Verlies en rouw
Rouw kent geen kalender
Gaat over overlijden en rouw.
Hoofdstuk 1
Het scherm dat oplichtte
Mijn naam is Dennis van Dijk. Ik ben negenendertig jaar en ik woon in Zwolle, in een rijtjeshuis in de wijk Dieze. Ik werk al vijftien jaar als storingsmonteur bij het waterbedrijf. Mijn werk is overzichtelijk. Ergens springt een leiding, er ontstaat een lek, ik stap in mijn bus met gereedschap en ik los het op. IJzer, rubber, zand en water. Als je de juiste moer aandraait, stopt het stromen. Je ziet wat er kapot is en je fixt het. Zo heb ik altijd geleefd.
Tot die vrijdagavond in november.
Het was koud en het regende al uren. Buiten sloeg de wind tegen het raam van de woonkamer. Ik zat op de bank met een bord macaroni op schoot. Op televisie was een samenvatting van het voetbal. Mijn vriendin Sanne lag al op bed met een griepje. Ik was kapot. Ik had die dag van zeven uur 's ochtends tot zes uur 's avonds in een modderige bouwput in Kampen gestaan. Mijn rug deed zeer en mijn vingers voelden nog steeds stijf van de kou.
Om veertien over elf trilde mijn telefoon op de houten salontafel. Het scherm lichtte fel op in het halfdonker.
*Martijn mobiel.*
Martijn was mijn jongere broer. Tweeëndertig jaar, monteur van elektrische fietsen, en een vat vol onrust. Als Martijn belde na tienen, was er meestal gezeur. Dan had hij ruzie met zijn vriendin over geld, of stond zijn rekening weer in het rood, of wilde hij zijn hart luchten over zijn baas. Altijd hetzelfde liedje. Ik keek naar het oplichtende scherm. Het trilde naar het randje van de tafel. *Bzzzt. Bzzzt. Bzzzt.*
Ik zuchtte diep. Ik had geen zin. Niet vanavond. Mijn hoofd zat vol en ik wilde gewoon bier drinken, slapen en morgen pas weer nadenken. Ik dacht: *Bel morgenochtend maar, kerel. Dan ben je weer nuchter en heb ik meer geduld.*
Ik stak mijn hand niet uit. Ik liet hem overgaan tot het scherm zwart werd. Twee minuten later trilde hij opnieuw. Martijn gaf niet snel op. Weer keek ik naar de letters. *Martijn mobiel.* Ik draaide de telefoon met het scherm naar beneden op het tafelblad. Toen was het stil.
Ik at mijn bord leeg, zette het in de vaatwasser en liep naar boven. Ik poetste mijn tanden, kroop naast Sanne onder het dekbed en viel vrijwel meteen in slaap. Geen seconde spookte er iets door mijn hoofd. Geen voorgevoel. Geen waarschuwing. Gewoon een zware, dromenloze slaap van iemand die hard werkt.
Om zeven uur ging niet mijn wekker, maar de deurbel. Beneden. Hard en aanhoudend.
Ik schrok wakker, trok een trainingsbroek aan en liep op blote voeten de trap af. De gang was koud. Door het matte glas van de voordeur zag ik twee donkere silhouetten. Geen pakketbezorger op dit tijdstip. Ik trok de deur open.
Er stonden twee politieagenten op de stoep. Een man met een baard en een jonge vrouw met een strakke paardenstaart. Hun gele hesjes waren nat van de motregen. Achter hen, op de stoeprand, stond een politieauto met draaiende motor.
'Dennis van Dijk?' vroeg de man. 'Ja,' zei ik. Mijn stem klonk nog hees van de slaap. 'Wat is er?' 'Mogen we even binnenkomen, meneer Van Dijk? Het gaat om uw broer Martijn.'
Op dat moment zakte de vloer onder mijn voeten nog niet weg. Er knapte nog niks. Ik dacht alleen: *Wat heeft die idioot nu weer uitgevreten? Rijdend onder invloed? Een vechtpartij in de stad?*
Ik liet ze binnen. Ze wilden niet gaan zitten in de woonkamer. Ze bleven staan in het midden van het kleed, met hun natte jassen die naar koude ochtendlucht roken. De vrouw keek me aan met een blik die ik nog nooit van een vreemde had gekregen. Een zachte, voorzichtige blik die voelde als een klap in mijn maag voor ze ook maar één woord had gezegd.
'Er is vannacht een ernstig ongeluk gebeurd,' zei de man. 'Op de provinciale weg tussen Dalfsen en Hoonhorst. Rond kwart voor twaalf. Uw broer is met zijn auto van de weg geraakt en tegen een boom tot stilstand gekomen.'
Hij zweeg even. Hij slikte.
'De hulpdiensten waren snel ter plaatse, maar er kon niets meer voor hem worden gedaan. Martijn is ter plekke overleden.'
Ik hoorde de woorden. Ik verstond het Nederlands. Maar de betekenis kwam niet door. Het leek alsof de agent door een dikke laag schuimrubber tegen me praatte. Boven kraakte de vloer. Sanne kwam de trap af op haar sokken. 'Dennis? Wie is daar zo vroeg?'
Ik keek niet achterom naar Sanne. Ik keek naar de salontafel. Naar mijn telefoon, die daar nog steeds lag. Met het scherm naar beneden. Om kwart voor twaalf was hij gecrasht. Om veertien over elf had hij me gebeld. Drieëndertig minuten zat er tussen die twee momenten. Drieëndertig minuten waarin ik had besloten dat een bord macaroni en rust belangrijker waren dan mijn broertje.
Hoofdstuk 2
Het huis aan de Vechtstraat
De dagen daarna waren een aaneenschakeling van handelingen zonder gevoel. Ik functioneerde zoals ik functioneer als een hoofdleiding breekt: afsluiters dichtdraaien, schade opmeten, regelen. Mijn ouders zijn tien jaar geleden kort na elkaar overleden. Er waren geen ooms of tantes die het voortouw namen. Martijn en ik hadden alleen elkaar nog, en nu was ik alleen over.
Op zaterdagmiddag moest ik naar zijn flat aan de Vechtstraat. De politie had de sleutels gegeven in een plastic zakje. Sanne wilde mee, maar ik zei dat ik het alleen wilde doen. Ze keek me bezorgd aan, haar ogen rood van het huilen. Zij huilde wel. Ik niet. Mijn ogen voelden droog en branderig, alsof er zand achter mijn oogleden zat.
Het portiek rook naar oude kooklucht en nat beton. Ik stak de sleutel in het slot van nummer 42B. De deur klemde een beetje, zoals altijd. Toen ik binnenstapte, rook ik hem meteen. Martijns geur. Shag, goedkope aftershave, kettingspray en de geur van koffie die te lang op het warmhoudplaatje had gestaan.
Overal stonden spullen. Martijn leefde alsof hij altijd net aan het verhuizen was, of net van plan was te vertrekken. Op de keukentafel lag een opengeslagen tijdschrift over motoren. Daarnaast een half leeggedronken glas cola, waar de prik al lang uit was. Op het aanrecht stond een bord met een ingedroogde korst brood. Hij had dat brood gisteravond nog gesneden. Met zijn eigen handen. Hij had die cola ingeschonken. Hij had gedacht dat hij zaterdag weer aan die tafel zou zitten.
Ik liep naar de woonkamer. Op zijn versleten leren bank lag een jas. Zijn gereedschapskist stond open bij de balkondeur, met een tang en wat schroeven ernaast. Hij was bezig geweest met een slot dat stroef liep.
Ik ging op de rand van de bank zitten. Ik haalde mijn eigen telefoon uit mijn zak en legde hem naast me neer.
*Waarom belde je me, Tien?* dacht ik. We noemden hem thuis altijd Tien.
Had hij paniek gehad? Was hij verdrietig geweest? Had hij willen zeggen dat hij langs wilde komen? Als ik had opgenomen, had ik gezegd: 'Kom maar hierheen, joh. Drink een kop koffie, blijf slapen op de bank.' Dan had hij zijn jas aangetrokken, was hij op zijn fiets gestapt of gewoon thuisgebleven. Dan had hij niet in die verdomde oude Golf gezeten op die spekgladde weg langs het bos.
Elke denkbare route leidde naar dezelfde uitkomst: ik had hem kunnen tegenhouden door simpelweg mijn vinger over een schermpje te vegen. Eén beweging van twee centimeter.
De deurbel ging. Het was Bram, een van Martijns beste vrienden. Hij zag er verwilderd uit, zijn ogen dik en rood. Toen hij me zag, pakte hij me vast. Hij klemde me tegen zich aan en begon te snikken tegen mijn schouder. Ik voelde de schokken van zijn lijf.
'Dennis, man,' huilde hij. 'Niet te geloven. Niet Martijn. Waarom nou hij?'
Ik klopte hem op de rug. Mijn hand bewoog mechanisch op en neer. 'Ja,' zei ik zacht. 'Het is verschrikkelijk.'
Ik voelde me een oplichter. Bram rouwde om zijn vriend, puur en oprecht. Ik stond daar met een geheim dat als accuzuur in mijn maag brandde. Ik had Martijns laatste kans in mijn handen gehad en ik had hem weggedrukt. Nou ja, niet weggedrukt. Gewoon laten rinkelen. Wat misschien nog wel laffer was.
Bram liet me los en veegde over zijn neus. 'Wist jij waar hij heen ging gisteravond? Ik sprak hem rond acht uur nog. Hij klonk gewoon goed.'
'Nee,' zei ik, en mijn stem sloeg over. 'Geen idee.'
'De politie denkt dat hij slipte door aquaplaning,' zei Bram. 'Er lag een plas water in die bocht bij de spoorwegovergang. Hij reed tegen die dikke eik. Ze zeiden dat hij op slag dood was. Hij heeft niks gemerkt, Dennis. Dat is in ieder geval iets.'
*Hij heeft niks gemerkt.* Mensen zeggen dat om troost te bieden. Het is een pleister op een gapende wond. Maar wat had hij gemerkt in de minuten ervóór? De angst toen de auto begon te glijden? De eenzaamheid in die auto toen hij wist dat hij niemand te pakken kreeg?
'We moeten kleren uitzoeken,' zei ik tegen Bram om het praten te stoppen. 'Voor de kist. Help me even.'
We liepen naar de slaapkamer. De kastdeur piepte. Tussen de verwassen T-shirts vond ik het zwarte overhemd dat hij had gedragen op mijn dertigste verjaardag. Hij had er toen een grap over gemaakt dat hij eruitzag als een ober. Dat overhemd pakte ik. Het rook nog naar wasmiddel en naar hem. Ik klemde de stof even hard in mijn vuist tot mijn knokkels wit werden. Geen traan. Alleen die loodzware steen in mijn borstkas die met de minuut groter werd.
Hoofdstuk 3
Kranenburg in de regen
De aula van crematorium Kranenburg was te klein. Martijn kende half Zwolle. Er stonden jongens uit de motorzaak, oude klasgenoten, vage kennissen uit de kroeg en buurlui. Iedereen droeg donkere kleding, behalve een paar van zijn fietsvrienden, die in hun leren jacks waren gekomen. De geur van natte wol en lelies hing zwaar in de ruimte.
Voorin stond de kist. Licht eikenhout. Ik had hem zelf uitgezocht. Geen tierelantijnen, geen goudkleurige handvatten. Martijn hield van simpel. Bovenop lag een krans van witte rozen met een lint: *Rust zacht, broertje.*
Ik zat op de eerste rij. Sanne hield mijn hand vast. Haar vingers waren warm en klam. Ze kneep er af en toe in, een stil signaal dat ze er voor me was. Ik kneep niet terug. Niet omdat ik niet van haar hield, maar omdat ik bang was dat als ik bewoog, alles uit elkaar zou vallen. Ik zat daar als een betonnen paal.
Mijn toespraak lag in de binnenzak van mijn colbert. Drie opgevouwen A4’tjes. Ik had de avond ervoor uren naar een leeg scherm zitten staren tot Sanne naast me was gaan zitten en me hielp herinneringen op te schrijven. Over hoe Martijn vroeger mijn skelter uit elkaar schroefde om er een grasmaaiermotor op te zetten. Hoe we samen visten aan de Vecht en nooit wat vingen omdat hij stenen in het water bleef gooien. Mooie, veilige verhalen. De verhalen die mensen willen horen op een begrafenis.
De uitvaartleider knikte naar me. Een man met een keurig grijs pak en een geoefende, zachte tred. 'Dennis, als je zover bent.'
Ik stond op. Mijn benen voelden vreemd licht, alsof ze niet van mij waren. Ik liep naar het spreekgestoelte naast de kist. Het microfoontje pikte mijn ademhaling op. Een laag, schurend geluid door de luidsprekers.
Ik keek de zaal in. Al die gezichten. Ogen die me aankeken met medelijden en respect. *Wat een sterke broer. Wat doet hij het goed.*
Ik vouwde het papier open. De letters dansten voor mijn ogen. Mijn handen trilden, eerst een beetje, daarna zo hard dat het papier ritselde tegen het hout van de lessenaar.
'Martijn was...', begon ik. Mijn stem klonk dun.
Ik keek naar de kist. Twee meter naast me. Daar lag hij in. In dat zwarte overhemd. Koud en stil. De jongen die altijd bewoog, die nooit stil kon zitten, die altijd lawaai maakte als hij een kamer binnenkwam.
De stilte in de aula werd pijnlijk lang. Ik keek weer naar het papier. *Hij stond altijd voor iedereen klaar,* stond er. Een standaardzin. Een leugen was het niet, maar het voelde vals. Want toen híj iemand nodig had, stond er niemand klaar. Ik stond niet klaar.
Mijn keel kneep dicht. Er kwam geen lucht meer door. Het was geen verdriet dat naar buiten wilde; het was pure paniek. Het bloed suisde in mijn oren als een waterval. Ik dacht aan die elf minuten over elf. Het geluid van de telefoon. *Bzzzt. Bzzzt.*
'Dennis?' fluisterde Sanne zacht vanaf de eerste rij.
Ik slikte. Twee keer. Drie keer. De woorden op het papier vervaagden tot zwarte vegen. Ik kon die verhaaltjes over skelters en vissen niet voorlezen. Het voelde als verraad. Een toneelstukje om de schone schijn op te houden.
Ik legde de papieren neer. Ik keek recht naar de kist.
'Martijn,' zei ik, en mijn stem brak doormidden. 'Het spijt me zo. Het spijt me verschrikkelijk.'
Niemand in de zaal begreep wat ik bedoelde. Ze dachten dat ik het algemene spijtgevoel bedoelde: het spijt me dat je er niet meer bent, het spijt me dat het leven oneerlijk is. Ik zag mensen knikken, sommigen veegden een traan weg. Ze vonden het ontroerend.
Alleen ik wist wat het betekende.
Ik liep terug naar mijn stoel zonder de rest van de toespraak voor te lezen. Ik ging zitten en staarde naar mijn schoenen. Sanne legde haar arm om mijn schouders. Ze dacht dat het verdriet me te veel was geworden. Ik liet haar begaan. Het was makkelijker om mensen te laten denken dat je kapot was van rouw, dan toe te geven dat je verteerd werd door schuld.
Toen de kist langzaam wegzakte achter het gordijn op de tonen van een nummer van Bruce Springsteen – Martijns favoriet – voelde ik niks meer. Alleen een doffe, ijskoude leegte. De leiding was gebroken, en er was geen gereedschap in de hele wereld dat dit kon repareren.
Hoofdstuk 4
De moersleutel
Twee weken na de crematie ging ik weer aan het werk. Sanne vond het te vroeg. 'Blijf nog even thuis, Dennis,' had ze gezegd aan het ontbijt. 'Neem de tijd. Praat met iemand van de arbo.'
'En dan?' had ik geantwoord, iets te fel. 'De hele dag naar de muren staren? Daar wordt Martijn niet levend van. Ik moet bezig blijven.'
Ik stapte in mijn witte werkbus. De vertrouwde geur van kit, ijzerzaagsel en koffie uit een thermoskan deed me even goed. Dit was mijn terrein. Hier wist ik wat ik moest doen. Als een leiding lekt, graaf je hem op, je zaagt het rotte stuk eruit, zet er een klemband op en draait de bouten vast tot ze piepen. Eenvoudig.
Mijn eerste klus was in Berkum. Een watermeter vervangen in de kelder van een oud herenhuis. Mijn collega Henk reed met me mee. Henk is een man van zestig, een goeierd met handen als kolenschoppen die al veertig jaar bij het bedrijf zit. Hij had me op de zaak een onhandige knuffel gegeven en gezegd dat hij het vreselijk vond. Daarna hadden we gezwegen.
In de kelder was het muf en klam. Het licht van onze werklampen wierp harde schaduwen op de bakstenen muren. We lagen op onze knieën bij de hoofdkraan.
'Geef mij de Bahco eens aan, Dennis,' zei Henk terwijl hij onder de leiding tuurde.
Ik pakte de tas, graaide erin en gaf hem de tang aan.
'Nee, de grote,' zei Henk rustig. 'Deze pakt hem niet.'
Ik pakte een andere sleutel en duwde die in zijn hand. Hij probeerde hem op de koppeling te zetten, maar hij schoot uit. IJzer kletterde tegen het beton.
'Verdomme,' bromde Henk goedmoedig. 'Hij zit muurvast. Roest. Dennis, pak even die kruipolie uit de bus, wil je?'
Ik bleef zitten. Ik bewoog niet.
'Dennis?' Henk keek om. 'Ben je erbij, jongen?'
Die simpele vraag – *ben je erbij* – trof me als een stomp in mijn maag. Nee, ik was er niet bij. Ik was aan de Vechtstraat. Ik was bij die eik langs de weg. Ik was bij het telefoonscherm dat trilde in het donker.
'Ik pak die olie niet,' zei ik. Mijn stem klonk raar, hard en schor.
Henk lachte een beetje ongemakkelijk. 'Nou ja, als jij het hier wil loswringen, ga je gang. Maar met kruipolie gaat het makkelijker.'
'Ik zei dat ik die teringolie niet pak!' schreeuwde ik opeens. De klank van mijn eigen stem galmde keihard tegen de kelderwanden. Henk deinsde achteruit. Hij liet zijn gereedschap vallen en keek me met grote ogen aan.
'Dennis, doe rustig man...' zei hij zacht, met zijn handen afwerend omhoog.
'Hou gewoon je bek over die olie!' Ik stond op, stootte mijn hoofd tegen een balk aan het plafond, maar voelde de pijn nauwelijks. Mijn ademhaling ging gierend tekeer. 'Je zit de hele ochtend al te zeiken! Dit is fout, dat is fout, geef dit, doe dat! Doe het lekker zelf!'
Ik schopte tegen de gereedschapskist. Schroeven, ringen en doppen vlogen over de keldervloer, tinkelend tegen de muren. De stilte die volgde was oorverdovend.
Henk zei niets meer. Hij keek me alleen maar aan, niet kwaad, maar geschrokken en vol oneindig medelijden. En dat medelijden maakte me nog woedender.
'Verdomme,' beet ik hem toe. Ik draaide me om, stormde de keldertrap op en liep naar buiten. De koude novemberlucht sloeg in mijn gezicht. Ik leunde met mijn handen tegen de zijkant van de werkbus en probeerde adem te halen. Mijn hele lichaam trilde.
Ik was niet boos op Henk. Henk had niks verkeerd gedaan. Ik was boos op alles. Op de wereld die gewoon doordraaide. Op de buurvrouw die vrolijk haar hondje uitliet aan de overkant van de straat. Op de postbode die brieven in bussen duwde. Hoe durfden ze? Wisten ze dan niet dat Martijn dood was? Wisten ze niet dat ik hem had laten sterven?
Na tien minuten kwam Henk naar buiten. Hij had zijn jas aangetrokken en de bus op slot gedaan.
'Ga maar op de bijrijdersstoel zitten, Den,' zei hij rustig, zonder een spoor van boosheid. 'Ik rijd ons wel even terug naar de werf. We kappen ermee voor vandaag.'
Ik stapte in. Ik zei geen woord meer. Ik staarde door het zijraam naar de bomen langs de ringweg van Zwolle. Elke boom zag eruit als een wapen. Elke boom zag eruit alsof hij stond te wachten tot er iemand tegenaan schoof.
Hoofdstuk 5
De eik bij Dalfsen
Het werd lente. De struiken in de wijk begonnen uit te lopen, het gras werd groen en mensen haalden hun tuinmeubels weer naar buiten. Iedereen leek op te luchten na de donkere wintermaanden. Voor mij werd het alleen maar zwaarder.
In het begin vroegen mensen nog hoe het ging. Bij de supermarkt, op het werk, bij de bakker. 'Houd je het een beetje vol, Dennis?' 'Sterkte nog, hè jongen.'
Maar na drie, vier maanden stopte dat. Mensen gaan door. Ze denken dat rouw een griepje is: je ligt even plat, je bent een tijdje bleekjes, en daarna pak je de draad weer op. 'De tijd heelt alle wonden,' zei een buurman laatst toen hij zijn heg stond te knippen. Ik had hem bijna over zijn eigen coniferen getrokken.
Tijd heelt helemaal niks. Tijd zorgt er alleen voor dat de wond bedekt raakt met een dun laagje eelt, maar daaronder blijft het ontstoken en etteren.
Thuis werd de sfeer onhoudbaar. Sanne probeerde van alles. Ze kookte mijn favoriete eten, stelde voor om een weekendje naar zee te gaan, probeerde me aan het praten te krijgen. Maar ik sloot me af als een bunker. Ik dronk te veel bier 's avonds. Niet gezellig met vrienden, maar alleen in de schuur, zittend op een oude tuinstoel tussen de fietsen en de verfpotten. Vier, vijf zware jongens, net genoeg om mijn hoofd wazig te maken zodat ik kon slapen zonder die rottige dromen.
Op een zaterdagnacht in mei – het was bijna zes maanden na het ongeluk – kon ik het niet meer uithouden. Sanne sliep. Ik had drie blikken bier op en de muren van de woonkamer kwamen op me af. De lucht voelde dik en verstikkend.
Ik pakte mijn autosleutels. Zonder na te denken stapte ik in mijn wagen en reed de straat uit. De stad was stil. Het was twee uur 's nachts. De klok op het dashboard gloeide groen.
Ik reed Zwolle uit, richting Dalfsen. De weg werd donkerder. Geen lantaarnpalen meer, alleen de witte strepen op het asfalt die in mijn koplampen opdoken en weer verdwenen. De bomen stonden dicht op de weg, hun bladeren ritselden in de zachte lentewind.
Ik wist precies waar het was, ook al was ik er nooit geweest. Ik herkende de bocht uit de politierapporten. Een flauwe bocht naar links, vlak voor de spoorlijn.
Ik zette de auto op de berm met de alarmlichten aan. De gele lichten flitsten ritmisch over de boomstammen. *Klik-klak. Klik-klak.*
Ik stapte uit. De nachtlucht was zacht en rook naar vochtige aarde en bloeiend fluitenkruid. Ik liep de berm in. Mijn schoenen zakten weg in het lange gras.
Daar stond hij. Een enorme, oude eik.
Aan de kant van de weg was de bast weggeslagen. Een groot, lichter stuk hout was zichtbaar, een diepe littekenwond in de stam, ongeveer ter hoogte van een autobumper. Eromheen zaten zwarte schroeiplekken. Op de grond lagen verweerde bloemen in vergaan cellofaan, neergelegd door vrienden vlak na het ongeluk, nu veranderd in een bruine, natte massa.
Ik legde mijn hand op het kale hout van de boom. Het voelde ruw en koud aan.
'Hier dan,' zei ik hardop. Mijn stem klonk belachelijk klein in het grote, donkere bos.
Hier had Martijn zijn laatste adem uitgeblazen. Terwijl ik thuis met mijn bord op schoot naar Ajax zat te kijken. Hier was het metaal van zijn auto om deze boom gevouwen. En waarom? Waarom reed hij hier midden in de nacht?
De alcohol en de opgekropte ellende van zes maanden braken opeens door de dam heen. Ik stompte met mijn vuist tegen de stam. Eén keer, twee keer. De bast schaafde mijn knokkels open. Ik voelde de pijn niet, alleen de woede.
'Waarom belde je me dan?!' schreeuwde ik naar de boom. 'Waarom bleef je niet thuis, klootzak?! Waarom liet je me niet gewoon met rust, of waarom zorgde je niet dat ik opnam?!'
Ik zakte door mijn knieën in het natte gras. Mijn voorhoofd rustte tegen de ruwe eik. En toen begon ik te huilen. Niet zachtjes, niet beheerst, maar met rauwe, lelijke uithalen die uit het diepste van mijn maag kwamen. Ik jankte als een aangeschoten dier. Ik huilde om Martijn, om zijn stomme lach, om zijn eeuwige gehaast, om het feit dat ik hem nooit meer zou zien binnenvallen met zwarte vegen smeerolie op zijn wangen.
En ik huilde van schuld. De allesoverheersende, giftige schuld die me langzaam kapotmaakte.
'Het was mijn schuld,' snikte ik in het donker. 'Ik had moeten opnemen. Ik had gewoon moeten opnemen.'
Er kwam geen antwoord. Alleen de wind door de eikenbladeren en in de verte het suizen van een goederentrein over het spoor. De boom bleef staan waar hij stond. Onverschillig. Het kon de boom niks schelen wie ertegenaan reed. En het kon de nacht niks schelen wie er leefde of stierf.
Hoofdstuk 6
De gereedschapskist van Koen
De volgende ochtend werd ik wakker op de bank. Sanne zat aan de salontafel met een beker koffie. Ze keek me aan. Haar ogen stonden ernstig, maar niet boos. Ze had gezien hoe ik om vier uur vannacht was binnengekomen: nat gras aan mijn broek, bloed op mijn knokkels, kapot van het janken.
'Ga je me nu vertellen wat er aan de hand is?' vroeg ze rustig. 'En zeg niet dat het niks is. Want als je nu niks zegt, Dennis, dan weet ik niet hoe we verder moeten.'
Ik keek naar mijn handen. De schrammen op mijn vingers waren zwart van het opgedroogde bloed. De leugen was op. Mijn energie om te doen alsof was helemaal op.
En dus vertelde ik het. Alles.
Ik vertelde over die vrijdagavond. Over de veertien over elf. Over het oplichtende schermpje. Hoe ik hem over had laten gaan omdat ik moe was en geen zin had in gezeur. Hoe ik hem omdraaide. En over die drieëndertig minuten tot het ongeluk.
Toen ik klaar was, durfde ik haar niet aan te kijken. Ik verwachtte afkeer. Ik verwachtte dat ze zou zeggen wat ik al die maanden tegen mezelf had gezegd: *Hoe kon je zo egoïstisch zijn?*
In plaats daarvan voelde ik haar armen om me heen. Ze trok me tegen zich aan. Ze huilde zachtjes.
'O, lieve schat,' fluisterde ze in mijn nek. 'Wat heb jij jezelf aangedaan al die tijd. Waarom heb je dit alleen gedragen?'
'Omdat het zo ís,' bracht ik ertegenin, terwijl ik me verzette tegen haar troost. 'Als ik had opgenomen, had hij hier nu gezeten. Dan was hij niet in die auto gestapt.'
'Dat weet je helemaal niet, Dennis,' zei ze beslist. Ze pakte mijn gezicht vast en dwong me haar aan te kijken. 'Dat weet je helemaal niet. Je vult alles in omdat je denkt dat je de controle had. Maar je had geen controle.'
Die middag stuurde ze me naar Koen. Koen was de eigenaar van de fietsen- en brommerzaak waar Martijn werkte. Hij was ook degene die Martijn die vrijdagavond als laatste levend had gezien.
Koen stond in zijn werkplaats toen ik binnenliep. De geur van rubber en ontvetter bracht me meteen weer terug. Koen veegde zijn handen af aan een blauwe poetslap toen hij me zag.
'Dennis,' zei hij verbaasd. 'Wat goed om je te zien, man. Koffie?'
We gingen zitten op twee krukken in zijn rommelige kantoortje. Koen gaf me een mok zwarte koffie. Ik draaide er niet omheen. Ik kon het niet meer.
'Koen,' zei ik. 'Die vrijdagavond. Weet jij waar Martijn heen ging toen hij bij jou wegging?'
Koen fronste zijn wenkbrauwen. Hij dacht even na. 'Ja, natuurlijk weet ik dat. We waren tot een uur of tien aan het sleutelen aan een oude Zündapp die hij had gekocht. Hij was zo trots als een pauw op dat ding.'
'Maar waar ging hij daarna heen? Waarom zat hij rond middernacht op die weg bij Dalfsen?'
Koen keek me vreemd aan. 'Wist je dat dan niet? Martijn had een partij originele onderdelen gevonden via Marktplaats. Een vent in Nieuwleusen had een schuur leeggeruimd. Martijn had afgesproken dat hij die spullen nog even snel kon ophalen die avond, omdat die kerel de volgende ochtend vroeg op vakantie ging naar Spanje.'
Ik voelde de grond onder me bewegen. 'Hij ging onderdelen halen?'
'Ja,' knikte Koen. 'Hij had haast, want het was al laat. Hij had zelfs de aanhanger van de zaak achter zijn Golf gehangen. Hij had er zin in. Hij riep nog: "Morgen bouwen we hem af, Koen!"'
Ik staarde naar mijn koffie. 'Hij belde mij om veertien over elf,' zei ik zacht. 'Twee keer.'
Koen knikte langzaam, alsof er een kwartje viel. 'Klopt. Dat zei hij nog voor hij de deur uitliep. Hij zei: "Ik bel Dennis zo even. Die heeft nog zo’n zware momentsleutel liggen die ik nodig heb voor het blok. Als hij opneemt, wip ik er vannacht nog even langs om hem op te pikken, dan kan ik morgen direct aan de slag."'
Koen leunde naar voren en legde zijn zware hand op mijn knie. 'Heeft hij je niet te pakken gekregen?'
'Nee,' fluisterde ik. 'Ik nam niet op.'
'Nou,' zei Koen nuchter, met de harde eenvoud van een werkman. 'Dan heeft hij gewoon gas gegeven richting Nieuwleusen. Martijn kennende wilde hij die spullen per se hebben. Die liet zich door niemand tegenhouden als hij iets in zijn kop had.'
Ik zat roerloos op mijn kruk.
Al die maanden. Al die verwoestende nachten waarin ik mezelf had voorgehouden dat Martijn belde in diepe nood, dat hij een schreeuw om hulp gaf, dat hij op de rand van de afgrond stond en dat ik het touw had doorgeknipt.
Hij zocht gewoon een momentsleutel. Hij was vrolijk geweest. Hij was bezig met zijn hobby. Hij was onderweg naar een partij oude brommeronderdelen.
Het nam het verdriet niet weg. Het maakte hem niet minder dood. Maar de giftige angel van de schuld, die monsterlijke gedachte dat ik zijn doodvonnis had getekend door de telefoon te laten gaan, werd met een paar simpele zinnen uit mijn lijf getrokken. Het was een ongeluk. Een stom, oneerlijk, willekeurig ongeluk door regen, een plas water en een gladde weg. Geen noodlot dat ik had kunnen bezweren.
Hoofdstuk 7
Geen kalender
Het is november. Precies een jaar na die telefoontjes.
Mensen zeiden het afgelopen jaar vaak tegen me: 'Het eerste jaar is het zwaarste. Als je alle seizoenen, zijn verjaardag en de feestdagen een keer hebt gehad, wordt het beter.'
Het is goedbedoelde onzin. Rouw heeft geen kalender. Er is geen magische datum waarop een schakelaar omgaat en je weer de oude bent. De eerste verjaardag zonder Martijn was zwaar, ja. Maar een willekeurige dinsdag in september, toen ik in het magazijn van de groothandel stond en een gast met precies dezelfde hese lach als Martijn een grap hoorde maken, was tien keer zwaarder. Ik moest tussen de stellingen met pvc-buizen gaan staan tot het kokende gevoel in mijn borst weer wegzakte.
Rouw houdt zich niet aan dagen, maanden of jaren. Het overvalt je in de file, onder de douche, of als je op een zondagmiddag een pak koffie opent. Het slijt niet zoals een remblok slijt; gelijkmatig en voorspelbaar. Het brokkelt af in grillige stukken.
Vandaag heb ik vrij genomen van mijn werk. Sanne stelde voor om iets leuks te gaan doen, maar ik wilde naar buiten. Alleen. Ze begreep het meteen. Ze kent me inmiddels beter dan ik mezelf ken. We hebben overleefd, zij en ik. De afstand tussen ons, die maandenlang als een dikke betonnen muur in de kamer stond, is langzaam afgebroken. Omdat ik ben gaan praten. Schokkerig, onhandig en vaak met lange stiltes, maar ik praat.
Ik loop langs de IJssel, ten noorden van Zwolle. De wind waait stevig over de uiterwaarden. Het water in de rivier is grauw en kolkt snel naar het noorden. De wilgen langs de oever zijn bijna al hun bladeren kwijt. Het landschap is kaal, open en eerlijk. Precies zoals ik het prettig vind.
Ik steek mijn handen diep in de zakken van mijn werkjas. In mijn rechterzak voel ik mijn telefoon. Hij is stil.
Ik mis Martijn. Elke dag. Het gemis is niet kleiner geworden dan twaalf maanden geleden. Het is nog steeds even groot en even diep. Maar de vorm is veranderd. In het begin was het een scherp stuk glas dat bij elke ademhaling in mijn zij sneed. Nu voelt het meer als een zware steen in mijn rugzak. Ik loop ermee, ik voel het gewicht bij elke stap, maar mijn benen zijn sterk genoeg geworden om het te dragen.
Ik ben niet meer kwaad op Henk. Ik ben niet meer kwaad op de buurman met zijn heg. Ik ben zelfs niet meer kwaad op mezelf. Ik heb geleerd om te accepteren dat er momenten in het leven zijn waarop je de controle gewoon kwijt bent. Je kunt storingsmonteur zijn, je kunt elk lek ter wereld dichten, maar sommige dingen breken zonder dat iemand het kan repareren. Sommige kranen draai je niet meer dicht.
Ik blijf staan bij een krib die de rivier in steekt. De golven slaan met doffe klappen tegen de basaltblokken. Wit schuim spat omhoog en verdwijnt weer in de stroom.
Ik haal mijn telefoon uit mijn zak. Ik open de fotogalerij. Helemaal onderaan, tussen foto's van gesprongen waterleidingen en een verbouwing in de keuken, staat een foto van Martijn. Hij staat naast zijn werkbank, met een peuk in zijn mondhoek en een steeksleutel in zijn hand. Hij kijkt lachend in de camera, zijn ogen half dichtgeknepen tegen de rook. Hij ziet er levend uit. Jong, eigenwijs en vol plannen.
'Hé Tien,' zeg ik zachtjes tegen het scherm.
Er komt geen antwoord. Alleen het suizen van de wind over de rivier en het gekrijs van een meeuw hoog boven de uiterwaarden.
Ik berg de telefoon weer op en rits mijn jas dicht tegen de kou. Ik draai me om en loop terug over het dijkpad, naar huis, waar Sanne op me wacht met koffie. Het leven is niet meer hetzelfde als vroeger. Het zal ook nooit meer hetzelfde worden. Maar het gaat verder. Zonder kalender, stap voor stap, door de modder en door de kou, tot de zon weer een beetje doorkomt.