Naar de inhoud
Terug naar het boek

Tegenslag en opnieuw beginnen

Niemand had dit voor mij bedacht

Hoofdstuk 1

De pas weigert

De kassa piept. Drie pakken halfvolle melk. Een zak krentenbollen. Twee blikken tomatensoep en goedkoop gehakt. Totaalbedrag: zeventien euro en vijfentachtig cent.

Ik steek mijn pinpas in het apparaat. Ik toets mijn code in: 4-1-8-2. Vier cijfers die ik al twintig jaar gebruik. Mijn vingers zijn grauw van het loodgietersvet dat nooit helemaal uit mijn nagelriemen slijt.

Het schermpje blijft hangen. Een seconde. Twee seconden. Dan klinkt er een schel toontje. Rood scherm. 'Transactie niet toegestaan.'

'Nog een keer proberen?' vraagt het meisje achter de kassa. Ze is een jaar of zeventien. Ze kijkt me niet eens echt aan. Ze kauwt op een stuk gom.

'Ja, doe maar,' zeg ik. Mijn keel voelt droog aan. 'Slecht bereik, denk ik.'

Ik haal de pas eruit. Veeg de gouden chip over mijn spijkerbroek. Steek hem er weer in. 4-1-8-2. Weer die piep. Weer dat rode scherm. 'Saldo ontoereikend.'

Achter me zucht een vrouw met een overvolle mand. Ze tikt met haar autosleutels tegen haar heup. 'Schiet eens op,' zegt ze niet, maar haar hele lijf schreeuwt het.

Ik ben Dennis van Veen. Drieënveertig jaar oud. Geboren en getogen in Hengelo. Mijn hele leven heb ik gewerkt met mijn handen. Ik had een eigen installatiebedrijf. Twee grijze bussen voor de deur met mijn naam erop in blauwe plakletters: Van Veen Installatietechniek. Ik was de man die mensen belden als hun ketel ontplofte of als een nieuwbouwwoning een complete vloerverwarming nodig had. Ik loste dingen op. Altijd.

En nu sta ik in de Albert Heijn aan de Enschedesestraat en ik kan geen zeventien euro betalen.

'Laat maar staan,' zeg ik tegen het meisje. Mijn stem klinkt dun.

'Alles?' vraagt ze.

'Alles.'

Ik pak mijn portemonnee niet eens terug. Ik stop de plastic kaart los in mijn jaszak en loop naar buiten. De deuren schuiven open met een zacht gesis. De koude herfstlucht slaat tegen mijn wangen. Mijn gezicht brandt. Het voelt alsof iedereen op het plein naar me kijkt. Alsof die kassajuffrouw met een megafoon op straat staat te roepen: Kijk naar Dennis van Veen, hij heeft geen cent meer te makken.

In werkelijkheid kijkt niemand. Mensen haasten zich met hun tassen naar hun fietsen en auto's. Het regent een beetje, van die vieze miezer die overal tussendoor kruipt. Ik stap in mijn oude Volkswagen Caddy. De reclameletters zijn er twee weken geleden afgeschraapt met een fohn. Je ziet de lijmresten nog zitten in de lak. In spiegelbeeld staat er nog steeds 'Van Veen' op het achterportier.

Ik draai de sleutel om. De motor slaat aan met een schorre hoest. Op de bijrijdersstoel ligt een stapel ongeopende post. Witte enveloppen met blauwe randen. Enveloppen van incassobureaus. Enveloppen van de bank. Ik raak ze al drie weken niet meer aan. Als ik ze niet openmaak, bestaan ze niet. Dat hield ik mezelf tenminste voor.

Mijn telefoon trilt op het dashboard. 'Marloes', zegt het schermpje. Mijn vrouw. Of liever gezegd: mijn vrouw op papier. We slapen al twee maanden in hetzelfde huis zonder elkaar aan te raken. We bewegen om elkaar heen als twee vreemden in een overvolle trein.

Ik neem niet op. Ik kan niet zeggen: 'Hoi, schat, ik heb geen eten meegenomen want mijn rekening staat drieduizend euro in het rood.'

Ik leg mijn voorhoofd op het stuur. Het plastic voelt koud en vettig aan. Ik ruik de geur van oude tabak en natte werkkleding. Dit is het moment, denk ik. Dit is het punt waarop het sprookje klaar is. Niemand heeft dit ooit voor mij bedacht. Mijn ouders niet, mijn leraren op de lts niet, en ik zelf al helemaal niet. Ik dacht dat ik slim was. Ik dacht dat hard werken altijd genoeg was. Wat een ongelooflijke klootzak ben ik geweest.

Hoofdstuk 2

Te groot gegokt

Het begon drie jaar geleden. Drie jaar is niks in een mensenleven, maar voor mij voelt het als een eeuw. Mijn bedrijf liep goed. Ik had twee jongens in vaste dienst: Frank en Mo. Twee gouden gasten. Nooit ziek, nooit zeuren, bussen netjes opgeruimd. We deden badkamers, ketels, kleine utiliteit. Hard werken, netjes factureren, op tijd betalen. We verdienden een prima boterham. Ik reed een nette stationwagen, we gingen twee weken naar Frankrijk in de zomer, Marloes had een mooie keuken met een kookeiland.

Toen kwam het project op het bedrijventerrein bij Borne. Een distributiecentrum van zesduizend vierkante meter. Verwarming, sanitair, luchtbehandeling, brandbeveiliging. Alles erop en eraan.

De hoofdaannemer was Koopman Bouw. Een grote partij uit het westen. Ze zochten een lokale onderaannemer voor de installatie. Ik kende de verhalen wel: grote jongens knijpen kleine jongens uit. Maar de offerte die ik neerlegde was goed. Drie ton. Drie ton omzet voor mijn kleine clubje. Als ik deze klus goed afrondde, zat ik op een ander niveau. Dan was ik geen ketelplakker meer, dan was ik een serieuze speler.

'Weet je het wel zeker, Dennis?' vroeg Marloes op een avond. We zaten aan de keukentafel. De tekeningen lagen tussen onze koffiemokken in.

'Dit is de kans,' zei ik. Ik sloeg met mijn hand op tafel. 'Als we dit pakken, kunnen we over vijf jaar de zaak verkopen als ik dat wil. Dan hebben we rust.'

'We hebben nu toch ook rust?' zei ze zacht.

Ik luisterde niet. Ik wilde meer. Waarom? Pure trots. IJdelheid. Ik wilde laten zien dat die jongen van de lts, die vroeger altijd te horen kreeg dat hij niet goed kon leren, een groot bedrijf kon leiden.

Ik tekende het contract. Veertig pagina's klein gedrukte tekst. Ik las de helft. Boetebedingen, opleverdata, aansprakelijkheid. Ik dacht: dat lossen we wel op de bouwplaats op. Zo deden we dat altijd in Twente. Even overleggen bij de keet met een bak koffie, handjeklap, klaar.

Maar Koopman Bouw werkte niet met handjeklap. Ze werkten met juristen.

Om het werk aan te kunnen, huurde ik vier zzp'ers in. Dure jongens, maar ik had handjes nodig. Vanaf dag één liep het project vertraging op. De staalconstructie was niet op tijd klaar. De betonvloer droogde te langzaam. Wij konden onze leidingen niet kwijt. Maar de opleverdatum schoof niet op.

'Jullie moeten overwerken,' zei de projectleider van Koopman. Een gladde vogel van negenentwintig in een glimmende leasebak. 'En zaterdag ook.'

'Wie betaalt die overuren?' vroeg ik.

'Dat regelen we in het meerwerk,' zei hij. Hij keek me strak aan. 'Eerst meters maken, Dennis. Niet zeuren.'

Ik geloofde hem. Ik zette mijn jongens onder druk. Frank viel uit met een hernia. Mo kreeg ruzie met een van de zzp'ers. De sfeer werd giftig. Ik sliep vier uur per nacht. Mijn telefoon ging om zes uur 's ochtends en stopte pas om elf uur 's avonds. Om de zzp'ers te kunnen betalen, sprak ik mijn eigen reserves aan. Daarna mijn zakelijke krediet bij de bank. Vijftigduizend euro. Binnen twee maanden was het weg.

In november diende ik de rekening voor het meerwerk in. Tweeentachtigduizend euro.

Twee weken later kreeg ik een brief. Aangetekend. Koopman wees de claim integraal af. Nergens was schriftelijk opdracht voor gegeven, schreven ze. Artikel 14.2 van het contract. Sterker nog: omdat wij de tussenoplevering met twee weken hadden overschreden, legden ze ons een contractuele boete op van tienduizend euro per week.

Ik belde die projectleider. Hij nam niet op. Ik reed naar het kantoor in Utrecht. De receptioniste liet me niet voorbij de draaideur. 'Meneer Koopman is niet beschikbaar zonder afspraak.'

Ik stond op de parkeerplaats tussen de glimmende auto's. De grond onder mijn werkschoenen voelde plotseling zacht, alsof ik wegzakte in drijfzand. Ik had vijfenveertigduizend euro aan openstaande rekeningen van leveranciers liggen. Ik had de zzp'ers nog niet betaald over oktober. En de Belastingdienst wilde voor het einde van het kwartaal achtentwintigduizend euro btw zien.

In plaats van Marloes te vertellen wat er aan de hand was, reed ik naar de bank. Ik vroeg om een verhoging van het krediet. De bankmedewerker keek naar mijn cijfers, schudde zijn hoofd en zei: 'Nee, meneer Van Veen. Dat risico kunnen we niet nemen.'

Toen maakte ik de grootste fout van mijn leven. Ik leende twintigduizend euro bij een louche kredietverstrekker op internet. Rente: veertien procent. Binnen vierentwintig uur op de rekening. Ik dacht dat ik tijd kocht. In werkelijkheid kocht ik een enkeltje naar de afgrond.

Hoofdstuk 3

De zwarte map

Schaamte is een vreemd beest. Het vreet je van binnenuit op, maar aan de buitenkant probeer je zo normaal mogelijk te doen. Je lacht harder om grappen. Je zegt op verjaardagen dat het 'druk, druk, druk' is. 'Werk zat, jongens, we komen handen tekort!' Terwijl je 's nachts wakker ligt en voelt hoe je hartslag in je keel klopt als een hamer.

Thuis verstopte ik de post. Ik had een geheime plek: onder de reserveband in de achterbak van de Caddy. Daar lag een zwarte ringmap. Elke dag stopte ik er nieuwe brieven in. Aanmaningen. Dwangbevelen. Brieven met rode letters. Ik deed het klepje dicht, legde de mat eroverheen en liep met een leeg gezicht naar binnen.

'Nog post?' vroeg Marloes dan terwijl ze aardappels schilde.

'Nee, alleen reclame,' zei ik. Mijn stem klonk normaal. Dat maakte me nog het meest bang: hoe makkelijk het liegen me afging.

Op een dinsdag in februari stond er een man voor de deur. Grijze regenjas, leren aktetas, een kaal hoofd. Hij belde niet één keer aan, maar drie keer kort achter elkaar. Alsof hij wist dat ik er was.

Ik deed open op sokken.

'Meneer Van Veen?'

'Ja.'

'Gerechtsdeurwaarder Visscher.' Hij haalde een map tevoorschijn en schoof een dik pak papier in mijn handen. 'Betekening van vonnis en bevel tot betaling. In opdracht van Technische Groothandel Oosterhof.'

Oosterhof. Mijn vaste leverancier. De man bij wie ik al vijftien jaar buizen, koppelingen en radiatoren kocht. We dronken samen koffie op vrijdagmiddag. Nu stuurde hij een man in een grijze jas.

'Het openstaande bedrag is vierendertigduizend euro en zeventig cent, inclusief kosten en rente,' zei de man zakelijk. 'U heeft twee dagen om te voldoen. Anders gaan we over tot beslaglegging.'

'Ik heb dat geld nu niet,' fluisterde ik. Ik keek over mijn schouder naar de gang. Marloes was boven aan het stofzuigen. Het geluid van de motor overstemde ons gesprek.

De deurwaarder keek me aan. Niet boos, niet vijandig, maar met een soort kille routine die nog erger was. 'Dan weet u wat er volgt, meneer Van Veen. Roerende zaken. Bussen, gereedschap, voorraad.'

Hij draaide zich om en liep het tuinpad af. Ik bleef staan met het papier in mijn handen. Mijn vingers trilden zo erg dat het papier ritselde.

Die avond kwam de waarheid eruit. Niet omdat ik zo dapper was, maar omdat Marloes de zwarte map had gevonden. Ze had de ruitensproeiervloeistof uit de achterbak willen pakken en had de mat opgetild.

Toen ik thuiskwam, lagen de brieven uitgespreid over het kookeiland. Tientallen enveloppen. Sommige opengescheurd, andere nog dicht.

Ze zat op een barkruk. Ze huilde niet. Haar ogen waren rood en haar lippen waren een dunne streep.

'Wat is dit, Dennis?'

Ik kon niks zeggen. Mijn tong voelde aan als een brok droog hout.

'Hoeveel is het?' vroeg ze. Haar stem sloeg over.

'Ik weet het niet precies,' loog ik weer. Uit gewoonte.

'Niet liegen!' schreeuwde ze plotseling. Ze sloeg met beide handen plat op de stapel brieven. Het geluid knalde door de keuken. 'Niet meer liegen tegen mij! Hoeveel is het?!'

'Honderdtwintigduizend,' zei ik zacht. 'Misschien honderddertig.'

Ze liet haar hoofd in haar handen zakken. Haar schouders schokten. 'We zijn alles kwijt,' zei ze. 'Het huis. De spaarrekening van de jongens. Alles.'

'Ik los het op,' zei ik, en op het moment dat ik het uitsprak, wist ik hoe belachelijk het klonk. Ik kon helemaal niks meer oplossen. Het water stond niet meer aan mijn lippen; het stond al drie meter boven mijn hoofd.

Die nacht sliep ik op de bank. Het was de eerste nacht dat ik niet eens meer probeerde te slapen. Ik keek naar het rode lampje van de televisie op het dressoir. Een klein rood oogje in het donker dat bleef knipperen. Ik dacht aan de treinrails bij het station. Ik dacht aan een boom langs de N36. Het waren geen plannen, het waren flitsen. Beelden die door mijn hoofd schoten omdat de schaamte zo zwaar was dat ik nauwelijks kon ademhalen. Ik had gefaald als ondernemer, als kostwinner, als man. Iedereen die ik liefhad, had ik meegetrokken in mijn eigen modderpoel.

Hoofdstuk 4

Het doek valt

De rechtbank in Almelo ruikt naar geboende vloeren en natte paraplu's. Je loopt door een metaaldetector. Je moet je riem afdoen en je sleutels in een plastic bakje leggen. Het voelt meteen alsof je een misdadiger bent, ook al heb je niemand vermoord.

Ik zat op een houten bankje in de gang. Naast me zat mijn boekhouder, Gerard. Gerard was een stille man van in de zestig met een versleten aktetas. Hij keek naar zijn schoenen.

'Had je me eerder moeten vertellen, Dennis,' zei hij voor de tiende keer. 'Als je een halfjaar geleden was gekomen, hadden we misschien nog een regeling kunnen treffen.'

'Ja, Gerard,' zei ik. 'Dat weet ik nu ook.'

De zitting duurde precies zeven minuten. Een rechter met een zwarte toga en een witte bef keek over haar leesbril naar de papieren. Ze stelde drie vragen. Had ik nog lopende inkomsten? Nee. Waren er bezittingen die direct te gelde gemaakt konden worden? Nee, alles was al beleend of verpand. Was er zicht op herstel? Nee.

'Dan spreek ik hierbij het faillissement uit over de besloten vennootschap Van Veen Installatietechniek, alsmede over de heer Dennis van Veen in persoon,' zei ze. Haar stem klonk alsof ze voorlas wat er die avond op het menu van de kantine stond.

Ze sloeg met geen hamer. Er klonk geen gong. Ze schoof de papieren naar de griffier en zei: 'Meneer Van Veen, mr. De Graaf is aangesteld als uw curator. Hij neemt vandaag nog contact met u op. Sterkte.'

Buiten scheen de zon. Fel en genadeloos. Ik knipperde met mijn ogen tegen het licht. Het was voorbij. Het bedrijf dat mijn vader ooit was begonnen met één lasapparaat en een bakfiets, en dat ik had overgenomen en uitgebouwd, bestond niet meer. Het was opgelost in een rechtszaal van twintig vierkante meter.

Twee dagen later stond de curator bij mijn werkplaats. Een man van een jaar of veertig in een strak pak zonder stropdas. Hij had een klembord bij zich.

Hij liep door de stellingen. Hij tikte met een pen tegen een doos met messing koppelingen. 'Oud spul,' zei hij. 'Brengt weinig op bij de veiling.'

Hij vroeg naar de sleutels van de bussen. Ik gaf ze af. Drie sleutelbossen met het blauwe plastic labeltje van de zaak. Mijn hand raakte de zijne. Zijn vingers waren warm en droog, die van mij koud en klam.

'Het gereedschap moet ook ingeleverd worden,' zei hij. 'Alles wat op de balans staat.'

Ik liep naar mijn eigen bus. Mijn Hilti-klopboormachine. De persmachine die ik drie jaar geleden had gekocht voor vierduizend euro. Mijn koffers met handgereedschap. Tangen die naar mijn eigen handen stonden omdat ik ze al twintig jaar gebruikte. Elk stuk gereedschap had een verhaal. Die Bahco had ik gekregen van mijn leermeester toen ik achttien werd.

'Moet dat ook?' vroeg ik. Mijn stem brak.

De curator keek even op van zijn klembord. In zijn ogen zag ik heel even iets van medelijden, maar het verdween meteen weer achter zijn professionele masker. 'Het spijt me, meneer Van Veen. Het hoort bij de boedel. De schuldeisers hebben recht op de opbrengst.'

Ik zette de koffers op de grond bij de roldeur. Het voelde alsof hij mijn vingers één voor één aan het amputeren was.

Toen ik thuiskwam, stonden er drie grote weekendtassen in de gang. Marloes stond in de woonkamer met een doos vol boeken.

'Ik ga naar mijn moeder,' zei ze. Ze keek me niet aan. Ze plakte de doos dicht met bruine tape. Het geluid van het scheurende plastic sneed door de kamer.

'Marloes, alsjeblieft,' zei ik. Ik ging op mijn knieën voor haar zitten. Een volwassen kerel van over de tachtig kilo, smekend op het parket. 'Laat me dit fixen. We komen hierdoorheen.'

'Er valt niks meer te fixen, Dennis,' zei ze zacht. Ze keek me eindelijk aan. Haar blik was leeg. Er zat geen woede meer in, en dat was het ergste. Woede kun je bevechten. Leegte niet. 'Je hebt niet alleen ons geld verspeeld. Je hebt ons vertrouwen kapotgemaakt. Je hebt een jaar lang tegen me gelogen. Elke ochtend als je wegging, keek je me aan en zei je dat het goed kwam. Terwijl je wist dat we naar de kloten gingen.'

Ze pakte haar tassen. De voordeur viel achter haar in het slot. Een doffe klik.

Ik bleef op de grond zitten. Ik keek naar de afdruk van haar schoenen op het laminaat. Buiten reed een auto weg. Daarna was het stil. Doodstil.

Hoofdstuk 5

Op de bodem van de kuil

Als je alles kwijt bent, word jeonzichtbaar. De bank zet je rekening stop. Je creditcard wordt geblokkeerd. Je mobiele abonnement wordt afgesloten omdat je de rekening niet betaalt. Ik kocht een prepaid-kaartje van een tientje bij het benzinestation.

Het huis werd verkocht door de hypotheekverstrekker. Een executieveiling. Het leverde tachtigduizend euro minder op dan de marktwaarde. Die restschuld kwam bovenop de rest van de bult. Ik moest eruit voor 1 mei.

Via een neef van een oud-collega kon ik een kamer huren in Glanerbrug. Boven een shoarmatent. Eén kamer van vier bij vier meter met een keukenblokje in de hoek en een douche die rook naar schimmel. Het raam keek uit op een plat dak vol grind en vogelpoep. De hele dag rook het naar gebakken lamsvlees en knoflooksaus. 's Nachts hoorde ik het brommen van de afzuiginstallatie door de vloer.

Ik had een matras op de grond, twee pannen, een bord en een vork. Mijn kleren zaten in een verhuisdoos.

De eerste maand deed ik bijna niks. Ik werd wakker om elf uur. Ik staarde naar de vochtplek op het plafond die de vorm had van een vogel zonder kop. Ik at goedkope noedels uit een plastic bakje. Soms liep ik naar de supermarkt om half negen 's avonds, vlak voor sluitingstijd, zodat de kans zo klein mogelijk was dat ik iemand tegenkwam die ik kende.

Toch gebeurde het.

Ik stond bij het schap met afgeprijsde broden toen ik een stem hoorde. 'Dennis?'

Ik verstijfde. Ik overwoog om mijn mandje te laten vallen en weg te rennen. Maar het was al te laat. Het was Peter. Peter van de voetbalclub. We hadden tien jaar samen in het derde elftal gespeeld. Hij was vorig jaar nog op mijn verjaardag geweest.

'Hee, Peter,' zei ik. Ik probeerde een glimlach op mijn gezicht te trekken. Het voelde alsof mijn wangen van gips waren.

'Kerel, wat hoor ik allemaal?' zei hij. Hij pakte me bij mijn schouder. Zijn hand voelde te zwaar. 'Failliet? En Marloes weg? Wat een kutstreek, man.'

'Ja,' zei ik. 'Het zat even tegen.'

'Even tegen?' Peter schudde zijn hoofd. 'Het hele dorp lult erover. Ze zeggen dat je voor tonnen het schip in bent gegaan. Klopt dat?'

Hij bedoelde het waarschijnlijk niet slecht. Het was Twentse nieuwsgierigheid, vermengd met een tikkeltje leedvermaak dat mensen nu eenmaal hebben als iemand die hoog van de toren blies ineens op zijn bek gaat. Maar voor mij voelde het alsof hij een mes in mijn maag stak en het langzaam omdraaide.

'Het valt wel mee,' zei ik. Mijn stem trilde. 'Ik ben bezig met wat nieuws.'

'Mooi zo,' zei hij. 'Kom je zondag nog kijken bij het eerste? Biertje doen?'

'Ik kijk wel even,' zei ik. 'Druk, weet je wel.'

Ik wachtte tot hij naar het gangpad met de frisdrank liep. Toen zette ik mijn brood terug en liep de winkel uit zonder iets te kopen. Terug naar mijn kamer boven de shoarmatent. Ik deed de deur op slot en schoof een oude stoel onder de klink. Alsof er iemand binnen wilde komen.

Ik ging op het matras zitten en huilde. Niet een beetje vocht in mijn ogen, maar dat lelijke, rauwe gehuil waarbij je maag samentrekt en je geen adem meer krijgt. Ik sloeg met mijn vuist tegen de muur tot mijn knokkels bloedden. De buurman aan de andere kant bonkte terug op de muur. 'Houd je bek daar!'

Ik stopte mijn hand in mijn mond om het geluid te dempen.

Dat was de bodem. Dieper dan dat kon ik niet zakken. Een volwassen man van drieënveertig, bloed aan zijn hand, zittend op een stinkend matras boven een kebabzaak, te bang om zijn eigen vrienden onder ogen te komen.

Toen het huilen ophield, werd het stil in mijn hoofd. Een vreemde, kille soort stilte. Ik keek naar mijn bloedende knokkels. Niemand ging dit voor mij oplossen. Gerard de boekhouder niet. Marloes niet. De overheid niet. Als ik hier bleef zitten, zou ik over een jaar nog steeds op dit matras liggen, weg te rotten tussen de knoflookdampen.

Ik stond op. Ik waste mijn gezicht bij de kraan met koud water. Ik keek in het spiegeltje boven de wasbak. De man die terugkeek had diepe groeven naast zijn neus en donkere kringen onder zijn ogen. Hij zag er tien jaar ouder uit dan op zijn paspoort. Maar hij ademde nog.

Hoofdstuk 6

Kisten schuiven

De volgende ochtend liep ik het kantoor van een uitzendbureau in Enschede binnen. Geen technisch detacheerder, maar een kantoortje aan de singel waar Poolse arbeidsmigranten en jongens met een taakstraf in de rij stonden.

Achter de balie zat een vrouw van begin twintig met lange nepnagels. Ze keek naar mijn identiteitsbewijs en naar mijn cv.

'U heeft twintig jaar een eigen bedrijf gehad?' vroeg ze. Ze keek me wantrouwend aan. 'Waarom wilt u productiewerk doen?'

'Omdat ik moet eten,' zei ik. Eenvoudig. Zonder eromheen te draaien.

Ze tikte wat in op haar computer. 'Ik heb nachtdienst in een distributiecentrum voor diepvriesproducten. Orderpicker. Min twintig graden. Zwaar werk. Begint vanavond om tien uur. Kan dat?'

'Ik ben er,' zei ik.

Die avond kreeg ik een dikke thermojas, handschoenen en werkschoenen met stalen neuzen uitgereikt. Mijn collega's spraken nauwelijks Nederlands. Roemeens, Pools, wat Arabisch. Niemand vroeg wie ik was. Niemand vroeg wat ik vroeger had gedaan. Voor hen was ik gewoon die oude Hollander die te langzaam stapelde.

Acht uur lang reed ik op een elektrische pallettruck door een gigantische vrieskist. Dozen met diepvriesfriet, vissticks, diepvriespizza's. Pakken, tillen, op de pallet zetten, sealen, volgende. Binnen een uur deed elke spier in mijn rug pijn. De kou sneed door mijn broek heen. Mijn neusgaten vroren dicht.

Om drie uur 's nachts hadden we een kwartier pauze in een kantine die fel verlicht was met tl-buizen. De koffie kwam uit een automaat en smaakte naar warm slootwater met suiker.

Ik zat aan een plastic tafel. Mijn vingers waren gevoelloos van de kou. Ik keek naar de man tegenover me. Een jongen uit Polen van een jaar of vijfentwintig. Hij had een foto van een klein meisje op zijn telefoon staan als achtergrond. Hij at een boterham met leverpastei uit een stuk aluminiumfolie.

We keken elkaar even aan. Hij knikte kort. Ik knikte terug.

Er was geen schaamte in die kantine. Iedereen die daar zat, zat er om dezelfde reden: omdat er aan het eind van de maand rekeningen betaald moesten worden. Niemand deed zich beter voor dan hij was. Er was geen borrelpraat over winstmarges, nieuwe bussen of vakanties naar Zuid-Frankrijk. Er was alleen de klok die aftelde naar zes uur 's ochtends.

Ik hield het drie maanden vol in de vriescel. Mijn lichaam wende aan het werk. De spierpijn verdween. Mijn handen werden weer ruw, maar op een andere manier. Ik viel acht kilo af. Mijn buikje verdween.

Na drie maanden vroeg de ploegbaas, een nuchtere Tukker genaamd Henk, of ik een heftruckcertificaat had.

'Nee,' zei ik. 'Maar ik kan wel rijden. Ik heb twintig jaar met zwaar materieel gewerkt.'

'We betalen de cursus,' zei Henk. 'We hebben een vaste man nodig voor de dagdienst. Laden en lossen bij de docks. Twaalf euro vijftig per uur. Geen vetpot, maar vaste uren.'

Het was de eerste keer in anderhalf jaar dat iemand me iets aanbood zonder dat er een deurwaarder achteraan kwam.

Ik haalde dat papiertje in één zaterdag. Op maandagochtend zat ik op een gele Toyota-heftruck. Pallets met conservenblikken uit vrachtwagens trekken en in de stellingen zetten. Strak sturen, opletten, meters maken. Het was dom werk vergeleken met het ontwerpen van een complexe cv-installatie voor een bedrijfspand, maar het had één groot voordeel: als ik om vijf uur de sleutel van de heftruck omdraaide, was ik klaar.

Geen telefoontjes van boze aannemers om negen uur 's avonds. Geen slapeloze nachten over btw-aangiftes. Geen leveranciers die dreigden met incasso's.

Mijn salaris ging rechtstreeks naar een beheerrekening van de bewindvoerder. Ik was toegelaten tot de WSNP: de wettelijke schuldsanering. Drie jaar lang leven van een weekgeld van zeventig euro. Alles daarboven ging naar de schuldeisers. De curator had berekend dat ze uiteindelijk misschien tien cent op elke euro terugkrijgen. De rest wordt na drie jaar kwijtgescholden. 'Een schone lei', noemen ze dat.

Het klonk mooi, maar het voelde niet schoon. Het voelde alsof ik mijn hele leven had ingeleverd in ruil voor zeventig euro per week en een plastic pasje van de budgetbeheerder. Maar het was een bodem onder mijn voeten. De grond zakte niet meer weg.

Hoofdstuk 7

Koffie uit een automaat

Het is zaterdagochtend. Twee jaar na de dag bij de kassa van de Albert Heijn.

Ik woon nog steeds in Hengelo, maar niet meer boven de shoarmatent. Ik heb een sociale huurwoning gekregen in de wijk Veldwijk. Twee kamers op de tweede verdieping van een galerijflat uit de jaren zeventig. Het tapijt is niet van mij en de keukenblokjes zijn vergeeld, maar het is schoon en het lekt niet.

Mijn wekker gaat om zeven uur. Ik zet koffie met een filterzakje en heet water uit een fluitketel. Geen ingebouwde espressomachine van twaalfhonderd euro meer zoals in het oude huis. Gewoon Douwe Egberts roodmerk.

Ik kijk naar buiten over het balkon. Beneden rijden auto's over de Kuipersdijk. Mensen onderweg naar hun werk, naar de bouwmarkt, naar sportvelden met hun kinderen.

Mijn zoon Tom is zeventien nu. Hij woont bij Marloes in Enschede. In het begin wilde hij me niet zien. Hij schaamde zich kapot voor zijn vader, de man over wie zijn klasgenoten zeiden dat hij failliet was gegaan. Ik neem het hem niet kwalijk. Op die leeftijd wil je een vader die een stoere auto rijdt en kaartjes koopt voor FC Twente, geen vent die op een geleende damesfiets naar een flatje rijdt.

Vorige maand belde hij zelf. Of ik hem kon helpen met zijn scooter. De carburateur lekte.

We stonden drie uur lang op de parkeerplaats beneden bij de flat. Tussen twee grijze containers in de wind. Ik had een klein gereedschapskistje geleend van de buurman. Ik liet hem zien hoe je de vlotter afstelt, hoe je de sproeier schoonblaast met een fietspomp. Mijn vingers wisten het nog precies. Sommige dingen verleer je niet, hoeveel papieren van de rechtbank je ook tekent.

Toen we klaar waren, startte de scooter met één trap. Een scherp, tweetakt geratel.

Tom keek naar me. Hij glimlachte even. 'Bedankt, pap.'

'Geen dank, jongen,' zei ik. Ik wilde hem omhelzen, maar ik deed het niet. We zijn geen familie van knuffelaars. Maar hij bleef nog een halfuur staan kletsen over school en over zijn vriendin. Het was het beste halfuur van de afgelopen drie jaar.

Met Marloes spreek ik niet meer. De scheiding is vorig jaar officieel uitgesproken. Alles via advocaten van onvermogen, briefjes via de post. Ze heeft gelijk gehad. Ik had haar moeten vertrouwen toen het misging. Ik dacht dat ik haar beschermde door mijn bek te houden. In werkelijkheid beschermde ik alleen mijn eigen ego.

Nog één jaar WSNP. Nog twaalf maanden verantwoording afleggen over elke euro die ik uitgeef. Als ik mijn oude winterjas vervang, moet ik het bonnetje bewaren voor de bewindvoerder. Het is vernederend, maar het went. De schaamte is veranderd van een open wond in een litteken. Het trekt nog als het koud wordt, maar het bloedt niet meer.

Straks stap ik op de fiets naar de kringloopwinkel. Ik zoek een fatsoenlijke eettafel. De vorige bewoner heeft een plastic tuintafel achtergelaten waar ik nu aan eet. Het werkt, maar het wiebelt.

Soms mis ik het bedrijf. Ik mis de geur van pas gesneden koperbuis. Ik mis het gevoel als je een complete stookruimte oplevert en alle metertjes netjes op nul staan en het systeem geruisloos aanslaat. Ik was goed in mijn vak. Een verdomd goede loodgieter.

Maar ik was een waardeloze zakenman. Ik wilde te snel, ik wilde te veel, en ik kon niet tegen mijn eigen grenzen.

Als je me vijf jaar geleden had verteld dat ik op mijn vijfentwintigste op een heftruck zou rijden voor twaalf euro vijftig per uur, en dat ik blij zou zijn met een flatje driehoog-achter, had ik je voor gek verklaard. Niemand bedenkt dit voor zichzelf. Niemand tekent dit uit op een vel papier als hij jong is.

Maar ik ben er nog. Ik sta op mijn eigen benen. Mijn pas weigert niet meer bij de kassa, want ik weet precies tot op de cent wat er op die rekening staat. Zestien euro en veertig cent tot aanstaande dinsdag. Genoeg voor brood, pindakaas en een pak koffie.

Ik drink mijn mok leeg. Spoel hem om onder de kraan. Trek mijn jas aan. De wereld draait door, ook zonder Van Veen Installatietechniek. En vandaag schijnt zowaar de zon over Hengelo.