die verdween in de regen.
Maar ik had ook die dertig jaar daarvóór. De jaren waarin we samen vlotten bouwden van oude pallets, waarin we stiekem vuurwerk afstaken achter de dijk, waarin hij me midden in de nacht belde met autopech en ik gewoon in de auto stapte om hem te halen. De dood probeert een heel leven samen te vatten in dat ene, laatste moment. Maar dat klopt niet. Een leven is groter dan de manier waarop het eindigt.
Ik haalde diep adem. De lucht rook naar water, diesel en naderende winter.
'Kom mam,' zei ik, en ik pakte haar arm beet. 'Laten we ergens een kop koffie gaan drinken. Met een flinke punt appeltaart erbij. Die betaal ik.'
We draaiden ons om en liepen weg van het water, de stad in.