Psychische gezondheid
Paniek in de supermarkt
Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.
Hoofdstuk 1
Paniek in de supermarkt
Bij de kassa liet ik de eieren vallen.
De doos klapte open op de rand van mijn mandje. Geel liep tussen de repen chocolade. Een ei rolde onder de schoen van de vrouw achter mij.
‘Kunt u even opzij?’ vroeg ze.
Ik hoorde haar wel. Ik kon alleen niet bewegen.
Mijn naam is Daan Vermeer. Ik was vierendertig en stond in een supermarkt aan de Leusderweg in Amersfoort. Het was donderdag, kwart over vijf. Ik had pasta, tomaten en melk nodig. Over een halfuur zou mijn zoon Mees thuiskomen van zwemles.
Mijn hart sloeg zo hard dat mijn shirt ervan leek te bewegen.
‘Meneer?’ zei de kassamedewerker.
Ze was jong. Een paardenstaart, zilveren ringetjes in haar oren. Op haar naamplaatje stond Fenne. Ze hield mijn pak melk boven de scanner.
Ik probeerde iets te zeggen. Er kwam alleen lucht.
Eerst dacht ik aan mijn koffie. Drie koppen op kantoor. Misschien vier. Daarna dacht ik aan mijn vader, die vorig jaar bij zijn volkstuin was neergevallen. Zijn telefoon had naast hem in de aarde gelegen. Dat beeld kende ik alleen uit het verhaal van de buurman. Toch zag ik het vaak.
Nu zag ik mezelf naast de kassa liggen.
Mijn linkerhand tintelde. Ik trok aan de boord van mijn trui. De winkel was te warm. Het piepen van de scanners sneed door mijn hoofd. Ergens huilde een kind. Ik rook brood, schoonmaakmiddel en het ei onder mijn schoenen.
‘Ik moet eruit,’ zei ik.
Fenne zette de melk neer.
‘Gaat het wel?’
Ik schudde mijn hoofd. Dat was mijn eerste eerlijke antwoord die middag.
Een man in een blauwe jas stapte achteruit. Daardoor ontstond een smalle opening naast het snoeprek. Ik duwde mijn mandje tegen de kassa en liep erdoorheen. Mijn knie raakte een stapel winkelmandjes. Het gekletter maakte alles erger.
Bij de schuifdeur dacht ik dat ik zou vallen.
Buiten was het koud. Er stond een bezorgscooter op de stoep. Ik greep het metalen fietsenrek vast en boog voorover. Mijn adem ging snel. Veel te snel. Hoe harder ik lucht probeerde binnen te krijgen, hoe leger mijn borst voelde.
‘Zal ik iemand bellen?’
Een vrouw stond naast me. Ze droeg een rode regenjas en hield een net mandarijnen vast.
‘Mijn vriendin,’ zei ik.
Mijn vingers gleden over het scherm. Ik opende het weerbericht. Daarna mijn bankapp. De vrouw wachtte zonder iets te zeggen. Uiteindelijk vond ik Noor.
‘Ben je al thuis?’ vroeg ze.
‘Nee. Supermarkt. Er is iets mis.’
‘Wat dan?’
‘Mijn hart. Ik weet het niet.’
Het bleef even stil.
‘Ik kom. Blijf waar je bent.’
Ik wilde zeggen dat ze Mees moest ophalen, maar ze had al opgehangen.
De vrouw in de regenjas bleef naast me staan. Ze stelde geen vragen over mijn werk of mijn gezondheid. Ze vroeg alleen of ik wilde zitten. Ik zakte op het lage muurtje naast de ingang.
Mijn handen trilden. Ik drukte ze tussen mijn knieën.
Toen Noor kwam, schaamde ik me bijna net zo hard als ik bang was. Ze zette haar fiets scheef tegen het rek en hurkte voor me.
‘Kijk eens naar mij, Daan.’
‘Ik ga dood.’
Ik zei het zacht. Het klonk kinderachtig. Toch meende ik het.
Noor belde de huisarts. De assistente stelde vragen die Noor aan mij doorgaf. Waar zat het gevoel? Hoe lang duurde het? Was ik buiten bewustzijn geweest? Uiteindelijk mochten we meteen komen. Bij nieuwe of toenemende klachten moesten we opnieuw bellen.
Fenne kwam naar buiten met mijn jas. Die had ik blijkbaar over het mandje gelegd.
‘Uw boodschappen staan apart,’ zei ze.
Ik kon haar niet aankijken.
‘Laat maar.’
‘Dat hoeft niet hoor. We bewaren ze even.’
Onderweg naar de huisarts zat ik voorover op de passagiersstoel. Noors zus had Mees van het zwembad gehaald. Dat hoorde ik Noor regelen, alsof haar stem uit een andere auto kwam.
Bij ieder stoplicht controleerde ik of ik nog kon slikken.
De huisarts onderzocht me en stelde meer vragen. Ze zag op dat moment geen aanwijzingen voor iets acuut gevaarlijks. Ze sprak over een mogelijke paniekaanval en legde uit wanneer we wel direct hulp moesten zoeken. Ik knikte, maar onthield weinig.
Thuis trok ik mijn schoenen uit. Aan de zool zat opgedroogd ei.
Mees zat aan tafel met een boterham.
‘Heb je de pasta vergeten, papa?’
Ik knikte.
Die nacht lag ik met twee vingers op mijn pols. Zodra ik bijna sliep, schrok ik wakker.
Ik dacht niet meer aan pasta.
Ik dacht aan donderdag. Aan kwart over vijf. Aan het feit dat ik blijkbaar niet meer veilig was tussen de melk en de eieren.
Hoofdstuk 2
De volgende ochtend
Om zeven uur zat ik aangekleed aan de keukentafel. Ik had nauwelijks geslapen. Op mijn telefoon stonden elf geopende pagina’s over hartritmestoornissen.
Noor zette koffie voor zichzelf. Voor mij zette ze thee neer.
‘Ik heb geen thee gevraagd.’
‘Ik dacht dat koffie misschien niet handig was.’
‘Ik ben niet ineens van porselein.’
Ze schoof het kopje naar zich toe.
‘Goedemorgen tegen jou ook.’
Ik wilde sorry zeggen. In plaats daarvan staarde ik naar mijn telefoon.
Mees kwam binnen met één sok aan. Hij was zeven en had haast met alles behalve aankleden.
‘Breng jij me?’
De school lag acht minuten fietsen verderop. Ik kende iedere stoeptegel op die route. Toch zag ik mezelf al op het kruispunt staan, zonder lucht, met Mees naast me.
‘Mama brengt je vandaag.’
Noor keek op. Ze moest om halfnegen bij een cliënt zijn.
‘Dat hadden we niet afgesproken.’
‘Ik voel me niet goed.’
Mees trok zijn sok over zijn hiel. Hij keek niet naar ons, maar hij luisterde wel.
Ik meldde me ziek bij mijn werk. Ik was transportplanner bij een groothandel in Utrecht. Mijn leidinggevende, Martijn, nam meteen op.
‘Buikgriep,’ zei ik.
‘Balen. Rust uit. Laat maandag even weten hoe het gaat.’
Dat was alles. Geen verhoor. Toch voelde ik me betrapt.
Toen het huis leeg was, liep ik van de bank naar de keuken en terug. Ik ging niet liggen. Mijn hart voelde dan te duidelijk. Ik zette de televisie aan, maar het geluid irriteerde me. Zonder geluid hoorde ik mezelf ademen.
Om tien uur belde mijn zus Sanne.
‘Noor vertelde dat het gisteren niet lekker ging.’
Ik was meteen boos.
‘Waarom vertelt ze dat?’
‘Omdat ze schrok.’
‘Het was waarschijnlijk gewoon iets verkeerds gegeten.’
‘Bij de huisarts zeiden ze toch iets over paniek?’
Ik keek naar de tuindeur. Aan de onderkant zat een vette handafdruk van Mees.
‘Ze zeiden dat het kon.’
Sanne zweeg even.
‘Je hoeft het niet aan mij uit te leggen. Maar je klinkt niet goed.’
Ik zei dat ik wilde slapen en hing op.
Daarna schaamde ik me. Voor mijn leugen tegen Martijn. Voor mijn toon tegen Noor. Voor het feit dat iedereen nu over mij praatte terwijl ik zelf niet begreep wat er was gebeurd.
Tegen de middag besloot ik naar de bakker te gaan. Geen supermarkt. Alleen brood halen. Dat moest lukken.
Ik trok mijn jas aan. Controleerde mijn sleutels. Mijn telefoon zat voor zestig procent vol. Ik pakte een oplader, legde die weer neer en stopte hem alsnog in mijn zak.
Op de stoep voelde ik mijn hart versnellen.
Dat hoorde bij lopen, zei ik tegen mezelf.
Bij de hoek begon mijn mond droog te worden.
Dat hoorde niet bij lopen, dacht ik meteen daarna.
De bakker was nog honderd meter verder. Door de ruit zag ik drie klanten staan. Drie mensen tussen mij en de deur als ik eenmaal binnen was.
Ik draaide om.
Thuis deed ik mijn jas uit alsof ik gewoon iets vergeten was. Er was niemand om die voorstelling te zien. Toch speelde ik hem.
Noor kwam om vier uur thuis. Op het aanrecht lag nog hetzelfde lege broodzakje.
‘Ben je niet weggeweest?’
‘Het was druk.’
‘Bij de bakker?’
‘Ja, Noor. Bij de bakker.’
Ze zette haar tas neer.
‘Je hoeft niet tegen me te snauwen.’
Ik begon te huilen. Zonder waarschuwing. Daar werd ik nog bozer van.
Noor bleef bij het aanrecht staan. Ze kwam niet meteen naar me toe. Dat was goed. Als ze me had vastgepakt, had ik waarschijnlijk gezegd dat ze me met rust moest laten.
‘Ik durfde niet,’ zei ik.
Het kostte me meer moeite dan het telefoontje van gisteren.
‘Ik stond bijna voor de deur en ik durfde niet.’
Ze knikte langzaam.
‘Dan maken we een nieuwe afspraak bij de huisarts.’
‘En wat moet die doen? Met me meegaan voor een half volkoren?’
‘Dat weet ik niet. Ik weet wel dat dit niet vanzelf duidelijk wordt als jij hier blijft zitten zoeken op je telefoon.’
Die avond verwijderde ik de zoekgeschiedenis. Tien minuten later zocht ik opnieuw.
Toen legde ik mijn telefoon in de keuken.
Ik bleef vijf minuten in bed liggen voordat ik hem weer ging halen.
Hoofdstuk 3
Een stoel bij het raam
Maandag zat ik bij huisarts Van Leeuwen op de stoel het dichtst bij het raam. Ik had gekeken of het open kon. Waarom wist ik niet precies. We zaten op de begane grond. Er was een deur op drie meter afstand.
‘Vertel eens wat er sinds donderdag is gebeurd,’ zei ze.
Ik begon met mijn hart. Daarna mijn handen, mijn adem en het vreemde gevoel in mijn hoofd. Alsof de winkel verder weg stond dan normaal.
Ze liet me uitpraten.
‘En waar ben je sindsdien bang voor?’
‘Dat het weer gebeurt.’
‘Wat verwacht je dan?’
‘Dat ik neerval. Dat niemand weet wat hij moet doen. Dat Mees erbij is.’
Bij zijn naam keek ik naar mijn schoenen.
Ze vroeg naar eerdere klachten, medicijnen, alcohol, slaap en spanning. Daarna onderzocht ze me opnieuw. Ze legde uit wat ze wel en niet uit dat onderzoek kon opmaken. Als mijn klachten veranderden, moest ik dat laten beoordelen. Niet iedere toekomstige klacht mocht zomaar het etiket paniek krijgen.
Die zin hielp me. Ze vroeg me niet om mijn lichaam voortaan te negeren.
Maar toen zei ze dat mijn verhaal sterk bij paniek paste.
‘Dus het zit tussen mijn oren.’
‘Je hebt echte lichamelijke klachten,’ zei ze. ‘En angst kan die klachten veroorzaken en versterken. Dat is iets anders dan verzinnen.’
Ik wreef over de rand van mijn stoel.
Ze tekende op een vel papier een paar pijlen. Een lichamelijk gevoel. Een dreigende gedachte. Meer angst. Meer lichamelijke onrust.
‘Bij jou lijkt dat elkaar snel op te jagen.’
‘En waarom nu?’
Ze legde haar pen neer.
‘Daar is niet altijd één antwoord op. Hoe was het afgelopen jaar?’
Ik wilde zeggen: normaal.
In plaats daarvan vertelde ik over mijn vader.
Hij was tweeënzestig geworden. Drie weken na zijn verjaardag was hij dood. Ik had de uitvaart geregeld omdat mijn moeder steeds vergat wat de uitvaartbegeleider vroeg. Daarna had ik zijn schuur leeggehaald. Zes ritten naar de milieustraat. Maandag was ik weer gaan werken.
‘Heb je daar met iemand over kunnen praten?’
‘We praten thuis wel over hem.’
‘Ook over wat het met jou deed?’
Ik haalde mijn schouders op.
Op mijn werk waren twee planners vertrokken. Ik had hun diensten overgenomen tot er vervanging kwam. Dat tijdelijke duurde inmiddels vijf maanden. Meestal at ik mijn lunch achter mijn beeldscherm. ’s Avonds controleerde ik nog ritten op mijn telefoon.
Terwijl ik het vertelde, klonk het anders dan in mijn hoofd. Daar was het gewoon druk. Hardop was het een lijst zonder pauzes.
Van Leeuwen stelde een afspraak voor met de praktijkondersteuner ggz. Ze wilde ook bespreken welke verdere behandeling passend zou zijn als de klachten bleven aanhouden.
‘Ik wil gewoon weer boodschappen kunnen doen,’ zei ik.
‘Dat is een goed en concreet doel.’
Ze zei het zonder glimlach. Alsof boodschappen doen belangrijk genoeg was om hier voor te zitten.
De praktijkondersteuner heette Bas. Ik kon diezelfde week terecht. Tot die tijd spraken we af dat ik mijn dagen niet helemaal zou stilzetten. Kleine, haalbare activiteiten. Minder cafeïne. Vaste tijden om op te staan. Geen opdracht om me voortdurend rustig te voelen.
Buiten stuurde ik Noor een bericht.
‘Waarschijnlijk paniek. Vrijdag gesprek.’
Ze antwoordde met: ‘Hoe was het voor jou?’
Ik las dat drie keer.
Daarna typte ik: ‘Opluchting. En kut.’
Op vrijdag vroeg Bas wat ik inmiddels vermeed. Ik noemde de supermarkt en de bakker. Daarna de schoolroute. Daarna de auto, als ik alleen moest rijden.
‘Nog meer?’
Ik keek naar de klok.
‘Douchen als Noor weg is.’
Dat had ik nog niemand verteld. Onder de douche hoorde ik de telefoon niet. En als ik viel, zou de badkamerdeur misschien blokkeren.
Bas schreef iets op.
‘Dat klinkt alsof je de hele dag rekening houdt met een mogelijke ramp.’
Ik knikte.
Hij vroeg niet of ik wist hoe onwaarschijnlijk mijn gedachten waren. Dat wist ik meestal best. Het hielp alleen niet genoeg.
We maakten een overzicht van mijn week. Daarna belde ik, vanuit de geparkeerde auto, Martijn.
‘Het is geen buikgriep,’ zei ik.
Mijn hand trilde tegen het stuur.
‘Ik heb last van paniek. Ik weet nog niet hoe lang dit gaat duren.’
Aan de andere kant hoorde ik een bureaustoel schuiven.
‘Dank dat je het zegt,’ antwoordde hij. ‘Wat heb je nu nodig?’
Voor het eerst zei ik niet dat het wel ging.
‘Dat weet ik nog niet.’
Hoofdstuk 4
Steeds minder ruimte
Na drie weken kende ik de bezorgmomenten van iedere supermarkt in Amersfoort.
Ik wist welke winkel ’s avonds nog brood leverde. Welke app statiegeld verrekende. Welke bezorger de kratten over de drempel zette zonder te vragen of alles goed ging.
Ik noemde het praktisch.
Noor noemde het op een dinsdagavond iets anders.
‘Je wereld wordt kleiner, Daan.’
We stonden in de keuken. Ze had net Mees naar bed gebracht. Ik was de boterhammen voor school aan het smeren. Dat deed ik nu altijd. Ook de was en de vaatwasser. Alles wat binnen kon.
‘Ik doe toch genoeg?’
‘Dat zeg ik niet.’
‘Wat zeg je dan wel?’
Ze leunde tegen het aanrecht.
‘Dat ik niet meer weg kan zonder dat jij vraagt wanneer ik terug ben. Dat je belt als ik tien minuten later ben. Dat Mees eerst aan mij vraagt of jij ergens naartoe durft.’
Ik legde het mes neer.
‘Dat zegt hij?’
‘Vanmiddag. Hij wilde weten of jij zaterdag naar zijn voetbalwedstrijd komt.’
Ik trok het broodzakje te hard dicht. Het plastic scheurde.
‘Fijn. Dus nu maak ik hem ook nog gek.’
‘Nee. Maar hij merkt het. En ik ook.’
Ik liep naar boven. Halverwege de trap bleef ik staan. Ik hoopte dat ze me zou volgen. Tegelijk wilde ik met niemand praten.
Ze bleef beneden.
Later ging ik naast haar op de bank zitten. De televisie stond uit. Tussen ons lag een opgevouwen wasmand met sokken.
‘Ik weet niet hoe ik moet stoppen,’ zei ik.
‘Ik weet niet hoe ik je moet helpen zonder alles over te nemen.’
We besloten dat zij mee zou gaan naar Bas. Niet om te vertellen wat ik verkeerd deed. Om samen te vragen wat we konden doen.
Intussen wachtte ik op een behandeling bij een psycholoog. Bas had met de huisarts overlegd en de verwijzing was verstuurd. Er gingen weken overheen. Ik belde zelf toen ik niets hoorde. Mijn stem trilde tijdens dat gesprek, maar ik hing niet op.
Op kantoor werkte ik voorlopig twee ochtenden. Dat was afgesproken na contact met de bedrijfsarts. Geen vroege diensten. Geen avondcontrole van de ritten. Alleen al het uitzetten van de meldingen gaf me een onrustig gevoel.
De eerste ochtend bracht Noor me naar Utrecht. Ik zei tegen mezelf dat het tijdelijk was. Bij de ingang keek ik hoe haar auto wegreed, alsof ze me ergens had achtergelaten waar ik de taal niet sprak.
Mijn collega Jeroen wees naar mijn bureau.
‘Je plant staat nog overeind. Ik heb hem één keer water gegeven. Of drie keer. Geen idee.’
Ik lachte. Het klonk roestig.
Om elf uur begon mijn hart te bonzen tijdens een telefoontje met een chauffeur. Ik kapte het gesprek af en sloot mezelf op in het toilet.
Daar zat ik op de dichte wc-bril. Een volwassen man met zijn toegangspas om zijn nek. Ik luisterde of iemand binnenkwam.
Ik wilde Noor bellen.
Mijn duim hing boven haar naam. Toen belde ik Jeroen.
‘Ik zit bij de toiletten. Ik heb even paniek.’
Hij kwam niet binnenstormen. Hij bleef aan de andere kant van de deur staan.
‘Moet ik iets doen?’
‘Even praten.’
Hij vertelde dat een chauffeur in Veenendaal bij het verkeerde magazijn stond. Daarna dat de koffieautomaat weer lekte. Gewone, onbelangrijke dingen. Na een tijdje deed ik de deur open.
Ik ging nog twintig minuten aan mijn bureau zitten. Toen ging ik volgens afspraak naar huis.
Bij Bas vertelde ik vooral over het toilet.
‘En je hebt daarna nog gewerkt?’ vroeg hij.
‘Twintig minuten.’
‘Dat hoort ook bij het verhaal.’
Die zaterdag ging ik mee naar het voetbalveld. Noor reed. Ik bleef dicht bij de uitgang staan. Mijn maag deed pijn en ik keek te vaak op mijn telefoon.
Mees stond reserve. Pas tegen het einde mocht hij erin. De bal rolde langs hem heen. Hij rende erachteraan met zijn tong tussen zijn tanden.
Na afloop vroeg hij niet of ik bang was geweest.
‘Zag je hoe hard ik ging?’
‘Ja,’ zei ik.
En dat was waar. Ik had niet alleen mijn hart gevoeld. Ik had ook mijn zoon zien rennen.
Hoofdstuk 5
Een pak rijst
Mijn psycholoog heette Lotte. Ze werkte in een praktijk vlak bij station Amersfoort Centraal. In haar kamer stonden twee stoelen die net niet recht tegenover elkaar stonden.
Tijdens het eerste gesprek wees ik op mijn telefoon.
‘Mag die aanblijven?’
‘Dat mag. Wat maakt het belangrijk?’
‘Als er iets gebeurt.’
‘Met jou of met iemand anders?’
Ik dacht na.
‘Allebei.’
We spraken over paniek, maar ook over mijn vader, mijn werk en het voortdurende controleren. Ze stelde niet vast dat alles door zijn dood kwam. We onderzochten wat er gebeurde, wat ik vreesde en wat ik vervolgens deed.
Mijn lijst met voorzorgsmaatregelen vulde bijna een pagina.
Water meenemen. De uitgang zoeken. Mijn pols voelen. Alleen naar buiten als Noor bereikbaar was. Niets eten voor een afspraak, voor het geval ik misselijk werd. Juist wel iets eten, voor het geval ik slap werd.
Toen Lotte die laatste twee naast elkaar voorlas, moest ik lachen.
‘Het is nogal een baan,’ zei ik.
‘Hoeveel tijd kost het je?’
Daar had ik geen antwoord op. Het liep door alles heen.
We begonnen met cognitieve gedragstherapie. Dat betekende praten en dingen uitproberen. Niet alleen begrijpen waarom ik bang was, maar onderzoeken wat er gebeurde als ik mijn angst niet meteen volgde.
We maakten een lijst met oefeningen. De supermarkt stond erop. Helemaal bovenaan stond: alleen met Mees naar een drukke winkel. Dat hoefde niet meteen.
We begonnen bij een kleine winkel in de buurt. Eén product kopen. Overdag. Noor mocht de eerste keer mee, maar zou niet voor mij betalen of alvast bij de deur gaan staan.
‘En als het misgaat?’ vroeg ik.
‘Wat is misgaan voor jou?’
‘Paniek krijgen.’
Lotte schoof haar notitieblok opzij.
‘Dan moeten we onderscheid maken tussen paniek voelen en wat je vreest dat er daarna gebeurt.’
Ik vond dat irritant. Ik wilde minder paniek. Geen nauwkeurigere omschrijving van mijn ellende.
Dat zei ik ook.
‘Dat snap ik,’ zei ze. ‘En we gaan niet doen alsof dit prettig is.’
Die vrijdag stond ik met Noor voor het schap met rijst.
Ik had een pak nodig. Dat was alles. Toch las ik drie keer dezelfde verpakking. Mijn handpalm was nat. Aan het eind van het gangpad vulde een medewerker blikken soep bij.
‘Welke?’ vroeg Noor.
‘Maakt niet uit.’
‘Pak er dan één.’
Ik hoorde ergernis. Misschien zat die vooral in mijn eigen hoofd.
Ik pakte de goedkoopste rijst en liep naar de kassa. Er stond iemand voor ons met een volle mand. Ik keek naar de deur.
Noor zag het.
‘Wat hadden jullie afgesproken?’
‘Dat ik niet steeds controleer.’
‘Oké.’
Meer zei ze niet.
Mijn hart versnelde. Ik zette mijn voeten naast elkaar. Ik hoefde niets bijzonders met mijn adem te doen. Ik probeerde alleen niet geforceerd grote happen lucht te nemen.
De klant voor ons zocht een kortingsbon. Ze doorzocht haar tas, jas en portemonnee. Ik voelde woede opkomen.
Schiet op.
Daarna schaamte. Die vrouw wist niet dat ik bezig was met iets wat voor haar gewoon wachten was.
Toen ik aan de beurt was, zei de kassamedewerker het bedrag. Ik hield mijn bankpas verkeerd tegen het apparaat. Het piepte afwijzend.
Mijn nek werd heet.
‘Andere kant,’ zei hij.
Ik draaide de pas om. Betaalde. Pakte de rijst.
Buiten wilde ik meteen aan Noor vragen of ik bleek had gezien.
Ik slikte de vraag in.
‘We hebben rijst,’ zei ik.
Thuis schreef ik op wat ik had verwacht: flauwvallen, controle verliezen, niet kunnen betalen. Daaronder schreef ik wat er was gebeurd: bang geweest, pas verkeerd gehouden, betaald.
De oefening daarna ging slechter. Ik zette een blik bonen terug en verliet de winkel zonder iets te kopen. Ik vertelde Lotte dat ik terug bij af was.
Ze vroeg hoe lang ik binnen was geweest.
‘Vier minuten.’
‘En wat maakte het vandaag moeilijker?’
Ik had slecht geslapen. Ruzie gehad met Noor over geld. De winkel was drukker.
We maakten de volgende stap kleiner. Geen straf. Geen dwingend bevel om door te zetten.
Twee dagen later kocht ik brood.
De week erna melk.
Soms kwam ik thuis met hoofdpijn van de inspanning. Soms was ik trots. Vaak allebei.
Het pak rijst bleef weken in de kast staan. Niet als trofee. Ik had simpelweg de verkeerde soort gekocht.
Hoofdstuk 6
Terug bij de kassa
In juni dacht ik dat het ergste voorbij was.
Ik werkte weer vier ochtenden. Ik bracht Mees soms naar school. Ik kon alleen naar de kleine winkel, zolang ik niet tegelijk haast had. Mijn telefoon bleef vaker in mijn jaszak.
Toen belde mijn moeder op zondagavond.
Ze had een doos spullen van mijn vader gevonden. Of ik die wilde ophalen. Zijn horloge zat erin, zei ze. En de bonnetjes van zijn laatste zadenbestelling.
Ik reed maandag na mijn werk naar haar toe in Soest. We dronken koffie aan de tafel waar hij altijd de krant had uitgespreid. Mijn moeder vertelde dat ze zijn werkschoenen eindelijk had weggebracht.
‘Ze waren nog bijna nieuw,’ zei ze.
Daarna begon ze te huilen.
Ik legde mijn hand op haar arm. Ik bleef twee uur langer dan gepland. Onderweg naar huis zette ik de radio hard aan.
Die avond sliep ik weinig.
Dinsdag vroeg Noor of ik boodschappen kon halen. Zij moest doorwerken. Mees wilde mee. Hij had zakgeld en mocht stickers kopen.
Ik zei ja voordat ik had nagedacht.
We gingen naar de supermarkt aan de Leusderweg. Dezelfde winkel. Ik was er inmiddels twee keer geweest met Noor. Dat had goed genoeg gevoeld.
Bij de groenteafdeling zocht Mees de zwaarste komkommer uit. Hij hield hem voor zijn neus.
‘Deze lijkt op een neushoornhoorn.’
‘Die zitten niet recht voor hun mond.’
‘Bij mijn neushoorn wel.’
Ik lachte. Daarna voelde ik een overslag in mijn borst.
Eén rare slag. Een korte stilte. Meteen zat mijn aandacht daar vast.
We liepen naar het brood. Mees vroeg welke stickers hij mocht. Ik gaf geen antwoord.
‘Papa?’
‘Even wachten.’
Bij de kassa stonden drie mensen. De scanner piepte. Iemand had een doos eieren op de band gelegd.
Mijn handen begonnen te tintelen.
Ik zag het muurtje buiten weer. Noor die voor me hurkte. Mijn vaders telefoon in de aarde.
‘We moeten weg,’ zei ik.
Mees hield zijn stickervel tegen zijn borst.
‘Maar we hebben nog niet betaald.’
‘Ik weet het.’
Mijn stem was te hard. Hij kromp een beetje ineen. Dat zag ik, zelfs door de paniek heen.
Ik zette het mandje bij een lege kassa en liep met hem richting uitgang. Niet rennen. Zijn hand in de mijne. Buiten ging ik op het muurtje zitten.
Mees bleef voor me staan.
‘Ben je weer ziek?’
Ik voelde een steek die niets met mijn hart te maken had.
‘Ik ben heel bang,’ zei ik. ‘Mijn lijf doet weer zo druk. Het is niet jouw schuld.’
‘Moet ik mama bellen?’
‘Nee. Dat regel ik als het nodig is. Jij hoeft niet voor mij te zorgen.’
Hij ging naast me zitten. Zijn schoenen kwamen net niet bij de grond.
Ik wilde Noor bellen en vragen of ze ons ophaalde. In plaats daarvan stuurde ik, toen ik weer wat rustiger kon nadenken, dat we buiten zaten en straks thuiskwamen. Ik herkende deze klachten. Als ze anders waren geweest, had ik hulp gezocht.
Na een tijdje liepen we naar huis. Zonder boodschappen. Mees had zijn stickers binnen achtergelaten.
Die avond zei ik tegen Lottes voicemail dat de behandeling blijkbaar niet werkte.
Bij onze afspraak de volgende dag liet ze me het hele verhaal vertellen.
‘Wat gebeurde er nadat je buiten ging zitten?’
‘Niets.’
‘Je bent niet flauwgevallen?’
‘Nee, maar ik ben gevlucht.’
‘Ja. En je bent daarna zelf met Mees naar huis gegaan. Je hebt hem uitgelegd wat er gebeurde. We moeten alles meenemen, Daan.’
Ik werd kwaad.
‘Je kunt overal wel iets positiefs van maken.’
Ze knikte niet meteen. Ze wachtte.
‘Het was een nare middag,’ zei ze toen. ‘Daar hoef ik niets moois van te maken. Maar het wist niet uit wat je eerder hebt geleerd.’
We praatten over de doos van mijn vader. Over mijn neiging om te zeggen dat het goed ging zodra iemand anders verdriet had. Daarna maakten we een plan voor de winkel. Kleiner. Eerst zonder Mees. Niet dezelfde middag nog, om iets te bewijzen.
Thuis vertelde ik Noor dat ik bang was haar te verliezen als dit bleef duren.
Ze schoof haar stoel dichterbij.
‘Ik mis je soms terwijl je naast me zit,’ zei ze. ‘Maar ik wil weten wat er in je omgaat. Niet alleen horen dat het prima is.’
Ik vertelde over de schoenen van mijn vader.
Deze keer zette ik geen radio aan.
Hoofdstuk 7
Melk en eieren
In september moest ik opnieuw wachten bij dezelfde kassa.
Voor me stond een man met twee kratten bier. Een fles had geen leesbare streepjescode. De kassamedewerker pakte de telefoon en vroeg iemand te komen kijken.
Ik voelde mijn hart sneller worden.
Dat was vervelend. Meer maakte ik er die eerste paar seconden niet van.
In mijn mandje lagen melk, brood, tomaten en eieren. Noor was thuis. Ze wist dat ik boodschappen deed, maar we hadden niet afgesproken dat ze haar telefoon in haar hand zou houden. Mees was bij een vriendje.
Ik had dit moment graag verteld alsof ik nergens meer last van had. Alsof ik ontspannen mijn weekmenu stond te bedenken.
Dat was niet zo.
Mijn benen voelden slap. Ik keek één keer naar de deur. Daarna draaide ik me weer naar de band. Ik zette het brood neer. Toen de melk. De eieren hield ik even in mijn handen voordat ik ze voorzichtig achter de tomaten legde.
De kassamedewerker keek op.
Het was Fenne.
Ik herkende de ringetjes in haar oren. Zij leek mij niet te herkennen. Dat vond ik prettig en vreemd tegelijk. Mijn slechtste middag was voor haar misschien een korte onderbreking geweest in een drukke dienst.
De man met het bier zuchtte.
‘Altijd hetzelfde hier.’
Fenne zei dat haar collega onderweg was.
Ik voelde de neiging om mijn pols te controleren. Mijn vingers kwamen al bij mijn mouw. Ik liet mijn hand weer zakken.
De angst zakte niet meteen. Dat hoefde ook niet om hier te kunnen staan. Ik had dat inmiddels vaak genoeg uitgeprobeerd om het soms te geloven.
Na een paar minuten kon de man betalen. Hij tilde zijn kratten in de kar en liep weg zonder te groeten.
‘Goedemiddag,’ zei Fenne tegen mij.
‘Hoi.’
Ze scande mijn boodschappen. Bij de eieren keek ze in de doos of ze heel waren.
Ik moest kort lachen.
‘Alles goed?’ vroeg ze.
‘Ja. Ik heb hier een tijdje geleden een doos laten vallen. Bij deze kassa.’
Ze keek naar mijn gezicht.
‘O, u was toen niet lekker, toch?’
‘Nee. Een paniekaanval.’
Ik had dat woord nog nooit zo gewoon in een winkel uitgesproken.
‘Hoe gaat het nu?’
‘Beter. Niet altijd goed, maar beter.’
Ze knikte en schoof de doos naar me toe.
‘Dat is fijn.’
Er kwam geen groot gesprek. Achter mij stond een vrouw met diepvriesgroente. De winkel draaide door. Ik betaalde, stopte alles in mijn tas en liep naar buiten.
Op de stoep bleef ik even staan om mijn fietssleutel te zoeken. Niet om mijn adem terug te krijgen. Dat verschil merkte ik pas toen ik het slot opende.
Thuis legde ik de boodschappen op het aanrecht.
‘Gelukt?’ vroeg Noor vanuit de woonkamer.
‘Ja. Ze hadden alleen geen volkoren wraps.’
Dat was het hele verslag.
Later vertelde ik alsnog dat ik Fenne had gesproken. Noor glimlachte, maar maakte er geen overwinningstoespraak van. Ze vroeg of ik de tomaten wilde snijden.
Ik was nog steeds in behandeling. De afspraken lagen verder uit elkaar. Met Lotte besprak ik hoe ik kon merken dat mijn leven weer smaller werd. Niet iedere slechte nacht was een terugval. Maar als ik dagenlang afspraken afzegde en alles begon te controleren, moest ik daar niet stil mee blijven rondlopen.
Op mijn werk had ik mijn oude uren niet volledig teruggenomen. Samen met de bedrijfsarts en Martijn bouwde ik op. Sommige taken waren definitief anders verdeeld. Ik controleerde thuis geen ritten meer. Af en toe pakte ik gedachteloos mijn telefoon. Dan legde ik hem terug.
Ik miste mijn vader nog steeds. Soms huilde ik in de auto voordat ik bij mijn moeder naar binnen ging. Soms ook aan haar keukentafel. Ze bleek dat te kunnen verdragen.
Een week na die middag vroeg Mees of we samen zijn stickers konden halen. Hij had het nog onthouden.
‘Ja,’ zei ik. ‘Zaterdagmorgen.’
Vrijdagavond kreeg ik er buikpijn van. Ik vertelde het Noor. Daarna zette ik geen wekker om extra vroeg te gaan, vóór alle andere klanten. We gingen gewoon na het ontbijt.
Mees koos een vel met glimmende vissen. Bij de kassa hield hij het zelf vast.
‘Gaat het, papa?’ vroeg hij.
‘Ik ben een beetje zenuwachtig. Maar jij kunt gewoon je stickers afrekenen.’
Hij telde zijn munten. Twee vielen op de grond. Ik bukte om ze op te rapen.
Daar zat ik dan, op mijn hurken naast die kassa.
Ik stond weer op, gaf hem de munten en wachtte tot hij klaar was.