Psychische gezondheid
Niemand wist dat ik niet sliep
Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.
Hoofdstuk 1
Niemand wist dat ik niet sliep
Om 03.47 uur begon de koelkast te brommen. Ik stond ervoor met een pak melk in mijn hand. Niet omdat ik dorst had. Ik wist niet meer waarom ik uit bed was gekomen.
Mijn naam is Noor van Dijk. Ik was vierendertig en woonde op de tweede verdieping van een portiekflat in Rotterdam-Blijdorp. Over vier uur moest ik op mijn werk zijn. Daar maakte ik roosters voor een bedrijf dat hulpmiddelen bezorgde. Ziekenhuisbedden. Rolstoelen. Tilliften. Spullen waarop mensen wachtten.
Ik zette de melk in het keukenkastje.
Pas toen ik de deur dichtdeed, zag ik wat ik had gedaan.
‘Kom op,’ zei ik hardop.
Dat zei ik vaak tegen mezelf. Bij de douche. Voor een stoplicht. Met mijn sleutel al in het slot van mijn voordeur. Alsof ik een hond was die niet verder wilde lopen.
Die nacht had ik misschien twintig minuten geslapen. De nacht ervoor iets meer. Ik wist het niet precies. Mijn horloge beweerde soms dat ik vier uur had geslapen, terwijl ik me elk uur herinnerde. Op andere dagen ontbraken er stukken. Dan was het ineens ochtend en voelde ik me niet uitgerust, alleen beroofd.
Om zes uur gaf ik het op. Ik douchte, trok een zwarte broek aan en smeerde concealer onder mijn ogen. Daarna maakte ik een foto voor mijn moeder. Ze had de avond ervoor gevraagd of haar verjaardagsplant nog leefde.
Ik zette de plant bij het raam. Buiten was de lucht lichtblauw.
‘Hij doet het prima,’ appte ik.
Ze stuurde een hartje terug.
Op kantoor zat Daan al achter zijn scherm. Hij droeg elke maandag hetzelfde groene overhemd. Dat stelde me gerust. Sommige dingen bleven tenminste op hun plaats.
‘Heftig weekend?’ vroeg hij.
‘Bovenburen hadden bezoek.’
Mijn bovenbuurvrouw was tachtig. Ze ging meestal om negen uur naar bed.
Daan schoof een beker koffie naar me toe. Ik dronk hem op en haalde meteen een tweede. Op mijn scherm stonden zeven routes en vierentwintig afleveringen. Ik kende het systeem. Ik werkte er zes jaar. Normaal zag ik een fout voordat iemand anders hem had gemaakt.
Die ochtend las ik hetzelfde adres zes keer.
Om kwart over tien belde chauffeur Mo.
‘Noor, waarom sta ik in Gouda?’
‘Omdat je daar moet afleveren.’
‘Deze mevrouw zegt dat haar man vorig jaar is overleden.’
Ik keek naar mijn scherm. Het ziekenhuisbed moest naar een ander adres. Ook Gouda. Dezelfde achternaam. Een aanvraag van vorig jaar stond nog open in een oud bestand. Ik had de gegevens overgenomen zonder de datum te controleren.
Mo zweeg terwijl ik zocht.
‘Heb je haast?’ vroeg ik scherp.
‘Er staat hier iemand te huilen, Noor.’
Mijn handen werden koud.
Ik gaf hem het juiste adres. Daarna liep ik naar het toilet. Ik ging op de gesloten deksel zitten en drukte mijn vuisten tegen mijn bovenbenen. Achter de deur praatten twee collega’s over broodjes. Iemand lachte. Ik kon niet begrijpen hoe dat geluid zo gewoon kon zijn.
Daan klopte na een tijdje.
‘Alles goed?’
‘Buikpijn.’
‘Zal ik paracetamol halen?’
‘Nee.’
Ik wachtte tot hij weg was. Toen waste ik mijn handen, hoewel ik niets had aangeraakt.
Die avond kwam mijn broer Joris eten. Hij bracht nasi mee van de zaak bij station Noord. Ik had vergeten dat we hadden afgesproken.
‘Je ziet eruit alsof je ziek wordt,’ zei hij.
‘Druk op werk.’
Hij vertelde over zijn dochter, die op school een schaar in haar sok had verstopt. Ik lachte op het juiste moment. Daarna vroeg hij iets. Ik zag zijn mond bewegen, maar de woorden kwamen niet binnen.
‘Noor?’
‘Sorry. Wat?’
‘Of je zondag komt.’
‘Ja, natuurlijk.’
Ik had geen idee waarvoor.
Toen hij weg was, zette ik de televisie aan. Daarna de radio in de keuken. Stilte maakte elk geluid in mijn lichaam groter. Mijn hart. Mijn adem. Het droge klikken van mijn keel wanneer ik slikte.
Om half elf ging ik naar bed. Mijn telefoon lag buiten handbereik. De gordijnen waren dicht. Ik had gedaan wat de websites zeiden.
Om elf uur voelde ik mijn hart versnellen.
Om twaalf uur begon ik te rekenen hoeveel slaap er nog over was.
Om twee uur dacht ik aan de vrouw in Gouda.
Om drie uur hoorde ik iemand mijn naam zeggen.
Ik ging rechtop zitten.
‘Joris?’
Er kwam geen antwoord. Alleen de koelkast, door twee deuren heen.
Ik pakte mijn telefoon en typte een bericht aan mijn broer.
Ik slaap bijna niet meer. Ik weet niet wat er gebeurt.
Ik las het vijf keer.
Daarna verwijderde ik het.
Hoofdstuk 2
De slagboom
De volgende ochtend miste ik de ingang van het parkeerterrein. Ik reed er dagelijks langs. Toch zag ik de blauwe paal pas toen die naast mijn raam verdween.
Bij het keren begon een bestelbus achter me te toeteren.
‘Ja, ik zie je,’ zei ik.
Maar dat was niet waar. Ik had hem niet gezien.
Voor de slagboom pakte ik mijn toegangspas. Die gleed uit mijn hand en viel tussen de stoel en de middenconsole. Ik boog voorover. Mijn voet verschoof. De auto schoot een halve meter vooruit.
Er klonk een harde klap.
De slagboom lag schuin over mijn motorkap.
Ik bleef zitten met mijn hand onder de stoel. Alsof ik het geluid ongedaan kon maken door niet te bewegen.
De beveiliger kwam naar buiten. Henk. Hij had me een week eerder nog geholpen met een lekke band.
‘Motor uit, Noor.’
Ik draaide aan de sleutel.
‘Ben je gewond?’
Ik schudde mijn hoofd.
Hij keek naar de slagboom. Daarna naar mij.
‘Kom even binnen zitten.’
In zijn hok stond een ventilator, hoewel het maart was. Op een kastje lag een open trommel met boterhammen. Ik bleef naar een plak kaas kijken die buiten het brood stak.
‘Zal ik iemand bellen?’ vroeg hij.
‘Nee. Ik moet naar boven.’
‘Je trilt.’
‘Van de schrik.’
Dat was gedeeltelijk waar.
Mijn teamleider Esther kwam me halen. Ze vroeg niet meteen naar de schade. Dat maakte het erger. Als ze boos was geweest, had ik iets gehad om tegen te duwen.
In haar kamer schoof ze een stoel naar achteren.
‘Hoe gaat het met je?’
‘Prima. Stom ongelukje.’
‘Gisteren ging die levering mis. Vrijdag heb je twee diensten dubbel ingepland. Dat gebeurt jou anders niet.’
Ik keek naar het raam. Buiten reed Mo achteruit naar het laadperron.
‘Iedereen maakt fouten.’
‘Dat klopt.’
‘Dus?’
Ze liet de stilte staan.
Ik werd kwaad. Op haar nette bureau. Op het glas water dat ze voor me neerzette. Op de manier waarop ze rustig bleef terwijl ik nauwelijks kon blijven zitten.
‘Ik heb gewoon een paar slechte nachten.’
‘Hoeveel?’
‘Geen idee.’
‘Een week? Een maand?’
Ik haalde mijn schouders op.
Het waren acht weken. Misschien negen. Het was begonnen tijdens een drukke periode. Een collega was uitgevallen. Ik had avonden doorgewerkt en mijn werktelefoon naast mijn bed gelegd. Daarna was mijn moeder een nacht opgenomen met pijn op de borst. Het bleek geen infarct. Toch bleef ik daarna luisteren naar mijn telefoon.
Op een gegeven moment had ik hem uitgezet. Mijn lichaam bleef wachten.
‘Ga vandaag naar huis,’ zei Esther. ‘Niet zelf rijden.’
‘Ik kan mijn werk doen.’
Ze keek even naar mijn handen.
‘Vandaag niet.’
Ik hoorde alleen het laatste woord.
Niet.
Daan bracht me naar huis. Onderweg vertelde hij over wegwerkzaamheden bij de Maastunnel. Ik begreep dat hij me niet wilde ondervragen. Ik was hem dankbaar en vond hem tegelijk ondraaglijk.
Voor mijn portiek zei hij: ‘Je hoeft morgen niet uit te leggen hoe het met je gaat. App gewoon of je hulp nodig hebt.’
Ik knikte. Boven deed ik de deur op slot en ging op de vloer zitten, nog met mijn jas aan.
Mijn telefoon ging. Esther.
Daarna een bericht: Wil je vandaag je huisarts bellen? Laat alleen weten of dat lukt.
Ik legde de telefoon onder een kussen.
Een uur later stond ik in de supermarkt aan het Stadhoudersplein. Ik dacht dat boodschappen doen zou bewijzen dat er niets ernstigs aan de hand was. Ik pakte pasta, tandpasta en drie komkommers. Bij de zelfscan wist ik mijn pincode niet meer.
Vier cijfers. Dezelfde sinds mijn twintigste.
Achter me zuchtte iemand.
Ik liet mijn mandje staan en liep naar buiten.
Daar belde ik Joris.
‘Kun je komen?’
‘Nu?’
‘Ja.’
‘Wat is er?’
Ik stond naast een rek met fietstassen. Een jongen reed langs met muziek uit zijn jaszak.
‘Ik durf niet naar huis.’
Joris vroeg niet waarom. Hij zei dat hij eraan kwam.
Toen hij me vond, probeerde ik te lachen.
‘Beetje overdreven allemaal.’
Hij pakte mijn boodschappentas, die leeg was.
‘Wanneer heb je voor het laatst goed geslapen?’
Ik opende mijn mond. Er kwam niets.
Hij ging naast me op het lage muurtje zitten.
‘Oké,’ zei hij. ‘Dan beginnen we daar.’
Hoofdstuk 3
De vraag
Joris belde de huisartsenpraktijk vanaf mijn keukentafel. Hij zette de telefoon op de luidspreker. Ik wilde eerst niet dat hij het woord slapeloosheid gebruikte.
‘Zeg maar oververmoeid,’ fluisterde ik.
Hij legde zijn hand op de telefoon.
‘Ze moeten weten waarvoor je komt.’
De assistente vroeg of ik zelf kon vertellen wat er speelde. Ik zei dat ik weinig sliep. Dat ik fouten maakte. Dat ik tegen een slagboom was gereden.
‘En hoe gaat het nu met u?’
Ik keek naar Joris.
‘Niet goed.’
We konden die middag terecht.
In de wachtkamer hing een poster over tekenbeten. Ik las de eerste zin steeds opnieuw. Naast me zat een man met een bebloede theedoek om zijn hand. Ik vond dat hij eerder naar binnen moest. Hij had tenminste iets wat je kon zien.
Huisarts Van Leeuwen kende me van een oorontsteking en een uitstrijkje. Ze vroeg of ik Joris erbij wilde houden.
‘Voor nu,’ zei ik.
Ze vroeg wanneer het was begonnen. Wat ik at. Hoeveel koffie ik dronk. Of ik alcohol of drugs gebruikte. Of ik medicijnen slikte. Of ik overdag wegdommelde. Of iemand me ooit had horen stoppen met ademen tijdens mijn slaap.
Ik probeerde overal een redelijk antwoord op te geven.
Bij de koffie keek Joris op.
‘Zes koppen,’ zei ik.
‘En die blikjes,’ zei hij.
Ik keek hem boos aan.
‘Soms energiedrank.’
De huisarts schreef iets op.
‘Voel je je moe, of heb je juist het gevoel dat je geen slaap nodig hebt?’
‘Moe. De hele tijd. Maar zodra ik lig, gaat alles aan.’
‘Wat gaat er aan?’
‘Mijn hoofd. Mijn hart. Alles wat ik verkeerd heb gedaan.’
Ze vroeg door over mijn stemming. Of ik nog ergens plezier in had. Of ik soms uitzonderlijk veel energie had, impulsieve dingen deed of sneller praatte dan normaal. Ik vertelde over de stem die mijn naam had gezegd.
Dat kostte meer moeite dan vertellen over de slagboom.
‘Was je toen bijna in slaap?’ vroeg ze.
‘Misschien. Ik weet het niet.’
‘En overdag? Hoor je dan ook dingen die anderen niet horen?’
‘Nee.’
Ze legde uit dat een losse ervaring rond het inslapen niet meteen betekende dat ik een psychose had. Ze nam het wel serieus. Als het vaker gebeurde, of als ik verward raakte, moest ik contact opnemen.
Toen vroeg ze: ‘Denk je weleens dat je niet meer wilt leven?’
Ik voelde Joris naast me verstijven.
‘Nee,’ zei ik snel.
Ze wachtte.
‘Ik wil niet dood,’ zei ik. ‘Ik wil alleen dat een nacht een keer voorbijgaat zonder dat ik hem helemaal hoef mee te maken.’
‘Heb je gedachten om jezelf iets aan te doen?’
‘Nee.’
Het was waar. Toch schaamde ik me dat ze het moest vragen.
Ze zei dat die vraag erbij hoorde wanneer iemand zo vastliep. Daarna bespraken we wat er die avond nodig was. Niet het hele leven. Alleen de eerstvolgende uren.
Ik zou niet rijden. Joris zou blijven eten en bij me slapen als ik dat prettig vond. De huisarts wilde me binnen een paar dagen terugzien. Ze plande bloedonderzoek om mogelijke lichamelijke oorzaken te bekijken en een gesprek met de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg.
We bespraken ook tijdelijk een slaapmiddel. Ze vertelde over sufheid, gewenning en de risico’s van combineren met alcohol. Geen oplossing voor alles. Wel eventueel een korte overbrugging, volgens duidelijke afspraken.
‘Ik wil geen pillenmens worden,’ zei ik.
Van Leeuwen keek me aan.
‘Wat bedoel je met een pillenmens?’
Ik wist het niet. Iemand die het niet zelf kon. Iemand over wie ik blijkbaar een oordeel had gehad, zonder dat ik het wist.
‘Ik ben bang dat ik niet meer zonder kan.’
‘Dan nemen we die angst mee in de keuze.’
Buiten vroeg Joris of ik boos op hem was vanwege de energiedrank.
‘Ja.’
‘Oké.’
‘Maar ook niet.’
We haalden soep en brood. Thuis belde ik Esther zelf. Ik zei dat ik voorlopig ziek was en afspraken had bij de huisarts. Mijn stem klonk zakelijk. Daardoor kon ik het gesprek afmaken.
Die nacht sliep Joris op mijn bank. Hij snurkte zacht. Ik lag wakker en hoorde hem door de muur.
Om kwart voor twee stond ik in de deuropening.
‘Joris?’
Hij schrok overeind.
‘Wat is er?’
‘Niets. Ik wilde weten of je er nog was.’
Hij wreef over zijn gezicht.
‘Ik ben er.’
Ik ging terug naar bed. Ik sliep niet meteen. Maar ik hoefde niet meer te doen alsof.
Hoofdstuk 4
De lege dag
Ziek thuis zijn gaf me geen rust. Het gaf me tijd om te merken hoe slecht het ging.
De eerste ochtend zat ik om acht uur aangekleed aan tafel. Mijn laptop stond voor me. Ik had mijn werkmail geopend voordat ik eraan dacht dat ik niet werkte.
Er waren drieëntwintig nieuwe berichten.
Ik beantwoordde er twee. Daarna belde Esther.
‘Uitloggen, Noor.’
‘Het waren simpele vragen.’
‘Daan neemt het over.’
‘Hij weet niet hoe die vaste rit voor meneer Visser loopt.’
‘Dan zoekt hij dat uit.’
Ze klonk niet boos. Dat hielp niet.
Ik sloot de laptop en begon de keuken schoon te maken. Eerst het aanrecht. Daarna de laden. Om elf uur zat ik tussen bestekbakken, garantiebewijzen en zes deksels zonder bakje. Ik huilde omdat ik niet wist waar de dunschiller hoorde.
De medicatie had me een paar nachten wat langer laten slapen. Ik werd er ook suf van. Volgens de afspraak stopte ik na de korte periode. De nacht daarna lag ik opnieuw wakker. Meteen dacht ik dat alles mislukt was.
Bij de controle zei Van Leeuwen dat het bloedonderzoek geen duidelijke verklaring had opgeleverd. Ze vroeg niet alleen hoeveel uur ik sliep. Ook hoe ik de dagen doorkwam.
‘Ik maak dingen schoon,’ zei ik.
‘En eet je?’
‘Ja.’
‘Wat heb je gisteren gegeten?’
Ik moest nadenken.
Twee crackers. Een banaan. Kaas uit de verpakking, staand bij de koelkast.
We maakten een eenvoudiger plan. Maaltijden. Daglicht. Minder cafeïne, niet ineens alles tegelijk. Contact houden. En verdere behandeling voor de slapeloosheid en de angst die er inmiddels omheen zat.
Praktijkondersteuner Samira vroeg tijdens ons eerste gesprek waar ik bang voor was als ik niet sliep.
‘Dat ik mijn werk kwijtraak.’
‘En dan?’
‘Dat ik mijn huur niet kan betalen.’
‘En als je vannacht wakker ligt, gebeurt dat dan vannacht?’
‘Nee, natuurlijk niet.’
Ik hoorde hoe kortaf ik klonk.
‘Maar het voelt wel dringend,’ zei ze.
Dat was precies het probleem. Om drie uur moest ik mijn hele toekomst oplossen. Overdag kon ik niet beslissen welke sokken ik aantrok.
Ze liet me een gewone nacht beschrijven. Niet de samenvatting. De handelingen. Op de klok kijken. Mijn pols voelen. Uitrekenen hoeveel uren er over waren. Op mijn telefoon zoeken naar schade door slaaptekort. Nog eens mijn pols voelen.
‘Helpt dat zoeken?’ vroeg ze.
‘Ongeveer tien seconden.’
‘En daarna?’
‘Dan zoek ik verder.’
We spraken af dat ik mijn horloge niet meer in bed zou dragen. Ik protesteerde alsof ze me iets noodzakelijks afnam.
‘Dan weet ik helemaal niet hoeveel ik slaap.’
‘We gaan wel bijhouden hoe het gaat. Maar niet elke minuut controleren.’
Thuis legde ik het horloge in een la. Drie keer haalde ik het eruit. De vierde keer bleef het liggen.
Mijn moeder kwam die vrijdag langs. Ze had een ovenschotel gemaakt en keek naar mijn ongewassen haar.
‘Waarom heb je niets gezegd?’
‘Omdat je je dan zorgen maakt.’
‘Nu maak ik me ook zorgen.’
‘Ja. Dat snap ik.’
Ze ging zitten, maar hield haar jas aan.
‘Misschien moet je wat eerder naar bed. Je vader sliep altijd voor de televisie en dan—’
‘Mam.’
Ze zweeg.
‘Ik heb alles al geprobeerd wat je in vijf minuten kunt bedenken.’
Het kwam harder uit mijn mond dan ik wilde. Ze keek naar haar handen.
Ik wachtte op een discussie. Die kwam niet.
‘Wat kan ik dan wel doen?’ vroeg ze.
Ik keek naar de ovenschotel op tafel.
‘Eten opwarmen. En niet vragen of ik vannacht ga slapen.’
Ze trok haar jas uit.
We aten aan tafel. Mijn moeder vertelde over haar buurman, die een pakket voor haar had aangenomen en daarna een week naar Zeeland was gegaan. Ik hoefde alleen te luisteren. Halverwege merkte ik dat ik trek had.
Die avond kwam er een bericht van Daan. Geen vraag over roosters. Een foto van Henk naast de gerepareerde slagboom, met zijn duim omhoog.
Ik moest lachen. Meteen daarna begon ik te huilen.
Ik stuurde terug: Sorry van alles.
Daan antwoordde: Dat ding is gemaakt. Hoe is het met jou?
Ik typte: Nog niet zo best.
Deze keer liet ik het staan.
Hoofdstuk 5
Stoel bij het raam
Voor gespecialiseerde behandeling moest ik wachten. Niet eindeloos, maar lang genoeg om elke maandag te denken dat ik nog een week moest overleven voordat er echt iets gebeurde.
Samira bleef me ondertussen zien. Ze hielp me de dag kleiner te maken. Niet als opdracht om positief te denken. Gewoon concreet. Boodschappen op dinsdag. Joris bellen op donderdag. Een brief openen voordat hij onder een stapel verdween.
Na zes weken kon ik terecht bij psycholoog Eva in Rotterdam-West. Op de eerste afspraak droeg ik oorbellen. Ik wilde eruitzien als iemand die afspraken nakwam.
Eva vroeg naar mijn slaapdagboek. Ik had het netjes ingevuld, met opmerkingen in de kantlijn.
‘Ik zie veel schattingen tot op vijf minuten,’ zei ze.
‘Anders klopt het niet.’
‘Je hoeft het niet zo precies te weten.’
Ik zuchtte.
‘Dat zegt iedereen.’
‘En jij vindt dat lastig.’
‘Ik vind het lastig dat ik geen controle heb.’
We bespraken cognitieve gedragstherapie voor slapeloosheid. Ze legde uit dat mijn bed inmiddels een plek was geworden waar ik controleerde, rekende en schrok. Alleen eerder naar bed gaan zou dat niet oplossen.
We maakten samen afspraken over opstaan, de tijd in bed en wat ik kon doen als ik wakker bleef en steeds onrustiger werd. Ze keek ook naar mijn slaperigheid overdag en de veiligheid. Ik reed nog steeds niet. De aanpassingen zouden we volgen en bijstellen, niet blind uitvoeren.
Ik wilde een datum.
‘Wanneer werkt dit?’
‘Dat kan ik je niet precies zeggen.’
‘Twee weken? Twee maanden?’
‘We gaan kijken wat er bij jou verandert. Ook als het niet meteen meer slaap is.’
Ik vond dat een slecht antwoord. Later begreep ik dat elk exact antwoord waarschijnlijk gelogen zou zijn.
Thuis zette ik een stoel bij het raam in de woonkamer. Daarnaast kwam een lamp met zacht licht. Geen telefoonoplader. Geen werkpapieren. Een boek dat ik al kende en niet bijzonder spannend vond.
De eerste nacht zat ik er vier keer.
Bij de vierde keer gooide ik het boek op de grond.
‘Dit slaat nergens op.’
Mijn buurvrouw tikte tegen de muur.
‘Sorry,’ riep ik.
Daarna moest ik lachen om het feit dat ik nu zelf de luidruchtige buur was.
De volgende dag belde ik Eva tijdens het afgesproken contactmoment.
‘Ik slaap nu ook nog eens op verschillende plekken niet.’
Ze vroeg wat er precies was gebeurd. Of ik naar de stoel was gegaan zodra ik even wakker werd, of pas wanneer ik merkte dat ik vastliep in frustratie. Ik had van de afspraak een examen gemaakt. Bij elke gedachte was ik uit bed gesprongen.
We bespraken het opnieuw.
‘Je hoeft niet voortdurend te beoordelen of je het goed doet,’ zei ze.
‘Dat doe ik met alles.’
Die zin bleef hangen.
We praatten niet alleen over slaap. Ook over mijn werktelefoon. Over waarom ik altijd inviel. Over mijn moeder in het ziekenhuis en mijn angst om een oproep te missen. Over de scheiding twee jaar eerder, die ik meestal afdeed met: we wilden andere dingen.
Mijn ex, Ruben, had ooit gezegd dat ik zelfs tijdens het eten bereikbaar bleef voor mensen die niet aan tafel zaten. Ik had hem toen uitgelegd waarom dat noodzakelijk was.
Nu kon ik me zijn gezicht herinneren.
Er was niet één gebeurtenis die alles verklaarde. Dat stelde me teleur. Ik had graag iets aangewezen dat gerepareerd kon worden.
In plaats daarvan oefende ik met kleine dingen. Een bericht later beantwoorden. Zeggen dat ik geen bezoek wilde. Mijn moeder vragen de ziekenhuisuitslag zelf met de huisarts te bespreken, in plaats van mij elk woord te laten ontleden.
Sommige gesprekken gingen beroerd.
‘Je bent wel erg met jezelf bezig,’ zei mijn moeder een keer.
‘Ja,’ zei ik. ‘Dat is op dit moment nodig.’
Daarna hing ik op en voelde ik me een uur lang een slechte dochter.
De eerste duidelijke verbetering was geen hele nacht slaap. Ik zat op een woensdag bij de kapper en volgde een gesprek zonder stukken kwijt te raken. De kapster vroeg of de lengte goed was. Ik keek in de spiegel en kon gewoon kiezen.
Die avond schreef ik dat in mijn dagboek.
Niet: vijf uur en twintig minuten.
Wel: vandaag kon ik weer luisteren.
Hoofdstuk 6
Weer naar binnen
Mijn eerste werkdag terug duurde twee uur. De bedrijfsarts had met me besproken wat haalbaar leek. Esther en ik hadden daarna afgesproken dat ik voorlopig geen routes alleen zou vrijgeven. Geen vroege diensten. Geen werktelefoon thuis.
Ik zei overal ja op. Onderweg voelde het toch alsof ik gedegradeerd was.
Daan wachtte bij de ingang. Hij deed alsof hij toevallig koffie ging halen, terwijl hij al een beker vasthield.
‘Subtiel,’ zei ik.
‘Dat is mijn kracht.’
Bij de slagboom bleef ik even staan.
Henk stak vanuit zijn hok zijn hand op. Hij keek niet naar mijn gezicht alsof hij schade opnam. Hij vroeg of ik ook koffie wilde.
‘Thee,’ zei ik.
‘Ook goed.’
Binnen waren twee bureaus verplaatst. Er stond een nieuwe printer. Ik had verwacht dat alles hetzelfde zou zijn, alsof mijn afwezigheid in een afgesloten kamer had plaatsgevonden.
Esther gaf me een lijst met telefoonnummers die gecontroleerd moesten worden. Eenvoudig werk. Nuttig werk. Ik haatte het de eerste tien minuten.
Daarna belde een ergotherapeut terug en merkte ik dat ik mijn uitleg kwijtraakte. Ik keek naar mijn aantekeningen, wachtte even en begon opnieuw.
Niemand ging dood van die stilte.
Na twee uur pakte ik mijn tas.
‘Nu al?’ vroeg een collega die niets van het opbouwschema wist.
Ik voelde mijn wangen warm worden.
‘Ja. Dit is wat we hebben afgesproken.’
Buiten wilde ik Esther appen dat ik best langer had kunnen blijven. Ik deed het niet.
Thuis at ik brood en viel bijna in slaap aan tafel. De rest van de middag was rommelig. Ik liet een glas vallen en schold zo hard dat ik mezelf liet schrikken.
Toch ging ik twee dagen later weer.
Het opbouwen verliep niet in een rechte lijn. Een week ging goed. De volgende week sliep ik slechter en moest ik taken teruggeven. Ik vond dat moeilijker dan me ziek melden. Nu had iedereen gezien dat ik weer kon werken. In mijn hoofd betekende dat dat ik het voortaan altijd moest kunnen.
Eva vroeg van wie die regel kwam.
‘Van niemand.’
‘Maar je houdt je er wel aan.’
In mei belde mijn moeder op een avond met pijn op de borst. Ik stond meteen op. Mijn hart sloeg hard. Ze zei dat het waarschijnlijk maagzuur was.
Ik zei dat ze medische hulp moest bellen, en bleef aan de lijn terwijl ze dat regelde. Joris ging naar haar toe. Ze werd onderzocht. Opnieuw bleek er geen acuut hartprobleem.
Om elf uur appte hij dat ze thuis waren.
Ik stuurde een duim terug.
Daarna sliep ik vrijwel niet.
De volgende nacht ook slecht.
Op de derde ochtend stond ik huilend voor mijn kledingkast. Ik trok een trui aan, weer uit, en liet hem op de grond vallen. Alle bekende gedachten waren terug. Het begon opnieuw. Straks kon ik niet meer werken. Straks moest Joris weer op mijn bank.
Ik pakte mijn telefoon en opende mijn werkmail.
Toen sloot ik hem.
Ik belde Esther.
‘Het gaat vandaag niet.’
Ze vroeg wat ik nodig had.
‘Vandaag rust. Morgen bespreken of ik mijn uren tijdelijk moet aanpassen.’
Daarna belde ik de praktijk. Ik kreeg een afspraak bij Samira en stuurde Eva een bericht. Niet omdat zij de nacht direct konden oplossen. Omdat ik merkte dat ik weer ging verbergen hoe het ging.
Joris kwam die avond eten. Hij keek naar de stoel bij het raam.
‘Moet ik blijven?’
Ik dacht na.
‘Nee. Ik vind het fijn dat je er nu bent. Maar ik denk dat ik vannacht alleen kan zijn.’
Hij knikte en vroeg waar de borden stonden. Ze stonden al jaren op dezelfde plek. Ik zei het toch.
We praatten over mijn moeder. Hij was ook geschrokken. Dat had ik niet gevraagd. Ik had zo hard geprobeerd de betrouwbare dochter te zijn dat ik hem niet als bezorgde zoon had gezien.
Na het eten deed hij de afwas. Ik droogde af.
‘Je belde sneller,’ zei hij.
‘Ja.’
‘Dat scheelt.’
Die nacht lag ik opnieuw een tijd wakker. Het was naar. Mijn borst voelde strak en ik wilde op de klok kijken.
Maar ik had gegeten. Mijn werk wist ervan. Er stonden afspraken gepland.
Toen ik naar de woonkamer liep, liet ik mijn telefoon op tafel liggen.
Hoofdstuk 7
Geen geheim meer
In september reed ik weer zelf naar mijn werk. Ik had het autorijden eerder rustig hervat, toen mijn slaperigheid voldoende was afgenomen. De eerste keer was Joris meegegaan. Een klein rondje, geen snelweg. Hij had zo nadrukkelijk ontspannen gezeten dat ik hem vroeg gewoon normaal adem te halen.
Nu reed ik alleen.
Bij de slagboom hield ik mijn pas al klaar voordat ik stilstond. Henk zwaaide. De boom ging omhoog. Ik reed eronderdoor zonder dat er iets bijzonders gebeurde.
Dat gewone moment had ik graag maanden eerder willen zien.
Ik werkte inmiddels vier dagen, met nog steeds duidelijke grenzen. Soms ging ik naar huis met werk dat niet af was. Daar werd ik niet vanzelf rustig van. Ik controleerde nog weleens mijn tas, alsof de werktelefoon er per ongeluk in kon zitten.
Er waren ook gevolgen die niet verdwenen zodra ik beter sliep. Ik was vakantiedagen kwijtgeraakt aan herstel en had spaargeld gebruikt voor hulp die niet volledig werd vergoed. Mijn concentratie was nog niet wat die was geweest. Een drukke verjaardag kon me de volgende dag uitputten.
En ik schaamde me nog steeds voor de levering in Gouda.
Ik had er met Esther over gesproken. Zij had destijds contact opgenomen met de vrouw en de fout afgehandeld. Ik wilde haar maanden later alsnog bellen.
‘Voor wie zou dat telefoontje zijn?’ vroeg Esther.
Ik vond de vraag vervelend, omdat ik het antwoord al vermoedde.
Ik wilde horen dat het me vergeven was.
We besloten haar niet opnieuw met die dag lastig te vallen. Op het werk kwam er een extra controle op oude klantgegevens. Daan en ik liepen samen de werkwijze door. Dat was minder bevredigend dan een mooie verzoening. Het was waarschijnlijk nuttiger.
Met Eva had ik nog eens per maand een afspraak. We bespraken waaraan ik merkte dat het minder ging. Niet alleen uren slaap. Ook maaltijden overslaan. Kortaf worden. Afspraken afzeggen met een smoes. Mijn werk openen op zondagavond.
Ik had die signalen opgeschreven. Joris kende ze. Mijn moeder ook, al vroeg ze nog vaak: ‘Heb je goed geslapen?’
Dan zei ik soms: ‘Vraag maar hoe mijn dag is.’
Ze vergat het geregeld. Ik hoefde daar niet elke keer boos om te worden.
Mijn nachten waren beter. Meestal sliep ik genoeg om mijn dag te doen. Soms lag ik lang wakker. Af en toe volgden er twee slechte nachten achter elkaar. Dan voelde ik nog steeds de oude angst opkomen.
Ik kon die angst niet wegredeneren. Wel kon ik voorkomen dat ik hem meteen een hele agenda liet overnemen.
Op een donderdag bleef Daan na de lunch bij mijn bureau staan.
‘Mag ik iets vragen?’
Ik draaide mijn stoel naar hem toe.
‘Dat hangt ervan af.’
Hij glimlachte niet.
‘Toen jij niet sliep. Was je toen ook bang om naar bed te gaan?’
Ik keek naar zijn beker. Koffie. Zijn derde, dacht ik, en ik schaamde me meteen dat ik begon te tellen.
‘Ja,’ zei ik. ‘Heel erg.’
Hij knikte langzaam.
‘Ik de laatste tijd ook.’
Mijn eerste neiging was om alles te vertellen. Over de stoel. Het horloge. De behandeling. Wat hij wel en niet moest doen.
In plaats daarvan vroeg ik: ‘Hoelang speelt het al?’
We gingen even naar buiten. Hij vertelde over zijn vader, die ziek was, en over nachten waarin hij ieder geluid hoorde. Ik luisterde. Ik zei dat mijn huisarts een goede eerste stap was geweest. Ik bood aan later die week te vragen of het bellen gelukt was.
Meer kon ik op dat moment niet doen. Ik was zijn collega, geen behandelaar.
Die avond at ik bij Joris. Mijn nichtje Fenna liet zien hoe ze haar veters kon strikken. Ze begon drie keer opnieuw. Niemand hielp, want dat mocht niet.
Toen de strik eindelijk zat, hield ze haar schoen onder mijn neus.
‘Kijk dan.’
‘Ik kijk.’
En dat deed ik. Ik dacht niet aan bedtijd. Niet aan hoeveel uur ik nog had. Ik zag een losse veter, een scheve lus en een kind dat wilde dat ik oplette.
Thuis ruimde ik de keuken op. De stoel stond nog bij het raam. Er lag nu een stapel tijdschriften op. Ik schoof ze opzij, voor het geval ik hem nodig zou hebben.
In bed bleef ik een tijd wakker. Er reed een tram voorbij. Iemand trok beneden de portiekdeur dicht. De koelkast begon te brommen.
Ik had liever geslapen.
Maar ik pakte mijn telefoon niet om te zoeken wat er allemaal mis kon gaan. Morgen had ik geen vroege afspraak. Als het moeilijk werd, kon ik dat zeggen.
Ergens die nacht viel ik in slaap. Ik weet niet hoe laat.