Psychische gezondheid
Opnieuw leren leven
Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.
Hoofdstuk 1
De koplampen op de A28
Mijn naam is Dennis. Ik ben zesendertig jaar en ik woon in Zwolle, in een gewone tussenwoning met een kleine tuin op het noorden. Tot voor kort dacht ik dat mijn leven precies liep zoals het hoorde. Ik werk als teamleider in een groot distributiecentrum net buiten de stad. Veertig uur per week tussen de stellingen, de scanners en de ronkende heftrucks. Ik ben groot, breed gebouwd en ik draag stalen neuzen. Niemand aan wie je vraagt wie Dennis van Dijk is, zou zeggen: die man zakt bijna door de vloer van ellende. Ze zagen alleen een kerel die op tijd kwam en de planning haalde.
Het begon niet met een grote knal. Het begon op een dinsdagochtend in november, kwart over zes. Het regende zo hard dat de ruitenwissers van mijn oude Golf het water amper weg kregen. Ik reed op de A28 richting mijn werk. Het was aardedonker. Links van me raasden vrachtwagens voorbij, grote sproeiers van vuil water tegen mijn voorruit. Ineens, zonder dat er iets aan voorafging, schoot er een gedachte door mijn hoofd: als ik nu mijn stuur een kwartslag naar rechts draai, de vangrail in, dan hoef ik straks niet naar binnen te lopen.
De gedachte was niet eens paniekerig. Hij was ijskoud en kalm. Alsof iemand naast me op de bijrijdersstoel zat en het heel zakelijk voorstelde, zoals je voorstelt om vanavond macaroni te eten in plaats van aardappels. Ik schrok er niet eens van op dat moment. Dat was misschien nog wel het engste. Mijn handen bleven rustig op tien voor twee op het stuur liggen. Mijn voet bleef op het gaspedaal. Maar vanbinnen viel er een luikje dicht.
Ik parkeerde mijn auto tien minuten later op het personeelsterrein. De koplampen van andere collega’s fletsten door de regen. Ik deed mijn portier open, snoerde mijn werkschoenen strakker aan en liep naar de ingang. Mijn pasje piepte groen bij het poortje. Goedemorgen Dennis, zei de portier achter het glas. Goedemorgen Frans, zei ik. Mijn stem klonk normaal. Hoe kon mijn stem normaal klinken terwijl mijn hoofd net had berekend hoe hard je tegen een betonnen paal moet rijden om nergens meer aan te hoeven denken?
Die dag op de werkvloer was een waas. Ik keek naar de jongens van de ochtendploeg. Mo, een gozer van vierentwintig met wie ik altijd grappen maakte over voetbal, kwam naar me toe met een klembord. Er ontbraken pallets met koffiezetapparaten. Normaal liep ik direct naar rij veertien om het uit te zoeken. Nu keek ik naar zijn lippen die bewogen, maar de woorden kwamen pas seconden later binnen. Is goed Mo, zoek ik uit, zei ik. Mo keek me even aan. Slecht geslapen, chef? vroeg hij. Ik lachte. Ja man, te laat gemaakt, zei ik.
Het was een leugen. Ik sliep al weken niet meer echt. Ik lag uren naar het plafond te staren, terwijl een stem in mijn hoofd een lijstje afwerkte van alles wat er mis was met mij. Je bent een luie hond. Je bakt er niks van. Vroeg of laat zien ze op kantoor dat je deze baan helemaal niet aankan. Je vriendin is vorig jaar niet voor niets weggegaan; wie wil er nou bij zo’n saaie, lege zak blijven? Die stemmen waren er altijd al geweest, maar eerst kon ik ze wegdrukken met hard werken, sporten of een krat bier in het weekend. Nu hielp niks meer.
Tijdens de middagpauze zat ik in de kantine met een kleffe tosti ham-kaas. Om me heen werd gelachen. Er werd gediscussieerd over een wedstrijd van Ajax. Ik zat ertussen, maar ik voelde me alsof ik achter driedubbel glas zat. Het leek alsof die mensen leefden in een wereld vol kleur en geluid, terwijl ik opgesloten zat in een zwart-witfilm zonder ondertiteling. Ik kreeg de tosti niet weg. Het brood smaakte naar karton. Ik gooide de helft in de prullenbak en liep naar het toilet. Daar keek ik in de spiegel onder het kille tl-licht. Bleke kop. Donkere kringen onder mijn ogen. Een lege blik. Wie ben jij eigenlijk, dacht ik. En waarom doe je nog alsof?
Hoofdstuk 2
Niemand die het ziet
Het ergste van somberheid is de energie die het kost om normaal te doen. Als je je been breekt, krijg je gips en loopt iedereen om je heen met een boogje om je te helpen. Iedereen snapt dat je niet kunt rennen. Maar als je hoofd vol zit met nat zand, ziet niemand het aan de buitenkant. Dus doe je je jas aan, kam je je haar en zet je je gezicht in de plooi.
In december werd de drukte in het magazijn krankzinnig. De feestdagen kwamen eraan. Vrachtwagens stonden in de rij tot op de provinciale weg. Orders moesten sneller, dozen vlogen over de banden. Mijn baas, Henk, liep met rode vlekken in zijn nek over de vloer. Hij sloeg me op mijn schouder toen we bij de paktafels stonden. Dennis, jongen, we moeten vandaag drieduizend orders wegwerken voor vier uur, zei hij. Ik reken op je.
Ik voelde een steen in mijn maag zakken. Zeker Henk, komt goed, zei ik met mijn beste leidinggevende stem. Die stem was een trucje geworden. Een masker dat ik elke ochtend om zeven uur opzette en pas om vijf uur weer af mocht zetten. Maar achter dat masker was er paniek. Pure, verlammende paniek. Wat als ik een fout maakte in de planning? Wat als de jongens zagen dat mijn handen trilden toen ik de bonnen tekende? Wat als iedereen erachter kwam dat de grote Dennis helemaal geen touwtjes in handen had, maar een bange kleuter was die alleen maar wilde slapen?
Rond een uur of twee ging het mis met een heftruck. Mo raakte een stelling in gangpad zeven. Twee pallets met dure televisies kwamen naar beneden. Een hels kabaal van brekend hout en krakend plastic. Het hele magazijn viel stil. Iedereen keek naar mij. Dit was het moment waarop de teamleider naar voren stapte, de boel afzette, Mo geruststelde en de schade opnam. Ik deed twee stappen naar voren, maar mijn benen voelden aan alsof ze van lood waren. Mijn hart bonkte in mijn keel. De lucht in het pand leek op, alsof er geen zuurstof meer over was.
Dennis! riep Henk vanuit zijn kantoor boven. Wat gebeurt daar?
Ik kreeg geen geluid uit mijn keel. Mo keek me met grote ogen aan, hij was lijkbleek. Dennis, sorry man, de rem weigerde, stamelde hij. Ik wilde zeggen: geeft niet, we ruimen het op. Maar wat eruit kwam was een soort hees gegrom. Ik draaide me om. Zonder iets te zeggen liep ik weg. Weg van de pallets, weg van de geschrokken blikken van mijn team, de gang door naar de kleedruimte. Ik sloot mezelf op in een wc-hokje, ging op de pot zitten met mijn handen op mijn knieën en begon te happen naar adem.
Je bent waardeloos, siste de stem in mijn hoofd. Zie je wel. Eén klein incident en je stort al in. Je kunt niks. Je bent een mislukkeling. Ze lachen je allemaal uit. Ik drukte mijn voorhoofd tegen de koude deur van het hokje. Het zweet brak me aan alle kanten uit, klam en koud over mijn rug. Ik wilde verdwijnen. Niet dood, niet per se een kogel door mijn kop, maar gewoon worden uitgewist. Alsof ik er nooit was geweest. Geen herinneringen, geen spullen, geen verantwoordelijkheden meer.
Na twintig minuten werd er op de deur geklopt. Dennis? Ben je daar? Het was Mo. Gaat het wel?
Ik schraapte mijn keel, veegde met de mouw van mijn trui over mijn bezwete voorhoofd en trok door om het geloofwaardig te maken. Ja, buikgriep denk ik, loog ik door de spleet van de deur. Verkeerd broodje gegeten. Ik kom zo.
Toen ik naar buiten kwam, deed ik alsof er niks aan de hand was. Ik ruimde de troep mee op. Ik hielp Mo met het schadeformulier. Ik grapte zelfs nog tegen Henk dat we de rest van de dag beter geen breekbare spullen konden verplaatsen. Henk lachte en zei dat ik een bikkel was. Dat woord sneed door mijn ziel. Een bikkel. Ik was geen bikkel. Ik was een leeg omhulsel dat op instorten stond, en het ergste was: ik liet het zelf gebeuren omdat ik me doodschaamde.
Hoofdstuk 3
Het lege weekend
Het weekend was vroeger mijn favoriete deel van de week. Vrijdagmiddag een biertje pakken met vrienden in de stad, zaterdag klussen aan het huis of naar de sportschool, zondag langs mijn broer Mark en zijn gezin. Maar tegen januari was het weekend veranderd in een zwart gat. Twee dagen waarin ik niet hoefde te presteren voor anderen, en dus instortte op de bank.
Op zaterdag kwam ik er meestal pas om twee uur ’s middags uit. Niet omdat ik lekker lag te slapen, maar omdat opstaan zinloos voelde. Waarom zou ik uit bed komen? Om koffie te zetten? Om televisie te kijken? Om weer te moeten voelen hoe leeg alles was? De gordijnen in mijn slaapkamer bleven dicht. Het licht buiten deed pijn aan mijn ogen. Mijn slaapkamer rook muf, naar zweet en oud beddengoed dat al vier weken niet was gewassen.
Mijn telefoon trilde regelmatig op het nachtkastje. Mark belde. Dennis, kom je vanmiddag even langs? De jongens willen hun nieuwe legotrein laten zien. Lotte bakt appeltaart.
Ik staarde naar het oplichtende schermpje tot het weer zwart werd. Ik nam niet op. Een half uur later stuurde ik een appje terug: Sorry man, druk met schilderen op zolder. Volgende week beter.
Weer een leugen. Er was geen verf. Er was geen kwast. Er was alleen een man van honderd kilo die in zijn boxershort naar een leeg plafond lag te staren, terwijl de uren wegtikten. Ik walgde van mezelf. Als Mark me nu zou zien, zou hij zich kapot schamen voor zijn broer. Mark had zijn leven op de rit: lieve vrouw, twee zoons, een nette baan bij de gemeente. En ik lag hier te stinken tussen de lakens alsof ik een zielige zwerver was.
Honger had ik nauwelijks. Pas rond zeven uur ’s avonds sleepte ik mezelf naar de keuken. De gootsteen stond vol afwas. Borden met aangekoekte saus van dagen geleden, koffiemokken met een wit laagje schimmel op de bodem. De geur was goor, maar het raakte me niet eens meer. Ik pakte een diepvriespizza, schoof hem in de oven en zette de timer. Terwijl de oven loeide, leunde ik tegen het aanrecht.
In de ruit van de keukendeur zag ik mijn eigen spiegelbeeld. Mijn haar stond alle kanten op, mijn stoppelbaard was slordig en grijs aan het worden bij mijn kin. Mijn schouders hingen naar voren. Ik zag eruit als een geslagen hond. Wie ben je toch, vroeg ik zachtjes hardop. Mijn stem klonk vreemd in de stille keuken, schor en krakerig van het urenlang niet praten.
De pizza smaakte nergens naar. Vet en zout. Ik at drie punten op de rand van de bank, terwijl de televisie aanstond op een willekeurige zender. Een quizprogramma. Mensen juichten omdat ze een broodrooster wonnen. Het contrast met de stilte in mijn kamer was bijna lachwekkend. Ik zette het geluid uit. De beelden flikkerden geruisloos over de muren. Blauw, rood, wit.
De gedachten kwamen weer in golven. Het was net als eb en vloed, alleen trok het water zich nooit helemaal terug. Je bent een last voor iedereen. Als je morgen verdwijnt, duurt het dagen voordat ze je vinden. Misschien Mo die belt omdat de planning niet klopt. Mark die na een week eens komt kijken waarom ik niet reageer. Zou iemand echt huilen? Natuurlijk zouden ze verdrietig zijn, hield ik mezelf voor, maar daarna zou het makkelijker zijn. Geen gedoe meer met een chagrijnige broer. Geen teamleider die half functioneert.
Ik dronk twee flessen bier leeg, snel achter elkaar, in de hoop dat mijn hoofd rustig zou worden. Maar de alcohol maakte het alleen maar zwaarder. Het versterkte de modder in mijn brein. Ik kroop rond middernacht weer onder de dekens. Koud. Zelfs met twee dekbedden kreeg ik het niet warm. Ik kneep mijn ogen dicht en bad – iets wat ik sinds mijn kindertijd niet meer had gedaan – dat ik gewoon een keer niet wakker zou worden. Gewoon doorslapen. Licht uit. Klaar.
Hoofdstuk 4
De bodem bereikt
Het breekpunt kwam op een doordeweekse woensdag eind januari. Mijn wekker ging om kwart over vijf. Dat schelle, agressieve piepje dat me normaal gesproken het bed uit joeg. Mijn arm bewoog naar de knop en sloeg hem uit. Daarna gebeurde er iets wat ik nog nooit had meegemaakt: mijn lichaam weigerde domweg dienst.
Het was geen kwestie van geen zin hebben. Iedereen heeft weleens geen zin om te werken op een koude woensdagochtend. Dit was anders. Ik gaf mijn benen de opdracht om over de rand van het bed te zwaaien, maar ze bleven liggen. Mijn rug voelde alsof hij met cement aan het matras was vastgegoten. Ik probeerde overeind te komen met mijn armen, maar mijn spieren reageerden niet. Mijn ademhaling schoot omhoog. Ik begon te zweten. Wat is dit? dacht ik. Heb ik een beroerte? Ga ik dood?
Ik lag daar. Tien minuten. Twintig minuten. De klok op het nachtkastje sprong naar zes uur. Kwart over zes. Half zeven. Om zeven uur begon mijn dienst. Om tien over zeven ging mijn telefoon. Henk. Ik zag de naam oplichten op het scherm. Ik hoefde alleen maar mijn hand tien centimeter te verplaatsen, het groene knopje aan te raken en te zeggen: Henk, ik ben ziek. Ik kan niet komen.
Ik deed het niet. Ik kon het niet. Ik keek naar de telefoon alsof het een giftige slang was. Hij ging over tot hij stopte. Twee minuten later ging hij weer. Nu was het de receptie. Daarna weer stilte. Om half acht een appje van Mo: Dennis, waar ben je? We wachten op de dagorders.
Ik sloot mijn ogen. De schaamte die over me heen spoelde was zo heet dat het pijn deed. Ik liet ze stikken. Mijn team, de jongens die op me rekenden, Henk die me vertrouwde. Ik liet iedereen in de steek. En waarom? Omdat ik te zwak was om uit bed te stappen. Zie je wel, zei het stemmetje, dat nu niet meer fluisterde maar schreeuwde. Zie je wel wat een waardeloze klootzak je bent. Je kunt niet eens je nest uitkomen. Je verdient deze baan niet. Je verdient helemaal niks.
Rond elf uur hoorde ik een auto stoppen voor het huis. Een portier sloeg dicht. Voetstappen op het tuinpad. De brievenbus klepperde. Dennis! riep een stem door de bus. Ben je thuis?
Het was Mark. Henk had natuurlijk zijn nummer gebeld; Mark stond als noodcontact in mijn personeelsdossier. Mijn hart sloeg op hol. Ik wilde me verstoppen onder de dekens, maar ik kon mezelf nauwelijks bewegen. De sleutel rammelde in het slot van de voordeur. Mark had een reservesleutel voor als ik op vakantie was.
De deur ging open. Dennis? riep hij vanuit de gang. Hij liep de trap op. Zijn zware stappen op het tapijt kwamen dichterbij. Mijn slaapkamerdeur werd opengeduwd. Mark stond in de opening, zijn jas nog aan, zijn wangen rood van de kou. Hij keek naar de dichtgetrokken gordijnen, naar de troep op de vloer, naar de borden met etensresten op het bureau, en tenslotte naar mij.
Godverdomme Dennis, zei hij zacht. Zijn stem klonk niet boos. Dat was misschien nog wel het ergste. Hij klonk doodsbang. Wat is er aan de hand met jou? Henk belde in paniek. Hij dacht dat je een ongeluk had gehad.
Ik keek hem aan. Ik wilde een grap maken. Ik wilde zeggen dat ik de griep had, dat het reuze meeviel, dat hij zich geen zorgen hoefde te maken. Maar toen ik mijn mond opendeed, kwam er geen leugen uit. Er kwam helemaal geen woord uit. Alleen een rauwe, snijdende snik die ergens heel diep uit mijn borstkas omhoog werd geperst.
Ik, een vent van zesendertig, met tatoeages op mijn armen en stalen neuzen aan mijn voeten, begon te janken als een klein kind. Ik kon niet meer stoppen. Het voelde alsof er een dijk doorbrak die ik maandenlang met al mijn kracht had tegengehouden. Ik trok de dekens over mijn gezicht, draaide me om naar de muur en huilde tot mijn hele lijf schudde.
Mark liep niet weg. Hij zei eerst niks. Hij trok zijn jas uit, gooide die over een stoel en ging op de rand van mijn bed zitten. Hij legde een hand op mijn schouder. Die hand was warm en zwaar. We bleven daar een hele tijd zo zitten, in het halfdonker van die muffe kamer, terwijl ik de bodem raakte van alles wat ik dacht te zijn.
Hoofdstuk 5
De stem van een ander
Toen ik eindelijk was uitgehuild, was het stil in de kamer. Ik durfde Mark niet aan te kijken. Ik voelde me kleiner dan een korrel zand. Mijn ogen brandden en mijn neus zat dicht. Ik staarde naar de gele behangrand achter mijn bed.
Kom eens overeind, zei Mark rustig. Niet boos, maar beslist.
Ik kan het niet, zei ik schor. Dat was geen aanstellerij; mijn lichaam voelde nog steeds leeggelopen, als een lekke band.
Jawel, zei hij. Rustig aan. Voeten op de grond.
Hij pakte me bij mijn arm en trok me zachtjes omhoog. Ik liet het maar gebeuren. Ik zat op de rand van het bed, met hangende schouders en mijn hoofd tussen mijn knieën. Mark liep naar het raam en trok de gordijnen met één ruk open. Het grauwe winterlicht viel genadeloos de kamer binnen. Ik kneep mijn ogen dicht tegen de felheid. Kijk naar die troep hier, Dennis, zei hij. Hoe lang ben je hier al mee bezig?
Ik haalde mijn schouders op. Ik weet het niet. Weken. Maanden.
Waarom heb je niks gezegd? vroeg hij. Waarom bel je me niet? We dachten dat je gewoon druk was met je werk. Sanne vroeg vorige week nog of je boos op ons was.
Ik ben niet boos, fluisterde ik. Ik ben op. Het is gewoon... mijn hoofd stopt niet met praten. Het vertelt me de hele dag dat ik niks waard ben. Dat ik een oplichter ben op mijn werk. Dat iedereen beter af is zonder mij.
Mark keek me strak aan. Hij leunde tegen het kozijn. En jij gelooft die stemmen?
Natuurlijk geloof ik die, zei ik, en er kwam ineens wat boosheid omhoog. Ze hebben toch gelijk? Kijk naar me! Ik lig hier op woensdagochtend te janken als een kleuter terwijl mijn ploeg zit te wachten. Ik kan mijn eigen huis niet eens schoonhouden. Ik ben mislukt, Mark. Helemaal mislukt.
Mark schudde zijn hoofd. Hou toch op man. Je bent ziek. Als je een longontsteking had, zou je dan ook zeggen dat je een mislukkeling bent omdat je hoest?
Dat is anders, beet ik hem toe. Dit zit in mij. Dit ben ik.
Nee, zei Mark fel. Dit ben jij niet. Ik ken jou al zesendertig jaar. Jij bent de gozer die me leerde vissen aan de IJssel. Jij bent de man die voor iedereen klaarstaat als er verhuisd moet worden. Dit donkere gedoe daarbinnen, dat is een ziekte. En we gaan nu zorgen dat je geholpen wordt. Sta op. Je gaat onder de douche.
Ik wilde protesteren, maar hij liet me geen keus. Hij zette de kraan in de badkamer aan en legde een schone handdoek neer. Ik strompelde naar binnen. Het hete water op mijn huid voelde vreemd, bijna pijnlijk na al die dagen van verdoving. Terwijl ik me waste, hoorde ik Mark beneden door het huis lopen. Vuilniszakken die open werden geritst. Het gerammel van borden in de vaatwasser.
Toen ik beneden kwam in een schone joggingbroek, stond er een mok zwarte koffie op de keukentafel. De etensresten waren weg. De ramen stonden op een kier om de stank eruit te laten. De koude wind deed me rillen, maar het hielp ook. Mijn hoofd werd iets helderder.
Ik heb Henk gebeld, zei Mark terwijl hij tegen het aanrecht leunde. Ik heb gezegd dat je bent ingestort en dat je voorlopig ziek thuis bent. Hij schrok, maar hij zei direct dat je je nergens zorgen over hoeft te maken. Je baan staat niet op de tocht.
Ik voelde weer tranen prikken, maar hield ze tegen. En nu? vroeg ik zacht.
Nu pak je je jas, zei Mark. Ik heb de huisarts al aan de lijn gehad. We kunnen er over een half uur terecht voor een spoedafspraak. Ik rijd.
Ik keek naar mijn autosleutels op het tafeltje bij de voordeur. Ik dacht aan de A28, aan de koplampen en de vangrail. Het had zo weinig gescheeld. Ik pakte mijn jas van de kapstok en stapte bij mijn broer in de auto. Het voelde als een vernedering, maar diep vanbinnen was er ook iets anders: een heel klein vlammetje van opluchting. Het geheim was eruit. Ik hoefde het masker niet meer op te houden.
Hoofdstuk 6
Driehonderd meter asfalt
De weken die volgden waren geen triomftocht. De praktijkondersteuner bij de huisarts, een nuchtere vrouw van in de vijftig die Els heette, zei het meteen tijdens ons eerste gesprek: Verwacht geen wondermiddel, Dennis. We gaan dit stap voor stap afbreken, en dat kost tijd.
In het begin leek het alsof het alleen maar erger werd. Nu ik niet meer naar mijn werk ging, viel de laatste structuur weg. De dagen waren leeg en traag. Het verschil was dat Mark nu elke ochtend om negen uur belde. Geen lang gesprek. Gewoon: Ben je uit bed? Heb je gegeten? Soms loog ik nog steeds een beetje, maar meestal dwong die telefoon me om in elk geval mijn benen over de bedrand te gooien.
Els gaf me een simpele opdracht mee voor de tweede week. Geen zware psychologische analyses, geen diepe graafpartijen in mijn jeugd. Ze zei: Je gaat elke middag om één uur je schoenen aandoen en je loopt naar de brievenbus op de hoek van de straat. Driehonderd meter heen, driehonderd meter terug. Meer niet.
Ik keek haar aan alsof ze gek was geworden. Ik ben een kerel van honderd kilo die vroeger drie keer per week in het krachthonk stond, zei ik. En jij wilt dat ik naar de brievenbus wandel?
Ja, zei ze rustig. Want dat is op dit moment jouw grens. Als je meer wilt, ga je je gang, maar die driehonderd meter is verplicht.
De eerste dag dat ik het deed, voelde belachelijk. Ik trok mijn oude hardloopschoenen aan en deed de voordeur open. De straat was leeg, het was een kille dinsdagmiddag in februari. De wind sneed in mijn gezicht. Elke stap voelde zwaar. Ik dacht dat alle buren achter de vitrages stonden te kijken en dachten: kijk hem daar eens lopen, die grote magazijnbaas die niks meer kan. De stem in mijn hoofd was er nog steeds, scherp en gemeen. Wat een held ben je, Dennis. Driehonderd meter lopen. Wat een prestatie.
Ik tikte met mijn vingers tegen het rode metaal van de brievenbus op de hoek. Ik draaide me om en liep terug. Mijn hartslag was hoog, niet van de inspanning, maar van de spanning. Toen ik mijn voordeur weer achter me dichttrok, zakte ik op de trap in elkaar. Maar ik had het gedaan. Het was een belachelijk klein ding, maar het was een feit. Ik had gezegd dat ik het zou doen, en ik had het gedaan.
Na twee weken werd de brievenbus een rondje om het pleintje. Na een maand liep ik langs de uiterwaarden van de IJssel, waar de wind over het water joeg en de meeuwen tegen de grijze lucht hingen. Ik begon te merken dat het lopen iets deed met de druk in mijn hoofd. De somberheid verdween niet, absoluut niet. Hij liep naast me mee, als een grote, zwarte hond die strak aan de riem trok. Maar als ik stevig doorstapte, kon die hond me niet zomaar meer omver trekken.
Ik leerde van Els om anders naar mijn gedachten te kijken. Je gedachten zijn geen feiten, Dennis, hamerde ze erin tijdens onze wekelijkse sessies. Als jij denkt dat je een mislukking bent, betekent dat niet dat je het bent. Het betekent alleen dat je brein dat signaal afgeeft omdat je uitgeput bent.
Het klonk logisch, maar het was verdomd moeilijk om het echt te voelen. Als die bekende vlaag van zelfhaat weer opkwam, probeerde ik te zeggen: oké, daar is die gedachte weer. Hij mag er zijn, maar ik hoef er niks mee te doen. Meestal lukte dat niet. Dan zat ik alsnog twee uur op de bank te balen. Maar soms, heel soms, lukte het wel voor tien minuten. En die tien minuten waren als een slok koud water in een hete woestijn.
In maart kwam Mo op bezoek. Ik had er dagen tegenop gezien. Wat moest ik zeggen? Hoe leg je aan een jongen van vierentwintig uit dat je opeens niet meer kon functioneren? Mo kwam binnen met een doos koeken van de bakker. Hij zag er ongemakkelijk uit in zijn spijkerjasje op mijn bank.
We missen je op de vloer, chef, zei hij terwijl hij met zijn duim over de rand van zijn koffiemok wreef. Het is een zootje zonder jou. Henk loopt alleen maar te stressen.
Ik keek hem aan. Ik dacht dat jullie me wel een slappe zak zouden vinden, flapte ik eruit voor ik het kon tegenhouden.
Mo keek me met grote ogen aan, bijna beledigd. Ben je gek of zo? Jij hebt me vorig jaar ingewerkt toen niemand tijd voor me had. Iedereen snapt toch dat je even kapot bent als je altijd maar voorop loopt? Je bent geen robot, Dennis.
Die woorden van Mo deden meer dan tien gesprekken met Els. Een simpele gozer uit mijn team die gewoon zag wat ik zelf nooit had willen zien: ik had mezelf kapot gelopen omdat ik dacht dat ik geen fouten mocht maken.
Hoofdstuk 7
Gewoon woensdag
Het is nu begin juni. De koplampen op de A28 zijn verdwenen; als ik om kwart voor zeven de weg op ga, staat de zon al laag over de weilanden te schijnen. Het gras is groen, de lucht is helderblauw. Het is gewoon een woensdag.
Ik ben weer aan het werk, maar niet zoals vroeger. Ik werk nu vier ochtenden van vier uur. Boventallig, zoals dat zo mooi heet op de personeelsafdeling. Ik sta niet meer vooraan om de grote branden te blussen. Ik help Mo met de planning, ik sorteer goederen en ik zorg dat de administratie van de binnenkomende vrachten klopt. Henk wilde me eerst ontzien, me achter een bureau zetten op de eerste verdieping, maar ik wilde terug naar de vloer. Tussen de geur van diesel, hout en karton voel ik me thuis.
Het is geen sprookje geworden. Ik ben niet plotseling veranderd in een man die elke ochtend fluitend zijn bed uit springt. Er zijn nog steeds ochtenden dat de wekker gaat en de deken loodzwaar aanvoelt. Ochtenden dat het grijze monster op de rand van mijn bed zit en fluistert: Blijf maar liggen, het heeft toch geen zin. Het verschil is dat ik nu weet dat dat beest liegt.
Vanochtend was zo’n ochtend. De regen tikte tegen mijn slaapkamerraam. Ik werd wakker met die bekende, zware knoop in mijn maag. Mijn eerste gedachte was: ik meld me ziek. Ik trek de gordijnen dicht en ik ga weer slapen. Ik lag daar vijf minuten, starend naar de wekker. Zes uur. Ik voelde de verleiding van het zwarte gat trekken.
Maar toen dacht ik aan wat Els me had geleerd. Wat ga je doen met die gedachte, Dennis? Ga je erin mee, of zet je je voeten op de grond?
Ik zuchtte diep. Ik gooide de dekens van me af. De koude vloer onder mijn blote voeten deed me even rillen. Ik liep naar de badkamer, waste mijn gezicht met ijskoud water en keek in de spiegel. De donkere kringen zijn minder diep geworden. Mijn blik is niet meer leeg; hij staat strak, soms wat vermoeid, maar er zit weer leven in. We gaan gewoon vandaag doen, zei ik tegen mijn spiegelbeeld. Niet morgen, niet de rest van het jaar. Alleen vandaag.
Toen ik om zeven uur het terrein op reed, zag ik Mo al bij de laadperrons staan met een clipboard onder zijn arm. Hij zwaaide met twee vingers toen hij mijn auto zag. Ik parkeerde, pakte mijn broodtrommel van de bijrijdersstoel en stapte uit. De geur van nat asfalt en verse koffie uit de kantine kwam me tegemoet.
Môgguh chef, zei Mo toen ik binnenliep. Alles rustig?
Rustig aan, Mo, zei ik. Hoe staan de vrachten voor vandaag?
We liepen samen naar de paktafels. Terwijl we de lijsten doornamen, voelde ik ineens een vreemde rust neerdalen. Een soort vrede met het feit dat ik niet perfect ben. Ik ben geen superheld. Ik ben Dennis van Dijk, zesendertig jaar, teamleider in herstel. Ik heb een kras op mijn ziel die waarschijnlijk nooit helemaal weggaat. Soms zal die kras weer gaan bloeden als het weer omslaat of als de druk te hoog wordt. Maar ik weet nu waar de pleisters liggen. En belangrijker nog: ik weet wie ik kan bellen als ik het verband er zelf niet omheen krijg gelegd.
Vanmiddag, als mijn vier uren erop zitten, ga ik langs Mark. Niet om te helpen klussen of om stoer te doen, maar gewoon om een kop koffie te drinken en met de jongens over de vloer te rollen met die legotrein. Ik kijk er zelfs een beetje naar uit.
Het leven is niet ineens geweldig geworden. Het is niet makkelijk. Maar het is echt, en het is van mij. En voor vandaag is dat meer dan genoeg.