Naar de inhoud
Terug naar het boek

Mantelzorg en ouder worden

Papa weet mijn naam niet meer

Bevat beschrijvingen van ziekte en zorg aan het levenseinde.

Hoofdstuk 1

De sleutels in de vriezer

Mijn naam is Sanne. Ik ben tweeënveertig jaar en ik woon in Gouda. Ik werk vier dagen per week op de administratie van een woningcorporatie. Tot voor kort dacht ik dat ik mijn leven aardig op de rit had. Twee opgroeiende kinderen, een drukke baan, een klein sociaal leven. En mijn vader, Henk. Papa is zesenzeventig. Hij werkte zijn hele leven als timmerman. Hij kon alles maken met zijn handen. Als er bij mij thuis een deur klemde of een kraan lekte, hoefde ik maar te bellen. Binnen een uur stond hij op de stoep met zijn versleten leren gereedschapskist.

Maar vier jaar geleden overleed mijn moeder. Vanaf dat moment begon het zand langzaam weg te glippen. In het begin leek het gewoon verdriet. Hij vergat een afspraak bij de tandarts. Hij liet een rekening van de energiemaatschappij liggen. Heel normaal, dacht ik. Hij was vijftig jaar getrouwd geweest en mama deed altijd de papieren.

Het echte alarm ging pas af op een dinsdagmiddag in november. Ik zat net in een overleg op mijn werk over huurachterstanden toen mijn telefoon trilde. Het nummer was van buurvrouw Truus, de overbuurvrouw van mijn vader in Woerden. Truus belde me nooit zomaar.

'Sanne, lieverd,' zei ze met een trillende stem. 'Je moet even komen. Je vader staat in zijn pyjamajas in de voortuin. Hij probeert het tuinpad te vegen met een stoffer en blik. Het regent pijpenstelen.'

Ik liet mijn spullen vallen, meldde me af bij mijn teamleider en sprong in de auto. De rit van Gouda naar Woerden duurt normaal twintig minuten. Die middag leek elke minuut een uur te duren. De ruitenwissers sloegen ritmisch tegen het raam. Mijn handen klam om het stuur.

Toen ik de straat in reed, zag ik hem al staan. Hij had zijn pyjamajas aan, een oude spijkerbroek en geen schoenen. Alleen grijze sokken die kletsnat waren van de straatstenen. Zijn haar zat warrig en zijn schouders hingen naar voren.

'Pap,' riep ik toen ik de autodeur dichtsloeg. 'Wat doe je nou?'

Hij keek op. Zijn ogen stonden dof, alsof hij door me heen keek. 'Het blad moet weg, Sanne,' zei hij nuchter. 'Anders slippen de mensen uit. Ik moet zo de bus halen naar de werkplaats.'

De werkplaats. Hij was al dertien jaar met pensioen.

Ik pakte hem bij zijn arm. Zijn huid voelde ijskoud aan. 'Kom, pap. We gaan naar binnen. Het is veel te koud.'

Binnen sloeg de geur me meteen op de adem. Een weeïge lucht van oud eten en gas. Op het aanrecht stond een pannetje soep dat drooggekookt was. De zwarte korst zat vastgekoekt aan de bodem. De knop van het gasfornuis stond nog half open. Ik draaide hem met een ruk dicht en zette direct een raam open.

'Waar zijn je schoenen, pap?' vroeg ik terwijl ik hem naar de woonkamer leidde en een deken over zijn schouders legde.

'In de kast natuurlijk,' zei hij bits. Hij leek ineens weer een beetje wakker te worden. Zijn vertrouwde, koppige blik kwam terug. 'Bemoei je niet overal mee. Ik weet heus wel wat ik doe.'

Ik zocht naar zijn schoenen. Ze stonden niet in de gang. Ze stonden niet onder de kapstok. Uiteindelijk vond ik ze in de badkamer, netjes opgeborgen in de wasmand. Maar dat was nog niet alles. Toen ik een beker melk voor hem wilde inschenken om hem op te warmen, deed ik de vriezer open om te kijken of er nog brood in lag. Bovenop een bevroren doos kroketten lagen zijn huissleutels en zijn portemonnee.

Ik pakte de bevroren bos sleutels vast. Het metaal plakte aan mijn vingers van de kou. Ik keek naar de sleutels, en toen naar de gang waar mijn vader op de bank zat te rillen onder zijn deken. Mijn maag kromp ineen. Dit was geen gewone vergeetachtigheid meer. Dit was geen verdriet om mama. Dit was het begin van een glijbaan die alleen maar naar beneden ging. En ik stond bovenaan, helemaal alleen.

Hoofdstuk 2

De nachtelijke ritten

Binnen twee maanden veranderde mijn leven in een permanente militaire operatie. De diagnose kwam sneller dan verwacht: gemengde dementie. Een combinatie van alzheimer en kleine infarcten in zijn hersenen. De geriater in het ziekenhuis had het rustig uitgelegd met een plaatje van een brein erbij. Hij wees op donkere vlekken. 'Mevrouw de Jong, uw vader raakt het overzicht kwijt. Zijn decorum verdwijnt. U moet zich voorbereiden op achteruitgang.'

Voorbereiden. Hoe doe je dat? Niemand vertelt je hoe het voelt als de nachten verdwijnen.

Papa sliep overdag en waakte ’s nachts. Zijn biologische klok was volledig stuk. En omdat hij het verschil tussen dag en nacht niet meer wist, belde hij me. Niet één keer, maar vijf, zes, soms acht keer per nacht.

De eerste keer dat de vaste lijn ging, was het kwart over drie. Ik schrok rechtop in bed, mijn hart bonzend in mijn keel. Je denkt meteen aan een hartaanval. Aan brand. Aan de dood.

'Met Sanne,' zei ik met een hese stem.

'Sanne? Met pa. Waar zijn de tekeningen van het kozijn voor de familie De Wit gebleven? Ik moet om zeven uur beginnen en ik kan die map nergens vinden.'

Ik wreef over mijn ogen. De wekker gaf 03:17 aan. 'Pap, je bent thuis. Je hoeft niet te werken. Het is midden in de nacht.'

'Praat geen onzin,' snauwde hij. 'Het is licht buiten!'

Hij keek natuurlijk naar de lantaarnpaal voor zijn raam. Het kostte me twintig minuten om hem te kalmeren. Toen ik ophing, lag ik klaarwakker. Mijn spieren stonden strak. Tegen de tijd dat ik weer indoezelde, ging de telefoon opnieuw. Kwart over vijf. Hij kon zijn sokken niet vinden.

Na twee weken van dit regime liep ik rond als een zombie. Mijn ogen brandden overdag van vermoeidheid. Op mijn werk maakte ik stomme fouten. Ik zette facturen op de verkeerde dossiers. Ik vergat terug te bellen. Als collega's vroegen hoe het ging, zei ik: 'Ja, druk, maar het gaat wel.' Je wilt geen zeikerd zijn. Iedereen heeft het druk.

Op een donderdagnacht in januari ging de telefoon niet, maar kreeg ik een melding van de buren. Truus belde me om twee uur op mijn mobiel. 'Sanne, de voordeur bij je vader staat wijd open. Het licht brandt in de gang, maar hij is niet binnen.'

De paniek schoot als ijskoud water door mijn aderen. Ik trok een joggingbroek aan over mijn pyjama, gooide een jas over mijn schouders en rende naar beneden. Buiten vroor het twee graden. De autoruiten waren bedekt met een dikke laag ijs. Met trillende handen krapte ik een klein luikje open op de voorruit. Ik kon niet wachten tot de kachel warm werd. Ik trapte het gas in.

De weg tussen Gouda en Woerden was leeg. Donker asfalt, mistbanken boven de weilanden. Ik reed te hard. Tachtig waar je zestig mocht, honderd waar je tachtig mocht. Mijn kaken klemden zo hard op elkaar dat mijn kiezen zeer deden. 'Als hij maar niet in het water ligt,' herhaalde ik in mijn hoofd. 'Laat hem alsjeblieft niet in de singel zijn gevallen.'

Toen ik Woerden binnenreed, zag ik een blauw zwaailicht in de verte. Mijn hart sloeg een slag over. Een politieauto stond stil bij de rotonde vlakbij het station. Naast de wagen stond mijn vader. Hij had zijn winterjas aan, maar daaronder alleen zijn onderbroek. Zijn blote benen waren roodpaars van de vrieskou.

Een jonge agente hield een warme deken om hem heen geslagen. Mijn vader gebaarde wild met zijn armen. Hij was woedend.

Ik zette mijn auto schuin op de stoep en sprong eruit. 'Pap!'

De agent stapte naar voren. 'Bent u de dochter?'

'Ja, Godzijdank. Dank u wel.' Mijn stem brak. Ik boog me voorover en moest bijna overgeven van de pure ontlading.

'Hij liep midden op de rijbaan,' zei de agent zacht. 'Hij zei dat hij de trein naar Amsterdam moest halen. Omdat zijn moeder op hem wachtte.'

Zijn moeder. Mijn oma. Die was al dertig jaar dood. Ik keek naar papa. Hij keek me aan met een mengeling van trots en angst. 'Ze laten me niet door, Sanne,' zei hij met een bibberende lip. 'Zeg er eens wat van. Ik kom te laat voor het eten.'

Ik pakte zijn ijskoude hand. Er zat zwarte modder onder zijn nagels. 'We gaan naar huis, pap,' zei ik zacht. 'Het eten is al klaar.'

In de auto terug naar zijn huis zweeg hij. Ik zette de verwarming op de hoogste stand. De lucht in de auto werd verstikkend heet, maar ik rilde nog steeds over mijn hele lichaam. Ik wist toen al: dit hou ik niet vol. Dit red ik niet in mijn eentje. Maar er was niemand anders.

Hoofdstuk 3

De stille oorlog tegen de rotzooi

De thuiszorg kwam. Twee keer per dag, een kwartier. 's Ochtends om hem te helpen met wassen en aankleden, 's avonds om zijn medicijnen aan te reiken. Op papier klonk het fantastisch. In werkelijkheid was het een ramp.

Papa liet ze niet binnen. Hij draaide de voordeur op het nachtslot en weigerde open te doen. Toen een jonge verpleegkundige via het sleutelkastje toch naar binnen kwam, had hij met zijn wandelstok naar haar gezwaaid. 'Wat moet jij in mijn huis, brutale meid? Eruit!' had hij geschreeuwd. Het zorgbureau belde me meteen op: als meneer agressief bleef, konden ze de veiligheid van hun medewerkers niet garanderen. Dan werd de zorg gestaakt.

Dus ging ik zelf weer. Elke dag. Vóór mijn werk reed ik van Gouda naar Woerden om hem uit bed te trekken, zijn pap te maken en te zorgen dat hij zijn pillen slikte. Na mijn werk reed ik weer terug om te koken, de was te doen en de post weg te werken.

Zijn huis, dat vroeger altijd rook naar boenwas en vers gezaagd hout, begon langzaam te veranderen in een hol. Er hing een penetrante geur die ik niet meer wegkreeg, hoe hard ik ook boende. Een mengsel van urine, overrijp fruit en oude kleren.

Op een zaterdagmiddag kwam ik binnen met boodschappentassen. Het was stil in huis. Papa zat in zijn vaste leunstoel voor het raam, starend naar een uitgeschakelde televisie. Zijn broek zat onder de vlekken.

'Hoi pap,' zei ik zo opgewekt mogelijk. Ik zette de tassen op het aanrecht. 'Ik heb lekkere soep meegenomen. En krentenbollen.'

Hij reageerde niet. Hij bewoog alleen met zijn duimen, die over elkaar heen draaiden. Een tikkende beweging die hij de laatste tijd steeds vaker maakte.

Ik liep naar de keuken om de koelkast uit te ruimen. Wat ik daar vond, deed me kokhalzen. Tussen de plastic bakjes lag een pakje gehakt dat drie weken over de datum was. Het vlees was grijsgroen verkleurd en de verpakking stond bol van de gassen. Daarnaast lag een half opgedronken pak melk dat open was gaan schimmelen. In de groentela vond ik een stapel ongeopende brieven van de bank, doorweekt van het vocht van een rotte komkommer.

Ik begon de troep in een vuilniszak te gooien. Mijn bewegingen werden steeds harder, nijdiger. Ik smeet de deurtjes dicht. Waarom kon hij niet gewoon meewerken? Waarom at hij dit soort dingen op? Waarom kon hij niet gewoon één keer zeggen: dank je wel, Sanne?

Toen ik naar de wc liep om een emmer water te vullen, zag ik dat het toilet verstopt zat. De randen waren bruin. Er lag een hele rol toiletpapier in de pot gepropt, samen met een paar oude washandjes. Het water stond tot aan de rand.

Dat was het moment dat er iets knapte.

Ik liet de vuilniszak vallen en zakte op mijn knieën op de koude vloertegels van de gang. Ik begon te huilen. Geen zacht huilen, maar een rauw, hikkend geluid dat diep uit mijn buik kwam. Ik sloeg met mijn vuist tegen de houten deurpost. 'Verdomme,' schreeuwde ik tegen niemand. 'Verdomme, pap!'

Papa kwam langzaam de gang in geschuifeld. Zijn sokken sleepten over het linoleum. Hij bleef staan en keek op me neer. Zijn gezicht was volkomen leeg. Geen medelijden, geen schrik, geen herkenning van mijn verdriet.

'Waarom maak je zoveel lawaai?' vroeg hij streng. Alsof ik een klein kind was dat een driftbui had in een supermarkt. 'Je maakt de buren wakker met dat kabaal. Ruim die troep liever eens op.'

Ik keek omhoog naar hem. De man die me vroeger leerde fietsen. De man die me troostte toen mijn eerste vriendje het uitmaakte. De man die me opving als ik viel. Die man was weg. Er stond een vreemde, oude man in zijn kleren, die boos op me werd omdat ik zijn overstroomde wc probeerde schoon te maken.

'Ga zitten, pap,' zei ik hees, terwijl ik de tranen met de mouw van mijn trui wegveegde. Mijn stem klonk hol en leeg.

'Ik bepaal zelf wel waar ik ga zitten,' zei hij. Maar hij draaide zich toch om en slofte terug naar zijn stoel.

Ik pakte een paar rubberen handschoenen. Ik stak mijn handen in de verstopte toiletpot om het natte papier en de bevuilde washandjes eruit te trekken. De geur was ondraaglijk. Ik ademde door mijn mond. Terwijl ik daar op de grond zat, tussen de vuiligheid van mijn eigen vader, voelde ik hoe de laatste restjes energie uit mijn lijf weglekten. Mijn batterij was niet leeg. Hij was kapot.

Hoofdstuk 4

Wie bent u eigenlijk?

Het ergste aan dementie is niet het fysieke werk. Het is niet het poetsen, het regelen, het koken, of het rennen tussen twee steden. Het ergste is het moment dat de lijn tussen jou en je ouder definitief doormidden wordt geknipt.

Het gebeurde op een zondagmiddag in maart. Het was een van die spaarzame dagen dat de zon scheen en de lucht strakblauw was. Ik had besloten om hem mee naar buiten te nemen voor een klein wandelingetje naar het park. Even frisse neus halen. Even weg uit dat benauwde huis.

Toen ik binnenkwam, zat hij aan de keukentafel. Hij had zijn zondagse colbert aan, maar over een vies ondershirt. Hij was bezig met het fijnknijpen van een beschuitje. De kruimels lagen over de hele tafel en op de vloer.

'Dag pap,' zei ik vrolijk. Ik forceerde de vrolijkheid in mijn stem. Dat deed ik tegenwoordig altijd. Een soort masker van opgewektheid dat ik opzette zodra ik de voordeur opendeed.

Hij keek niet meteen op. Hij bleef naar de kruimels staren. Pas toen ik zijn jas van de kapstok pakte en vroeg of hij mee naar buiten ging, draaide hij zijn hoofd langzaam naar me toe.

Er zat een vreemde spanning in zijn blik. Zijn ogen werden smal. Hij schoof zijn stoel een stukje naar achteren, weg van mij.

'Wat doet u hier?' vroeg hij.

Zijn stem klonk niet boos, maar achterdochtig. Heel formeel. Hij zei 'u'. Dat had hij nog nooit gedaan.

Ik lachte ongemakkelijk. 'Pap, doe niet zo gek. Ik ben het. Sanne.'

Hij bleef me aanstaren. Er bewoog geen spier in zijn gezicht. Hij keek naar mijn haar, naar mijn jas, naar mijn tas op het aanrecht. 'Sanne?' herhaalde hij het woord, alsof het een term was in een vreemde taal die hij ooit op school had geleerd, maar waarvan hij de betekenis was vergeten.

'Ja, je dochter,' zei ik. Ik stapte dichterbij en wilde mijn hand op zijn schouder leggen.

Zijn reactie was fel. Hij deinsde met een ruk achteruit en sloeg mijn hand weg. 'Raak me niet aan!' riep hij schril. Zijn ademhaling ging snel. 'Ik ken u helemaal niet. Wie bent u? Hoe komt u in mijn huis?'

Mijn arm bleef in de lucht hangen. Het voelde alsof iemand me met een hamer in mijn borstkas had geslagen. De lucht werd in één klap uit mijn longen geperst.

'Pap, kijk naar me,' smeekte ik. Mijn stem begon te trillen, het masker viel aan stukken. 'Kijk goed. Ik ben het toch? Sanne. Je hebt mijn wiegje nog getimmerd. We gingen vroeger altijd samen vissen bij de Oude Rijn. Weet je dat nog?'

Hij stond op. Hij wankelde een beetje op zijn benen, maar hield zich vast aan de tafelrand. Zijn knokkels werden wit. De angst in zijn ogen sneed dieper dan welke belediging ook. Hij zag geen dochter. Hij zag een inbreker. Een gevaarlijke vrouw die zomaar in zijn keuken stond en deed alsof ze hem kende.

'U liegt,' zei hij zacht, maar met een giftige ondertoon. 'U probeert me te bedriegen. Iedereen probeert me te bestelen. Waar zijn mijn papieren? Waar heeft u mijn geld gelaten?'

'Pap, alsjeblieft...' De tranen brandden achter mijn ogen, maar ik weigerde ze te laten vallen. Niet nu.

'Wegwezen,' beet hij me toe. Hij wees met een trillende vinger naar de voordeur. 'Ga weg uit mijn huis, voor ik de politie bel. Vrouwmens. Eruit!'

Ik deed een stap achteruit. Toen nog een. Ik pakte mijn tas van het aanrecht. Mijn handen beefden zo erg dat ik mijn autosleutels liet vallen. Het geluid van de kletterende sleutels op het zeil deed hem ineenkrimpen. Hij pakte een zware porseleinen theepot van tafel en hield die omhoog, klaar om te gooien als ik dichterbij zou komen.

'Ik ga al,' bracht ik uit. 'Ik ga al.'

Ik liep de gang door, trok de voordeur achter me dicht en hoorde direct hoe hij aan de binnenkant de grendel erop schoof. Het metaalachtige *klik-klak* klonk als een vonnis.

Ik liep naar mijn auto, ging achter het stuur zitten en staarde door de voorruit naar zijn huis. De gordijnen bewogen. Hij stond achter het raam, loerend tussen de plooien door, om te controleren of de indringer echt weg was.

Hij wist niet meer wie ik was.

Vier decennia van herinneringen. Verjaardagen, strandvakanties, verhuizingen, het overlijden van mama, zondagochtenden met pannenkoeken. Alles wat we samen hadden gedeeld, bestond alleen nog maar in mijn hoofd. Voor hem was ik een vreemde geworden. Een gevaar.

Ik legde mijn voorhoofd op het stuur en voelde een leegte die zo diep en donker was dat ik dacht dat ik erin zou verdrinken. Ik had mijn vader nog, maar ik was mijn vader kwijt.

Hoofdstuk 5

De knik in de kabel

Na die zondag ging het hard achteruit. Met hem, maar vooral met mij. Mijn lichaam begon op te geven. Als je te lang onder hoogspanning staat, branden de zekeringen door. Zo simpel is het.

Ik sliep niet meer. Zelfs als papa een nacht niet belde, schrok ik elk uur wakker. Ik dacht steeds dat ik de telefoon hoorde. Fantoomgeluiden. Mijn oren suisden constant. Overdag op mijn werk zat ik naar mijn beeldscherm te staren en las ik dezelfde e-mail tien keer over zonder dat de woorden binnenkwamen. Mijn maag zat permanent op slot; ik leefde op zwarte koffie en droge crackers.

Mijn kinderen merkten het natuurlijk ook. Mijn dochter van veertien vroeg op een avond: 'Mam, waarom ben je altijd zo boos?'

Ik was niet boos. Ik was doodop. Maar een uitgeput mens reageert als een gewond dier: kortaf, scherp, defensief. Ik snauwde om een rondslingerende schooltas. Ik barstte in huilen uit toen een pak melk omviel op het aanrecht. Het voelde alsof ik constant een zware rots een steile berg op duwde, en de rots werd met de dag zwaarder.

Het dieptepunt kwam op een regenachtige dinsdagochtend in april.

Ik had weer een nacht gehad van amper drie uur slaap. Papa was om half vier gaan dwalen door de straat en de politie had hem weer thuisgebracht. Ik was om vier uur in de auto gesprongen om de boel te sussen. Om zeven uur was ik weer thuis om broodtrommels klaar te maken voor de kinderen. Om acht uur zat ik weer in de auto, op weg naar kantoor.

Ik reed op de N207 richting Gouda. Het verkeer stond zoals gewoonlijk vast in de ochtendspits. Rijen auto’s, rode remlichten, opspattend water van vrachtwagens. De ruitenwissers bewogen heen en weer met een eentonig, slaapverwekkend geluid: *wop-wop, wop-wop*.

Mijn oogleden werden zwaar. Ik knipperde een keer. Twee keer. Ik zette de radio harder om wakker te blijven. Een vrolijk popliedje schalde door de speakers, maar het leek van heel ver te komen.

En toen sloot ik mijn ogen. Maar een seconde, dacht ik later. Een fractie van een moment.

Een harde knal. Het geluid van brekend glas en krakend metaal.

Mijn hoofd schoot naar voren en werd met een ruk tegengehouden door de veiligheidsgordel. De luchtbel van de airbag klapte met een doffe dreun open in mijn gezicht, gevuld met een stinkend wit poeder. Mijn auto tolde een kwartslag en kwam met een harde klap tot stilstand tegen de vangrail.

Het was muisstil. Alleen de motor sloeg nog een paar keer over voor hij afsloeg.

Ik zat roerloos in de stoel. Mijn borstkas deed pijn van de gordel. Het poeder van de airbag prikte in mijn ogen en neus. Buiten zag ik het verkeer stilstaan. Een man in een geel hesje kwam rennend op mijn auto af, zwaaiend met zijn armen. Hij trok aan mijn portier.

'Mevrouw! Mevrouw, gaat het? Kunt u me horen?'

Ik keek naar hem door het gebarsten zijraam. Ik voelde geen paniek. Ik voelde geen schrik. Het enige wat ik voelde, was een enorme, verpletterende rust. De auto stond stil. De motor deed het niet meer. Ik kon nergens meer heen. Ik hoefde even nergens heen.

Ik had een kop-staartbotsing veroorzaakt. Ik was achterop een bestelbusje geknald omdat ik achter het stuur in slaap was gevallen.

De ambulance kwam. De politie kwam. Ze checkten mijn bloeddruk, mijn hartslag, keken met een lampje in mijn ogen. Lichamelijk had ik niets, behalve een zere schouder en een paar blauwe plekken. Maar toen de ambulancebroeder op vriendelijke toon vroeg: 'Mevrouw de Jong, wat is er gebeurd?', kon ik geen woord uitbrengen.

Ik begon niet te huilen. Ik klapte gewoon dicht. Ik zat op de rand van de ambulancebrancard en begon ongecontroleerd te trillen. Mijn tanden klapperden op elkaar alsof ik in een wak was gevallen. De broeder legde een hand op mijn schouder. 'Het is op, hè?' zei hij zacht. Hij kende die blik blijkbaar.

Ik knikte alleen maar. Het was op. De knik zat in de kabel. Als ik nu niet stopte met zorgen, zou ik mezelf kapotrijden. En dan hadden mijn kinderen geen moeder meer, en mijn vader nog steeds geen hulp.

Hoofdstuk 6

De gesloten deur

Mijn huisarts greep direct in. 'Crisisopname,' zei ze diezelfde middag nog, terwijl ze mijn hand vasthield in haar spreekkamer. 'Dit kan niet meer, Sanne. Niet nog een week. Niet nog een dag. Als je hem nu niet laat opnemen, lig jij over twee weken op de psychiatrische afdeling of in het mortuarium.'

De bureaucratie die normaal maanden duurt, ging ineens vliegensvlug toen het stempel 'crisis' erop werd gedrukt. Er was een plek op de gesloten afdeling van een verpleeghuis in Woerden. Dichtbij zijn oude huis. Een plek voor mensen met vergevorderde dementie en ernstige gedragsproblemen.

Het regelen van de verhuizing was een nachtmerrie van praktische en emotionele taken. Ik moest kleren uitzoeken. Shirts, broeken, ondergoed. Overal moesten naamlabels in worden gestreken. 'Henk de Jong', in zwarte letters op witte bandjes. Ik zat aan de keukentafel in zijn lege huis, met zijn strijkijzer, urenlang die labels in zijn kragen te smelten. Het voelde als een daad van verraad. Alsof ik hem klaarmaakte voor een internaat. Alsof ik hem wegdeed.

De dag van de verhuizing was koud en grijs. Ik had geregeld dat mijn broer – die in het buitenland woont en tot dan toe vooral op afstand had meegekeken – erbij was om te helpen. Papa wist van niets. We hadden hem verteld dat we 'even een kopje koffie gingen drinken' op een nieuwe plek.

Toen we aankwamen bij het verpleeghuis, viel de zwaarte van het gebouw meteen op me. Lage bakstenen, brede gangen, tl-verlichting. Bij de ingang van de afdeling zat een zware, houten deur zonder klink. Alleen een cijfercodebordje aan de muur.

Een verpleegkundige met een warm gezicht en een paars schort deed open. 'Welkom meneer De Jong. Komt u verder.'

Papa bleef op de drempel staan. Zijn timmermansoog zag het meteen. Hij keek naar de deur. Naar het slot. Naar het ontbreken van een klink aan de binnenkant.

'Wat is dit voor een plek?' vroeg hij wantrouwig. Hij hield zijn armen strak langs zijn lichaam.

'Dit is uw nieuwe appartement, meneer De Jong,' zei de verpleegkundige rustig. 'We gaan eerst even een lekker bakkie doen in de huiskamer.'

In de huiskamer zaten acht andere bewoners. Sommigen sliepen in hun rolstoel, met hun hoofd op hun borst. Een vrouw met wit piekhaar zat zachtjes te wiegen en prevelde onverstaanbare woordjes tegen een stoffen pop. Uit een kleine radio klonk muziek van vroeger, zachtjes, op de achtergrond. Er hing die typische geur van warm eten vermengd met schoonmaakmiddel.

Papa keek de kring rond. Zijn ogen schoten van links naar rechts. 'Hier hoor ik niet,' zei hij tegen me. Zijn stem sloeg over van paniek. 'Sanne, pak mijn jas. Ik wil naar huis. Dit zijn allemaal gekken. Ik hoor hier niet tussen!'

Hij noemde me weer Sanne. Na weken van afstand wist hij ineens weer precies wie ik was. Uitgerekend op het moment dat ik hem achterliet.

'Pap,' zei ik, en mijn keel zat zo dichtgeknepen dat het pijn deed. 'Het is maar voor even. Om uit te rusten.' Een leugen. De grootste en lafste leugen van mijn leven.

'Nee!' Hij greep mijn pols vast. Zijn greep was verrassend krachtig. 'Breng me naar huis, Sanne. Alsjeblieft. Je laat me hier toch niet opsluiten? Wat heb ik verkeerd gedaan?'

De verpleegkundige stapte kalm tussen ons in. 'Kom maar, Henk. Kijk eens, ik heb hier een doos met schroeven en bouten. Wil jij me helpen om die uit te zoeken?' Ze wist precies wat ze deed. Ze zette hem aan een tafeltje en schoof de bak met gereedschap naar voren. Zijn handen, geprogrammeerd door vijftig jaar timmeren, reageerden automatisch. Zijn vingers pakten een moertje.

'Loop nu maar,' fluisterde de verpleegkundige naar mij over haar schouder. 'Kijk niet om. Het wordt alleen maar moeilijker.'

Ik draaide me om. Mijn broer legde een arm om me heen en duwde me zachtjes vooruit. We liepen door de lange gang naar de uitgang. Achter me hoorde ik het doffe geluid van de zware deur die in het slot viel. De magneet klikte vast.

Pas op de parkeerplaats stortte ik in. Ik zakte tegen de zijkant van mijn leenauto door mijn hoeven en huilde tot ik geen adem meer had. Het schuldgevoel brandde als zoutzuur in mijn maag. Ik had mijn vader opgesloten. Ik had hem verraden om mezelf te redden.

Hoofdstuk 7

Koffie zonder herinnering

Het is nu acht maanden later. De zomer is voorbij en de herfst is weer begonnen. Buiten vallen de bladeren van de bomen rond het verpleeghuis.

Mijn leven is veranderd. De rust is teruggekeerd, althans aan de oppervlakte. Ik slaap weer hele nachten door. De knoop in mijn maag is iets losser geworden. Mijn auto is gerepareerd, de deuk is eruit getrokken, al zit er nog een klein krasje op het portier als herinnering.

Elke zondagmiddag om twee uur loop ik door de schuifdeuren van Het Zonnehuis. Ik toets de viercijferige code in op het paneel naast de zware afdelingsdeur. *Biep-biep-biep-biep*. De magneet ontkoppelt met een zachte klik. Ik stap naar binnen.

Papa zit bijna altijd op dezelfde plek. Aan de grote eettafel bij het raam, met uitzicht op de binnentuin. Hij draagt een schone trui. Zijn nagels zijn kort geknipt en schoon. Hij is rustiger geworden. De medicatie heeft de scherpe randen van zijn onrust en achterdocht afgehaald, maar het heeft ook het laatste beetje van zijn oude energie meegenomen. Hij schuifelt nog langzamer dan voorheen.

Ik ga naast hem zitten op een houten stoel. 'Dag pap.'

Hij kijkt langzaam op. Zijn gezicht klaart op. Er verschijnt een glimlach rond zijn mond, een zachte, vriendelijke rimpeling in zijn oude gezicht.

'Dag meisje,' zegt hij.

Niet 'Sanne'. Gewoon 'meisje'. Een vriendelijke term voor iemand van wie hij weet dat ze bij hem hoort, maar van wie hij de plek niet meer precies kan benoemen. Voor hem ben ik een aardige mevrouw die altijd op zondag komt. Soms denkt hij dat ik zijn zus ben. Soms denkt hij dat ik van de bank ben. Maar meestal ben ik gewoon het vertrouwde gezicht zonder naam.

Ik pak een koekje uit de trommel die op tafel staat en breek het in tweeën. Ik geef hem de grootste helft. Hij pakt het aan met trillende vingers en doopt het in zijn lauwe koffie. Precies zoals hij vroeger altijd deed op zaterdagochtend na het klussen.

'Mooi weer buiten,' zegt hij, terwijl hij naar de regen kijkt die tegen het raam slaat.

'Ja pap,' zeg ik. 'Mooi weer.'

Ik corrigeer hem niet meer. Ik vecht niet meer tegen de realiteit die hij in zijn hoofd heeft gebouwd. Als hij zegt dat mama zo thuiskomt van de markt, knik ik en zeg ik dat ze vast lekkere appels meeneemt. Het heeft geen zin om hem opnieuw te laten rouwen om een dood die hij binnen vijf minuten toch weer vergeet. Dat was de zwaarste les van het afgelopen jaar: loslaten dat de waarheid ertoe doet. Vrede is belangrijker dan gelijk hebben.

We zitten een half uur zwijgend naast elkaar. Ik houd zijn hand vast. Zijn hand is dun geworden, de huid als perkament met blauwe aders die er dik bovenop liggen. Maar de eeltplekken op zijn handpalm zitten er nog steeds. Het litteken op zijn duim, van die keer dat hij uitschoot met de beitel toen ik een jaar of tien was. Die hand heeft mijn hele jeugd gebouwd.

'Je hebt lekkere warme handen,' mompelt hij. Hij kijkt naar onze in elkaar gevouwen vingers.

'Ja,' zeg ik. 'Het is warm hier binnen.'

Rond drie uur begint hij te knikkebollen. Zijn hoofd zakt langzaam opzij. De slaap haalt hem in, zoals zo vaak tegenwoordig.

Ik sta voorzichtig op, zodat ik hem niet wakker maak. Ik trek zijn vest een beetje rechter om zijn schouders en leg een dekentje over zijn benen. Ik buig me voorover en geef hem een kus op zijn kale kruin. Hij ruikt naar de zeep van het verpleeghuis, niet meer naar boenwas of hout. Het is de geur van zijn nieuwe leven. En van het mijne.

Bij de uitgang toets ik de code weer in. De deur klikt open en valt achter me dicht met die bekende, zware klap.

Als ik naar buiten loop, de frisse herfstlucht in, voel ik de vermoeidheid nog steeds in mijn botten zitten. Die uitputting trekt niet zomaar weg in een paar maanden; die zit diep ingebakken. Het schuldgevoel is er ook nog steeds, als een steentje in mijn schoen dat bij elke stap een beetje prikt.

Maar als ik de sleutel in het contact van mijn auto steek, weet ik dat het goed is zo. Ik ben niet langer zijn verzorger. Ik ben niet meer zijn bewaker, zijn kok of zijn verpleegster. De strijd is voorbij. We hebben allebei verloren van de ziekte, maar door op te geven, hebben we elkaar toch weer een heel klein beetje teruggevonden. Niet als vader en dochter van vroeger. Maar gewoon, als twee mensen die elkaars hand vasthouden bij het raam.