Liefde, relaties en gezin
Ons gezin na de affaire
Hoofdstuk 1
Ons gezin na de affaire — Het bericht
De telefoon lag naast de aardappelschillen. Ruben stond boven onder de douche. Ik zocht de keukenwekker toen zijn scherm oplichtte.
Ik mis je nu al. Volgende donderdag weer?
Daaronder stond een rood hartje. De afzender heette Sanne Projectbureau.
Ik bleef met mijn natte handen boven het aanrecht staan. Achter me vertelde onze dochter Noor iets over een meisje uit haar klas. Ze was twaalf en praatte meestal door tot iemand antwoord gaf.
‘Mam. Luister je?’
‘Even niet, schat.’
Mijn stem klonk gewoon. Dat vond ik later het vreemdste. Dat je stem nog weet hoe normaal klinkt wanneer je zelf niet meer weet wat je moet doen.
Ik heet Marieke. Ik was toen negenendertig. We woonden in Amersfoort, in een rijtjeshuis in Schothorst. Ruben en ik waren vijftien jaar samen. Noor zat in groep acht. Onze zoon Sem was acht en bouwde aan de keukentafel een stadion van Lego. Er stond jus op het fornuis. De hond van de buren blafte. Alles ging door.
Ik kende Rubens toegangscode. Die was al jaren dezelfde. Eerst legde ik mijn hand op zijn telefoon. Daarna trok ik hem terug. Toen pakte ik hem toch.
Er stonden geen maanden aan berichten. Alleen die middag.
Ben nog steeds warm van je.
Ik ging zitten.
‘Heb je buikpijn?’ vroeg Sem.
‘Een beetje.’
Ik legde de telefoon met het scherm naar beneden. Het water boven stopte. Ik hoorde de douchedeur, een kastje, zijn voeten op de overloop. Ondertussen sneed Noor haar aardappel in precies vier stukken. Ik weet dat nog. Andere dingen van die avond zijn weg.
Ruben kwam binnen met nat haar.
‘Ruikt goed.’
Ik schoof zijn telefoon over tafel. Hij keek naar het scherm. Zijn hand bleef erboven hangen.
‘Wie is Sanne?’ vroeg ik.
Hij keek naar de kinderen.
‘Kunnen we dit straks bespreken?’
Dat was zijn antwoord. Geen verbazing. Geen vraag waar ik het over had.
‘Hoe lang?’
‘Marieke.’
‘Hoe lang?’
Noor legde haar bestek neer. Sem keek van mij naar Ruben.
Ik wilde dat moment terug. Niet het bericht. Niet mijn ontdekking. Alleen die twee vragen boven de borden van mijn kinderen. Ik had ze ergens anders heen moeten sturen. Maar mijn hoofd werkte niet vooruit. Het bleef hangen bij donderdag. Donderdag was zijn vaste avond op kantoor in Utrecht.
‘Jullie mogen boven eten,’ zei ik.
‘Ik wil hier blijven,’ zei Noor.
‘Dat snap ik. Toch wil ik dat je nu naar boven gaat.’
Ze pakte haar bord. Sem vergat het zijne. Ruben wilde hem helpen, maar Sem liep al achter zijn zus aan.
Toen de deur dichtviel, zei Ruben: ‘Het is ingewikkeld.’
‘Maak het dan simpel.’
Hij ging tegenover me zitten.
‘Sinds november.’
Het was maart.
Ik telde hardop. November. December. Januari. Februari. Onze kerst bij mijn moeder in Zwolle. Mijn verjaardag. Het weekend waarop Sem hoge koorts had en Ruben zogenaamd een offerte moest afmaken.
‘Heb je met haar geslapen?’
Hij knikte.
Ik duwde mijn stoel achteruit. De poten schuurden over de vloer. Dat geluid maakte me woedend. Ik wilde iets kapotmaken. In plaats daarvan draaide ik het gas uit.
‘Ga weg.’
‘We moeten praten.’
‘Niet nu. Je gaat nu weg.’
Hij vroeg waarheen. Ik keek hem aan tot hij opstond.
Boven werd een deur zachtjes dichtgedaan. Noor had geluisterd. Natuurlijk had ze geluisterd.
Ruben pakte een sporttas. Hij bleef in de hal staan met zijn jas open.
‘Ik wil ons niet kwijt.’
Ik antwoordde niet. Ik dacht aan alle donderdagen waarop ik broodtrommels had gevuld terwijl hij haar uitkleedde.
Na zijn vertrek belde ik mijn zus Eva in Leusden.
‘Kun je komen?’ vroeg ik.
Ze stelde geen vragen. Twintig minuten later stond ze in de keuken. Ze zag de borden en begon ze af te ruimen.
Ik ging naar boven. Noor zat op Sems bed. Hij lag tegen haar aan met zijn duim tegen zijn mond, iets wat hij al jaren niet meer deed.
‘Gaan jullie scheiden?’ vroeg Noor.
Ik ging op de grond zitten.
‘Dat weet ik nog niet.’
‘Wat weet je dan wel?’
Ik moest lang nadenken.
‘Dat jullie morgen gewoon naar school gaan. Dat ik hier ben. En dat dit niet door jullie komt.’
Sem schoof van het bed op mijn schoot. Noor bleef zitten. Ze keek me strak aan, alsof ze vanaf nu zelf moest controleren of volwassenen de waarheid spraken.
Hoofdstuk 2
Wat er nog meer was
De volgende ochtend vergat ik Sems gymtas. Bij het schoolhek rende hij terug naar me.
‘Je vergeet nooit iets.’
‘Vandaag wel.’
Hij keek bezorgd. Ik wilde hem zeggen dat dit maar een tas was. Dat ik nog steeds zijn moeder was. Maar achter hem ging de bel en hij holde naar binnen.
Thuis zat Eva aan tafel. Ze had koffie gezet en mijn werk gebeld. Ik werkte drie dagen per week bij een tandartspraktijk aan de Leusderweg. Volgens Eva hoefde ik vandaag geen patiënten gerust te stellen.
Ruben sliep bij zijn broer Daan in Soest. Hij had twaalf berichten gestuurd. Sorry. Ik hou van je. Kunnen we praten? Eén lang bericht over hoe hij zichzelf niet begreep.
Ik schreef terug: Vanmiddag om één uur. Zonder kinderen. Geef antwoord op wat ik vraag.
Eva wilde blijven. Ik vroeg haar boven te zitten. Ik wilde geen publiek, maar ook niet alleen zijn als ik door mijn benen zakte.
Ruben kwam met een pak gevulde koeken. Mijn lievelingskoeken.
‘Neem die mee terug,’ zei ik.
Hij legde ze toch op het aanrecht. Pas toen hij mijn gezicht zag, stopte hij ze weer in zijn tas.
Ik had vragen opgeschreven. Anders zou ik alles vergeten of honderd keer hetzelfde vragen.
Waar? Hoe vaak? Wie wist ervan? Was het voorbij? Had hij bescherming gebruikt?
Sanne werkte bij hetzelfde adviesbureau in Utrecht. Ze was zevenendertig. Gescheiden. Geen kinderen. Het was begonnen na een borrel, zei hij. Eerst berichten. Daarna een kus in de parkeergarage. Daarna een hotel bij het station.
‘Je zei gisteren sinds november.’
‘Toen hebben we voor het eerst afgesproken.’
‘En die berichten?’
Hij keek naar zijn handen.
‘September.’
Ik zette een streep door november.
‘Dus gisteren loog je nog.’
‘Ik wilde niet alles tegelijk—’
‘Je wilde zelf bepalen welk deel ik mocht weten.’
Hij zweeg.
Dat zwijgen werd een van de moeilijkste dingen. Ik wist niet wanneer hij nadacht en wanneer hij iets achterhield. Ik had jarenlang zijn gezicht kunnen lezen. Nu leek iedere pauze verdacht.
Hij zei dat hij zich bij haar gezien had gevoeld. Ik keek langs hem naar het prikbord. Daar hing zijn afspraak voor de kaakchirurg. Ik had hem eraan herinnerd. Daarnaast hing Sems zwemdiploma. Ruben was bij het afzwemmen geweest, met zijn telefoon in zijn hand.
‘Ik ga nu niet bespreken wat jij thuis miste,’ zei ik. ‘Eerst wat je hebt gedaan.’
Hij knikte.
Het contact was gestopt, zei hij. Hij had haar die ochtend gebeld.
‘Laat zien.’
Hij schoof zijn telefoon naar me toe. Er stond een gesprek van negen minuten. Geen bewijs van wat er gezegd was. Dat besefte ik meteen. Ik kon zijn hele telefoon lezen en nog niets zeker weten.
‘Ik wil een soa-test,’ zei ik. ‘Voor ons allebei.’
Hij werd rood.
Dat maakte me bozer dan zijn tranen. Mijn gezondheid was kennelijk een pijnlijker onderwerp dan maanden bedrog.
Bij de huisarts huilde ik voor het eerst. Niet toen ik het vertelde, maar toen ze vroeg of ik thuis iemand had. Ik zat op een stoel met een gescheurde zitting en kon ineens geen zin meer afmaken.
Die avond vertelde Ruben samen met mij aan de kinderen dat hij voorlopig bij Daan bleef.
‘Papa heeft afspraken met mama gebroken,’ zei ik. ‘Daarom zijn we boos en verdrietig.’
Noor keek naar hem.
‘Ben je verliefd op iemand anders?’
Hij slikte.
‘Ik heb iets gehad met een andere vrouw.’
Sem vroeg of die vrouw nu zijn moeder werd.
‘Nee,’ zeiden we tegelijk.
Noor liep weg. Ruben wilde achter haar aan. Ik hield hem tegen.
Later bracht ik een glas water naar haar kamer. Ze zat achter haar bureau met haar schoolschrift open.
‘Iedereen zegt altijd dat je eerlijk moet zijn,’ zei ze. ‘Behalve als je volwassen bent, blijkbaar.’
Ik kon daar niets tegenin brengen.
Drie dagen later belde ik Sanne. Haar nummer stond nog op het papier met mijn vragen. Ik had het overgeschreven zonder te weten of ik het zou gebruiken.
Ze nam direct op.
‘Met Marieke,’ zei ik.
Het bleef stil.
‘Ik wil maar één ding weten. Wist jij dat hij getrouwd was?’
‘Ja.’
‘Wist je dat we niet uit elkaar waren?’
Haar adem ging hoorbaar omhoog.
‘Hij zei dat jullie vooral voor de kinderen samenwoonden.’
Ik hing niet op. Ik bleef luisteren naar de stilte. Daarna belde ik Ruben.
‘Kom niet vanavond,’ zei ik. ‘Je bent nog lang niet klaar met vertellen.’
Hoofdstuk 3
Twee adressen
Na drie weken kon Ruben niet langer bij Daan blijven. Zijn broer had een klein appartement en werkte nachtdiensten. Ruben huurde een gemeubileerde woning boven een fietsenwinkel in Soest. Tijdelijk, stond in de advertentie. Alles in ons leven kreeg dat woord.
We maakten een rooster aan de keukentafel. Woensdagmiddag en zaterdag waren voor hem. Eerst zonder overnachtingen. Niet als straf. Sem wilde niet slapen op een plek die hij niet kende. Noor wilde nergens heen waar haar vader was.
‘Je kunt haar niet dwingen,’ zei ik.
‘Dus ik moet wachten tot ze me weer wil zien?’
‘Je kunt haar vragen. Je kunt blijven komen. Maar je gaat mij niet laten regelen dat ze minder boos is.’
Hij wreef over zijn gezicht. Ik zag hoe moe hij was. Even wilde ik mijn hand op zijn arm leggen. Die gewoonte zat nog in me. Ik trok mijn hand onder tafel.
De eerste zaterdag bracht ik Sem naar Soest. Noor ging uiteindelijk mee omdat ze niet wilde dat haar broer alleen ging. Dat zei ze zo waar Ruben bij stond.
Boven de winkel rook het naar bandenrubber en aangebrande tosti’s. Er stonden twee matrassen in een kleine kamer. Ruben had beddengoed gekocht met voetballen erop.
‘Ik hou niet van voetbal,’ zei Noor.
‘Ik kon zo snel niets anders vinden.’
‘Je had kunnen vragen.’
Hij knikte. Geen uitleg. Dat was nieuw.
Op de terugweg zette ik de auto neer bij een parkeerplaats langs de Birkstraat. Ik had vijf uur voor mezelf. Ik had ernaar verlangd om alleen te zijn. Nu durfde ik niet naar ons lege huis.
Ik belde Eva.
‘Kom hier lunchen,’ zei ze.
‘Ik wil niet alleen maar over hem praten.’
‘Dan praten we over mijn lekkende dak.’
We aten brood met oude kaas. Ze liet me offertes zien. Een halfuur lang dacht ik aan dakpannen. Daarna begon ik te huilen boven haar laptop.
Op mijn werk wist inmiddels mijn baas wat er speelde. Mijn collega Fatima nam de telefoon over wanneer Ruben belde. Ze vroeg niet iedere ochtend hoe het ging. Ze zette soms alleen een kop thee naast me. Dat hielp meer dan berichten met lange teksten over hoe sterk ik was.
Thuis werd geld een onderwerp. Er waren ineens twee huren, al heette die van ons een hypotheek. Ik kende onze vaste lasten, maar niet precies zijn pensioen. We hadden nooit gerekend op uit elkaar gaan.
Ik maakte een afspraak bij een mediator in Amersfoort. Niet om meteen te scheiden. Om te weten wat er zou gebeuren als ik dat wilde.
Ruben reageerde alsof ik al dozen had ingepakt.
‘Geef je ons geen kans?’
‘Ik vraag informatie.’
‘Maar een mediator—’
‘Jij hebt maanden beslissingen genomen waar ik niets van wist. Nu neem ik er één waar je wel van weet.’
Hij ging mee.
De mediator vroeg ons loonstroken mee te nemen. Ze sprak rustig over zorgdagen, woonlasten en ouderschapsafspraken. Ik vond haar bijna hard. Later begreep ik waarom ik opgelucht was toen ik buiten stond. Er bestond een praktisch leven na een mogelijk einde. Geen prettig leven op papier, maar ook geen gat waarin ik zou verdwijnen.
Intussen ging het met Sem slechter. Hij plaste twee keer in bed. Op school sloeg hij een jongen die zei dat zijn vader was weggelopen. Zijn leerkracht belde me tijdens mijn lunchpauze.
‘Hij hoeft niets uit te leggen in de klas,’ zei ik.
‘Dat hoeft hij ook niet. Maar we willen hem wel helpen.’
We spraken af dat hij naar haar toe mocht als het te veel werd. Thuis vroeg hij iedere avond wie hem de volgende dag ophaalde. Ik hing het rooster op de koelkast, met foto’s van mij en Ruben erbij.
Noor maakte intussen haar eigen rooster. Ze hield bij wanneer Ruben te laat kwam. Drie minuten. Zeven minuten. Eén keer twaalf.
‘Je hoeft hem niet te controleren,’ zei ik.
‘Jij deed het ook niet. Kijk wat er gebeurde.’
Die zin kwam hard aan. Toch ging ik naast haar zitten.
‘Dat klopt. Maar zijn eerlijkheid is niet jouw taak. Ook niet de mijne.’
In april vroeg Ruben of ik mee wilde naar een relatietherapeut. Ik zei niet meteen ja.
‘Als ik ga,’ zei ik uiteindelijk, ‘betekent dat niet dat ik blijf.’
‘Dat begrijp ik.’
‘Volgens mij nog niet.’
Hij keek me aan.
‘Dan moet ik dat leren.’
Hoofdstuk 4
Geen halve waarheid
De praktijk van Judith zat boven een apotheek in Utrecht. Er stonden drie stoelen en een tafel met tissues. Ik koos de stoel bij de deur. Ruben ging naast me zitten. Ik schoof mijn stoel een stukje opzij.
Judith zag het. Ze zei er niets over.
‘Wat moet hier vandaag gebeuren?’ vroeg ze.
‘Ik wil weten of ik hem ooit weer kan geloven,’ zei ik.
Ruben wilde begrijpen waarom hij dit had gedaan.
‘Dat zijn allebei belangrijke vragen,’ zei Judith. ‘Maar Marieke moet eerst kunnen begrijpen wat er gebeurd is.’
Ze vroeg hem een overzicht te maken. Niet van seksuele details. Wel van het begin, de ontmoetingen, de leugens en het contact dat er nog was. Ik mocht aangeven wat ik wilde weten. Wat ik niet wilde weten, hoefde ik niet te horen.
Een week later zat hij met twee geprinte vellen tegenover me.
Hij had Sanne elf keer buiten het werk ontmoet. Twee keer op een middag waarop hij thuis zou werken. Eén keer had hij na een bezoek aan mijn moeder doorgereden naar Utrecht. Hij had gezegd dat een klant een storing had.
Ik herinnerde me dat ik hem een bakje appeltaart had meegegeven.
‘Heeft zij die opgegeten?’ vroeg ik.
Judith keek naar mij. Ruben keek naar zijn papier.
‘Ja.’
Ik begon te lachen. Een kort, lelijk geluid. Dat bakje. De blauwe deksel. Mijn moeder die nog een extra punt had afgesneden omdat hij zo hard werkte.
‘Ik wil even stoppen,’ zei ik.
Ik stond vijf minuten in het trappenhuis. Ruben kwam niet achter me aan. Judith had hem tegengehouden, hoorde ik later. Voor het eerst was er iemand die niet verwachtte dat mijn boosheid snel overging zodat het gesprek verder kon.
Toen ik terugkwam, vroeg ik of Sanne in ons huis was geweest.
‘Nee.’
‘In onze auto?’
‘Ja.’
Ik knikte. De auto kon ik niet zomaar vervangen. Ik noteerde het toch, alsof een lijst mijn misselijkheid kon ordenen.
Hij had haar verteld dat onze relatie praktisch voorbij was. Hij had nooit met mij over scheiden gesproken. Bij haar was hij een man die niet weg kon vanwege zijn kinderen. Thuis was hij een vermoeide vader met veel werk.
‘Je maakte van ons een excuus,’ zei ik.
‘Ja.’
‘Ook van Noor en Sem.’
Hij begon te huilen. Ik bleef zitten.
In juni kwam er een nieuw bericht. Niet van Sanne. Van Ruben.
Ze was toch aangesloten bij een projectoverleg. Zijn leidinggevende had de planning veranderd. Ruben had mij tijdens de lunch gebeld en verteld dat ze elkaar hadden gezien. Tien minuten in een vergaderruimte, met vier anderen erbij.
Ik hing op voordat hij was uitgepraat.
Er waren afspraken. Geen privécontact. Geen ontmoetingen zonder dat ik het wist. Hij had om een ander project gevraagd, maar het bureau was klein. Dat wist ik. Toch hoorde ik alleen: ik heb haar gezien.
Die avond stond ik voor zijn deur in Soest.
‘Laat je telefoon zien.’
Hij gaf hem meteen.
Ik zocht in berichten, mail, verwijderde foto’s. Mijn handen trilden. Na twintig minuten vond ik niets. Ik voelde geen opluchting. Ik voelde schaamte en nog meer woede.
‘Dit wil ik niet worden,’ zei ik.
‘Ik heb het meteen verteld.’
‘Ik weet het.’
Dat was het moeilijke. Hij had dit keer gedaan wat we hadden afgesproken. Mijn lichaam reageerde alsof ik opnieuw aan die keukentafel zat.
Bij Judith bespraken we wat openheid wel en niet kon doen. Tijdelijk inzage geven was een afspraak waar we allebei mee instemden. Maar eindeloos zoeken zou mij geen zekerheid geven. We maakten het concreter. Veranderingen in contact meldde hij zelf. Mijn vragen beantwoordde hij. We spraken op vaste momenten, zodat niet iedere schoolavond een verhoor werd.
Het werkte niet meteen. Soms begon ik alsnog om half twaalf. Soms zei hij dat hij moe was en hoorde ik daarin dat hij klaar was met mijn verdriet.
Hij startte ook individuele gesprekken. Ik deed hetzelfde. Niet omdat ik schuld had aan zijn affaire. Ik sliep nauwelijks en schrok van iedere melding op een telefoon.
Eind juni kreeg Ruben werk bij een gemeente buiten Utrecht. Minder salaris. Geen Sanne.
‘Dit is geen bewijs dat alles goed komt,’ zei ik toen hij het vertelde.
‘Nee,’ zei hij. ‘Maar ik wil niet dat jij telkens moet vragen wat ik zelf kan veranderen.’
Ik geloofde niet ineens in ons. Wel hoorde ik een antwoord dat niet om mijn geruststelling vroeg.
Hoofdstuk 5
De lege stoel
Bij Noors afscheidsmusical hield ze een stoel vrij naast mij. Ze legde er haar vest op.
‘Voor papa?’ vroeg ik.
‘Voor mijn tas.’
Ruben kwam tien minuten voor aanvang binnen. Hij had bloemen gekocht. Geen enorme bos. Drie gele gerbera’s in papier. Hij keek naar de stoel en toen naar Noor.
‘Waar wil je dat ik zit?’ vroeg hij.
Ze haalde haar schouders op.
‘Daar kan wel.’
Ze pakte haar vest. Ik schoof mijn knieën opzij zodat hij kon passeren. Zijn arm raakte de mijne. We zeiden allebei sorry.
Tijdens de musical vergat ik hem even. Noor speelde een strenge stationschef. Ze praatte luid, zonder te hakkelen. Toen ze haar pet verloor, trapte ze die met één voet achter een decorstuk. De zaal lachte. Ik lachte ook.
Na afloop wilde Sem een foto maken. Hij duwde ons naast elkaar onder een slinger van papieren sterren.
‘Dichterbij. Jullie passen er niet op.’
Ruben keek naar me voordat hij een stap zette. We stonden met de kinderen tussen ons in. Op de foto lijken we een gezin dat blij is met een geslaagde avond. Dat waren we ook. Niet alleen dat, maar wel dat.
Buiten vroeg Noor of we patat konden halen.
Ik had nee willen zeggen. We hadden geen gezamenlijke avond afgesproken. Ik was bang dat de kinderen er iets uit zouden afleiden.
‘Gewoon patat,’ zei ze, alsof ze mijn bezwaar hoorde.
We gingen naar een snackbar bij winkelcentrum Emiclaer. Sem morste milkshake over zijn broek. Ruben haalde servetten. Ik hield de beker vast. We werkten samen zonder overleg. Dat deed meer pijn dan ik verwachtte.
Ik miste hem. Niet de man die had gelogen, zei ik steeds tegen mezelf. Maar dat onderscheid hield niet stand. Het was dezelfde man die wist dat Sem geen saus over zijn patat wilde. Dezelfde man die thuis een andere oplader had liggen omdat hij bij haar zijn telefoon wilde kunnen gebruiken.
Een week later ging Ruben met de kinderen drie dagen naar een huisje bij Harderwijk. Ik bleef thuis. De eerste avond at ik chips als avondeten. De tweede maakte ik risotto voor één persoon en hield ik genoeg over voor drie dagen.
Noor stuurde een foto van Sem bij het Dolfinarium. Daarna een bericht.
Hij kijkt bijna niet op zijn telefoon.
Ik typte dat ze dat niet hoefde bij te houden. Ik verwijderde het weer. Uiteindelijk schreef ik: Fijn dat jullie samen weg zijn. Veel plezier morgen.
Toen ze terugkwamen, was Sem boos dat Ruben weer vertrok.
‘Waarom mag hij niet gewoon hier slapen?’
‘Omdat papa en ik nog dingen moeten uitzoeken.’
‘Jullie zijn langzaam.’
‘Ja,’ zei ik. ‘Dat zijn we.’
In augustus bleef Ruben voor het eerst eten zonder speciale aanleiding. Hij maakte nasi. Ik ging niet naast hem staan om aan te wijzen waar de pannen lagen. Hij had hier dertien jaar gewoond. Hij kon zoeken.
Na het eten legde hij Sem in bed. Noor deed de afwasmachine open.
‘Worden jullie weer normaal?’ vroeg ze.
‘We proberen uit te vinden of we weer samen kunnen wonen.’
Ze zette een bord te hard in het rek.
‘En als hij het nog een keer doet?’
‘Dan neem ik daar een beslissing over.’
‘Jij zegt alles zo rustig.’
‘Ik ben niet altijd rustig.’
Ze keek naar mijn hand. Ik klemde een vaatdoek vast.
‘Dat zie ik.’
We moesten allebei even lachen. Toen vroeg ze of ze met iemand mocht praten die ons niet kende. Ze wilde Eva niet. Ook haar mentor straks niet. Iemand van buiten.
Via de huisarts vonden we hulp voor haar. Ze vertelde ons niet alles uit die gesprekken. Dat hoefde ook niet.
Later die avond zaten Ruben en ik in de tuin. De buren ruimden hun barbecue op. Ik vroeg of hij nog aan Sanne dacht.
Hij nam tijd voor zijn antwoord.
‘Soms aan wat er gebeurd is. Niet omdat ik terug wil.’
Het stak. Toch was het beter dan een snel nee dat ik niet zou geloven.
‘Ik weet nog niet of ik bij je wil blijven,’ zei ik.
‘Ik wil wel blijven proberen.’
Ik schoof mijn stoel dichterbij. We kusten. Daarna huilde ik tegen zijn schouder. Hij probeerde me niet verder aan te raken.
Om elf uur ging hij terug naar Soest. Ik liet hem zelf de voordeur achter zich dichttrekken.
Hoofdstuk 6
De donderdagtest
Ruben kwam in oktober terug. Eerst twee nachten per week. Daarna vier. Zijn huurwoning hield hij nog aan. Dat kostte geld, maar ik wilde niet dat een verhuisbus de beslissing voor ons nam.
We bespraken het met de kinderen aan tafel. Ik had de borden al opgeruimd. Ik wilde niet opnieuw slecht nieuws tussen het eten laten vallen, ook al was dit misschien goed nieuws.
‘Betekent dit dat jullie niet scheiden?’ vroeg Sem.
‘Het betekent dat we weer samen gaan wonen om te kijken hoe dat gaat,’ zei Ruben.
Sem zuchtte.
‘Altijd kijken hoe het gaat.’
Noor zei niets. Ze zat inmiddels in de eerste klas en kwam vaak uitgeput thuis. Later vroeg ze of ze nog steeds naar haar gesprekken mocht.
‘Natuurlijk,’ zei ik.
‘Ook als jullie het weer leuk hebben?’
‘Ook dan.’
De eerste weken waren onhandig. Ruben vroeg of hij de was mocht doen. Ik snauwde dat hij geen gast was. Een dag later verplaatste hij mijn spullen in de badkamer en werd ik boos omdat hij deed alsof er niets veranderd was.
‘Zeg dan wat je nodig hebt,’ zei hij.
‘Dat probeer ik zelf te begrijpen.’
We maakten opnieuw afspraken over het huishouden. Niet omdat een volle wasmand een affaire veroorzaakt. Omdat ik niet terug wilde naar een leven waarin ik alles onthield en hij hielp wanneer ik iets vroeg. Hij regelde voortaan schoolberichten, tandartsafspraken en voetbal voor Sem. Inclusief vieze sokken en afgelaste trainingen.
Ik pakte mijn donderdagavond terug. Voor de affaire was die van zijn werk geweest. Nu ging ik zwemmen in zwembad Amerena met Fatima. Ik was geen goede zwemmer. Na zes banen hing ik aan de rand. Toch ging ik iedere week.
Op een donderdag in november kwam ik thuis en trof ik Ruben met zijn jas aan.
‘Mijn telefoon is leeg,’ zei hij meteen. ‘Ik moet naar kantoor. Er is iets met de stukken voor morgen.’
Ik hoorde alleen donderdag. Kantoor. Telefoon leeg.
‘Nee,’ zei ik.
Hij verstijfde.
‘Ik begrijp hoe dit klinkt.’
‘Waarom moet je daarheen?’
‘Er ligt een papieren dossier dat ik moet ophalen. Ik ben het vergeten.’
‘Dus stuur iemand een bericht.’
‘Het kantoor gaat zo dicht.’
Zijn haast maakte het erger. Ik stond nog in mijn natte jas. Mijn badpak lekte door de tas op de vloer.
‘Ga dan,’ zei ik. ‘Je doet toch wat je wilt.’
Hij legde zijn sleutels neer.
‘Ik ga mijn leidinggevende bellen. Hier. Niet om een toneelstuk op te voeren, maar om dit op te lossen.’
Hij belde met de huistelefoon. Het dossier kon de volgende ochtend vroeg worden opgehaald. Iemand zou de stukken digitaal sturen die avond.
Er was niets aan de hand. Toch bleef ik trillen.
‘Je had je telefoon kunnen opladen,’ zei ik.
‘Ja.’
‘Je had eerder kunnen vertellen dat je iets vergeten was.’
‘Ja.’
‘En ik kan niet iedere donderdag zo doen.’
Hij keek naar de plas water onder mijn tas.
‘Wil je eerst droge kleren aan?’
Ik ging naar boven en gooide een trui tegen de kast. Daarna trok ik hem aan.
Bij Judith vertelde ik dat ik me vernederd voelde door mijn eigen paniek. Ruben vertelde dat hij soms bang was dat één fout alles ongedaan zou maken.
‘Welke fout bedoel je?’ vroeg ze.
‘Te laat zijn. Iets vergeten.’
‘Dat is niet hetzelfde als opnieuw liegen.’
We oefenden om dat onderscheid hardop te maken. Het klonk kinderachtig. Toch hielp het toen hij later een keer vaststond op de A28. Hij belde voordat ik hoefde te vragen waar hij bleef. Ik was onrustig, maar ik ging niet zijn route controleren.
In december hadden we ruzie over kerst. Ik wilde naar mijn moeder. Hij wilde ook naar zijn ouders.
‘Na alles wat ik heb gedaan om hier terug te komen—’ begon hij.
Ik onderbrak hem.
‘Dat is geen tegoedbon.’
Hij zweeg. Daarna zei hij dat hij opnieuw wilde beginnen met zijn zin.
Dat deden we. We verdeelden de dagen. Niemand won.
Die nacht lagen we naast elkaar. Er zat ruimte tussen onze lichamen, maar ik hoefde niet naar de logeerkamer. Ik pakte zijn hand. Niet omdat ik alles vergeten was. Ik wilde op dat moment zijn hand vasthouden.
Hoofdstuk 7
Wat nu van ons is
Anderhalf jaar na het bericht stond ik met Ruben in een bouwmarkt in Amersfoort. We maakten ruzie over een kraan.
Hij wilde de goedkope. Ik wilde degene die niet na twee jaar weer zou lekken. Sem drukte op alle voorbeelddeurbellen. Noor stuurde ons een bericht vanuit de auto dat ze ging verhongeren.
‘We moeten terug,’ zei ik.
Ruben keek op.
‘Naar huis. Omdat ik de afmetingen niet heb meegenomen.’
‘O,’ zei hij.
Toen begonnen we te lachen. Hij had een halve seconde gedacht dat ik onze relatie bedoelde. Ik zag het aan zijn gezicht. Ook bij hem waren gewone woorden niet altijd meer gewoon.
We wonen nog samen. Dat schrijf ik niet als bewijs dat blijven de beste keuze is. Ik heb mensen ontmoet die na een affaire vertrokken en daar rust in vonden. Ik heb ook gezien hoe iemand bleef terwijl de leugens doorgingen. Mijn keuze was alleen verdedigbaar zolang ik opnieuw mocht kiezen.
Dat heb ik Ruben gezegd. Niet tijdens een ruzie. Gewoon op een zondagochtend, toen de kinderen nog sliepen.
‘Ik blijf niet omdat ik nu al zo veel moeite heb gedaan,’ zei ik. ‘Ik blijf omdat ik dit leven met jou op dit moment wil.’
Hij zei dat hij hetzelfde wilde. Daarna vroeg hij of ik koffie moest. Geen groot gesprek meer. De zin mocht blijven staan.
We gaan niet meer iedere twee weken naar Judith. Nu eens in de paar maanden. Soms zeggen we een afspraak af omdat er weinig te bespreken is. Soms plannen we er juist een bij. Rond de datum van de ontdekking bijvoorbeeld. Ik dacht vooraf dat die datum mij niets zou doen. Toen ik aardappels stond te schillen, werd ik misselijk.
Ik belde Eva en ging met haar wandelen langs de Eem. Ruben kookte die avond. We hebben het er later over gehad, niet tussen de borden van de kinderen.
Noor is veertien. Ze heeft haar vader niet plotseling weer op een voetstuk gezet. Ze vraagt door als iets onduidelijk is. Dat doet ze ook bij mij.
Een paar maanden geleden vroeg ze Ruben om haar op te halen na een schoolfeest. Niet mij. Toen hij om half één met haar thuiskwam, hoorde ik ze zacht praten in de hal. Over een jongen die vervelend had gedaan. Ruben luisterde. De volgende ochtend vertelde hij alleen dat ze veilig thuis was en dat het verder aan Noor was.
Ik was blij dat ze weer iets aan hem toevertrouwde wat niet eerst langs mij hoefde.
Sem vraagt niet meer iedere avond wie hem ophaalt. Het rooster hangt nog wel op de koelkast. Hij vindt het handig. Soms slaapt hij bij Daan, gewoon omdat zijn oom een spelcomputer heeft. Hij hoeft niet meer eerst te vragen of papa daar ook woont.
Er zijn dingen die niet terugkomen. Ik zeg niet meer achteloos dat Ruben zoiets nooit zou doen. Bij een laat bericht kijk ik soms naar zijn gezicht. Een hotel bij Utrecht kan mijn hele stemming veranderen. Ik heb daar minder vaak last van, maar het is er nog.
Onze intimiteit is ook veranderd. Soms gaat het vanzelf. Soms komt er een gedachte tussendoor die ik niet wegkrijg. Dan stoppen we. Ruben maakt daar geen afwijzing van waar ik hem vervolgens doorheen moet helpen. Dat heeft tijd gekost.
Hij heeft niet alleen spijt wanneer ik verdrietig ben. Hij doet nog steeds wat we hebben afgesproken als het rustig is. Hij vertelt lastige dingen zonder eerst te peilen of ik er goed op zal reageren. Niet perfect. Wel consequent genoeg dat ik mijn telefoon niet meer meeneem naar bed om de tijd te controleren.
Vorige week fietsten we met zijn vieren naar de Soesterduinen. Sem reed te hard vooruit. Noor klaagde over zand in haar schoenen voordat we waren afgestapt. We aten zachte broodjes uit een tas. Ruben was de kaas vergeten.
‘Ik heb pindakaas,’ zei hij.
‘Daar heb ik niets aan,’ zei Noor.
Hij fietste terug naar een winkel. Wij bleven zitten. Sem bouwde een kuil. Noor liet me een filmpje zien en legde haar hoofd even tegen mijn schouder.
Toen Ruben terugkwam, gaf hij haar een broodje kaas. Hij ging naast me zitten en vroeg of hij iets gemist had.
‘Sem heeft zand gegeten,’ zei ik.
‘Per ongeluk,’ riep Sem.
We lachten. Ik keek niet hoe lang Ruben weg was geweest. Dat merkte ik pas later, thuis, toen ik de tas leegmaakte.
Ik stond met vier broodtrommels bij de gootsteen. Boven kibbelden de kinderen over de douche. Ruben vroeg vanuit de woonkamer welke film ik wilde zien.
Ik koos er één. Daarna ging ik bij hem zitten.