Ziekte en gezondheid
Opnieuw leren praten
Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.
Hoofdstuk 1
Opnieuw leren praten — De lepel
De lepel viel uit mijn hand. Niet met een harde klap. Hij tikte tegen mijn bord en belandde naast mijn schoen. Ik bukte niet. Mijn rechterarm hing langs de stoel alsof hij ergens anders bij hoorde.
‘Niels?’ vroeg Eva.
Ik wilde zeggen dat er niets aan de hand was. Dat mijn arm sliep. We zaten aan de keukentafel in Utrecht. Het was dinsdag, kwart over zeven. Onze dochter Noor zocht boven haar gymshirt. Buiten stond mijn bus geparkeerd. Om acht uur moest ik een lekkage onderzoeken in Nieuwegein.
Ik was vierenveertig en loodgieter. Ik kende de namen van alle onderdelen in mijn bus. Dat leek me nooit iets om dankbaar voor te zijn.
‘De…’ zei ik.
Eva keek op van haar telefoon.
‘Wat?’
Ik wist wat ik wilde zeggen. De woorden stonden klaar. Maar mijn mond maakte er iets anders van.
‘De stoel moet water.’
Eva schoof haar stoel naar achteren. Ik zag haar gezicht veranderen.
‘Lach eens.’
Ik vond dat een rare opdracht. Toch probeerde ik het.
Ze stond al naast me. Haar hand tegen mijn wang. Daarna pakte ze haar telefoon.
‘Mijn man praat vreemd. En zijn mond hangt scheef. Het is net begonnen.’
Ik wilde haar tegenhouden. Geen ambulance voor een slapende arm. Ik wilde opstaan, maar mijn rechterbeen zakte weg. Mijn heup raakte de tafelrand. Eva ving me niet helemaal op. Samen kwamen we op de vloer terecht.
Boven sloeg een deur dicht.
‘Mam?’
‘Blijf even op de trap, Noor.’
Maar Noor kwam toch. Veertien jaar, één sok aan, haar haar nog nat. Ze keek naar mij alsof ik iets had gedaan waarvoor zij zich schaamde.
‘Pap, doe normaal.’
Ik wilde zeggen dat ik het probeerde.
Er kwam alleen een lang, schurend geluid.
De ambulancebroeder heette Karim. Dat las ik op zijn borst. Hij hurkte naast me en stelde vragen. Mijn naam. Mijn leeftijd. Welke dag het was.
Mijn naam wist ik. Natuurlijk wist ik mijn naam.
‘Niels van Dijk,’ zei ik in mijn hoofd.
Uit mijn mond kwam: ‘Nie. Die. Die.’
Karim bleef rustig. Hij liet me beide armen optillen. Links ging omhoog. Rechts niet. Hij prikte in mijn vinger en vroeg Eva wanneer ze me voor het laatst normaal had gezien.
‘Net nog. Voor die lepel. Zeven over zeven, denk ik.’
Ik hoorde de haast in zijn korte antwoorden aan zijn collega. Toch trok hij eerst mijn schoen recht voordat ze me op de brancard legden. Dat kleine gebaar herinner ik me beter dan de rit.
In het UMC Utrecht werd mijn jas opengeknipt. Iemand vroeg naar medicijnen. Eva antwoordde. Iemand anders scheen met een lampje in mijn ogen.
‘Meneer Van Dijk, we denken aan een beroerte.’
Ik kende dat woord. Mijn vader had het ooit gebruikt voor een buurman die daarna nooit meer buiten kwam.
Er zat een vrouw naast de onderzoekstafel. Ze hield een pen omhoog.
‘Wat is dit?’
Ik staarde naar die pen.
Een pen. Een blauwe pen met een afgekloven dop. Ik kon ermee tekenen waar de hoofdkraan in een woning zat. Ik kon er een rekening mee invullen. Maar ik kon niet zeggen wat het was.
‘Kom,’ zei ik kwaad.
‘Neem uw tijd.’
‘Kom!’
Het was geen verzoek. Het was het enige woord dat door de deur paste.
Na de scans kwam een arts bij mijn hoofd staan. Er zat een stolsel in een bloedvat aan de linkerkant van mijn hersenen. Ze wilden direct behandelen. Eerst met een medicijn via het infuus. Daarna zou een team proberen het stolsel via een katheter weg te halen.
Eva vroeg naar risico’s. Ik zag haar mond bewegen. Ik ving losse woorden op. Bloeding. Schade. Tijd.
De arts keek ook naar mij.
‘Ik ga steeds vertellen wat we doen.’
Ik knikte. Dat lukte nog.
Vlak voordat ze me verder reden, pakte Eva mijn linkerhand. Ze boog zich naar me toe.
‘Noor is bij mijn zus. Ze weet dat we hier zijn.’
Ik kneep zo hard als ik kon. Ik wilde haar iets meegeven. Iets bruikbaars. Dat ze Noor moest vertellen dat ik niet gek deed. Dat ik alles gezien had. Haar ene sok. Haar gezicht op de trap.
‘Noor,’ zei ik.
Het kwam er helder uit.
Eva begon te huilen. Ik wilde nog meer zeggen, maar het woord was alweer weg.
Hoofdstuk 2
Een hoofd vol woorden
Toen ik wakker werd, zat Eva naast mijn bed met een kartonnen beker tussen haar handen. Ze had dezelfde trui aan. Er zat een bruine vlek op de mouw.
Mijn rechterarm lag op een kussen. Ik kon mijn vingers bewegen. Langzaam, alsof ze vastzaten in dikke handschoenen.
‘Ze hebben het stolsel weggehaald,’ zei Eva. ‘De arts komt zo.’
Ik wilde vragen hoe laat het was. In plaats daarvan wees ik naar het raam.
‘Ochtend,’ zei ze.
Dat was niet precies mijn vraag. Maar dichtbij genoeg.
De neuroloog kwam met een verpleegkundige. Ze vertelde dat er ondanks de behandeling schade was ontstaan. Vooral in gebieden die belangrijk zijn voor taal. Hoeveel herstel er zou komen, kon ze nog niet zeggen.
‘U heeft afasie.’
Ik had het woord nooit gehoord. Ze schreef het op een vel papier.
AFASIE.
Ik las de letters. Toch kreeg ik het woord niet stevig vast. Het was alsof ik een onbekend adres probeerde te onthouden terwijl iemand tegen me praatte.
‘Dat kan invloed hebben op spreken, begrijpen, lezen en schrijven,’ zei ze. ‘Het betekent niet automatisch dat uw denken weg is.’
Eva knikte snel. Ik keek naar de arts. Ze sprak tenminste tegen mij.
Later kwam logopedist Meike. Ze zette de televisie uit en ging op ooghoogte zitten.
‘We gaan uitzoeken wat nu lukt. En wat niet.’
Ze legde vier afbeeldingen neer. Een hond, een fiets, een appel en een sleutel.
‘Wijs de fiets aan.’
Dat lukte.
‘Wijs aan waarmee je een deur opent.’
Ook goed.
Daarna gaf ze me twee opdrachten achter elkaar. Eerst de appel aanwijzen en daarna op de tafel tikken. Ik wees de appel aan. Toen wist ik niet meer wat er verder moest.
Meike wachtte. Ze maakte geen haast. Dat maakte mijn schaamte niet kleiner.
Voor de beroerte rekende ik materiaal uit terwijl ik met een klant belde. Nu zat ik te zweten boven een plaatje van een appel.
Ze gaf me een potlood. Ik moest mijn naam schrijven. Met links maakte ik hoekige strepen. Niels lukte bijna. Mijn achternaam begon goed en eindigde in een rij lussen.
Ik duwde het papier weg.
‘Klaar?’ vroeg ze.
‘Ja.’
Ik bedoelde nee. Ik wilde niet klaar zijn. Ik wilde opnieuw beginnen en deze keer gewoon kunnen schrijven.
Meike keek naar mijn hand, die alweer naar het potlood ging.
‘Soms komt ja eruit terwijl je nee bedoelt. We gaan belangrijke antwoorden controleren.’
Ze tekende twee grote vakken. JA en NEE. Ik wees NEE aan.
Die middag kwam mijn broer Bas. Hij had druiven meegenomen, hoewel ik nog moest wachten op advies over eten en drinken. Hij zette ze op het nachtkastje en begon hard te praten.
‘ZO, OUWE. DAT WAS SCHRIKKEN.’
Ik kromp in elkaar.
Eva tikte tegen zijn arm.
‘Hij is niet doof.’
‘Nee, natuurlijk. Sorry.’
Daarna richtte hij alle vragen aan haar. Hoe het ging. Wat de arts had gezegd. Of ik alweer iets begreep.
Ik sloeg met mijn linkerhand op het bedhek.
Ze keken allebei op.
Ik wees naar mezelf.
Bas werd rood. Hij schoof zijn stoel dichterbij.
‘Hoe gaat het, Niels?’
Ik stak mijn middelvinger op.
Hij lachte. Ik ook. Even waren we weer broers in plaats van bezoeker en patiënt.
De volgende dag mocht Noor komen. Ze bleef bij de deur staan totdat ik naar de stoel wees. Ze had een tekening bij zich van onze kat, Moos. De kat droeg mijn werkbroek.
‘Omdat hij nu jouw plek op de bank heeft,’ zei ze.
Ik probeerde te lachen. Het werd huilen. Hard en zonder waarschuwing. Ik kon niet stoppen.
Noor keek naar Eva.
‘Heb ik iets verkeerds gezegd?’
Ik schudde mijn hoofd. Ik greep de tekening en drukte die tegen mijn borst.
Meike had een kaart gemaakt met woorden en symbolen. Pijn. Toilet. Moe. Verdrietig. Familie.
Ik zocht met mijn vinger. Te snel. Ik raakte steeds het verkeerde vak.
Noor wachtte.
Uiteindelijk wees ik FAMILIE aan. Daarna haar. Daarna mezelf.
‘Ik weet het, pap,’ zei ze zacht.
Ze schoof haar stoel tegen mijn bed. We bekeken de tekening. Ik wees op de broekzak van de kat. Daar had ze een kleine waterpomptang getekend. Precies zoals ik die altijd bij me droeg.
Hoofdstuk 3
Kamer zestien
Na ruim een week ging ik naar De Hoogstraat Revalidatie. Mijn been deed inmiddels weer genoeg om met begeleiding korte stukken te lopen. Mijn hand bleef traag. Mijn taal leek elke ochtend opnieuw te bepalen hoeveel ik mocht gebruiken.
Op mijn kamerdeur stond zestien. Daaronder mijn naam. Ik bleef ervoor staan totdat de verpleegkundige vroeg of ik naar binnen wilde.
Ik wees op de letters.
‘Ja,’ zei ze. ‘Dat bent u.’
Dat wist ik. Ik wilde alleen controleren of ik ze vandaag kon lezen.
Mijn dagen kregen een rooster. Fysiotherapie. Ergotherapie. Logopedie. Rust. Vooral dat laatste maakte me woedend. Ik was gewend door te werken totdat iets af was. Hier moest ik na een halfuur oefenen op bed gaan liggen met de gordijnen dicht.
De eerste keer negeerde ik dat. Ik liep door de gang en ging in de gezamenlijke ruimte zitten. Er stond een radio aan. Twee mensen praatten. Iemand liet een dienblad vallen.
Binnen tien minuten kon ik niet meer zeggen dat ik terug wilde naar mijn kamer. Het licht deed pijn. Mijn rechtervoet sleepte.
Een verpleegkundige bracht me terug.
‘Dit is ook belasting,’ zei ze.
Ik draaide mijn gezicht naar de muur. Ik dacht dat rust betekende dat ik onvoldoende mijn best deed.
Mijn logopedist daar heette Samira. Ze vroeg wat ik als eerste wilde kunnen zeggen.
‘Werk,’ zei ik.
Ze schreef het op.
‘Wat op je werk?’
Ik maakte een draaiende beweging met mijn linkerhand. Daarna wees ik omlaag.
‘Een kraan dichtdraaien?’
Ik knikte.
Ze zocht op haar tablet een foto van een meterkast. Ik wees de hoofdkraan aan. Toen lukte het woord ineens.
‘Hoofdkraan.’
Ik ging rechtop zitten.
Samira glimlachte, maar begon niet te juichen.
‘Goed. Zullen we er een bruikbare zin van maken?’
We oefenden: ‘Waar zit de hoofdkraan?’ Vijf woorden. Mijn adem schoot omhoog bij het derde. Na zes pogingen ging het. De volgende ochtend lukte alleen ‘waar’.
Ik sloeg mijn schrift dicht.
‘Gisteren,’ zei ik. ‘Gisteren goed.’
‘Ja. En vandaag is het moeilijker.’
‘Waarom?’
Ze vroeg hoe ik had geslapen. Slecht. Mijn kamergenoot op de gang had ’s nachts om hulp geroepen. Daarna had ik liggen luisteren naar elke voetstap.
Samira legde uit dat herstel niet elke dag zichtbaar vooruitging. Vermoeidheid speelde mee. Spanning ook.
Ik wilde een einddatum. Zij gaf me een aangepaste oefening.
Bij de lunch ontmoette ik Henk uit Zeist. Hij was tweeënzestig en had ook afasie. Hij wees naar mijn onaangeroerde yoghurt.
‘Die… eh… wit.’
‘Yoghurt,’ zei ik.
Hij keek verbaasd op.
‘Ja. Die.’
Een minuut later kon ik niet om een lepel vragen. Henk schoof de zijne naar me toe, nog in het papieren zakje.
We hoefden elkaar niets uit te leggen. Dat was prettig. En pijnlijk. Ik wilde niet horen bij een groep mensen die blij werd omdat iemand yoghurt kon zeggen.
Op vrijdag kwam Eva mee naar een gesprek. Samira legde uit dat korte vragen hielpen. Eén onderwerp tegelijk. Tijd geven. Niet elk stil moment invullen.
‘Maar hij wordt boos als ik hem niet help,’ zei Eva.
Ik wilde meteen protesteren. Toen dacht ik aan die ochtend. Eva had aan de telefoon naar de naam van een buurman gevraagd. Ik was vastgelopen. Toen ze de naam voorstelde, had ik opgehangen.
Ik keek naar mijn schoenen.
Samira tekende een hand op papier.
‘Misschien spreken jullie een teken af. Een open hand betekent: help me zoeken. Een opgestoken vinger betekent: wacht even.’
We probeerden het. Eva vroeg wat ik zaterdag wilde doen.
Ik stak mijn vinger op.
Ze wachtte.
‘Buiten,’ zei ik uiteindelijk. ‘Koffie. Jij.’
‘Met mij buiten koffie drinken?’
Ik knikte.
Zaterdag zaten we op het terras bij de ingang. Het was koud. Eva hield haar jas aan. Mijn koffie smaakte slap en ik morste op mijn broek.
‘Ik mis je,’ zei ze.
Ik wilde zeggen dat ik naast haar zat. Maar ik wist wat ze bedoelde. Ik miste ook degene die zonder nadenken kon vragen hoe haar dag was geweest.
Ik legde mijn hand op haar mouw.
‘Ik ook,’ zei ik.
Daarna bleven we zitten totdat de koffie helemaal koud was.
Hoofdstuk 4
Mijn eigen voordeur
Zes weken na de beroerte ging ik naar huis. Niet voor een middag. Echt naar huis. Ik kreeg afspraken voor verdere behandeling en een map met informatie. Eva droeg de map. Ik droeg mijn toilettas, omdat ik iets zelf wilde dragen.
Bij onze voordeur kreeg ik de sleutel niet meteen in het slot. Mijn rechterhand beefde. Eva stond achter me met twee tassen.
‘Zal ik?’
Ik stak mijn vinger op.
Ze wachtte. De sleutel gleed langs het metaal. Nog eens. Uiteindelijk draaide het slot.
Binnen rook het naar wasmiddel en kattenvoer. Moos liep langs mijn benen alsof ik alleen naar de bakker was geweest.
Op de keukentafel lag een weekschema. Rustblokken stonden blauw gemarkeerd. Oefenen geel. Bezoek maximaal een halfuur.
Ik haatte het voordat ik mijn jas uit had.
Thuis wilde ik geen patiënt zijn. Maar mijn vermoeidheid was gewoon meeverhuisd.
De eerste ochtend ging Eva een uur naar haar werk. Ze werkte bij een tandartspraktijk in Overvecht. Haar collega’s hadden veel opgevangen. Dat kon niet eindeloos doorgaan.
Ik beloofde dat ik alleen zou ontbijten en rusten.
Na haar vertrek zag ik de losse handgreep van een keukenkastje. Ik kende dat klusje. Twee schroeven. Vijf minuten.
Ik haalde een schroevendraaier uit de berging. Onderweg zag ik een wasmand. Die zette ik alvast bij de machine. Toen maakte ik koffie. Daarna zocht ik de schroeven die uit het kastje waren gevallen.
Toen Eva thuiskwam, zat ik op de vloer. Niet gevallen. Op. De kastdeur stond open. Mijn koffie was koud. Ik kon niet uitleggen waarom ik daar zat.
Ze hurkte naast me.
‘Heb je pijn?’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Duizelig?’
Weer schudden.
Ik wees naar het blauwe vak op het schema.
‘Te laat,’ zei ik.
Ze lachte niet. Ze hielp me naar de bank en trok de gordijnen half dicht.
Een paar dagen later wilde ik alleen naar de supermarkt. De kleine Albert Heijn aan de Amsterdamsestraatweg. Een bekende route. Ik had met de ergotherapeut geoefend met een kort lijstje. Brood. Melk. Bananen.
Eva vond het spannend. Ik ook. Daarom zei ik dat niet.
Het brood lag op een andere plek dan vroeger. Voor de melk stond een kar. Twee medewerkers praatten over een levering. Achter mij piepte een handscanner zonder ophouden.
Bij de kassa vroeg de medewerker iets. Ik hoorde de klanken, maar kreeg de vraag niet bij elkaar.
‘Wat?’ zei ik.
Hij herhaalde het sneller.
De man achter me zuchtte.
‘Hij vraagt of je een bonuskaart hebt.’
Ik trok mijn portemonnee open. Mijn bankpas viel op de grond. Ik bukte. Toen ik overeind kwam, wist ik mijn pincode niet meer.
Vier cijfers. Ik had ze duizenden keren gebruikt.
‘Rustig maar,’ zei de kassamedewerker.
Maar achter mij schoof iemand zijn boodschappen hard over de band.
Ik liet alles liggen en liep naar buiten.
Bij het fietsenrek belde ik Eva. Toen ze opnam, kon ik alleen haar naam herhalen.
‘Eva. Eva. Eva.’
‘Ben je veilig?’
‘Ja.’
‘Sta je bij de winkel?’
‘Ja.’
‘Ik kom.’
Ik schaamde me zo dat ik niet naar haar keek toen ze aankwam. Zij ging naast me op het lage muurtje zitten.
‘We hoeven niet meteen terug naar binnen,’ zei ze.
Thuis gooide ik mijn afasiekaart uit mijn portemonnee. Samira had die voor me geregeld. Er stond dat ik moeite had met taal en meer tijd nodig had.
Ik wilde niet elke onbekende vertellen wat er kapot was.
Die avond zocht ik de kaart weer op. Hij lag onder een reclamefolder.
Noor stond in de deuropening.
‘Had je die niet bij je?’
‘Wel.’
‘Waarom liet je hem niet zien?’
Ik haalde mijn schouders op.
Ze dacht even na.
‘Je hoeft toch niet eerst vast te lopen?’
Ik werd boos omdat ze gelijk had. Ik zei niets. Dat leek voor haar waarschijnlijk hetzelfde als alle andere stiltes.
Later tikte ik op haar deur. Ik hield de kaart omhoog en stopte hem in het voorvak van mijn jas.
‘Morgen,’ zei ik.
‘Weer naar de winkel?’
Ik knikte.
‘Alleen brood,’ zei ze.
Ik stak één vinger op. Deze keer betekende dat geen wachten. Alleen brood was genoeg.
Hoofdstuk 5
Niet mijn assistent
Drie maanden na mijn beroerte begon Eva zinnen voor me af te maken voordat ik zelf wist hoe ik ze wilde zeggen. Bij de huisarts. Aan tafel. Tijdens bezoek.
Vaak had ze gelijk. Dat maakte het erger.
Op een zondag kwam Bas eten. Hij vertelde over een kapotte douchekraan. Ik wist meteen welk onderdeel hij nodig had. Ik zag het voor me. Het zat in mijn bus, in de derde bak links.
‘Je moet… die…’
Eva draaide zich naar Bas.
‘Misschien kun je gewoon een loodgieter bellen.’
Ik sloeg mijn vork neer.
‘Ik. Ik!’
‘Niels, ik bedoel alleen dat jij nu niet—’
‘Stil!’
Het woord kwam hard en duidelijk. Noor verstijfde. Bas keek naar zijn bord.
Eva schoof haar stoel achteruit.
‘Ik ben je assistent niet,’ zei ze. ‘Maar ik moet wel steeds raden wat je nodig hebt.’
Ze liep naar boven. Even later hoorde ik de slaapkamerdeur.
Ik wees naar mijn borst. Naar de gang. Mijn mond bleef hangen op dezelfde klank. Bas wilde iets zeggen, maar Noor was hem voor.
‘Je hoeft niet zo tegen haar te schreeuwen.’
Daar zat ik. Een volwassen man die zijn vrouw had toegesnauwd en geen behoorlijke verontschuldiging kon maken. Mijn beroerte had mijn rem niet helemaal weggehaald. Ik wist nog steeds wanneer ik gemeen was.
Na het eten schreef ik op een vel papier: SORRI. Daaronder: IK WIL ZELF.
Het kostte me twintig minuten. Ik legde het op Eva’s kussen.
Ze kwam later beneden.
‘Ik weet dat je zelf wilt,’ zei ze. ‘Ik wil ook graag weer gewoon je vrouw zijn.’
We zaten aan tafel zonder oplossing. Voor het eerst zag ik hoe moe zij was. Niet moe van een slechte nacht. Moe van opletten. Van medicijnen controleren. Van afspraken regelen. Van haar werk bellen wanneer ik alleen nog klanken uitbracht bij de supermarkt.
De volgende behandeling ging ik alleen naar binnen. Met Samira had ik vooraf drie woorden opgeschreven: BOOS. EVA. HELP.
Ze vroeg of we een gesprek met de maatschappelijk werker konden plannen. Ik knikte.
Maatschappelijk werker Joris begon niet over positief blijven. Hij vroeg wat er thuis gebeurde wanneer ik vastliep.
Eva vertelde. Ik vulde aan met woorden, gebaren en tekeningen. Joris controleerde telkens of hij me goed begreep.
We maakten afspraken. Eva zou eerst vragen of ik hulp wilde. Ik zou niet blijven oefenen wanneer ik al uitgeput was. En we zouden stoppen met moeilijke gesprekken als één van ons te boos werd. Niet weglopen zonder iets te zeggen. Wel aangeven wanneer we verdergingen.
‘Dat klinkt kinderachtig,’ zei Eva.
Joris haalde zijn schouders op.
‘Het moet bruikbaar zijn. Mooi hoeft niet.’
Ik schreef dat over. BRUIKBAAR. Het was een woord dat bij me paste.
Diezelfde maand ging ik voor het eerst naar een afasiegroep in een buurthuis in Utrecht. Ik had drie keer afgezegd. De vierde keer bracht Bas me. Hij bleef buiten wachten totdat ik binnen was.
Aan tafel zaten zes mensen. Henk was er ook. Hij tikte op de lege stoel naast hem.
‘Jij. Hier.’
Er was een vrouw van zevenendertig, Farida, die voor haar beroerte lesgaf op een basisschool. Ze sprak langzaam, maar meestal precies. Een man tegenover haar zei nauwelijks iets. Hij gebruikte foto’s op zijn tablet.
Niemand vroeg wat er precies in mijn hersenen beschadigd was. Ze vroegen of ik koffie wilde.
We oefenden die middag met telefoneren. Ik moest zogenaamd een afspraak bij de kapper maken. Zodra de begeleider de telefoon opnam, wist ik niet meer wat ik moest zeggen.
Mijn keel trok dicht.
‘Verdomme,’ zei ik.
Henk knikte alsof ik de opdracht uitstekend had uitgevoerd.
Iedereen lachte. Ik ook.
Later vertelde Farida hoe ze soms deed alsof ze een bericht had gelezen terwijl ze de helft niet begreep.
Ik keek op. Dat deed ik ook. Vooral bij berichten van vrienden. Een duimpje sturen was makkelijker dan toegeven dat ik hun vraag niet kon volgen.
Ik pakte mijn telefoon en liet de groep zien hoeveel ongelezen berichten erop stonden.
‘Veel,’ zei Henk.
‘Te veel,’ zei ik.
We kozen samen één bericht. Van mijn collega Joost. Hij vroeg of hij eens langs mocht komen. Met hulp typte ik een antwoord.
Ja. Halfuur. Geen druk.
Ik drukte zelf op verzenden.
Hoofdstuk 6
De bus blijft staan
Joost kwam op woensdag. Hij zette zijn werkschoenen buiten de deur, hoewel hij dat vroeger nooit deed. Onder zijn arm droeg hij een doos.
Ik dacht dat er bloemen in zaten. Gelukkig niet. Het waren onderdelen uit mijn bus. Een kraanpatroon, een koppeling en een klein stuk leiding.
‘Je hoeft niks te repareren,’ zei hij. ‘Ik dacht dat je dit liever zag dan een fruitmand.’
Ik pakte de koppeling op. Mijn rechterduim vond vanzelf de beschadiging aan de rand.
‘Deze… niet goed.’
‘Precies.’
We zaten aan de keukentafel. Hij vertelde over klanten. Niet over hoe moeilijk iedereen het zonder me had. Gewoon over een verstopte afvoer in Kanaleneiland en een hond die zijn handschoen had gestolen.
Toen vroeg ik naar mijn bus.
Joost keek even weg.
‘Die staat nog op de zaak.’
‘Ik rijden?’
‘Dat moet je met de arts en het CBR uitzoeken, Niels. Niet met mij.’
Ik wist het. Toch had ik gehoopt dat hij iets anders zou zeggen.
Vijf maanden na de beroerte ging ik met Eva naar de bedrijfsarts. Ik had zinnen voorbereid. Ik wil terug. Ik kan nog dingen. Niet hele dagen.
De arts luisterde. Ze vroeg naar mijn vermoeidheid, mijn hand en mijn taal. Ook naar lawaai, onverwachte problemen en veiligheid. Ik antwoordde zo goed als ik kon.
‘Zelfstandig bij klanten werken is nu niet verantwoord,’ zei ze.
Ik keek naar Eva. Zij keek niet terug. Ze liet het gesprek bij mij.
‘Magazijn,’ zei ik.
De arts knikte.
‘Misschien kunnen we daarmee beginnen. Heel beperkt. We stemmen dat af met je werkgever en je behandelteam.’
Twee weken later stond ik weer op de zaak in Nieuwegein. Geen gereedschapsriem. Geen autosleutel. Een lunchbakje in een rugzak, alsof het mijn eerste schooldag was.
Mijn baas, Kees, wees een tafel achter in het magazijn aan.
‘Vandaag alleen deze bakken nalopen. Joost is in de buurt. Na een uur stoppen we sowieso.’
Ik vond een uur belachelijk weinig.
Na twintig minuten had ik drie dozen uitgezocht. Na veertig minuten las ik een maat verkeerd. Ik legde koppelingen in de verkeerde bak. Toen de telefoon op kantoor bleef rinkelen, raakte ik het overzicht kwijt.
Ik bleef doorwerken.
Joost kwam naast me staan.
‘Pauze.’
Ik schudde mijn hoofd.
Hij wees naar twee bakken.
‘Deze lopen door elkaar.’
Mijn gezicht werd heet. Ik had fouten gemaakt die een nieuwe leerling ook zou zien.
In de kantine dronk ik water. Joost ging tegenover me zitten, maar zei niets.
‘Niet goed,’ zei ik uiteindelijk.
‘Te lang,’ zei hij. ‘Dat is iets anders.’
Ik wilde hem geloven. Ik vond het ook makkelijk gezegd door iemand die straks weer gewoon in zijn bus stapte.
Thuis sliep ik twee uur. Daarna kon ik nauwelijks met Noor praten. Mijn eerste werkuur had bijna de rest van de dag opgeslokt.
Ik besloot dat ik niet meer terugging.
De volgende ochtend hing ik mijn werkjas toch aan de kapstok bij de voordeur. Ik wist niet of dat een besluit was. Misschien wilde ik hem alleen niet op zolder hebben.
Bij het evaluatiegesprek zei ik dat een uur te veel was. Die zin had ik niet verwacht ooit tegen mijn baas te zeggen.
We begonnen opnieuw. Een halfuur. Eén taak. Een rustige plek. Daarna beoordelen hoe het thuis ging, niet alleen op het werk.
Ondertussen oefende ik met Samira zinnen die ik echt nodig had. ‘Zeg het nog een keer.’ ‘Niet tegelijk praten.’ ‘Ik weet het, maar ik kan het niet zeggen.’
Dat laatste werd mijn belangrijkste zin.
Op een middag ging ik weer naar dezelfde supermarkt. Ik legde mijn afasiekaart naast het brood op de band.
De kassamedewerker las hem en keek naar me.
‘Wilt u de bon?’
Ik stak mijn vinger op. Hij wachtte.
‘Nee. Dank je.’
Buiten belde ik Eva. We hadden afgesproken dat ik dat mocht oefenen, ook als het maar één zin werd.
‘Brood gehaald,’ zei ik.
‘Fijn. Zal ik koffie zetten?’
‘Ja.’
Ik verbrak de verbinding en bleef nog even staan. Het verkeer reed voorbij. Iemand vroeg of hij bij zijn fiets kon.
Ik deed een stap opzij. Daarna liep ik naar huis, met het brood stevig onder mijn arm.
Hoofdstuk 7
Laat me uitspreken
Bijna een jaar na de beroerte vroeg Noor of ik op haar school iets wilde vertellen. Haar klas werkte aan een project over het brein. Een verpleegkundige zou komen. En misschien ik.
‘Je hoeft geen spreekbeurt te doen,’ zei ze snel. ‘Je kunt ook gewoon vragen beantwoorden.’
Ik keek haar aan.
‘Gewoon?’
Ze trok haar neus op.
‘Ja. Dat was dom gezegd.’
Mijn eerste antwoord was nee. Een lokaal vol vijftienjarigen leek me erger dan een drukke supermarkt. Daar kon ik tenminste weglopen.
Maar de volgende dag vroeg ik hoeveel leerlingen er waren.
‘Zevenentwintig.’
Veel te veel.
Een week later vroeg ik of de docent mijn tekst vooraf mocht krijgen.
Noor glimlachte voorzichtig.
‘Natuurlijk.’
Met Samira maakte ik vier korte stukken. Mijn naam. Wat er gebeurd was. Wat afasie voor mij betekende. Wat andere mensen konden doen om een gesprek makkelijker te maken.
We schreven niet op dat ik alles begreep. Dat was niet waar. Als mensen snel praatten of veel informatie tegelijk gaven, verloor ik delen. Lezen ging beter dan in het ziekenhuis, maar lange brieven kostten me nog steeds veel moeite.
We schreven ook niet dat oefenen alles kon herstellen. Ik had hard geoefend. Er waren woorden die toch wegbleven.
De ochtend van het bezoek morste ik thee over mijn papier.
‘Ik print het opnieuw,’ zei Eva.
‘Nee.’
Ze bleef staan.
Ik ademde uit.
‘Zelf. Ik print.’
Ze knikte en schoof de laptop naar me toe.
Op school stond Noor bij de ingang. Ze bracht me naar een leeg kamertje waar ik eerst kon zitten. Dat had ze zelf geregeld met haar mentor.
‘Wil je dat ik naast je zit?’ vroeg ze.
Ik knikte.
Toen we het lokaal binnenkwamen, schoven stoelen over de vloer. Ergens achterin lachte iemand. Mijn hart bonkte tegen mijn ribben.
De docent, meneer Van Leeuwen, wees naar een stoel voor de klas.
‘Neem rustig de tijd.’
Ik legde mijn papier neer. Mijn hand trilde. Bovenaan stond in grote letters: IK HEET NIELS.
Ik keek naar de klas.
‘Ik heet…’
Verder kwam ik niet.
Mijn eigen naam. Alweer.
Ik voelde de oude paniek. Het ziekenhuisbed. Die blauwe pen. Eva op de keukenvloer. Alles kwam tegelijk dichtbij.
Noor legde haar hand niet op mijn arm. Ze nam het niet over. Ze wachtte.
Ik stak mijn vinger op.
Niemand zei iets.
Ik keek nog eens naar het papier.
‘Niels,’ zei ik. ‘Ik heet Niels.’
Daarna ging het niet vloeiend. Ik sloeg een regel over. Ik zei ‘donderdag’ terwijl er dinsdag stond. Soms las meneer Van Leeuwen op mijn verzoek een stukje voor.
Maar ik vertelde het. Over de lepel. Over de winkel. Over weten hoe een kraan werkt en niet kunnen vragen waar hij zit.
Een jongen op de tweede rij stak zijn hand op.
‘Wordt u nog helemaal beter?’
Noor keek naar mij. Ik schoof mijn papier opzij. Dat antwoord stond er niet op.
‘Weet ik niet,’ zei ik.
Ik wachtte tot de volgende woorden kwamen.
‘Wel beter. Niet klaar.’
De jongen knikte. Hij leek geen mooier antwoord nodig te hebben.
Na afloop fietste Noor naar huis. Eva haalde mij op. In de auto vroeg ze hoe het was gegaan.
‘Goed,’ zei ik.
‘Echt goed, of ben je te moe om het te vertellen?’
Ik lachte.
‘Allebei.’
Thuis sliep ik lang. Die avond aten we soep. Noor vertelde dat een klasgenoot had gezegd dat hij voortaan minder snel door zijn opa heen wilde praten. Ik wist niet of hij dat zou volhouden. Toch vond ik het fijn.
Mijn leven is kleiner geworden op sommige plekken. Ik werk twee korte ochtenden per week in het magazijn. Ik ga nog niet zelfstandig naar klanten. Over autorijden heb ik nog geen duidelijkheid. Eva en ik maken nog steeds ruzie. Soms terecht. Soms omdat we te moe zijn om elkaar goed te begrijpen.
Ik heb ook dagen waarop een gesprek bijna vanzelf gaat. Dan bel ik Bas. Of bestel ik koffie zonder eerst een zin te oefenen.
Laatst vroeg Noor aan tafel iets over mijn werk. Eva begon te antwoorden en hield zichzelf tegen.
Ik zocht naar het woord voor een onderdeel. Het duurde lang.
Noor pakte nog wat brood. Eva wachtte.
‘Koppeling,’ zei ik uiteindelijk.
‘Ja?’ vroeg Noor. ‘Wat was daarmee?’
En ik vertelde verder.