Liefde, relaties en gezin
Papa, waar was je?
Hoofdstuk 1
De vraag op de achterbank
Het regende tegen de ruit van mijn witte werkbus. Ik keek in de binnenspiegel. Lotte zat achterin met haar gele regenlaarzen tegen de leuning van de bijrijdersstoel te trappen. Dof plofte rubber tegen stof. Ritme. Eén, twee, drie.
'Niet doen, Lot,' zei ik.
Ze stopte even. Ze keek naar buiten, naar de natte flats van Amersfoort-Noord. Lotte was acht geworden in november. Ze had het donkere haar van haar moeder en mijn rechte neus. Verder wist ik soms verdomd weinig van haar. Dat klinkt hard, maar het is de waarheid. Ik ben Dennis. Vierendertig jaar. Ik werk als zzp'er in de installatietechniek. Cv-ketels, warmtepompen, vloerverwarming. Dingen die je kunt repareren met een steeksleutel en gezond verstand. Met mensen is dat anders. Mensen hebben geen handleiding met storingscodes.
'Papa?' vroeg ze.
'Ja, mop?' Ik zette de ruitenwissers een standje sneller. Het rubber piepte over het glas.
'Toen ik op de peuterspeelzaal zat, was jij er nooit bij het hek.'
Ik keek kort via de spiegel in haar ogen. Ze keek me recht aan. Geen boosheid in haar blik, alleen een vraag. Een simpele vraag.
'Nee,' zei ik. Mijn keel voelde ineens droog. 'Papa moest veel werken toen. Ketels plaatsen. Brood op de plank brengen.'
'Robin haar papa was er wel altijd,' zei ze zacht. Ze peuterde aan een los draadje van haar jas. 'Die had een bakfiets. En jij kwam alleen soms slapen als het al donker was. Waar was je dan echt?'
De vraag sloeg in mijn maag als een steen. Niet omdat ze gemeen deed, maar juist omdat ze het vroeg alsof ze vroeg welk weer het morgen zou worden. Ze wilde geen ruzie. Ze wilde gewoon weten waar die man in haar leven uithing toen zij leerde praten, vallen en weer opstaan.
Ik wist niet wat ik moest zeggen. 'Ik was aan het werk' klonk ineens zo leeg. Alsof je een pleister op een open beenbreuk plakt. Ik stuurde de bus de straat van haar moeder in. De rijhuizen zagen er allemaal hetzelfde uit onder de grijze wolken. Sanne woonde op nummer 42. Haar fiets stond al onder het afdakje. Sanne en ik waren vier jaar uit elkaar. De scheiding was geen oorlog geweest met advocaten en servies dat door de kamer vloog. Het was meer een langzame leegloop. Een band die langzaam leegloopt tot je op de velg rijdt en je afvraagt waarom het sturen zo zwaar gaat.
Ik zette de motor uit. De stilte viel meteen over ons heen, alleen het getik van de regen op het dak bleef over.
'We zijn er,' zei ik.
Lotte maakte haar gordel los. De klik klonk luid. Ze pakte haar rugzak met de afbeelding van een paard. Ze wachtte niet op een antwoord op haar vraag. Kinderen schakelen snel. Voor haar was het moment alweer voorbij, maar voor mij begon het pas. Mijn handen klam om het stuur. Waar was ik geweest? Ik wist het antwoord wel. Maar het antwoord was lelijk. Ik was overal geweest, behalve daar waar ik had moeten zijn.
'Kom,' zei ik. 'Ik loop even mee naar de deur.'
'Hoeft niet hoor,' zei Lotte terwijl ze de schuifdeur van de bus openritste. De koude lucht sloeg naar binnen. 'Mama staat al bij het raam.'
Ik keek naar het huis. Achter het glas zag ik het silhouet van Sanne. Ze had haar armen over elkaar. Ik bleef zitten. Ik keek hoe mijn dochter door de regen naar de voordeur rende, haar capuchon half van haar hoofd gewaaid. Sanne deed de deur open, trok Lotte naar binnen en keek even naar mijn bus. Ze zwaaide niet. Ik zwaaide ook niet. Ik draaide de sleutel om en reed weg. De vraag van Lotte reed met me mee op de lege bijrijdersstoel.
Hoofdstuk 2
Overuren en stilte
Toen Lotte werd geboren, was ik zesentwintig. Te jong, als ik er nu op terugkijk. Niet in jaren, maar in mijn hoofd. Ik dacht dat vader zijn betekende dat je geld binnenbracht. Mijn eigen vader had dat ook zo gedaan. Hij werkte bij de spoorwegen. Altijd weg voor dag en dauw, altijd moe als hij thuiskwam. Als hij op de bank zat met de krant, moesten mijn broer en ik stil zijn. 'Laat je vader even,' zei mijn moeder dan. Dus toen Sanne zwanger raakte, deed ik wat ik kende: ik ging nog harder rennen.
Ik begon voor mezelf. Een eigen bus, eigen gereedschap, een lening bij de bank. Ik wilde laten zien dat ik het kon. Zestig uur in de week was niks. Zeventig uur werd de standaard. 'Het is voor later,' zei ik tegen Sanne als ze vroeg of ik voor het eten thuis kon zijn. 'Als we de schaapjes op het droge hebben, neem ik gas terug.'
Maar 'later' is een leugen die je jezelf vertelt om vandaag niet te hoeven voelen.
Ik herinner me een avond toen Lotte anderhalf was. Ze had waterpokken en krijste de hele boel bij elkaar. Het geluid ging door merg en been. Sanne liep al uren met haar op de arm, met wallen onder haar ogen tot op haar wangen. Ik kwam om half negen binnen, bezweet, mijn overall vol roet van een oude ketel in Leusden.
'Kun jij haar even overnemen?' vroeg Sanne. Haar stem brak bijna. 'Ik moet plassen. Ik moet gewoon even tien minuten ademhalen.'
Ik keek naar Lotte. Ze gloeide van de koorts, haar gezichtje zat vol rode vlekken en snot. Ze huilde zo hard dat ze bijna stikte. En in plaats van dat ik mijn dochter pakte en haar tegen me aandrukte, voelde ik paniek. En irritatie. Ik had de hele dag in de kou op een bouwplaats gestaan. Ik wilde rust. Ik wilde een bord eten en een biertje.
'Ik moet eerst douchen,' zei ik. 'Ik zit onder het glaswol. Dat kan niet met dat kind.'
Het was een smoes. Ja, ik had glaswol op mijn armen, maar ik had me in vijf minuten kunnen wassen. In plaats daarvan bleef ik een halfuur onder de hete straal staan. Ik draaide de kraan zo hard dat het geruis van het water het gehuil uit de woonkamer overstemde. Ik sloot mijn ogen en dacht aan helemaal niks. Ik vluchtte. In mijn eigen badkamer.
Toen ik beneden kwam, was het stil. Sanne zat op de bank met Lotte tegen haar borst geklemd. Lotte sliep eindelijk, met schokkende ademteugjes. Sanne keek me aan. Die blik vergeet ik nooit meer. Er zat geen woede in. Er zat een soort definitief afscheid in. Alsof ze op dat moment besloot: ik sta er alleen voor. Ik kan op niemand rekenen behalve op mezelf.
'Je eten staat in de magnetron,' zei ze zacht. Ze stond op en liep de trap op naar boven, zonder me aan te raken.
Ik at mijn aardappels koud op. Ik zei tegen mezelf dat ze overdreef. Vrouwen zagen het gewoon niet. Mannen moesten knokken in deze wereld. Niemand gaf je zomaar wat. Als ik de rekeningen niet betaalde, hadden we geen dak boven ons hoofd. Zo praatte ik het recht. Jarenlang.
Als Lotte naar bed ging, was ik er meestal niet. Als ze 's ochtends wakker werd, was ik al weg. De eerste stapjes zag ik op een korrelig filmpje dat Sanne via WhatsApp stuurde. Ik stond op een dak in Baarn en typte: 'Mooi hoor! Trots op der!' Drie seconden aandacht. Daarna stak ik weer een brander aan om koper te solderen.
Ik dacht dat het normaal was. Ik dacht dat ieder gezin zo werkte. Tot Sanne op een zondagochtend, toen Lotte net vier was geworden, twee tassen in de gang zette. Geen ruzie. Geen gegil. Gewoon twee tassen en een envelop op de eettafel.
'Ik ga naar mijn moeder,' zei ze. 'En Lotte gaat mee.'
'Waarom?' vroeg ik dom. 'Wat heb ik dan gedaan?'
'Dat is het hem juist, Dennis,' zei ze. 'Je hebt niks gedaan. Je bent er gewoon nooit.'
Hoofdstuk 3
Bezoekuur op zondag
Na de scheiding werd ik een weekendvader. Eens in de veertien dagen van vrijdagmiddag tot zondagavond. En ineens moest ik.
In het begin probeerde ik het te compenseren met spullen. Ik kocht een veel te groot poppenhuis dat half in de weg stond in mijn kale tweekamerappartement. Ik nam haar mee naar binnenspeeltuinen waar de lucht stonk naar oud frituurvet en zweet. Ik kocht suikerspinnen, ijsjes en speelgoed van de Bart Smit. Alles om de leegte te vullen. Want als ze bij me was, wist ik niet wat ik moest doen.
We zaten tegenover elkaar aan de tafel. Ik had pannenkoeken gebakken die net iets te dik en aan de randen zwartgeblakerd waren. Lotte schoof met haar vork over het bord.
'Lust je het niet?' vroeg ik.
'Bij mama doen we er altijd kaneel op,' zei ze.
'Oh. Nou, dat heb ik niet. Stroop is toch ook lekker?'
'Jawel.'
Dan werd het stil. Alleen het getik van de klok op de muur. Ik pakte mijn telefoon. 'Even een werkmailtje beantwoorden hoor, schat.'
Ik verschool me weer. Zelfs toen ze pal voor mijn neus zat. Ik wist niet hoe je met een kind van vijf praatte. Wat boeide haar? Paarden? Tekenen? Ik wist het niet. Als ze begon te vertellen over juf Marleen op school, knikte ik wel, maar ik luisterde maar half. In mijn hoofd rekende ik uit hoeveel radiatoren ik die maandag moest bestellen voor die klus in Vathorst.
Ik voelde me een babysitter in mijn eigen leven. Een man die paste op het kind van iemand anders. En het ergste was: Lotte voelde dat haarfijn aan. Kinderen hebben voelsprieten voor echtheid. Je kunt ze niet voor de gek houden met een Happy Meal als je ondertussen met je gedachten op een bouwplaats zit.
Op een zondagmiddag bracht ik haar weer terug. We stonden bij het stoplicht bij de Stadsring. Lotte zat achterin zachtjes te neuriën.
'Vond je het leuk dit weekend?' vroeg ik.
'Ja,' zei ze.
'Wat vond je het leukst?'
Ze dacht even na. 'Dat we naar de eendjes gingen.'
Ik slikte. Het bezoek aan de eendjes had tien minuten geduurd. Ik had oud brood uit de vriezer gehaald omdat ik niet wist wat we anders moesten doen tussen de middag. We hadden brood gegooid in een vieze sloot achter de flat, in de ijzige wind. Ik had koude handen gehad en gedacht: schiet maar op. En dat vond zij het leukst. Niet die dure binnenspeeltuin waar ik dertig euro entree voor had betaald. Niet dat plastic speelgoed.
Toen ik haar afleverde bij Sanne, bleef Lotte even aan Sanne haar been hangen. Ze keek me aan met een blik die ik niet kon thuisbrengen. Geen verdriet dat ze weg moest, maar ook geen blijdschap. Gewoon gelatenheid. Ze stapte over de drempel van haar echte leven, en ik mocht weer terug naar mijn lege huis.
Die avond zat ik op de bank. De tv stond aan op Studio Sport, maar het geluid stond uit. Het poppenhuis stond in de hoek, met twee scheve houten stoeltjes op het balkon. Ik had een koud biertje in mijn hand. Ik keek naar de vloer. Daar lag nog een roze glitterhaarspeldje van haar. Ik raapte het op. Het woog niks. Het was een stukje plastic van vijftig cent. Maar toen ik dat speldje in mijn handpalm hield, voelde ik voor het eerst een scheur in mijn pantser komen. Ik was geen vader. Ik was een passant. Iemand die af en toe zwaaide vanaf de zijlijn. En als ik zo doorging, zou ze me straks helemaal niet meer missen als ik er niet was.
Hoofdstuk 4
De scherf in de gang
Het dieptepunt kwam op een donderdagavond in maart. Lotte was zeven. Het was niet mijn weekend. Ik was net klaar met een grote klus in Zeist. Twaalf uur gewerkt, rug kapot, knieën stijf. Ik zat in de kroeg met Mark, een collega-loodgieter. We hadden bier besteld en bitterballen. Mijn telefoon lag op het bierviltje, met het scherm naar beneden. Dat deed ik altijd als ik klaar was met werken. Even geen gezeik van klanten die lekkage hadden.
We dronken door. Eén bier werden er vier. Toen een borrel erbij. Ik lachte, we praatten over busjes, over het personeelstekort, over de overheid die alles kapotmaakte met regeltjes. Mannenpraat. Veilige praat.
Om half elf pakte ik mijn telefoon om te zien hoe laat de laatste bus ging, of dat ik een taxi moest bellen. Mijn scherm lichtte op.
Zeven gemiste oproepen van Sanne. Twee van een onbekend vast nummer. En een voicemail.
Mijn maag kromp ineen. Dat gevoel dat alle alcohol in één seconde uit je bloed trekt en je ijskoud achterlaat. Ik luisterde de voicemail af terwijl ik naar de uitgang van het café liep. De herrie van het café verstomde achter de zware tochtdeur.
'Dennis,' klonk Sanne haar stem. Ze huilde. Ze huilde bijna nooit. 'Dennis, neem op godverdomme. Lotte is gevallen. Ze bloedt heel erg aan haar hoofd. We zijn naar de spoedeisende hulp in het Meander. Kom alsjeblieft.'
Het bericht was van twee uur geleden.
Ik liet mijn jas vallen, raapte hem weer op en begon te rennen. Geen taxi. Gewoon rennen over het stationsplein, door de koude nacht. Mijn adem brandde in mijn longen. Ik vervloekte mezelf bij elke stap. 'Klootzak,' zei ik hardop tegen de lege straat. 'Klootzak.'
Ik pakte een deelfiets met een app die haperde. Ik trapte alsof mijn leven ervan afhing. Twintig minuten later stormde ik de draaideuren van het Meander Medisch Centrum door. De lucht van ontsmettingsmiddel sloeg me in het gezicht. Mijn schoenen piepten op het glanzende linoleum.
'Dennis van Dijk,' hijgde ik tegen de vrouw achter de balie. 'Mijn dochter. Lotte van Dijk. Waar is ze?'
Ze keek me koel aan, tikte op haar toetsenbord. 'Box 4. Door de klapdeuren links.'
Ik duwde de deuren open. Sanne zat op een plastic stoel naast een ziekenhuisbed. Haar trui zat onder de donkere bloedvlekken. Lotte lag op het bed. Haar ogen waren dicht. Ze had een wit verband om haar hoofd gewikkeld, met een gaasje over haar voorhoofd. Ze zag er zo klein uit op dat grote, harde matras.
Sanne keek op toen ik binnenkwam. Ze zag mijn bezwete gezicht, mijn openhangende jas, en ze rook de bierlucht die om me heen hing. Ze stond niet op. Ze bleef gewoon zitten.
'Ze gleed uit in de gang,' zei Sanne. Haar stem was griezelig rustig. 'Haar hoofd tegen het glazen tafeltje. Zes hechtingen.'
'Sanne, sorry, mijn telefoon...' begon ik. De woorden smaakten naar as.
'Hou je bek, Dennis,' zei ze. Het klonk niet eens boos. Het klonk moe. Doodmoe. 'Hou gewoon je bek. Ik heb je zeven keer gebeld. Haar hoofd lag open. Ze riep om jou. "Waar is papa? Waar is papa?" En ik wist niet wat ik moest zeggen. Want papa zat in het café. Zoals gewoonlijk.'
Ik deed een stap naar het bed. Ik wilde Lotte haar hand pakken. Sanne zette haar voet dwars.
'Raak haar nu niet aan,' zei ze. 'Je stinkt naar drank. Ga naar huis.'
'Het is mijn dochter!' siste ik, en even voelde ik die oude, domme trots opborrelen.
'Nee,' zei Sanne, en ze keek me recht in de ogen. 'Zij is jouw dochter als het jou uitkomt. Als je tijd hebt tussen je klussen en je biertjes door. Maar vanavond was je er niet. En zij had je nódig. Ga weg, Dennis. Maak het niet erger.'
Ik keek naar Lotte. Haar borstkas ging rustig op en neer. Ze sliep door de verdoving of de uitputting heen. Ik had haar willen beschermen tegen de hele wereld, maar ik kon niet eens opnemen als ze me riep. Ik draaide me om en liep de gang weer op. De schuifdeuren gleden geruisloos achter me dicht. Buiten regende het niet meer. Het vroor. De kou sneed door mijn kleren heen, maar vanbinnen was ik compleet leeg.
Hoofdstuk 5
De spiegel aan de muur
De dagen na het ziekenhuis waren een waas. Ik meldde me voor het eerst in acht jaar ziek. Mijn telefoon stond roodgloeiend met aannemers die vroegen waar ik bleef, met klanten die zaten te wachten op een cv-ketel. Ik zette het kreng uit en smeet hem in de la van mijn dressoir.
Ik liep door mijn huis. Twee kamers, een versleten laminaatvloer, een bank die ik tweedehands had gekocht via Marktplaats. Aan de muur hing bijna niks. Geen foto's. Geen herinneringen. Alleen een kalender van de groothandel met foto's van gereedschap.
Ik ging voor de spiegel in de badkamer staan. Ik zag een man met grijze haren bij zijn slapen, wallen onder zijn ogen, een stoppelbaard. Ik leek op mijn vader. Precies mijn vader. Die man die altijd moe was, die nooit vroeg hoe het met me ging, die stierf aan een hartstilstand toen ik twintig was zonder dat we ooit een echt gesprek hadden gevoerd. Ik had altijd gezworen dat ik niet zoals hij zou worden. En kijk me nu eens staan. Ik deed exact hetzelfde. Ik verstopte me achter werk, achter drukte, achter 'verantwoordelijkheid', terwijl ik gewoon een lafaard was.
Het was makkelijk om ketels aan te sluiten. Als je een fout maakte, lekte er water. Dan draaide je de moer vaster en was het opgelost. Maar een kind dat om je roept terwijl haar voorhoofd openligt en jij zit te zuipen? Dat repareer je niet met een bahco.
Op zaterdagochtend stapte ik op de fiets. Zonder bus, zonder gereedschap. Ik fietste naar het huis van Sanne. Ik belde aan. Mijn hart bonkte in mijn keel alsof ik weer zestien was en voor het eerst een meisje mee uit vroeg.
Sanne deed open. Ze zag er nog steeds uitgeput uit. Ze had een mok thee in haar hand.
'Wat doe je hier?' vroeg ze kortaf. 'Het is jouw weekend niet.'
'Ik weet het,' zei ik. 'Ik wil niet naar binnen. Ik wil alleen weten hoe het met haar is.'
Sanne zuchtte. Ze leunde tegen de deurpost. 'De dokter zegt dat het netjes geneest. Ze heeft hoofdpijn. Ze mag dit weekend niet naar school.'
'Kan ik haar even zien? Twee minuten. Vanaf de gang.'
Sanne keek me lang aan. Ze zocht naar iets in mijn gezicht. Misschien zocht ze naar de smoesjes die ik altijd paraat had. Maar ik had geen smoesjes meer. Ze waren allemaal op.
'Wacht hier,' zei ze.
Ze liet de deur op een kier staan. Even later kwam Lotte naar de gang gesloft. Ze droeg haar pyjama met sterren erop. Op haar voorhoofd zat een grote witte pleister, net onder haar haargrens. Ze zag er bleekjes uit.
'Hoi Lot,' zei ik door de deuropening.
'Hoi papa.' Ze bleef halverwege de gang staan. Ze rende niet naar me toe zoals vroeger als ik een cadeautje bij me had. Ze hield haar handen op haar rug.
'Doet het pijn?' vroeg ik.
'Soms klopt het een beetje,' zei ze. 'Net alsof er een klok in mijn hoofd zit.'
Ik knielde neer op de deurmat. Mijn knieën kraakten. 'Ik wil sorry zeggen, Lot. Dat ik er niet was in het ziekenhuis. Ik had er moeten zijn.'
Ze keek naar haar sokken. 'Mama zei dat je telefoon stuk was.'
Ik slikte. Sanne had me niet verraden. Ze had haar kind beschermd tegen de waarheid dat haar vader dronken in de kroeg zat. Dat maakte de schaamte alleen maar groter. Sanne had alle reden gehad om me zwart te maken, maar ze had het niet gedaan. Uit liefde voor Lotte.
'Mijn telefoon was niet stuk,' zei ik zacht. Ik keek Sanne even aan, die achter Lotte stond. Sanne trok haar wenkbrauwen op. 'Papa lette gewoon niet op. En dat was heel stom van me. Heel erg stom. Ik had meteen moeten komen.'
Lotte tuitte haar lippen. 'Volgende keer moet je wel komen hoor. Want het deed heel veel zeer.'
'Ik kom altijd,' zei ik, en mijn stem trilde een beetje. 'Vanaf nu kom ik altijd. Dat beloof ik je.'
'Beloofd met een pinkie?' vroeg ze.
Ze stak haar kleine pink uit. Ik stak mijn dikke, vuile vinger door de deuropening en haakte mijn pink om de hare. Het stelde niks voor. Een kindergebaar. Maar voor mij voelde het bindender dan welk contract ik ooit had getekend.
Hoofdstuk 6
Blijven staan in de regen
Beloven is makkelijk. Iedere idioot kan een belofte doen. Het waarmaken is waar het pijn doet.
De maand daarna veranderde ik mijn leven. Niet met grote gebaren, maar met harde keuzes. Ik belde twee aannemers af. Grote klanten, goed voor tienduizenden euro's per jaar. 'Ik kan de woensdagen en de vrijdagen na drieën niet meer,' zei ik.
'Dan zoeken we een ander, Dennis,' zeiden ze.
'Dat moet dan maar,' zei ik.
Het deed pijn in mijn portemonnee. Ik moest mijn uitgaven terugschroeven. Geen nieuwe bus leasen, geen dure gereedschappen meer kopen op afbetaling. Maar het kon me niks meer schelen. Geld had me alleen maar eenzaam gemaakt.
Ik ging Lotte van school halen. Iedere woensdagmiddag. De eerste keer dat ik op het schoolplein stond tussen de moeders en de bakfietsvaders, voelde ik me bekeken. Een vreemde eend in de bijt met mijn werkbroek en mijn werkschoenen. Toen de bel ging en de deuren openzwaaiden, zag ik Lotte naar buiten komen. Ze zocht met haar ogen over het plein. Ze verwachtte Sanne. Of de buurvrouw. Toen ze mij zag staan, vertraagde haar pasje even. Alsof ze dacht dat ze zich vergiste.
'Hoi Lot,' zei ik.
'Ben jij er?' vroeg ze.
'Ik zei toch dat ik er zou zijn op woensdag?'
We liepen naar mijn bus. 'Gaan we naar de binnenspeeltuin?' vroeg ze hoopvol.
'Nee,' zei ik. 'We gaan naar het bos. Kastanjes zoeken.'
'Het regent bijna,' zei ze met een pruillip.
'Dan trekken we laarzen aan.'
Het werd geen sprookjesmiddag. Lotte was humeurig. Ze trapte tegen bomen, klaagde dat haar voeten koud waren en vroeg om de tien minuten of we al naar huis gingen. Vroeger zou ik gefrustreerd zijn geraakt. Ik zou gedacht hebben: doe ik eindelijk mijn best, is het wéér niet goed. Dan zou ik een schermpje voor haar neus hebben gedrukt om van het gezeur af te zijn.
Nu deed ik het anders. Ik slikte mijn irritatie in.
'We gaan nog niet naar huis,' zei ik rustig. 'We lopen dit rondje af. Kijk, daar ligt een hele grote.' Ik raapte een glanzende, bruine kastanje op en gaf hem aan haar.
Ze pakte hem aan, bekeek hem van alle kanten en stopte hem in haar zak. Ze zei niks, maar het gezeur stopte.
We liepen door de modder van de Birkhoven-bossen. De regen begon zachtjes te vallen, druppels die door het bladerdak sijpelden. We werden nat. Het rook naar nat mos en rottend hout. Na een halfuur struikelde ze over een boomwortel. Ze viel voorover in de modder. Haar broek vies, haar handen zwart.
Ik hield mijn adem in. Nu komt het gehuil, dacht ik. Nu is alles verpest.
Lotte bleef op haar knieën zitten. Ze keek naar haar modderhanden. Haar onderlip begon te trillen. Ze keek op naar mij. Ik zag de boosheid in haar ogen. Niet om die val, maar om alles. Om de lege middagen, om het ziekenhuis, om die vader die er nooit was.
'Stomme tak!' schreeuwde ze ineens. Ze sloeg met haar vuist in de blubber. 'Stom bos! Ik haat jou!'
Het kwam eruit als een explosie. Puur venijn van een meisje van acht.
Ik zakte door mijn knieën, midden in de modder, vlak voor haar. Het koude water trok meteen door mijn werkbroek heen. Ik werd net zo vies als zij.
'Het is ook een stomme tak,' zei ik zacht.
'Jij bent stom!' gilde ze, en ze sloeg met haar modderige knuist tegen mijn schouder. 'Waarom was je er nou nooit? Iedereen heeft een vader en jij was er nooit!'
Daar was hij weer. Dezelfde vraag als in de bus, maar nu zonder beleefdheid. Rauw en recht voor zijn raap.
Ik pakte haar niet beet. Ik trok haar niet tegen me aan. Ik bleef gewoon zitten, op ooghoogte, in de modder en de regen.
'Omdat ik dom was, Lot,' zei ik. En deze keer klonk het niet als een slap excuus. 'Omdat ik dacht dat andere dingen belangrijker waren. En dat was de grootste fout van mijn leven. Maar ik ben er nu. En ik ga nergens meer heen.'
Ze keek me aan, met dikke tranen die sporen trokken door het vuil op haar wangen. Ze haalde diep adem, een snik die haar hele lijfje deed schudden. Toen liet ze zich voorovervallen, tegen mijn borst aan. Ik sloeg mijn armen om haar heen. De modder zat overal. Haar jas, mijn trui. We zaten daar in de regen, midden op een verlaten bospad. Ik hield haar vast tot het trillen ophield.
Hoofdstuk 7
Een boterham met kaas
Er zijn geen magische eindes in het echte leven. Er is geen achtergrondmuziek die aanzwelt en er zijn geen problemen die in één klap verdwijnen. Ik heb de verloren jaren niet ingehaald. Die jaren zijn weg. Haar eerste schooldag, haar eerste zwemles, de keren dat ze bang was in het donker en haar moeder riep omdat ze wist dat ik er toch niet was: dat kan ik niet meer overdoen. Dat litteken op haar voorhoofd blijft voor altijd zitten. Een wit streepje van drie centimeter. Iedere keer als ik ernaar kijk, herinnert het me aan wie ik was.
Maar liefde zit niet in het verleden. Liefde zit in wat je vandaag doet.
Het is nu een jaar later. Het is woensdagmiddag, half vijf. We zitten aan de keukentafel in mijn nieuwe flatje. Geen dure spullen meer, maar er hangen wel tekeningen aan de muur. Tekeningen van kromme paarden en huizen zonder rechte hoeken, met plakband vastgemaakt aan het behang.
Lotte zit haar huiswerk te maken. Taal. Woorden met een lange klank. Ze kauwt op de achterkant van haar pen.
'Papa, schrijf je "bomen" met één of twee o's?'
'Zeg het eens hardop,' zeg ik vanaf het aanrecht. Ik ben boterhammen aan het smeren. Gewoon bruinbrood met kaas en een beetje mosterd voor mezelf, en pindakaas met hagelslag voor haar.
'Bo-men,' zegt ze traag. 'Eén o.'
'Goed zo.'
Ik zet het bord voor haar neer. Geen pannenkoeken uit een pakje, geen uitstapjes naar pretparken om haar gunst te kopen. Gewoon een boterham om half vijf. Ze pakt hem op en neemt een grote hap. De hagelslag valt op haar taalschrift. Ze veegt het snel weg met haar mouw en kijkt schuldig naar me op.
'Geeft niet,' zeg ik. 'Veeg maar op de grond, ik stofzuig zo wel.'
Sanne en ik drinken tegenwoordig koffie als ik Lotte kom halen of brengen. We worden nooit meer een stel, dat schip is allang gezonken en dat is maar goed ook. We waren niet goed voor elkaar. Maar we kunnen weer naar elkaar kijken zonder dat er gif in de lucht hangt. Vorige week zei ze bij het hek: 'Je doet het goed, Dennis.' Meer niet. Zes woorden. Maar voor mij waren ze meer waard dan een winstuitkering aan het einde van het jaar.
Ik werk nog steeds veel. Veertig uur in de week. Ik moet ook gewoon eten en de huur betalen. Maar als de klok op woensdag twee uur slaat, ruim ik mijn gereedschap op. Dan mag de koning bellen met een lekkage in zijn paleis, ik kom niet. Dan stap ik in mijn bus en rijd ik naar de school van Lotte.
Lotte schuift haar schrift aan de kant. Ze leunt met haar kin op haar handen.
'Papa?'
'Ja, mop?'
'Gaan we vanavond weer dat spelletje doen met die toren van houtjes?'
'Jenga? Als jij de blokjes opruimt, vind ik het best.'
'Oké.' Ze glimlacht. Een gewone, rustige glimlach. Ze stelt de vraag van de achterbank niet meer. Niet omdat ze het vergeten is, maar omdat ze het antwoord inmiddels weet. Ze weet waar ik was: ik was verdwaald. Maar ze weet nu vooral waar ik ben.
Ik ga tegenover haar zitten en neem een hap van mijn brood. Buiten begint het weer te regenen, zachte tikken tegen het dubbele glas van mijn huiskamer. Binnen is het warm. De cv-ketel snort zachtjes in de bergkast. Alles werkt. Voor het eerst in mijn leven heb ik het gevoel dat ik op de juiste plek ben.