Naar de inhoud
Terug naar het boek

Psychische gezondheid

Mijn therapeut heette Ellen

Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.

Hoofdstuk 1

Mijn therapeut heette Ellen

Toen de deuren van de metro sloten, wist ik zeker dat ik doodging.

Ik stond tussen Beurs en Leuvehaven. Mijn rechterhand zat om de stang geklemd. In mijn linkerhand hield ik een tas met een broodje kaas dat ik niet had opgegeten. Mijn hart sloeg zo hard dat ik naar mijn borst keek. Alsof iemand anders het ook kon zien.

‘Gaat het?’ vroeg een vrouw met een kinderwagen.

Ik wilde zeggen dat ze opzij moest. Dat er geen lucht was. Er kwam alleen een droog kuchje uit mijn mond.

Bij Leuvehaven stapte ik uit. Ik ging op de grond zitten, naast een prullenbak. Mijn tas viel om. Het broodje schoof tot onder een bankje.

Een medewerker van de RET hurkte voor me.

‘Hoe heet je?’

‘Noor.’

‘Noor, ik ben Aziz. Heb je pijn?’

Ik knikte naar mijn borst.

Hij belde hulp. Ik hoorde hem mijn leeftijd vragen. Vierendertig. Daarna mijn achternaam. Van Dijk. Het klonk alsof we gegevens verzamelden over iemand die verderop lag.

In de ambulance kreeg ik plakkers op mijn borst. De verpleegkundige stelde vragen. Of ik medicijnen gebruikte. Of ik drugs had genomen. Of dit eerder was gebeurd.

‘Niet zo,’ zei ik.

Dat was een zorgvuldig antwoord. De weken ervoor had ik vaak op het toilet van mijn werk gezeten met mijn hoofd tussen mijn knieën. Maar dan ging ik na tien minuten terug. Niemand had een ambulance gezien. Dus telde het niet.

In het ziekenhuis vonden ze geen aanwijzingen voor een acuut hartprobleem. De arts besprak mijn klachten en zei dat het op een paniekaanval leek. Ik moest een afspraak maken met mijn huisarts. Bij nieuwe of andere heftige klachten moest ik opnieuw hulp zoeken.

‘Dus ik heb dit zelf gedaan?’ vroeg ik.

‘Dat zeg ik niet.’

Ik schaamde me voor de plakkers. Voor de ambulance. Vooral voor mijn opluchting toen mijn broer kwam.

Daan woonde in Vlaardingen en werkte in een garage. Er zat een donkere streep onder zijn duimnagel. Hij had zijn jas over zijn werkkleding aangetrokken.

‘Je had ook gewoon kunnen bellen als je een lift nodig had,’ zei hij.

Ik lachte. Daarna begon ik te huilen. Hard en zonder waarschuwing.

Hij zette zijn tas op de grond en ging naast me zitten.

Thuis, in mijn flat in Schiedam, controleerde ik het gas. Daarna de voordeur. Daarna opnieuw het gas. Daan stond in de keuken en keek toe.

‘Heb je iets geroken?’

‘Nee.’

‘Waarom kijk je dan steeds?’

‘Omdat ik niet meer weet of ik gekeken heb.’

Hij zei niets. Dat was erger dan een vraag.

Op tafel lagen drie ongeopende brieven. De plantenbak op de vensterbank was leeg. Mijn moeder had de dode planten twee maanden eerder meegenomen. Ik had de aarde laten liggen.

Ik werkte op de klantenservice van een woningcorporatie in Rotterdam. Acht uur per dag hoorde ik over lekkages, schimmel en deuren die niet sloten. Ik wist precies wat ik moest zeggen tegen iemand die in paniek was. Zelf sliep ik hooguit vier uur. Ik at boven het aanrecht. Onder de douche bedacht ik welke fouten ik die dag had gemaakt.

Dat vertelde ik Daan niet allemaal. Ik zei dat het druk was.

Hij pakte een stoel.

‘Hoe lang al?’

‘Een tijdje.’

‘Noor.’

‘Sinds papa. Misschien daarvoor ook.’

Onze vader was anderhalf jaar eerder overleden. Ik had zijn afspraken geregeld. Zijn medicijnen opgehaald. Zijn steunkousen gewassen. Na de uitvaart was ik op maandag weer gaan werken. Op woensdag had mijn leidinggevende gezegd dat ik sterk was.

Ik had die zin aangenomen alsof het een opdracht was.

Daan bleef tot ik de huisarts had gebeld. De assistente vroeg of ik de volgende ochtend kon komen.

‘Ik moet werken,’ zei ik.

Daan keek naar de drie brieven.

‘Nee,’ zei ik toen. ‘Ja. Ik kan komen.’

Er volgden gesprekken met de huisarts en de praktijkondersteuner. Een verwijzing. Een wachtlijst. Weken waarin ik alleen naar buiten ging als iemand meeging. Ik meldde me ziek. Mijn leidinggevende stuurde een kaart met vijf handtekeningen en een verkeerde spelling van mijn naam.

Toen de behandelpraktijk belde, schreef ik alles op de achterkant van die kaart.

Dinsdag. Tien uur. Westblaak.

Mijn therapeut heette Ellen.

Hoofdstuk 2

De stoel bij de deur

Ellen had geen zachte stem. Dat viel me meteen op.

‘Je bent vroeg,’ zei ze.

‘De metro kon vertraging hebben.’

Ik was met Daan gekomen. In zijn auto. We hadden twintig minuten om het gebouw gelopen omdat ik niet te vroeg naar binnen wilde.

Ellen wees naar twee stoelen. Ik koos de stoel bij de deur. Vanaf daar kon ik de klink zien.

Ze was ergens in de vijftig. Kort grijs haar. Een blauwe trui met een los draadje bij de pols. Op haar bureau stond een mok met opgedroogde koffie aan de rand. Ik vond die rand prettig. Er was tenminste iets niet netjes.

‘Wat moet ik vandaag beslist van je weten?’ vroeg ze.

Ik begon over de metro. Ik vertelde het verhaal zoals ik het inmiddels aan zes mensen had verteld. De stang. Mijn hart. Aziz. De ambulance.

Ellen luisterde. Daarna vroeg ze:

‘En wat vertel je liever niet?’

Ik keek naar de klok.

‘Dat ik soms hoop dat ik niet wakker word.’

De woorden waren eruit voordat ik ze kon herstellen.

Ze schoof niet achteruit. Ze zei ook niet dat ik zo veel had om voor te leven. Ze vroeg hoe vaak ik dat dacht. Of ik dacht aan zelfdoding. Of ik plannen had gemaakt. Of ik op dat moment veilig was.

Ik antwoordde zo precies mogelijk. Ik wilde niet dood, zei ik. Ik wilde geen volgende dag hoeven doen. Ik had geen plan. Wel schrok ik van hoe vaak die gedachte opluchting gaf.

Samen maakten we afspraken voor als dat veranderde. Wie ik kon bellen. Wanneer de huisarts of huisartsenpost nodig was. Daan mocht erbij betrokken worden, als ik daarmee instemde.

‘Je krijgt geen straf voor een eerlijk antwoord,’ zei Ellen.

Ik begon te huilen omdat ik blijkbaar straf had verwacht.

De eerste gesprekken waren geen grote onthulling. Het was vooral uitzoeken. Slaap. Werk. Eten. Mijn angst om alleen te reizen. Het controleren van sloten. De dagen waarop ik mijn tanden niet poetste omdat zelfs dat als een taak voelde.

Ellen sprak over paniekklachten en depressieve klachten. Ze wilde eerst beter begrijpen hoe alles samenhing. Ik wilde liever één woord en één oplossing.

‘Hoe lang duurt dit?’ vroeg ik.

‘Dat weet ik nog niet.’

‘Maanden?’

‘Misschien. Mogelijk langer.’

Ik vond haar op dat moment een slechte therapeut.

Tijdens het derde gesprek vroeg ze naar mijn vader.

‘Hij had longkanker.’

‘Hoe was hij vóór hij ziek werd?’

‘Hij repareerde fietsen.’

‘Dat is wat hij deed.’

Ik trok aan de zoom van mijn trui.

Mijn vader kon grappig zijn. Hij maakte pannenkoeken zo dun dat je de pan erdoorheen zag. Hij kon ook ineens zwijgen. Dagenlang. Als mijn moeder geld had uitgegeven. Als Daan te laat kwam. Als ik een verkeerd antwoord gaf.

Als kind luisterde ik bij de voordeur naar zijn voetstappen. Dan wist ik of ik mijn huiswerk beneden kon maken of beter naar boven kon gaan.

‘Maar hij sloeg ons niet,’ zei ik snel.

‘Dat vroeg ik niet.’

Ik werd boos. Niet luid. Ik ging rechtop zitten en legde uit hoeveel pijn hij aan het einde had gehad. Hoe bang hij was geweest. Hoe ik als enige zijn medicijnschema begreep.

Ellen onderbrak me niet.

‘Je hoeft mij niet te overtuigen dat je van hem hield,’ zei ze daarna.

Die middag liep ik naar de halte en bleef daar staan. Er kwamen drie trams voorbij. Ik stapte nergens in.

Mijn telefoon trilde. Daan.

‘Klaar?’

‘Ze denkt dat papa een slechte vader was.’

‘Heeft ze dat gezegd?’

‘Niet letterlijk.’

Aan de andere kant hoorde ik een luchtsleutel ratelen.

‘Hij kon moeilijk zijn, Noor.’

‘Jij was er nooit.’

Het werd stil.

Daar was de zin. Die had al anderhalf jaar achter mijn tanden gezeten.

‘Nee,’ zei Daan. ‘Ik was er vaak niet.’

Ik wilde dat hij zich verdedigde. Dan kon ik ophangen.

‘Ik kom je halen,’ zei hij.

‘Ik wil alleen zijn.’

‘Goed. Laat weten wanneer je thuis bent.’

Die avond schreef ik Ellen een bericht dat ik wilde stoppen. Ik las het zeven keer. Daarna liet ik het als concept staan.

De volgende dinsdag zat ik weer bij de deur.

‘Ik was kwaad op je,’ zei ik.

Ellen legde haar pen neer.

‘Vertel.’

Hoofdstuk 3

Eén halte

Ik had verwacht dat Ellen zou uitleggen waarom ik ongelijk had. In plaats daarvan vroeg ze wat ze precies had gezegd en wat ik daarin had gehoord.

‘Dat ik mijn vader moest afvallen om beter te worden.’

‘Dat hoef je niet.’

‘Zo voelde het wel.’

‘Dan moeten we daar langer bij blijven.’

Dat irriteerde me. Overal langer bij blijven. Ik wilde juist ergens vanaf.

Toch bleef ik zitten. Ik vertelde over de laatste nacht van mijn vader. Ik had naast zijn bed geslapen, op een stoel met houten armleuningen. Om vijf uur was ik naar huis gegaan om te douchen. Om kwart over zes belde de verpleegkundige.

‘Ik had moeten blijven,’ zei ik.

Ellen vroeg wat de artsen die nacht hadden verwacht. Of iemand had gezegd dat zijn dood nabij was. Wat ik tegen Daan zou zeggen als hij degene was geweest die naar huis ging.

Ik kende de antwoorden. Ik geloofde ze alleen niet.

We kwamen erop terug. Niet één keer. Vaak. Soms wilde ik erover praten. Soms bespraken we alleen waarom ik die week geen boodschappen had gedaan.

Er kwam ook een plan voor de paniek. Ellen tekende op een vel hoe ik een lichamelijke sensatie opmerkte, daar gevaar in zag en vervolgens nog meer voelde. Het leek beledigend eenvoudig voor iets dat mijn leven had stilgezet.

‘Dus een rondje op papier moet mijn hart overtuigen?’ vroeg ik.

‘Nee. Je gaat ervaringen opdoen. Klein beginnen.’

Mijn eerste opdracht was niet reizen. Ik moest naar metrostation Parkweg lopen en tien minuten op het perron blijven. Niet wachten tot ik kalm was. Alleen blijven tot de afgesproken tijd voorbij was.

Ik ging op donderdag om elf uur.

Bij de ingang draaide ik om.

Vrijdag kwam ik tot de poortjes.

Maandag stond ik op het perron. Ik hield mijn telefoon zo stevig vast dat mijn vingers pijn deden. Er hing een reclame voor een keuken. Een man naast me at druiven uit een plastic bakje. Elke keer als hij kauwde, wilde ik tegen hem zeggen dat er iets vreselijks gebeurde.

Na tien minuten ging ik naar huis.

Ik was niet rustig geworden. Ik was woedend. Mijn hele shirt was nat.

‘En toch heb je gedaan wat je had afgesproken,’ zei Ellen.

‘Het voelde niet als winst.’

‘Dat hoeft ook niet meteen.’

Twee weken later reisde Daan één halte met me mee. We hadden afgesproken dat hij niet steeds zou vragen hoe het ging. Halverwege begon hij over een klant die ruitenwisservloeistof in het verkeerde reservoir had gegoten.

‘Hou even je mond,’ zei ik.

Hij knikte.

Bij Schiedam Centrum stapten we uit. Ik moest tegen een muur leunen. Daan bleef een paar meter verderop staan.

‘Je mag wel dichterbij komen,’ zei ik.

‘Ik probeer het goed te doen.’

‘Dat weet ik.’

We dronken koffie uit kartonnen bekers. Toen zei hij dat hij ook iets moest vertellen.

Hij had onze vader soms expres niet opgenomen.

‘Omdat hij meteen begon over alles wat ik verkeerd deed,’ zei Daan. ‘Ik wist dat jij wel zou gaan.’

Ik keek naar de treinen achter het raam.

‘Dat was makkelijk voor je.’

‘Ja.’

Zijn antwoord haalde niets weg. Maar ik hoefde voor het eerst niet te bewijzen dat het zwaar was geweest.

Thuis probeerde ik mijn voordeur maar één keer te controleren. Dat lukte niet. Ik liep terug vanaf de trap, vanaf de galerij, één keer zelfs vanaf de straat. Ellen vroeg me bij te houden wanneer het gebeurde. Niet om mezelf te betrappen. Om te zien wat eraan voorafging.

Vaak waren het berichten van mijn werk.

Mijn leidinggevende, Rick, vroeg wanneer ik weer kwam. Of ik een overdrachtsdocument kon maken. Of ik thuis misschien een paar dossiers kon bekijken.

Ik antwoordde steeds binnen vijf minuten.

Ellen keek naar het lijstje.

‘Wat gebeurt er als je niet meteen reageert?’

‘Dan denken ze dat ik niet wil.’

‘Weet je dat?’

‘Nee.’

‘Kun je dat eens laten staan? Dat je het niet weet?’

Die middag kwam er opnieuw een bericht van Rick. Ik legde mijn telefoon in de keuken.

Zeven minuten later pakte ik hem weer.

Ik had nog niet geantwoord.

Hoofdstuk 4

Terug op de vloer

Mijn eerste werkdag duurde twee uur. De bedrijfsarts had een rustige opbouw geadviseerd. Geen telefoon. Geen klachten van boze huurders. Eenvoudige administratie, met vaste pauzes.

Rick zette een mok op mijn bureau.

‘Fijn dat je er weer bent. We hebben je gemist.’

Ik wist niet of hij mij bedoelde of mijn productie.

Het kantoor rook naar warme printers. Iemand had mijn stoel lager gezet. Op mijn beeldscherm zat een briefje van collega Fatima: Welkom terug. Geen uitroepteken. Daar was ik haar dankbaar voor.

Het eerste uur ging goed. Ik sorteerde ingescande formulieren. Daarna hoorde ik achter me een huurder schreeuwen door Fatima’s headset.

Mijn schouders schoten omhoog.

Fatima draaide haar stoel weg. Ik bleef naar hetzelfde adres kijken. De letters werden losse vormen. Ik wist dat ik op kantoor zat, maar het voelde alsof ik achter glas stond.

Op het toilet hield ik mijn handen onder de kraan. Ik benoemde wat ik zag, zoals we hadden geoefend. Een scheur in een tegel. Een lege zeeppomp. Mijn schoenen.

Na een paar minuten kon ik weer kiezen wat ik ging doen. Ik haalde mijn jas.

‘Nu al?’ vroeg Rick.

‘Mijn twee uur zijn voorbij.’

Hij keek op zijn horloge.

‘O ja. Natuurlijk.’

Buiten huilde ik van uitputting. Ik belde niemand. Ik kocht een krentenbol en at die op een bankje bij de Mauritsweg. Daarna reisde ik naar huis, met overstappen en een pauze op het station.

Bij Ellen noemde ik het een mislukking.

‘Wat was de afspraak?’ vroeg ze.

‘Twee uur werken.’

‘En wat heb je gedaan?’

Ik zuchtte.

‘Je mag het zwaar vinden zonder het mislukt te noemen,’ zei ze.

In de weken erna ging ik drie keer per week. Soms lukte het. Soms niet. Ik vergat een afspraak met mijn moeder. Ik liet was drie dagen in de machine zitten. Toen ik eindelijk een goede nacht sliep, boekte ik meteen mijn agenda vol.

Daarna lag ik een zondag bijna de hele dag op bed.

Herstel bleek vooral lastig omdat ik betere dagen behandelde alsof ik achterstallig werk moest inhalen.

Op een donderdag vroeg Rick of ik even kon bijspringen aan de telefoon.

‘Alleen het laatste halfuur. We hebben twee zieken.’

Mijn mond zei bijna ja.

‘Dat past niet bij de afspraken,’ zei ik.

Hij draaide zijn pen tussen zijn vingers.

‘We moeten op een gegeven moment wel vooruit.’

Ik voelde mijn gezicht warm worden.

‘Ik werk volgens het opbouwschema. Als er iets moet veranderen, wil ik dat met de bedrijfsarts bespreken.’

Mijn stem trilde. Rick hoorde het. Dat wist ik zeker.

‘Goed,’ zei hij. ‘Dan doen we dat.’

Ik ging naar het toilet en controleerde op mijn telefoon of ik die zin wel goed had gezegd. Ik stuurde hem naar Daan. Daarna naar Ellen, terwijl ik wist dat zij niet voortdurend berichten beantwoordde.

Een grens stellen was blijkbaar iets anders dan er vrede mee hebben.

Diezelfde week belde mijn moeder. Ze wilde de berging van mijn vader opruimen. Of ik zaterdag kwam. Daan kon niet.

‘Dan zoeken we een andere zaterdag,’ zei ik.

‘Het moet toch een keer gebeuren, Noor.’

‘Dat snap ik.’

‘Ik vraag ook nooit iets.’

Ik keek naar de vloer. Er lag een envelop naast de bank die ik al dagen niet opraapte.

‘Ik kan deze zaterdag niet.’

Mijn moeder hing niet boos op. Ze klonk vooral kort. Toch lag ik die nacht wakker alsof ik haar op straat had gezet.

De volgende ochtend vond ik een voicemail van Ellen.

Haar stem klonk lager dan anders.

‘Noor, onze afspraak van dinsdag kan helaas niet doorgaan. Ik ben onverwacht afwezig. De praktijk neemt contact met je op over vervanging.’

Ik luisterde nog een keer.

Daarna belde ik de praktijk.

‘Wanneer is ze terug?’ vroeg ik.

De receptioniste wist het niet.

‘Volgende week?’

‘Dat kunnen we nu niet zeggen.’

Ik stond midden in mijn keuken. De waterkoker sloeg af. Ik bleef hem vasthouden.

‘Maar ik heb dinsdag een afspraak,’ zei ik.

Hoofdstuk 5

Geen dinsdag

De praktijk bood een gesprek aan bij Marieke. Donderdag om halfdrie.

‘Ik hoef geen andere therapeut,’ zei ik.

De receptioniste zweeg even.

‘Zal ik de plek voor u vasthouden?’

‘Nee.’

Toen ik ophing, voelde dat als een besluit waar Ellen iets van zou merken. Alsof mijn weigering haar terug kon brengen.

Ik schaam me nog steeds als ik daaraan denk. Niet omdat ik haar miste. Wel omdat ik zo snel deed alsof alle gesprekken waardeloos waren geworden.

Die dinsdag trok ik toch de trui aan die ik meestal naar therapie droeg. Om kwart over negen stond ik met mijn jas in de gang. Mijn lichaam kende het tijdstip beter dan ik wilde.

Ik ging niet naar de praktijk. Ik liep naar de supermarkt en kocht afwasmiddel, koffie en zes appels. Thuis zette ik alles op tafel. Daarna ging ik op de keukenvloer zitten.

Om tien uur keek ik op mijn telefoon.

Om tien over tien weer.

Er kwam geen bericht.

De dagen werden snel kleiner. Ik meldde me opnieuw volledig ziek. Ik bleef controleren of de voordeur op slot zat. Ik sloeg maaltijden over en at ’s avonds koekjes omdat koken te veel stappen had.

Daan belde. Ik nam niet op.

Mijn moeder stuurde een foto van een doos uit de berging. Daarin lagen oude rapporten van mij. Bovenop stond in rood: Noor helpt graag anderen.

Ik draaide mijn telefoon om.

Die avond had ik een paniekaanval in de badkamer. Ik wist inmiddels wat het waarschijnlijk was. Dat hielp minder dan ik had gehoopt. Ik ging op de badmat zitten en wachtte tot de ergste golf zakte.

Daarna kwam iets wat me meer beangstigde dan mijn hartslag.

De gedachte dat ik niet nog zo’n nacht wilde. En dat ik niet zeker wist of ik veilig alleen kon blijven.

Op de koelkast hing het plan dat Ellen en ik hadden gemaakt. Ik had het achter een bezorgmenu geschoven, zodat bezoek het niet zag.

Ik las de eerste regel drie keer. Daarna belde ik Daan.

‘Kun je komen?’

‘Nu?’

‘Ja. Het gaat niet goed. Ik wil niet alleen zijn.’

Hij vroeg waar ik was. Of ik mezelf iets had aangedaan. Ik zei dat ik in de keuken zat en dat ik niets had gedaan.

‘Ik kom. Blijf aan de lijn tot ik in de auto zit.’

Toen hij er was, belden we samen de huisartsenpost. De medewerker stelde directe vragen. Ik antwoordde. Soms hielp Daan als ik vastliep. Na overleg werd ik die avond beoordeeld door de crisisdienst.

We wachtten in een kleine kamer met een tafel die aan de vloer vastzat. Ik vond dat vernederend, hoewel niemand iets vernederends deed.

Een verpleegkundige vroeg of ik water wilde.

‘Ik had gewoon naar die vervanger moeten gaan,’ zei ik.

‘We kijken eerst wat er nu nodig is,’ antwoordde ze.

Het gesprek duurde lang. Over mijn gedachten. Mijn slaap. Mijn angst. Over wat Daan kon doen en wat niet. We maakten concrete afspraken voor die nacht en de volgende ochtend. Ik kon met hem mee naar huis. Er kwam contact met mijn huisarts en de behandelpraktijk.

Daan sliep op zijn bank. Ik kreeg zijn bed.

‘Je hoeft niet te bewijzen dat je een goede broer bent,’ zei ik toen hij een schoon dekbedovertrek zocht.

Hij stopte met rommelen.

‘Dat probeer ik nu ook niet. Ik wil dat je vannacht hier bent.’

De volgende ochtend at ik twee beschuiten aan zijn kleine tafel. Er lag een parkeerboete onder een fruitmand. Zijn huis was niet gemaakt voor crisisopvang. Juist daarom voelde het minder eng dan ik had verwacht.

Samen belden we de praktijk. De receptioniste herkende mijn naam.

‘Ik wil die afspraak toch,’ zei ik.

Marieke had vrijdag plek.

Later vroeg ik opnieuw naar Ellen. De praktijk kon niets over haar persoonlijke situatie vertellen. Wel dat haar afwezigheid langer zou duren.

Ik was bang. En boos. En bezorgd om haar. Die gevoelens pasten slecht naast elkaar.

Vrijdag ging ik naar de Westblaak.

Marieke kwam me ophalen uit de wachtkamer.

‘Ik wil niet helemaal opnieuw beginnen,’ zei ik, nog voor ze haar naam had genoemd.

‘Dat snap ik,’ zei ze. ‘Laten we beginnen met wat je niet opnieuw wilt vertellen.’

Hoofdstuk 6

De verkeerde mok

Marieke dronk thee uit een gele mok. Ik had daar meteen een hekel aan.

Ze was jonger dan Ellen. Ze zat anders. Ze wachtte langer na een vraag. Als ik stilviel, vulde ze niets in. Daardoor dacht ik dat ze niet wist wat ze deed.

‘Je vergelijkt me met Ellen,’ zei ze tijdens ons tweede gesprek.

‘Ja.’

‘Wat mis je het meest?’

Ik wilde zeggen: alles. Maar dat was niet waar. Ellen kon me ook irriteren. Ze keek soms te lang op de klok. Ze had een keer iets over mijn moeder onthouden dat bij iemand anders hoorde. Toen had ze haar fout erkend en gevraagd hoe dat voor me was geweest.

‘Dat ik niet steeds hoefde uit te leggen dat ik bang ben terwijl ik normaal praat,’ zei ik.

Marieke knikte.

‘Dat kan ik onthouden.’

We maakten eerst een overzicht van de komende weken. De huisarts bleef betrokken. Ik had tijdelijk vaker contact met de praktijk. Daan ging weer in zijn eigen bed slapen. Ik ging terug naar mijn flat, eerst overdag, later ook ’s nachts.

De eerste avond alleen belde ik hem om negen uur.

‘Ik bel volgens afspraak,’ zei ik.

‘Ik weet het.’

‘Er is niets bijzonders.’

‘Mooi. Mijn buurman heeft weer zijn auto voor mijn garage gezet.’

Hij vertelde er vijf minuten over. Daarna hingen we op. Ik bleef onrustig, maar ik bleef ook thuis.

Marieke en ik bekeken wat er rond Ellens vertrek was gebeurd. Niet om te bewijzen dat ik overdreef. Wel om te begrijpen hoe snel ik hulp had afgewezen toen die niet van de juiste persoon kwam.

‘Ik dacht dat ik voor haar gewoon werk was,’ zei ik.

‘Therapie is haar werk.’

Ik keek op.

‘Dat klinkt hard.’

‘Het kan tegelijk werk zijn en oprechte betrokkenheid. Het is geen vriendschap. Juist daarom horen er afspraken en vervanging bij.’

Ik vond dat een onaangename, nuttige zin.

Mijn herstel mocht niet afhangen van één kamer en één persoon. Dat begreep ik. Ik had alleen tijd nodig om het niet als een afwijzing te horen.

Er waren ook gewone problemen. Mijn salaris werd lager tijdens mijn langdurige ziekte. Ik maakte een afspraak met een medewerker van het wijkteam om mijn geldzaken op een rij te zetten. Ik nam de drie oude brieven mee. Twee waren onbelangrijk. Eén bevatte een rekening met extra kosten.

Ik betaalde die in termijnen.

Dat gesprek deed meer voor mijn slaap dan een hele avond piekeren over mijn slaap.

In november kwam mijn moeder eten. Ik maakte pasta uit een pak en zei vooraf dat ze om acht uur weer naar huis moest. Dat klonk onvriendelijk toen ik het uitsprak.

Ze keek naar de klok en zei: ‘Dan hoeven we niet uitgebreid koffie te drinken.’

Tijdens het eten vroeg ze waarom ik zo boos op mijn vader was.

‘Wie zegt dat?’

‘Daan zei dat jullie veel praten.’

Ik legde mijn vork neer.

‘Ik ben soms boos. Ik mis hem ook.’

‘Hij was ziek.’

‘Daarvoor kon hij ook moeilijk zijn.’

Mijn moeder vouwde haar servet dubbel. Ik wachtte op een verdediging.

‘Ik vond het fijn dat jij zoveel regelde,’ zei ze uiteindelijk. ‘Misschien te fijn.’

Het was geen volledige erkenning. We bespraken niet ineens mijn hele jeugd. Maar ze bleef zitten toen ik vertelde over het luisteren naar voetstappen.

Om vijf voor acht trok ze haar jas aan.

Een week later kreeg ik bericht van Ellen, via de praktijk. Ze zou niet terugkeren naar haar werk daar. Om persoonlijke redenen. Ze wilde, als ik dat wilde, een korte schriftelijke afsluiting aanbieden. Marieke kon me helpen bedenken wat ik nodig had.

Ik las het bericht één keer.

Toen zette ik thee.

Daarna las ik het nog een keer en huilde.

Ik belde Daan niet meteen. Eerst schreef ik in mijn schrift: Ik ben verdrietig. Ik ben thuis. Ik weet wat ik vanavond ga doen.

Daaronder schreef ik wat ik Ellen nog wilde zeggen.

Het werden twee bladzijden.

Hoofdstuk 7

De sleutel op tafel

Ik begon mijn brief aan Ellen drie keer opnieuw.

De eerste versie was beleefd. Bedankt voor alles. Het gaat beter. Veel succes.

De tweede was boos. Waarom had ze me niet zelf gebeld? Waarom hadden we nergens afscheid genomen? Had ze geweten hoe slecht het ging?

De derde verstuurde ik.

Daarin stond dat ik haar miste. Dat ik kwaad was geweest. Dat ik begreep dat ze niet alles kon vertellen, maar dat niet-weten moeilijk bleef. Ik schreef over de metro. Over Rick. Over de rekening die ik eindelijk had geopend.

En over die eerste vraag. Wat ik liever niet vertelde.

Ik had niet geweten hoeveel energie het kostte om bij iedereen een klein, acceptabel stukje van mezelf neer te leggen.

Haar antwoord kwam twee weken later via de praktijk. Marieke vroeg of ik het samen wilde lezen. Ik zei ja.

Ellen schreef dat het haar speet dat de behandeling onverwacht was afgebroken. Dat ze begreep dat dit pijn en onzekerheid had gegeven. Ze noemde een paar dingen die ze zich van onze gesprekken herinnerde. Mijn nauwkeurige verslagen. Mijn neiging om bij elke stap meteen de volgende te eisen.

Ze schreef niet dat alles goed zou komen.

Ze schreef dat het belangrijk was dat ik na de moeilijke weken weer hulp had toegelaten. En dat ik haar niets hoefde terug te geven voor het werk dat we samen hadden gedaan.

Bij die zin moest ik stoppen met lezen.

‘Wat gebeurt er?’ vroeg Marieke.

‘Ik wilde beter worden zodat zij niet voor niets haar best had gedaan.’

Ik hoorde hoe het klonk. Toch was het waar.

De brief ligt nu in een map. Niet onder mijn kussen. Niet altijd binnen bereik. Soms lees ik hem. Meestal niet.

Het is nu ruim een jaar na die dag op Leuvehaven. Ik werk vier dagen, vijf uur per dag. Dat is minder dan vroeger. Mijn taken zijn veranderd. Een deel administratie, een beperkt deel telefoon. Rick en ik worden geen vrienden. We hebben wel duidelijkere afspraken.

Fatima vraagt soms of ik mee lunch. Ze vraagt niet elke keer hoe het écht gaat. Dat vind ik fijn. We praten ook over haar rijlessen en de vieze koelkast op kantoor.

Ik heb nog paniekaanvallen. Minder vaak. Soms merk ik er één aankomen en raak ik alsnog kwaad. Soms kan ik denken: dit ken ik, ik hoef niet onmiddellijk weg. Dat maakt het niet prettig. Wel minder bepalend.

Mijn voordeur controleer ik meestal één keer. Op slechte dagen vaker. Dan noteer ik niet alleen hoe vaak, maar ook wat er verder aan de hand is. Vaak ben ik moe. Soms heb ik te veel beloofd.

Met Daan ruimde ik eindelijk de berging van mijn vader op. We deden twee uur. Daarna stopten we, hoewel er nog dozen stonden.

We vonden een rood kinderfietsje met één trapper.

‘Waarom bewaarde hij dit?’ vroeg Daan.

‘Omdat hij het nog ging maken.’

We moesten lachen. Daarna huilde ik tussen de fietspompen en lege verfblikken. Daan bleef naast me staan. Hij probeerde niets op te lossen.

Mijn moeder en ik praten niet over alles. Ze vraagt nog vaak of ik alweer de oude ben. Ik zeg dan dat ik beter slaap of dat mijn werkweek goed ging. Iets concreets. Over de oude Noor kan ik weinig bruikbaars vertellen.

Met Marieke bouw ik de gesprekken af. Voorzichtig. We hebben besproken wat ik kan doen als het opnieuw slechter gaat. Niet omdat we dat verwachten op een bepaalde datum. Omdat ik niet nog eens wil wachten tot iemand me op een perron vindt.

Vorige week nam ik de metro naar Rotterdam. Ik ging schoenen kopen. Niets belangrijks. Tussen Beurs en Leuvehaven voelde ik mijn hart versnellen.

Ik keek naar de deur. Mijn hand ging naar mijn telefoon.

Toen bleef ik staan.

Bij het volgende station stapte iemand in met een kinderwagen. Ik schoof een stukje op. Mijn hart zakte niet meteen. Ik reed toch verder.

Thuis zette ik mijn schoenen naast de bank. Ik draaide de voordeur op slot en legde de sleutel op tafel.

Vanuit de keuken keek ik nog één keer naar de gang.

Toen sneed ik een ui. Ik had honger.