Naar de inhoud
Terug naar het boek

Liefde, relaties en gezin

Opgroeien bij een ouder met een verslaving

Hoofdstuk 1

De sleutel

De eerste keer dat ik mijn moeder op de keukenvloer vond, dacht ik dat ze dood was. Ik was elf. Mijn broertje Sem was zes. Hij stond achter me met een tekening die nog nat was van de verf.

‘Waarom ligt mama daar?’

Ik legde mijn schooltas neer. Heel voorzichtig. Alsof het geluid iets erger kon maken. Mama lag op haar zij, tussen de koelkast en de tafel. Haar mond stond open. Onder haar wang zat een rode afdruk van de tegels.

Ik heette toen al Mara. Toch voelde het alsof er die middag iemand anders met die naam begon. Iemand die eerst luisterde of er adem was. Die daarna keek waar de flessen stonden. Die pas als laatste dacht: ik ben bang.

‘Ga boven spelen,’ zei ik.

‘Maar mijn tekening.’

‘Leg maar neer.’

Ik schudde aan haar schouder. Ze bromde. Haar adem rook naar iets scherps en zoets. Later wist ik dat het jenever was. Toen kende ik vooral het verschil tussen haar gewone geur en deze geur. Gewoon was koffie, handcrème en haarlak.

‘Mam. Wakker worden.’

Ze sloeg mijn hand weg.

‘Niet zo trekken, Mara.’

Dat stelde me gerust. Een dode moeder kon niet boos worden.

We woonden in een rijtjeshuis in Zwolle-Zuid. Voor ons huis stond een berk die overal zaadjes achterliet. Mijn moeder heette Karin. Ze werkte bij een thuiszorgorganisatie. Mijn vader woonde sinds anderhalf jaar in Deventer, met Ilse. Om het weekend gingen we naar hem toe. Dat stond op een kalender naast de telefoon.

Niemand had opgeschreven wie er moest komen als mama op de grond lag.

Ik belde mijn vader niet. Ik wist dat ze daar ruzie over zouden krijgen. De vorige keer dat ik had verteld dat mama de hele avond sliep, had hij haar gebeld. Door de muur hoorde ik haar schreeuwen.

Daarna had ze gezegd: ‘Je hoeft niet alles door te vertellen. Sommige dingen blijven binnen ons gezin.’

Die middag maakte ik twee boterhammen met pindakaas. Sem wilde weten of we nog naar zwemles gingen.

‘Vandaag niet.’

‘Maar ik mag door het gat.’

Hij oefende al weken voor het zeil onder water. Ik zei dat de les niet doorging. Hij geloofde me. Dat vond ik bijna erger dan wanneer hij had gehuild.

Om zes uur kwam mama overeind. Ze hield zich vast aan een stoel en keek naar de klok.

‘Waarom heb je me niet wakker gemaakt?’

Ik keek naar haar. Ze trok haar vest recht.

‘Ik ben gewoon uitgeput. Dat weet je toch?’

Die avond bakte ze pannenkoeken. Er kwam beslag op het fornuis en ze liet Sem de eerste omdraaien. Hij liet hem dubbelklappen. We lachten alle drie. Mama kuste mijn hoofd toen ze achter mijn stoel langs liep.

‘Mijn grote meid.’

Ik wilde dat ze dat bleef zeggen. Ik wilde ook dat ik niet groot hoefde te zijn.

Het was niet elke dag zo. Dat maakte het verwarrend. Op goede zaterdagen fietsten we naar de markt. Mama kende de kaasboer en onthield welke drop ik lekker vond. Ze kon een dekbedovertrek in één beweging uitschudden. Ze luisterde als ik ruzie had met een vriendin. Dan zei ze precies het goede.

Op andere dagen vergat ze mijn naam niet, maar wel dat ik naast haar zat. Ze keek door me heen naar de televisie. Soms begon ze midden in een zin te huilen. Soms werd ze boos omdat ik te hard kauwde.

Ik leerde aan het geluid van haar sleutel hoe de avond zou worden. Meteen in het slot betekende meestal goed. Schrapen langs de deur betekende opletten. Viel de sleutel op de stoep, dan stuurde ik Sem alvast naar boven.

Een week na die middag vond ik een fles achter de stapel schone handdoeken. Ik draaide hem om. Er zat nog een bodempje in. Op het etiket stond een molen.

‘Wat doe jij daar?’

Mama stond in de deuropening.

‘Een handdoek pakken.’

Ze nam de fles uit mijn hand.

‘Die is van een bezoeker.’

Er was niemand geweest. Dat wist zij. Dat wist ik.

Ik knikte toch.

Later stopte ik een reservesleutel in het kleine vak van mijn schooltas. Daarnaast legde ik twee euro voor brood. Ik controleerde elke ochtend of beide er nog waren.

Sem controleerde of hij zijn knuffel mee had. Ik controleerde of we ons huis weer in konden.

Hoofdstuk 2

Niet doorvertellen

Toen ik veertien was, hield ik een schrift bij. Geen dagboek. Een voorraadlijst. Brood. Melk. Geld voor de bus. De dagen waarop mijn vader ons zou ophalen. Achterin stonden telefoonnummers. Papa. Tante Els. De buurvrouw, Ria.

Ik zette nergens bij waarom ik die nummers nodig had. Als mama het schrift vond, moest het gewoon een schoolschrift lijken.

Haar baan was inmiddels weg. Eerst zei ze dat haar rug niet meer meewerkte. Daarna dat haar leidinggevende haar eruit had gewerkt. Ik hoorde haar een keer aan de telefoon zeggen: ‘Ik had helemaal niet gedronken tijdens mijn dienst.’

Toen wist ik iets wat ik liever niet had geweten.

Mijn beste vriendin heette Noor. Zij woonde in een flat bij het winkelcentrum. Bij haar thuis lagen schoenen midden in de gang. Haar vader mopperde daarover. Haar moeder mopperde terug. Daarna gingen ze eten. Niemand luisterde aan de trap of het veilig was om beneden te komen.

Ik kwam er graag. Ik nodigde Noor nooit bij ons uit.

‘Is je huis geheim?’ vroeg ze een keer.

‘Mijn moeder heeft migraine.’

Het antwoord kwam vanzelf. Ik had het al gebruikt voor een gemiste ouderavond en een verjaardag waar mama niet verscheen.

Op een donderdag moest ik mijn werkstuk presenteren. Ik had drie weken aan een maquette van de IJssel gewerkt. Mama zou komen kijken tijdens de projectavond. Ze had het beloofd terwijl ze mijn haar invlocht.

Om halfacht zag ik haar achter in het lokaal.

Eerst was ik blij.

Toen stootte ze tegen een tafel. Een kartonnen brug viel op de grond. Ze lachte te hard en probeerde hem met één hand op te rapen. Met haar andere hand hield ze zich vast aan een stoel.

‘Daar is mijn meisje,’ riep ze.

Iedereen keek.

Mijn docent, meneer Van Dijk, liep naar haar toe. Ze zei dat ze prima zelf kon staan. Daarna vroeg ze hem of hij soms dacht dat hij beter was dan zij.

Ik verliet mijn plek naast de maquette.

‘Kom, mam. We gaan.’

‘Jij moet toch nog vertellen?’

‘Dat heb ik al gedaan.’

Ook dat was een leugen.

Buiten regende het. Ze had haar fiets meegenomen. Ik pakte het stuur voordat zij erop kon stappen.

‘Ik loop wel met je mee.’

‘Doe niet zo betuttelend.’

Ze trok aan het stuur. De trapper sloeg tegen mijn scheenbeen. Ik voelde meteen een scherpe pijn. Toch liet ik niet los.

Meneer Van Dijk kwam achter ons aan. Hij vroeg of hij iemand kon bellen. Mama zei nee. Ik zei ook nee. Bij mij kwam het harder eruit.

De volgende ochtend vroeg hij me na de les te blijven.

‘Hoe gaat het thuis?’

Ik keek naar een beschadiging in zijn bureau.

‘Goed.’

‘Gisteravond zag er niet goed uit.’

‘Ze gebruikt medicijnen voor haar rug.’

Hij bleef even stil.

‘Je hoeft haar hier niet te verdedigen.’

Mijn keel trok dicht. Ik wilde hem uitschelden. Hij kende haar niet. Hij had haar nooit soep zien maken als ik ziek was. Hij wist niet dat ze verjaardagskaarten weken bewaarde omdat ze de tekst zo lief vond.

Maar hij had wel gezien wat ik steeds probeerde te verbergen.

Ik vertelde hem niet alles. Alleen dat ze soms dronk. Dat ik dan eten maakte. Dat Sem bang werd van geschreeuw.

Hij zei dat hij niet kon beloven dat dit tussen ons bleef. Daar werd ik woedend van.

‘Dan had u het niet moeten vragen.’

‘Ik wil dat jullie veilig zijn. We bespreken samen wat daarvoor nodig is.’

Die middag zat ik met hem en de zorgcoördinator in een kamertje. Mijn vader kwam ook. Hij keek alsof hij te laat was voor een afspraak die al jaren vaststond.

‘Waarom heb je niks gezegd, Mara?’

Ik begon te huilen.

‘Je hebt toch zelf ook ogen?’

Hij deed zijn mond open. Daarna weer dicht.

Die avond sliepen Sem en ik bij hem in Deventer. Ilse had schone dekbedden neergelegd. Sem vroeg of het een extra weekend was.

Mijn telefoon trilde onder het kussen. Mama.

Ik nam op.

‘Wat heb je allemaal verteld?’ vroeg ze.

Ik hoorde dat ze huilde. Ik zei sorry. Drie keer.

Mijn vader stond in de deuropening. Voor het eerst pakte hij de telefoon zonder te vragen of ik dat goed vond.

‘Karin,’ zei hij. ‘Dit bespreek je met mij. Niet met haar.’

Hoofdstuk 3

Achter het glas

We bleven bij mijn vader. Eerst twee nachten. Toen een week. Daarna kwam er een bed voor Sem dat niet meer ingeklapt hoefde te worden.

Ik bleef in Zwolle op school. Mijn vader bracht ons in het begin met de auto. Later ging ik met de trein. Ik maakte huiswerk op een klaptafeltje en keek naar buiten wanneer klasgenoten instapten. Ik wilde niet uitleggen waarom mijn adres was veranderd.

Bij papa moest ik leren wachten tot iemand anders de aardappels afgoot.

‘Ga zitten,’ zei Ilse als ik na school de keuken binnenkwam.

‘Ik kan wel helpen.’

‘Dat mag. Maar het hoeft niet.’

Ik geloofde haar niet. Als ik niets deed, werd ik onrustig. Dan ruimde ik de badkamer op of controleerde ik of Sem zijn gymspullen had. Ilse bedankte me soms. Soms zei ze dat ze die tas al had gecontroleerd.

Daar kon ik vreemd genoeg kwaad om worden.

Mama belde elke dag. Soms klonk ze helder. Soms stelde ze drie keer dezelfde vraag. Ik leerde gesprekken af te breken, maar deed het zelden.

‘Je vader heeft nu zeker zijn zin,’ zei ze.

‘Dit gaat niet om winnen.’

Het waren woorden van de zorgcoördinator. In mijn mond klonken ze geleend.

‘Je praat al net als hij.’

Dan bleef ik toch nog een halfuur hangen, om te bewijzen dat ik bij haar hoorde.

Na twee maanden ging ze naar een verslavingskliniek. Mijn vader vertelde het aan de eettafel. Sem vroeg of dat een ziekenhuis was. Ik vroeg hoelang ze bleef.

‘Dat hangt van haar behandeling af.’

Ik had liever een datum gehad.

Ons eerste bezoek was op een zondag. Tante Els reed. Ze was de jongere zus van mama en droeg altijd kauwgom en losse bonnetjes in haar jaszakken. Onderweg praatte ze over wegwerkzaamheden. Ik was haar dankbaar dat ze niet vroeg wat ik voelde.

Mama zat in een bezoekersruimte met grote ramen. Ze droeg een blauwe trui die ik niet kende. Haar handen trilden toen ze koffie schonk.

Sem rende naar haar toe. Ik bleef staan.

‘Kom eens hier,’ zei ze.

Ik liet me omhelzen. Ze rook naar zeep.

We aten koekjes uit een plastic bak. Mama vroeg naar school. Sem vertelde over een jongen die tijdens gym zijn broek was verloren. We lachten. Het leek even op een bezoek aan iemand die toevallig ergens anders woonde.

Toen zei mama: ‘Ik doe dit voor jullie.’

Ik keek naar haar kopje.

‘Doe het ook als wij boos zijn.’

Ze trok haar wenkbrauwen op.

‘Wat bedoel je?’

‘Dat je niet weer moet gaan drinken als ik een keer niet opneem.’

Tante Els legde haar koekje neer.

Mama keek naar het raam. Ik dacht dat ze zou gaan huilen of dat ze ons weg zou sturen.

‘Dat is niet jouw schuld geweest,’ zei ze uiteindelijk.

Ik wilde haar geloven. Het lukte nog niet.

Een begeleider sprak die middag apart met Sem en mij. Ze vroeg wat wij nodig hadden. Sem wilde weten of mama met kerst thuis was. Ik vroeg hoe ik kon zien of ze loog.

De begeleider schoof haar stoel iets dichterbij.

‘Jij hoeft niet haar controleur te worden.’

‘Maar iemand moet het merken.’

‘Volwassenen moeten daar afspraken over maken. Jij mag vertellen wat je ziet. Je hoeft het niet op te lossen.’

Thuis schreef ik die laatste zin achter in mijn schrift. Ik vond hem tegelijk prettig en waardeloos. Als mama dronk, verdween dat probleem niet omdat ik een zin had opgeschreven.

Toch belde ik haar die avond niet om te vragen of ze het volhield.

Na haar opname mocht ze weer thuis wonen. Wij bleven bij papa. Er kwamen afspraken over bezoek. Eerst met tante Els erbij. Geen onverwachte logeerpartijen. Geen autoritten met mama zolang er twijfel was.

De eerste keer dat ik haar voordeur opende, rook het huis naar schoonmaakmiddel. De handdoeken lagen in de kast. Ik wilde erachter kijken.

Mama zag mijn hand naar de stapel gaan.

‘Er ligt niks,’ zei ze.

Ik trok de kast toch open.

Ze zuchtte, maar ze hield me niet tegen.

Die middag aten we tomatensoep aan de keukentafel. Sem morste op zijn mouw. Mama pakte een doekje. Ik bleef zitten. Dat was het enige nieuwe dat me die dag lukte.

Hoofdstuk 4

Een open deur

Op mijn negentiende verhuisde ik naar Utrecht. Ik ging verpleegkunde studeren en huurde een kamer in Zuilen. Negen vierkante meter. Een wastafel. Een raam dat alleen met een mes open kon. Ik vond het geweldig.

Mijn vader droeg de dozen naar boven. Ilse maakte de vensterbank schoon. Mama kwam later met een plant en een set borden van de kringloop. Ze was op tijd. Ze bleef anderhalf uur. Bij het afscheid vroeg ze niet of ik haar ging missen.

Daar was ik blij mee. Daarna voelde ik me schuldig omdat ik daar blij mee was.

Het ging toen beter met haar. Niet recht vooruit. Er was een terugval geweest toen ik zeventien was. Daarna had ze opnieuw hulp gezocht. Ze werkte nog niet, maar deed vrijwilligerswerk in een buurthuis. Sem woonde bij papa en ging om de zaterdag naar haar toe.

Ik belde haar op woensdag. Eerst ook op vrijdag. Daarna alleen op woensdag, tenzij ik zelf iets wilde vertellen. Dat schema gaf rust. Ik vertelde niemand dat ik een schema nodig had om mijn moeder te bellen.

Daan leerde ik kennen in een fietsenstalling bij Utrecht Centraal. Mijn ketting zat vast. Hij had zwarte vingers en een rugzak met een kapotte rits.

‘Mag ik?’ vroeg hij.

Ik zei dat het wel ging.

Hij keek naar mijn fiets, die ondersteboven tegen een hek stond.

‘Dat zie ik.’

Ik moest lachen. Hij kreeg de ketting los. Ik kocht koffie voor hem. Hij studeerde bouwkunde en woonde met drie vrienden in Overvecht. Een week later aten we noedels in mijn kamer, zittend op de vloer.

Ik vond hem prettig omdat hij rustig was. Hij vroeg wat ik wilde eten en geloofde mijn antwoord. Als hij moe was, zei hij dat hij moe was. Ik hoefde niet te raden welke fout ik had gemaakt.

Na twee maanden bleef ik bij hem slapen. Zijn huisgenoten hadden bezoek. In de keuken stonden bierkratten. Daan dronk twee flesjes terwijl we een film keken.

Bij het tweede flesje begon ik zijn gezicht te bestuderen.

Praatte hij anders? Werden zijn ogen kleiner? Waarom lachte hij zo hard om iets wat niet grappig was?

‘Wat is er?’ vroeg hij.

‘Niks.’

Later ging hij in bed liggen en viel vrijwel meteen in slaap. Ik bleef rechtop zitten. In de gang viel een deur dicht. Iemand liet glas in een bak vallen.

Om twee uur trok ik mijn kleren aan.

Daan werd wakker toen ik mijn schoenen pakte.

‘Ga je weg?’

‘Ik moet morgen vroeg leren.’

‘Je boeken liggen hier.’

Ik begon te huilen. Ik was daar kwaad over. Vooral omdat hij niet boos werd.

Hij ging zitten, maar kwam niet meteen naar me toe.

‘Wil je dat ik iets doe?’

‘Niet drinken.’

Hij keek naar de lege flesjes op zijn bureau.

‘Vanavond niet meer, natuurlijk. Maar bedoel je nooit?’

Ik wilde ja zeggen. Ik wilde een belofte die ik kon controleren.

In plaats daarvan vertelde ik hem over mama. Niet het hele verhaal. De keukenvloer. De schoolavond. Het geluid van de sleutel.

Hij luisterde. Daarna zei hij dat hij begreep waarom ik schrok, maar dat hij niet wist of hij met een totaalverbod kon leven.

Dat deed pijn. Toch was het eerlijker dan een belofte die hij later stilletjes zou breken.

We spraken af dat hij zei wanneer hij naar een borrel ging. Niet als toestemming. Gewoon zodat ik wist waar ik aan toe was. Ik sprak af dat ik niet elk uur zou bellen.

Die tweede afspraak hield ik minder goed vol dan de eerste.

Een maand later kwam hij drie kwartier later dan afgesproken. Zijn telefoon was leeg. Ik had zes berichten gestuurd en twee ziekenhuizen opgezocht.

‘Ik kan niet steeds bewijzen dat ik nog leef,’ zei hij.

Ik hoorde verwijt. Hij bedoelde een grens.

De volgende dag maakte ik een afspraak bij de huisarts. Via haar kwam ik bij een psycholoog. Later sloot ik me aan bij een groep voor volwassenen die waren opgegroeid met een verslaafde ouder.

Bij de eerste bijeenkomst zei ik: ‘Mijn moeder is eigenlijk heel lief.’

Een vrouw tegenover me knikte.

‘Die van mij ook.’

Voor het eerst hoefde ik daarna niet uit te leggen waarom het toch moeilijk was.

Hoofdstuk 5

De autosleutel

Ik was vierentwintig toen Sem belde vanaf een parkeerplaats in Zwolle. Het was halfelf op een zaterdagavond. Daan en ik woonden inmiddels samen in een bovenwoning in Utrecht. Ik stond in de badkamer mijn tanden te poetsen.

‘Kun je komen?’ vroeg Sem.

Ik spoelde mijn mond.

‘Waar ben je?’

‘Bij mama. Buiten.’

Op de achtergrond hoorde ik haar stem. Hard. Onverstaanbaar.

‘Ze wil rijden. Naar de winkel of zo. Ik heb haar sleutel.’

Mijn hand begon te trillen. Ik zette de tandenborstel neer.

‘Ga bij haar weg als ze aan je trekt. Niet vechten om die sleutel. Ik bel papa.’

‘Papa zit op Texel.’

Dat was waar. Een weekend met Ilse. Ik wist het, maar in mijn hoofd moest hij ineens gewoon in Deventer zijn.

Mama schreeuwde iets. Sem hield zijn telefoon verder weg.

‘Ze zegt dat ik haar opsluit.’

‘Luister. Ga naar Ria. Nu.’

‘Dan gaat ze rijden.’

Ik hoorde mezelf als kind. Dezelfde rekensom. Als ik wegga, gebeurt er iets. Dus moet ik blijven.

‘Ik regel hulp,’ zei ik. ‘Jij hoeft niet voor de auto te staan.’

Ik belde Ria. Zij nam op en deed meteen haar voordeur open. Toen belde ik tante Els, die dichterbij woonde. Daan kwam de badkamer in. Aan mijn gezicht zag hij genoeg.

Binnen tien minuten zaten we in de auto.

Onderweg belde tante Els. Mama was naar binnen. De autosleutel lag bij Ria. Sem zat daar aan de keukentafel. Er was geen direct gevaar meer.

Ik ademde uit, maar mijn schouders bleven omhoog.

‘Je hoeft niet alsnog alles over te nemen,’ zei Daan.

‘Hij heeft mij gebeld.’

‘Dat betekent dat je zijn zus bent.’

Ik keek naar de verlichte borden boven de snelweg. Ik vond hem op dat moment ontzettend irritant.

Bij Ria zat Sem met een glas cola. Hij was negentien, langer dan ik, met stoppels langs zijn kaak. Toch schoof hij meteen op toen ik naast hem ging zitten.

‘Ze zei dat ze al maanden niks dronk,’ zei hij.

‘Misschien was dat ook zo.’

‘Maakt dat uit?’

‘Voor vanavond niet.’

Hij wreef met beide handen over zijn gezicht. Op zijn pols zat een rode plek.

‘Heeft ze je vastgepakt?’

Hij knikte.

Ik wilde direct naar haar toe. Schreeuwen. Haar die pols laten zien. Tante Els hield me tegen bij de deur.

‘Ze is dronken. Dit gesprek wordt vannacht niks.’

‘Ze moet weten wat ze doet.’

‘Morgen. Nu neem je Sem mee.’

Mama kwam toch naar buiten toen we vertrokken. Op sokken. Haar vest hing scheef.

‘Dus iedereen gaat weer weg.’

Sem keek naar de grond.

‘We praten morgen,’ zei ik.

‘Jij denkt zeker dat je beter bent. Met je studie en je keurige vriend.’

Daan stond naast de auto. Hij zei niets.

Ik voelde hoe snel ik weer klein werd. Ik wilde uitleggen dat ik niet beter was. Dat ik van haar hield. Dat ze mee mocht, als ze maar ophield.

Ik opende de achterdeur voor Sem.

‘Morgen, mam.’

Ze begon te huilen. We reden toch weg.

De volgende middag ging ik terug met tante Els. Mama zat aan de keukentafel. Er stond water voor haar. Ze kon zich niet alles herinneren.

Ik vertelde het zonder zachtere woorden te zoeken. Over de auto. Over Sems pols. Over wat ze tegen mij had gezegd.

‘Dat meen ik niet als ik zo ben,’ zei ze.

‘Sem heeft er toch last van. Ik ook.’

Ze knikte langzaam.

We maakten geen plechtige belofte dat dit de laatste keer was. Zij belde haar behandelaar voor een nieuwe afspraak. Tante Els bleef terwijl ze dat deed. Ik zei dat ik voorlopig niet bij haar thuis wilde afspreken. Alleen overdag, ergens anders, als ze nuchter was.

‘Hoelang?’ vroeg ze.

‘Dat weet ik nog niet.’

Thuis sliep Sem op onze bank. Die avond aten we patat uit de verpakking. Hij zette een film op die we allebei al kenden.

Halverwege legde hij zijn voeten op mijn schoot.

Ik liet ze liggen. Ik hoefde even niets voor hem op te lossen. Ik hoefde alleen niet weg te gaan.

Hoofdstuk 6

Ons eigen huis

Toen ik zwanger was, controleerde ik de test vier keer. Daan zat op de rand van het bad. Hij glimlachte, maar keek ook naar mij.

‘Ben je blij?’ vroeg hij.

‘Ja.’

Daarna zei ik: ‘En bang.’

Dat bleek naast elkaar te kunnen bestaan. Ik was negenentwintig. Ik werkte als verpleegkundige in een ziekenhuis in Utrecht. We hadden een klein huis in Nieuwegein gekocht, met een tuin waar vooral tegels lagen. Op papier was er weinig reden voor paniek.

Toch lag ik wakker van vragen die overdag overdreven klonken. Wat als ik niet merkte dat ik veranderde? Wat als ik ons kind verantwoordelijk maakte voor mijn stemming? Wat als ik op een ochtend ook een moeder werd waar iemand voorzichtig omheen moest bewegen?

Ik besprak het weer met een psycholoog. Zij zei niet dat ik het vast geweldig zou doen. Dat vond ik prettig. We keken naar wat ik deed als ik spanning voelde. Slecht slapen. Alles overnemen. Daan verbeteren terwijl hij juist hielp.

We spraken af wie ik kon bellen als het te veel werd. Ook als ik niet eerst kon uitleggen waarom.

Mama hoorde het nieuws op een zondagmiddag in een lunchroom in Zwolle. Ze zat tegenover me met haar jas nog aan. Sinds de avond met de autosleutel waren er betere en slechtere perioden geweest. Op dat moment dronk ze ruim een jaar niet. Ze had begeleiding en ging naar bijeenkomsten.

‘Ik word oma?’ vroeg ze.

Ik knikte.

Ze sloeg haar handen voor haar mond. Haar ogen werden nat.

Even was ik alleen blij dat ik het haar kon vertellen.

Toen zei ze: ‘Dan kan ik straks een vaste oppasdag doen.’

Mijn buik spande aan, hoewel het kind toen nog nauwelijks groter was dan een pruim.

‘Dat gaan we niet afspreken, mam.’

Ze liet haar handen zakken.

‘Omdat ik gedronken heb.’

‘Omdat er dingen zijn gebeurd waardoor ik dat niet veilig vind.’

‘Ik ben nu toch goed bezig?’

‘Dat zie ik. Maar ik laat mijn kind niet alleen bij je. Niet nu.’

De serveerster zette twee glazen thee neer. Ik was haar bijna dankbaar voor de onderbreking.

Mama roerde zonder suiker in haar glas.

‘Blijkbaar blijf ik voor altijd die slechte moeder.’

Ik voelde de oude drang om haar gerust te stellen. Om mijn grens kleiner te maken tot ze weer kon lachen.

‘Je mag het verdrietig vinden,’ zei ik. ‘Mijn antwoord verandert niet.’

Het klonk steviger dan ik me voelde.

We namen koel afscheid. In de trein huilde ik. Niet omdat ik dacht dat ik verkeerd had gekozen. Omdat een juiste keuze nog steeds pijn kon doen.

Onze dochter Lotte werd in november geboren. Na een lange bevalling en weinig slaap wist ik soms niet of ik honger had of moest huilen. Daan verschoonde luiers en bracht water. Ik zei steeds dat ik het zelf wel deed.

Op de vierde nacht stond hij naast het bed.

‘Geef haar even aan mij.’

‘Ze heeft mij nodig.’

‘Ze heeft ook een vader.’

Ik keek naar hem. Hij stak zijn armen niet dwingend uit. Hij wachtte.

Ik gaf haar aan hem en sliep twee uur.

Mama kwam een week later. We hadden afgesproken dat ze een uur bleef. Ze bracht geen grote cadeaus mee. Alleen een katoenen pakje en een bak lasagne. Bij de deur vroeg ze of ze haar handen moest wassen.

‘Graag,’ zei ik.

Ze zat op de bank met Lotte in haar armen. Ik bleef ernaast. Ze klaagde daar niet over.

‘Je lijkt moe,’ zei ze.

Ik verstijfde.

‘Dat ben ik ook.’

‘Zal ik de lasagne in de koelkast zetten als ik haar teruggeef?’

Geen oordeel. Alleen een vraag.

Vlak voor haar vertrek bleef ze bij de kapstok staan.

‘Ik had je vroeger niet zo alleen moeten laten,’ zei ze.

Ik hield Lotte tegen mijn schouder.

‘Nee.’

Mama knikte. Ze vroeg niet of ik haar kon vergeven. Ze wachtte niet tot ik iets troostends zei.

Na haar vertrek deed ik de deur dicht. Daan stond in de keuken. Hij vroeg hoe het was gegaan.

‘Goed,’ zei ik.

Daarna dacht ik even na.

‘En moeilijk. Maar goed genoeg voor vandaag.’

Hoofdstuk 7

Aan tafel

Afgelopen voorjaar werd Lotte vier. We vierden haar verjaardag op zaterdag. Acht volwassenen, drie kinderen en een taart die scheef uit de doos kwam. Lotte wilde hem toch, want de aardbeien lagen volgens haar precies goed.

Mama zou om twee uur komen. Om tien over twee keek ik voor de derde keer op mijn telefoon.

Daan stond bij het aanrecht en sneed komkommer.

‘Heb je iets gehoord?’ vroeg hij.

‘Nee.’

Ik wilde bellen. Daarna Ria bellen. Daarna uitzoeken of er treinen waren uitgevallen, hoewel mama met tante Els zou komen.

Ik legde mijn telefoon naast de fruitschaal.

Om kwart over twee stuurde Els een bericht. Parkeerplek zoeken. Twee minuten later ging de bel.

Mama stond voor de deur met een cadeau onder haar arm. Ze droeg groene schoenen die Lotte meteen wilde passen.

‘Eerst uitpakken,’ zei mama.

Er zat een doos houten dieren in. Geen kaart met lange excuses. Geen duur cadeau dat meer moest goedmaken dan een verjaardag kon dragen. Gewoon speelgoed. Lotte rende ermee naar de kamer.

Sem kwam later met zijn vriendin Aisha. Hij werkte inmiddels bij een installatiebedrijf in Zwolle. Toen hij binnenkwam, pakte hij een stuk komkommer van de schaal.

‘Heb je ook echt eten?’ vroeg hij.

Ik wees naar de oven.

‘Je bent geen gast als je zo begint.’

Hij grijnsde en kuste mijn wang.

Bij verjaardagen keek ik vroeger altijd wie naast wie zat. Of mama te stil werd. Of papa kortaf klonk. Of Sem begon te wiebelen. Nu deed ik dat soms nog. Het verschil was dat ik niet meer overal iets aan deed.

Mijn vader en mama zaten allebei aan tafel. Niet naast elkaar. Dat hoefde niet. Ilse schonk koffie. Tante Els vertelde over een lekke band. Niemand deed alsof we vroeger een gezellig, rommelig gezin waren geweest.

Mijn vader had jaren eerder zijn excuses aangeboden. We zaten toen in zijn auto, op een parkeerplaats in Deventer. Hij had gezegd dat hij had gezien dat het misging, maar had willen geloven dat mama het wel redde.

‘En dat jij me zou bellen als het echt ernstig werd,’ had hij toegevoegd.

Ik was boos geworden.

‘Ik was een kind.’

‘Ja,’ had hij gezegd. ‘Ik heb iets bij jou neergelegd wat bij mij hoorde.’

Dat gesprek maakte mijn jeugd niet anders. Wel kon ik daarna makkelijker boos op hem zijn zonder te denken dat ik ook hem zou verliezen.

Mama was op Lottes verjaardag bijna twee jaar nuchter. Dat wist ik omdat ze het een paar weken eerder had verteld. Niet omdat ik dagen bijhield. Soms vroeg ik hoe haar begeleiding ging. Soms hadden we het alleen over een serie of over de prijs van aardbeien.

Lotte bleef nog steeds niet alleen bij haar. Mama vroeg er niet meer elke maand naar. Ze kwam op bezoek, ging soms mee naar de speeltuin en las hetzelfde boek drie keer achter elkaar voor. Er was een band ontstaan binnen wat wel kon.

Na de taart viel er een glas van tafel. Het brak vlak naast Lottes voeten.

Mijn hele lijf reageerde voordat ik nadacht. Mijn schouders schoten omhoog. Mijn adem stokte.

Lotte keek naar mij.

‘Was ik stout?’

Ik zakte door mijn knieën.

‘Nee. Er is een glas gevallen. Blijf even staan, dan til ik je op.’

Daan pakte de stoffer. Sem hield de andere kinderen uit de buurt. Mama zette haar kopje neer en schoof haar stoel opzij. Binnen een minuut waren de scherven weg.

Niemand schreeuwde. Niemand hoefde getroost te worden door een kind.

Later zat ik met Sem op het bankje in de tuin. Binnen hoorde ik mama dierenstemmen maken. Lotte verbeterde haar. Een giraf klonk volgens haar heel anders.

‘Had jij dit vroeger kunnen bedenken?’ vroeg Sem.

‘Een giraf met een Zwols accent?’

Hij lachte, maar schudde zijn hoofd.

‘Gewoon. Dit.’

Ik keek naar de open achterdeur.

‘Niet zo precies.’

Ik heb nog steeds dagen waarop een gemiste oproep genoeg is om mijn hart te laten jagen. Ik neem niet altijd op. Soms bel ik later terug. Soms vraag ik Daan even naast me te zitten. Liefde is voor mij niet langer hetzelfde als voortdurend beschikbaar zijn.

Toen iedereen weg was, vond ik een houten olifant onder mijn stoel. Lotte sliep al. Daan ruimde de vaatwasser in.

Ik legde het dier op tafel en ging bij hem staan.

‘Laat de rest maar tot morgen,’ zei hij.

Ik keek naar de kruimels, de volle vuilniszak en het aanrecht.

Daarna deed ik het keukenlicht uit.