Naar de inhoud
Terug naar het boek

Ziekte en gezondheid

Morgen weer een behandeling

Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.

Hoofdstuk 1

De geur van koude thee

Mijn naam is Dennis de Ruiter. Ik ben vierenveertig jaar en ik woon in Gouda, in een rijtjeshuis met een kleine tuin op het noorden. Tot afgelopen herfst reed ik op de stadsbus. Lijn 1 en lijn 3, heen en weer tussen het station, Goverwelle en Bloemendaal. Ik hield van dat werk. Het ritme van de deuren die open en dicht sissen. De vaste passagiers die hun pasje tegen de lezer tikken. Scholieren die te hard praten en oude mensen die altijd net te langzaam instappen. Je zit hoog, je hebt overzicht en als de dienst erop zit, lever je de sleutel in en is je hoofd leeg. Dacht ik altijd.

Het begon met steken in mijn onderbuik. Geen grote pijn, meer een zeurend gevoel alsof ik verkeerd had geluncht. Een vette hap bij het station, een blikje cola dat verkeerd viel. Ik ben geen man die meteen naar de dokter rent. Als buschauffeur leer je je plas ophouden en niet zeuren. Pijnstillers erin en sturen. Maar na drie weken werd mijn ontlasting donker. Soms zat er bloed bij, helderrood op het papier. Aambeien, dacht ik nuchter. Iedereen die de hele dag op een stoel zit krijgt vroeg of laat aambeien. Ik kocht zalf bij de drogist en reed gewoon mijn diensten.

Tot die dinsdagmiddag in oktober. Het regende pijpenstelen. De ruitenwissers van bus 3 sloegen driftig heen en weer. Bij de halte aan de Dunantsingel trapte ik op de rem. Opeens trok er een kramp door mijn buik die zo hevig was dat mijn vingers van het stuur gleden. Het zweet brak me aan alle kanten uit. Koud, ijskoud zweet. Het werd zwart voor mijn ogen. Ik hoorde een passagier achter me vragen of het wel ging. Ik kon geen antwoord geven. Ik kon alleen maar voorover leunen over het grote stuurwiel, terwijl mijn ademhaling stokte.

De verkeersleiding stuurde een aflosser. Een collega bracht me naar huis. Anja, mijn vrouw, keek me aan toen ik de gang binnenstapte en zei meteen: "Jij gaat nu de huisarts bellen. En anders doe ik het." Ze werkt al twintig jaar achter de balie bij een bakkerij. Ze ziet duizenden mensen per week en ze ziet het meteen als iemand er niet goed uitziet. Mijn gezicht had de kleur van grauwe klei.

Bij de huisarts moest ik op de onderzoeksbank liggen. Dokter Van Damme is een rustige man met een bril met een dun montuur. Hij voelde aan mijn buik. Links onderin drukte hij zachtjes. Ik schoot omhoog van de pijn. Hij vroeg niet veel. Hij luisterde alleen naar mijn darmen en keek naar mijn pols. "Dennis," zei hij, terwijl hij zijn handen waste bij het kleine fonteintje, "ik vind dit niet prettig klinken. Je hebt bloedverlies en die weerstand in je buik hoort daar niet. Ik wil dat ze in het Groene Hart Ziekenhuis een kijkonderzoek doen. Een coloscopie."

Ik knikte maar wat. Een coloscopie. Je hoort het weleens van oudere ooms op verjaardagen. Een slangetje, een vervelend middeltje om je darmen leeg te spoelen. Meer stelde ik me er niet bij voor. Ik dacht aan een ontsteking. Een darmzweer misschien. Mijn buurman had ooit een poliep gehad, die knipten ze weg en daarna dronk hij gewoon weer bier.

De voorbereiding thuis was een hel. Twee liter van die citroenachtige vloeistof drinken die smaakt naar vloeibaar plastic vermengd met zout. Urenlang op het toilet zitten tot er alleen nog helder water uitkomt. Je voelt je leeg, slap en koud. Anja zette een kop thee voor me neer op de salontafel. Gewone kamillethee. De geur ervan hing zwaar in de woonkamer. Sindsdien kan ik die geur niet meer verdragen. Als ik nu ergens kamillethee ruik, proef ik meteen weer die zoute laxerende troep in mijn keel.

In het ziekenhuis kreeg ik een blauw schort aan dat aan de achterkant openstond. Ze gaven me een roesje via een naald in mijn handrug. Je wordt er doezelig van, maar je slaapt niet echt. Op een groot scherm naast het bed zag ik de binnenkant van mijn eigen lichaam. Roze, glanzende wanden. Bochten. Het leek op een vreemd landschap in een natuurfilm. Tot de slang een hoek om ging.

Daar zat iets wat er niet hoorde. Een knobbelige, bloemkoolachtige massa die het doorgangetje bijna helemaal afsloot. Donkerrood, rauw, met grijze randen. De arts zei niets meer tegen de verpleegkundige. De sfeer in de kamer sloeg in één seconde om. Het lichte gepraat over het weekend viel doodstil.

"Meneer De Ruiter," zei de arts, en zijn stem klonk opeens een stuk lager. "We zien hier een vernauwing. We nemen nu een paar hapjes weefsel af voor onderzoek."

Ik voelde geen pijn van die hapjes, maar ik zag het metalen bekje op het scherm happen in het vlees. Er dwarrelde een klein wolkje bloed door het beeld. Op dat moment wist ik het al. Je hoeft geen dokter te zijn om te zien wanneer iets in je lijf rot is. Ik lag daar in mijn eentje op mijn linkerzij, starend naar mijn eigen kapotte binnenkant, terwijl buiten de ambulances af en aan reden.

Hoofdstuk 2

Een kamer zonder ramen

Drie dagen later zaten we in een spreekkamer op de eerste verdieping van de polikliniek. Een kamer zonder ramen, met systeemplafonds en twee nepplanten in de hoek. Anja zat naast me. Ze hield mijn hand zo stevig vast dat mijn vingers wit wegtrokken. Tussen ons in lag een kladblokje waarop ze vragen had geschreven met een blauwe balpen. Netjes onder elkaar: *Kan het geopereerd worden? Hoelang duurt het? Mag hij blijven werken?*

Dokter Sanders, een oncoloog met kort grijs haar en een donkerblauwe trui onder zijn witte jas, schoof zijn stoel naar voren. Hij draaide er niet omheen. Dat waardeerde ik, al sloeg elk woord in als een dreun met een voorhamer op mijn borst.

"Dennis, het weefselonderzoek laat zien dat het om een adenocarcinoom gaat. Darmkanker. De tumor zit in het laatste deel van de dikke darm en hij is behoorlijk groot. Op de CT-scan hebben we gezien dat er ook een paar lymfeklieren in de buurt verdacht dik zijn. In de lever en de longen zien we op dit moment gelukkig geen duidelijke uitzaaiingen."

Het woord kanker viel. Het bleef in de lucht hangen tussen de tl-buizen en het bureau. Anja liet een zacht snikje horen, heel kort, alsof ze het meteen weer probeerde in te slikken. Ze pakte haar pen, maar ze schreef niets op. De punt van de balpen drukte een klein gaatje in het papier.

"En nu?" vroeg ik. Mijn eigen stem klonk alsof hij van ver kwam, uit een put.

"We gaan een zwaar traject in," zei Sanders rustig. "Eerst chemotherapie om de tumor en de lymfeklieren te laten krimpen. Vier maanden lang. Elke twee weken een kuur. Daarna een operatie om het stuk darm weg te halen. En daarna waarschijnlijk nog een serie kuren om eventuele losse cellen op te ruimen. Het doel is genezing, Dennis. Maar het wordt een zware rit."

Ik keek naar mijn nagels. Ze waren nog zwart van het sleutelen aan de grasmaaier vorig weekend. Ik voelde me kerngezond en tegelijkertijd doodziek. Mijn lichaam deed gewoon wat het moest doen, mijn hart klopte regelmatig, maar vanbinnen groeide iets dat me kapot wilde maken.

"Mijn zoon," zei ik. "Bram. Hij is zestien. Wat zeggen we tegen hem?"

"De waarheid," zei dokter Sanders meteen. "Kinderen voelen het haarfijn aan als je dingen verbergt. Zeg wat het is. Zeg dat de dokters een plan hebben. Meer kun je nu niet doen."

Die middag gingen we naar huis. De rit door Gouda duurde twintig minuten, maar het leek uren te duren. Bij het stoplicht bij de Koningin Wilhelminaweg keek ik naar de mensen op straat. Een vrouw met twee tassen vol boodschappen. Twee jongens op een scooter die elkaar uitlachten. Een man die zijn hond uitliet en bukte om de drol op te rapen. Hun levens gingen gewoon door. Niemand van hen wist dat mijn wereld zojuist in duizend stukken was gevallen. Ik voelde een plotselinge, hete woede opkomen. Waarom zij wel en ik niet? Wat had ik verkeerd gedaan? Ik rookte niet eens. Ik dronk in het weekend twee flesjes pils, meer niet.

Thuis zat Bram aan de keukentafel met zijn laptop voor zich. Hij had een zak tortillachips opengetrokken. De geur van kaaspoeder sloeg me op de adem.

"Hé pap, hé mam," zei hij zonder op te kijken van zijn beeldscherm. "Hoe was het?"

Anja deed haar jas niet eens uit. Ze liep naar de gootsteen en zette de kraan open om een glas water te vullen, maar ze dronk het niet op. Ik ging tegenover Bram zitten. Ik legde mijn hand op zijn laptop en duwde het scherm langzaam naar beneden tot hij me aankeek.

"Bram," zei ik. Mijn keel zat potdicht. "Het is niet goed. Ik heb darmkanker."

Zijn gezicht veranderde niet meteen. Het leek alsof de woorden eerst door een dikke laag isolatie heen moesten. Toen sperden zijn ogen zich open. Hij keek van mij naar Anja, die met haar rug naar ons toe stond te trillen bij het aanrecht.

"Ga je dood?" vroeg hij direct. Zonder omwegen. Zestien jaar oud, een slungel met een beugel en een veel te grote hoodie.

"Dat is niet het plan," zei ik zo stevig als ik kon. "De dokter zegt dat we ervoor gaan vechten. Chemotherapie. Het wordt zwaar, maar ik ga niet zomaar weg."

Bram zei niets meer. Hij schoof zijn stoel naar achteren, stond op en liep de trap op naar zijn slaapkamer. De deur sloeg met een harde klap dicht. Daarna hoorde ik alleen nog het zachte gezoem van de koelkast en Anja die huilde met haar hoofd op haar armen.

Hoofdstuk 3

De smaak van een muntje

Twee weken later meldde ik me om half negen op de afdeling Dagbehandeling Oncologie. Het rook er anders dan op de rest van de verdiepingen. Een mengsel van desinfectiemiddel, warme koffie uit een automaat en een weeïge geur die ik later pas leerde herkennen als de geur van zieke lichamen die gif uitscheiden.

De week ervoor hadden ze onder een plaatselijke verdoving een poortkatheter onder mijn sleutelbeen geplaatst. Een klein rond kastje onder mijn huid, verbonden met een slangetje dat rechtstreeks naar een groot bloedvat bij mijn hart liep. Het voelde als een dikke bult, een knikker van plastic en titanium onder mijn vel. Als ik eroverheen wreef, deed het zeer.

Ik werd toegewezen aan een luie leren stoel bij het raam. Naast me zat een oudere vrouw met een wollen mutsje op haar kale hoofd. Ze las een damesblad en had een dekentje over haar knieën. Ze keek even op toen ik ging zitten, glimlachte vriendelijk en zei: "Eerste keer?"

"Eerste keer," zei ik.

"Gewoon over je heen laten komen," zei ze zacht. "En veel water drinken. Anders blijft die troep te lang in je nieren hangen."

De verpleegkundige heette Mirjam. Ze had blonde haren in een staart en stevige, warme handen. Ze controleerde mijn geboortedatum, mijn polsbandje en de stickers op de infuuszakken. Alles werd dubbel gecheckt door een tweede verpleegkundige. Alsof ze een bom aan het klaarmaken waren. In zekere zin was dat ook zo.

"Even een prikje, Dennis," waarschuwde Mirjam. Ze zette een dikke naald met een slangetje eraan recht in de bult onder mijn sleutelbeen. Ik voelde een harde, doffe steek die doortrok naar mijn schouderblad. "Goed zo. Hij zit. We spoelen eerst door met zoutoplossing."

Het infuusapparaat begon te piepen. Een regelmatig, mechanisch geluid. Eerst kreeg ik medicijnen tegen de misselijkheid en een stoot dexamethason. Binnen tien minuten voelde ik me gloeien. Mijn wangen werden heet en mijn hartslag ging omhoog alsof ik net de trap op was gerend.

Daarna kwam de oxaliplatine. Een heldere vloeistof in een plastic zak die aan de roestvrijstalen paal hing. Mirjam sloot de lijn aan. Zodra de vloeistof mijn bloedbaan instroomde, gebeurde er iets raars. Ik kreeg een vieze smaak achter op mijn tong. Alsof ik op een oud muntje van vijf cent zat te kauwen. Een scherpe, ijzerachtige smaak die niet wegging met een slok water.

"Voel je al tintelingen?" vroeg Mirjam terwijl ze de stand van het wieltje controleerde.

"Nee," zei ik. "Alleen die metaalsmaak."

"Let straks goed op met kou," zei ze streng. "Geen koude dranken drinken. Geen dingen uit de koelkast pakken zonder handschoenen. Oxaliplatine tast je zenuwuiteinden aan. Kou voelt alsof je glasscherven aanraakt."

Ik knikte, maar ik geloofde het niet echt. Hoe kon een vloeistof in je aderen ervoor zorgen dat kou anders voelde? Ik kwam er twee uur later achter toen ik naar het toilet liep om mijn handen te wassen. Uit gewoonte draaide ik de koude kraan open en stak mijn handen onder de straal.

Ik trok ze met een ruk terug en liet bijna een schreeuw horen. Het was geen kou. Het voelde alsof er duizend hete naalden tegelijk diep in mijn vingertoppen werden geramd. Mijn vingers verkrampten meteen tot klauwen. Ik kon ze niet meer strekken. Ik stond bij de wastafel te hijgen van de schrik, terwijl mijn vingers wit en gevoelloos werden.

Toen ik terugliep naar mijn stoel, probeerde ik te ademen door mijn neus. Maar zelfs de lucht in de gang, die iets frisser was dan in de kamer, deed zeer aan de achterkant van mijn keel. Het voelde alsof mijn luchtpijp dichtklapte, alsof iemand een handvol gemalen glas in mijn keel had gestrooid. Spasmen. Koudespreeuwen, noemen ze dat.

Om drie uur 's middags was de zak leeg. Maar ik was nog niet klaar. Mirjam kwam aanzetten met een klein wit pompje in een zwart schoudertasje. Het leek op een ouderwetse walkman. Het pompje zat met een dun slangetje vast aan mijn poortkatheter.

"Dit is de 5-FU kuur," zei ze terwijl ze het tasje om mijn schouder hing. "Die loopt de komende zesenveertig uur langzaam door. Het pompje doet het werk. Vrijdagmiddag mag je terugkomen om hem af te laten koppelen. Rustig aan doen thuis, Dennis."

Ik liep naar de uitgang van het ziekenhuis. Anja stond op de parkeerplaats te wachten in onze oude Opel Astra. Ik had een dikke sjaal voor mijn mond getrokken, want buiten was het november en waaide er een gure noordoostenwind. Elke ademteug voelde als schuurpapier in mijn borst. In de auto zette ik de verwarming op de hoogste stand. Het tasje met het pompje drukte zwaar tegen mijn ribben. Elke halve minuut gaf het apparaatje een zacht, zoemend klikje. *Tzzzt-tik.* Het geluid van gif dat centimeter voor centimeter mijn lijf in werd gepompt.

Hoofdstuk 4

Zwart gat op de bank

De eerste kuur ging nog wel. Ik voelde me een paar dagen beroerd, maar na een week kon ik weer een rondje lopen door de wijk. Ik dacht dat ik het ergste wel had gehad. Ik dacht: als dit het is, dan trek ik die vier maanden wel.

Wat was ik naïef.

Bij kuur zes, vlak na de jaarwisseling, stortte het kaartenhuis in elkaar. De vermoeidheid die chemo veroorzaakt is niet te vergelijken met gewone moeheid na een lange werkdag. Na een dienst van tien uur op de bus plofte ik vroeger weleens op de bank, en na een bord stamppot en een nacht slapen was ik weer de oude. Dit was iets heel anders. Dit was een loodzware, giftige deken die over je hersenen en je spieren wordt gelegd. Een uitputting die tot in het diepste van je botten zit.

Ik kon niet meer van de bank af komen. Mijn lichaam voelde aan alsof het driehonderd kilo woog. Zelfs het omdraaien van mijn kussen kostte een krachtsinspanning waar ik een kwartier van moest bijkomen. Mijn huid was asgrauw geworden en schilferde af rond mijn neus en wenkbrauwen. Mijn haar viel niet helemaal uit, maar het werd dun, futloos en brak af bij de wortel.

En dan de misselijkheid. Het was geen overgeven waarbij je na afloop opgelucht ademhaalt. Het was een constante, zeurende walging die in je keelholte bleef hangen. Het eten smaakte naar nat karton vermengd met ammoniak. Anja deed haar uiterste best. Ze kookte lichte kippensoep, ze kocht dure toetjes met extra eiwitten, ze sneed partjes appel voor me. Zodra ze met een bordje de woonkamer binnenkwam, draaide mijn maag zich om. De geur van warm eten maakte me agressief van ellende.

"Dennis, je moet wat eten," zei ze op een donderdagmiddag. Ze zette een kommetje vla voor me neer. "Je bent al zes kilo kwijt. Als je zo doorgaat, staken ze de volgende kuur."

"Haal dat weg," zei ik schor. Ik had mijn ogen dicht. Zelfs het daglicht deed pijn aan mijn ogen.

"Alsjeblieft, een paar happen maar. Voor mij."

"Ik zeg: haal dat rotspul weg!" schreeuwde ik opeens. Mijn stem sloeg over. Het was geen stem van een volwassen man, het klonk als een verwend kind dat zijn zin niet kreeg. Ik maaide met mijn arm naar de salontafel. De lepel kletterde op het laminaat en een klodder gele vla spatte tegen de poot van de tv-kast.

Anja zei niets. Ze zuchtte niet eens. Ze bukte, pakte de lepel op en veegde met een stuk keukenrol de vla van het hout. Haar schouders hingen slap naar beneden. Ze zag er net zo uitgeput uit als ik. Ze werkte halve dagen bij de bakker, deed het hele huishouden, regelde mijn medicijnen, hield de familie op de hoogte en moest toezien hoe haar man veranderde in een humeurig, stinkend lijk op de bank. Want dat was het: ik stonk. Mijn zweet rook chemisch, naar verbrand plastic en verrot koper.

Even later kwam Bram de kamer binnen. Hij had een beker thee in zijn handen. Hij had wanten aangedaan om de warme beker vast te houden, want hij wist inmiddels dat ik geen warmte of kou kon verdragen aan mijn vingers zonder handschoenen. Hij zette de thee voorzichtig op een bierviltje aan de andere kant van de tafel.

"Hier, pap," zei hij zacht. "Zonder suiker. Gewoon lauw water met een beetje honing."

Ik keek naar die jongen. Hij had kringen onder zijn ogen. Zijn cijfers op school waren gekelderd; dat had zijn mentor vorige week aan Anja laten weten. Hij sprak nauwelijks meer met zijn vrienden af. Hij kwam uit school meteen naar huis om te kijken of ik nog ademde op die bank.

Ik wilde iets aardigs zeggen. Ik wilde zeggen: *Dank je wel, jongen, het spijt me van zonet.* Maar het lukte me niet. Er kwam alleen een vaag geknor uit mijn keel. Ik draaide mijn gezicht naar de muur. Ik voelde me geen vader meer. Ik voelde me geen echtgenoot meer. Ik was een sta-in-de-weg geworden. Een last die verzorgd moest worden. Een zak botten die alleen nog maar klaagde en medicijnen slikte.

Die nacht lag ik wakker. Mijn darmen waren een slagveld. Krampen trokken in golven door mijn buik. De poortkatheter stak in mijn vlees alsof het ding wilde ontsnappen. Ik dacht aan de bus. Aan de vroege ochtenden wanneer de stad nog sliep, de dauw op de weilanden langs Goverwelle, het vertrouwde getik van de richtingaanwijzer. Het voelde als een vorig leven. Een leven van iemand anders. Ik dacht voor het eerst heel helder: *Als dit nog maanden moet duren, hoeft het van mij niet meer. Laat het maar klaar zijn.* Het was geen dramatische gedachte. Het was puur praktisch. Ik was gewoon op.

Hoofdstuk 5

Het kleine flesje

Vrijdagnacht, halverwege januari, ging het helemaal mis. Ik had net kuur zeven achter de rug. Het pompje zat nog aangesloten in het zwarte tasje naast mijn kussen. Om twee uur 's nachts werd ik wakker met klapperende tanden. Mijn hele lijf schudde zo hard dat het bed kraakte.

"Dennis?" Anja deed het schemerlampje aan. Haar ogen stonden meteen wijd open van schrik.

Ik kon niet praten. Mijn kaken sloegen op elkaar als twee stukken hardhout. Mijn tanden deden er zeer van. Ik had het ijskoud, hoewel ik onder twee dekbedden lag met een trainingspak aan. Anja pakte de koortsthermometer uit het nachtkastje en drukte hem in mijn oor. Het apparaatje gaf drie schelle piepjes.

"Negenendertig punt acht," zei ze. De paniek sloeg over in haar stem.

De instructies van het ziekenhuis waren glashelder geweest: bij koorts boven de achtendertig en een halve graad direct bellen, dag en nacht. Tijdens de chemokuur worden je witte bloedcellen afgebroken. Neutropenie heet dat. Als je dan een infectie oploopt, heb je binnen een paar uur een bloedvergiftiging. Dan kan het zomaar afgelopen zijn.

Anja belde de spoedlijn van oncologie. Ik hoorde haar praten in de gang, snel en hakkelend. Tien minuten later reden we weer over de stille singels van Gouda. De stad lag er verlaten bij onder een laag vieze nattigheid. Ik zat ineengedoken op de bijrijdersstoel, rillend van de kou, met het pompje bungelend op mijn schoot.

Bij de Spoedeisende Hulp stonden ze al klaar. Een arts-assistent met rode vlekken in zijn nek van de vermoeidheid en twee verpleegkundigen tilden me op een bed. Ze trokken mijn kleren uit en legden een warme deken over me heen die rechtstreeks uit een verwarmingskast kwam. Die warmte deed bijna pijn aan mijn zenuwen, maar het rillen werd minder.

"We gaan bloedkweken afnemen," zei de arts. "En we moeten direct met breedspectrum-antibiotica starten via het infuus."

Er werd bloed afgetapt uit mijn arm en uit de poortkatheter. Vier glazen flesjes, twee met een grijze dop en twee met een paarse dop. De verpleegkundige sloot een zware zak vloeistof aan op een tweede infuuslijn. Ik voelde de koude vloeistof weer stromen, vechtend tegen de hitte van de koorts in mijn hoofd.

Om vier uur 's ochtends lag ik op een isolatiekamer op de derde verdieping. Anja zat op een harde stoel naast het bed. Haar jas had ze aangehouden. Ze hield mijn hand vast. Haar hand was warm en droog, de mijne klam en koud.

"De poortkatheter is ontstoken," fluisterde ze. De arts had het haar net verteld op de gang. "Er zit een bacterie bij het reservoir. Daarom heb je die hoge koorts."

"Moet hij eruit?" vroeg ik zacht.

"Waarschijnlijk wel," knikte ze. Haar ogen waren rood van het huilen en het slaapgebrek. "Morgen gaan ze kijken."

Ik staarde naar het plafond. Een vierkant rooster van een ventilatieschacht zoemde zachtjes. Ik dacht aan dat kleine kastje onder mijn vel. Zelfs het apparaat dat me moest redden, probeerde me nu ziek te maken. Mijn lichaam accepteerde niets meer. Geen voedsel, geen medicijnen, geen hulpstukken. Alles werd afgestoten.

"An," zei ik.

"Ja?"

"Ik weet niet of ik die operatie straks nog wel aankan. Als die kuren me al zo slopen."

Ze kneep in mijn vingers. Hard. Zó hard dat het pijn deed aan mijn overgevoelige zenuwen, maar ik trok mijn hand niet terug. Ze boog zich voorover tot haar gezicht vlak bij het mijne was. Ik rook de pepermunt die ze had genomen om wakker te blijven.

"Luister naar me, Dennis," zei ze fel, feller dan ik haar in jaren had gehoord. "Je gaat niet opgeven. We zijn al over de helft van die kuren. Bram zit thuis op zijn kamer te wachten tot je beter wordt. Ik sta elke dag brood te snijden en te hopen dat je weer naast me op de bank zit. Je bent ziek, doodziek, maar je bent er nog. En morgen ben je er ook nog. We nemen het dag voor dag. Hoor je me? Dag voor dag. Niet verder kijken dan vanavond."

Ik keek in haar ogen. Ze was doodsbang. Dat zag ik heel duidelijk. Maar achter die angst zat een taaie, onverzettelijke kracht die ik zelf al weken kwijt was. Ik had geen hoop meer over, maar zij had genoeg hoop voor ons allebei.

"Oké," zei ik. Het was het enige wat ik kon uitbrengen.

"Oké," herhaalde ze zachter. Ze liet mijn hand los en streek een pluk haar uit mijn gezicht. Het infuus tikte door. Buiten begon de lucht boven Gouda heel langzaam van zwart naar donkergrijs te verkleuren.

Hoofdstuk 6

De brug over de IJssel

De poortkatheter moest eruit. Twee dagen na de koortsaanval lag ik weer op de operatiekamer. Dezelfde steriele geur, dezelfde felle lampen. Onder een plaatselijke verdoving sneden ze het titanium kastje weg en maakten ze de wond schoon. De chemokuren werden twee weken stilgelegd om mijn lichaam de kans te geven de bacterie op te ruimen met zware antibiotica.

Die twee weken zonder chemo waren een openbaring. Het gif zakte langzaam weg uit mijn spieren. De metaalsmaak verdween van mijn tong. De constante walging nam af. Op een dinsdagochtend in februari vroeg ik zowaar om een boterham met oude kaas. Anja keek me aan alsof ik een wonder had verricht. Ze smeerde de boterham met trillende handen.

"Wil je mee naar buiten?" vroeg ze toen het bordje leeg was.

"Naar buiten? Het vriest bijna."

"Dikke jas aan. Handschoenen aan. Muts op. We gaan niet ver. Gewoon naar de hoek van de straat en terug."

Ik aarzelde. Mijn benen voelden aan als twee slappe elastiekjes. Maar de drang om de woonkamer te verlaten, die kamer die maandenlang mijn gevangenis was geweest, won het van de angst. Ik hees me in mijn winterjas, trok twee paar sokken aan en bond mijn werkschoenen dicht. Bram hielp me met de rits; mijn vingers weigerden nog steeds fijne bewegingen te maken.

We stapten naar buiten. De koude buitenlucht sloeg tegen mijn gezicht als een natte lap. Mijn keel krampte even samen door de kou, maar met mijn wollen sjaal over mijn mond ging het. De stoep was droog. De lucht was strakblauw en er scheen een bleek winterzonnetje.

We liepen langzaam. Heel langzaam. Stap voor stap, alsof ik opnieuw moest leren lopen na een zwaar ongeluk. Anja hield mijn arm vast. Na vijftig meter brandden mijn kuiten al en sloeg mijn ademhaling op hol. Maar we liepen door, voorbij het speelpleintje waar twee peuters op de schommel zaten, door naar de brug over de singel.

Op de brug bleven we staan. Ik leunde met mijn borst tegen de gietijzeren leuning om op adem te komen. Beneden ons stroomde het donkere water rustig voort. Twee eenden doken met hun kop onder water, op zoek naar eten.

"Kijk," zei Anja en ze wees naar de overkant.

Over de weg reed bus 1. Mijn bus. Achter het stuur zat Mo, een collega met wie ik jarenlang dezelfde diensten had gedraaid. Ik zag zijn vertrouwde silhouet, zijn hand die zwaaide naar een passerende fietser. De bus minderde vaart voor de halte, de deuren sisten open, lieten drie mensen uitstappen en sloten weer met een doffe klap. Daarna trok de grote dieselmotor op met een vertrouwd, donker gebrom en verdween de bus om de hoek van de straat.

Ik voelde een brok in mijn keel, maar het was deze keer geen verdriet. Het was een vreemd soort verlangen. De wereld draaide gewoon door zonder mij, dat was waar. De bussen bleven rijden, de mensen bleven naar hun werk gaan. Maar ik stond hier nog. Ik keek ernaar. Ik was niet verdwenen.

"Dokter Sanders heeft gisteren gebeld over de tussentijdse scan," zei Anja zacht, terwijl ze naast me naar het water keek.

Ik hield mijn adem in. We hadden de scan gehad vlak voor de koorts uitbrak. Ik had er bewust niet naar durven vragen.

"En?"

"De tumor is meer dan veertig procent gekrompen, Dennis. En de lymfeklieren zijn nauwelijks meer te zien. De chemo doet zijn werk."

Ik liet mijn hoofd zakken. Er rolden twee hete tranen over mijn wangen, die meteen ijskoud werden in de snijdende wind. Veertig procent. Het was geen garantie. Het was geen stempel 'genezen'. De operatie moest nog komen, en daarna nog meer kuren via een infuus in mijn arm. Er kon nog van alles misgaan. Maar die verrotte bloemkool in mijn buik was aan het verliezen. Het gif dat me kapotmaakte, maakte hem nog harder kapot.

"We moeten terug," zei ik na een paar minuten. Mijn benen begonnen gevaarlijk te trillen van de kou en de inspanning.

"Is goed," zei ze.

We draaiden ons om en liepen die tweehonderd meter terug naar ons huis. Elke stap deed zeer. Mijn tenen tintelden van de zenuwpijn. Maar ik liep zelf. Zonder rolstoel, zonder hulp van vreemden, leunend op de arm van mijn vrouw.

Hoofdstuk 7

Nummer twaalf

Het is nu begin mei. De bomen in onze straat staan vol in het jonge, felgroene blad. Buiten fluiten de merels alsof hun leven ervan afhangt.

Ik zit aan de keukentafel met een kop koffie. Gewone zwarte koffie. Hij smaakt nog steeds een beetje bitterder dan vroeger, een bijwerking die maar langzaam wegslijt, maar ik kan hem drinken. Mijn haar begint terug te groeien; een vreemd, borstelig soort dons dat grijs is in plaats van het donkerbruin dat ik vroeger had. Anja zegt dat het me deftig staat. Ik moet erom lachen.

De operatie is achter de rug. Zes weken geleden hebben ze dertig centimeter van mijn dikke darm weggehaald in het Groene Hart Ziekenhuis. Zeven dagen heb ik gelegen met slangen in mijn neus, een blaaskatheter en een wond op mijn buik die van mijn navel tot aan mijn schaambeen loopt. Een ritssluiting van dertig nietjes. Ik heb geen stoma gekregen; de chirurg wist de uiteinden weer netjes aan elkaar te hechten. Een geluk bij een ongeluk.

Toen de uitslag van het weefsel kwam, bleek dat de snijvlakken schoon waren. Geen kankercellen meer te zien in de randen. Maar Sanders wilde geen risico nemen. Drie kuren nog. Om de laatste microscopische restjes op te ruimen. "Dweilen met de kraan dicht, Dennis," noemde hij het.

En daarom zit ik hier vanavond.

Morgenochtend om acht uur moet ik me weer melden op de dagbehandeling. Voor kuur nummer twaalf. De allerlaatste.

Mijn tas staat al klaar in de gang. Een fles water, een warm vest, een boek dat ik waarschijnlijk toch niet ga lezen en een paar dikke sokken. Omdat de poortkatheter eruit is, moeten ze morgen weer een ouderwets infuus in mijn arm prikken. Mijn aderen zijn door de eerdere kuren hard en broos geworden. Vorige keer moesten ze drie keer prikken voordat ze een goeie ader vonden die niet meteen openknapte. Het deed verdomde zeer. Maar het kan me niet meer schelen. Eén dag pijn voor de laatste ronde.

Ik kijk naar mijn handen op het tafelblad. De toppen van mijn duimen en wijsvingers zijn nog steeds gevoelloos. Neuropathie. De neuroloog heeft gezegd dat het misschien nooit meer helemaal weggaat. Fijn gereedschap hanteren is lastig. Als ik een schroefje moet indraaien, glijdt het tussen mijn vingers vandaan omdat ik niet goed voel hoeveel kracht ik zet. Grote kans dat ik niet meer fulltime op de bus kan rijden. Misschien parttime. Misschien een andere functie op de stalling, planner of kaartcontroleur. We zien het wel. Het maakt me vreemd genoeg niet meer uit. Zes maanden geleden dacht ik dat mijn werk mijn identiteit was. Nu ben ik al blij dat ik zelf de trap op kan lopen zonder halverwege te moeten gaan zitten.

Bram komt de keuken in lopen. Hij heeft zijn sporttas over zijn schouder gegooid; hij gaat trainen bij de plaatselijke voetbalclub. Hij ziet er weer goed uit. De kringen onder zijn ogen zijn verdwenen. Hij stopt even bij de tafel, legt zijn grote puberhand op mijn schouder en schudt me zachtjes heen en weer.

"Morgen de laatste, ouwe?" vraagt hij.

"Morgen de laatste," zeg ik.

"Mooi zo. Zorg dat je op tijd thuis bent voor het avondeten. Ik maak macaroni."

"Als jij kookt, kom ik zeker," grijns ik. Hij lacht kort, geeft me een stompje tegen mijn bovenarm en loopt de deur uit. Even later hoor ik hem buiten zijn fiets van het slot halen en wegscheuren over het grind.

Anja staat bij het fornuis de afwas te doen. Ik kijk naar haar rug, naar de manier waarop ze de pannen afdroogt met een theedoek. We hebben overleefd. Maar we zijn niet meer dezelfde mensen als voor die dinsdag in oktober. Er zit een scheur in ons leven gekomen. Een barst die wel gelijmd is, maar altijd zichtbaar zal blijven. Elke keer als ik straks buikpijn heb, elke keer als ik een controle-scan moet laten maken, zal die verlammende angst weer even om de hoek komen kijken. Scan-angst. Iedere kankerpatiënt kent het. Je wordt nooit meer helemaal zorgeloos.

Ik drink mijn koffie op. De laatste slok is koud geworden.

Morgenochtend gaat de wekker om kwart over zes. Dan stap ik onder de douche, trek ik mijn kleren aan en rijden we weer naar dat gebouw met de draaideuren en de geur van desinfectiemiddel. Ik zie op tegen de metaalsmaak. Ik zie op tegen de drie dagen op de bank die daarna gaan komen, het rillen en de giftige deken over mijn hoofd.

Maar het is de laatste. Morgen weer een behandeling. En daarna begint de rest.