Naar de inhoud
Terug naar het boek

Psychische gezondheid

Mijn telefoon was mijn vlucht

Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.

Hoofdstuk 1

De rook

Toen het rookalarm afging, zat ik op de keukenvloer naar een hond op een skateboard te kijken.

De hond droeg een geel hesje. Dat weet ik nog. Ik weet niet meer hoeveel filmpjes ik daarvoor had gezien.

Op het fornuis stond een pan rijst droog te koken.

Ik sprong op. Mijn knie raakte de tafel. Met een theedoek trok ik de pan van het vuur. Er kwam grijze rook onder het deksel vandaan. Ik zette het raam open en sloeg met de doek onder het alarm.

Mijn telefoon hield ik vast.

Zelfs toen.

Er werd op mijn voordeur gebonsd.

‘Samira? Gaat het?’

Mijn buurman Joost stond op de galerij. Blote voeten in badslippers. Achter hem zag ik de natte stoep van de Amsterdamsestraatweg.

‘Pan vergeten,’ zei ik.

Hij keek langs me heen.

‘Moet ik even helpen?’

‘Nee. Alles onder controle.’

Het alarm hield op. In de stilte hoorde ik het filmpje opnieuw beginnen. Een vrolijk muziekje. Wieltjes over asfalt.

Joost keek naar mijn hand.

Ik drukte het scherm uit.

Ik heet Samira El Amrani. Ik was vierendertig en woonde alleen in Utrecht. Ik werkte op de administratie van een woningcorporatie. Huurcontracten controleren. Reparatieverzoeken doorzetten. Mensen terugbellen die al te lang wachtten. Ik was goed in lijstjes. In ontbrekende handtekeningen vinden. In rustig blijven wanneer iemand boos werd.

Thuis bestond mijn avond uit dingen die ik niet deed.

De was bleef in de machine. Brieven lagen ongeopend op een stoel. Mijn tanden poetste ik soms pas om twee uur ’s nachts. Dan stond ik met één hand te poetsen en met de andere door berichten te gaan.

Ik noemde dat ontspannen.

Die avond schraapte ik zwarte rijst uit de pan. Daarna bestelde ik eten. Terwijl ik wachtte, opende ik de instellingen van mijn telefoon.

Schermtijd: negen uur en zeventien minuten.

Ik tikte het venster weg.

Dat kon niet kloppen. Ik had toch gewerkt? Op kantoor lag mijn telefoon vaak naast mijn toetsenbord. Muziek telde vast mee. Navigatie ook. Ik zocht verklaringen voordat ik goed naar de cijfers had gekeken.

Om half twaalf stuurde mijn zus Nora een bericht.

‘Morgen Liv ophalen, weet je nog? Half vijf. Bso aan de Vleutenseweg.’

Ik stuurde een duim omhoog.

Daarna schreef ik: ‘Natuurlijk.’

Liv was zeven. Ze had twee voortanden die veel te groot leken voor haar gezicht. Als ze bij mij sliep, aten we pannenkoeken aan de salontafel. Zij mocht de eerste mislukte pannenkoek hebben. Dat vond ze een voorrecht.

Ik zette een alarm voor de volgende middag.

Toen keek ik nog even naar het nieuws.

Een ongeluk op de A12. Een filmpje over symptomen van overspannenheid. Een vrouw die haar keuken opruimde. Iemand die uitlegde waarom je nooit echt veilig was met je bankgegevens. Ik controleerde mijn bankrekening. Daarna mijn mail. Toen weer het nieuws.

Om kwart over twee legde ik de telefoon op het nachtkastje.

In het donker begon mijn hart hard te slaan.

Ik dacht aan mijn vader.

Acht maanden eerder had hij mij drie keer gebeld. Ik zat toen met collega’s in een restaurant bij de Oudegracht. Mijn telefoon lag ondersteboven naast mijn bord. Ik had besloten eens niet steeds te kijken.

Later hoorde ik zijn voicemail. Losse woorden. Mijn naam. Een schurend geluid.

Hij had een beroerte.

Mijn moeder had de ambulance gebeld. Hij had het overleefd. Maar zijn rechterhand werkte nauwelijks meer en praten kostte hem moeite.

De arts had gezegd dat ik niets had kunnen voorkomen. Mijn moeder zei hetzelfde.

’s Nachts geloofde ik hen niet.

Ik pakte mijn telefoon weer. Er waren geen gemiste oproepen. Ik controleerde of het geluid aanstond. Of mijn ouders bij de uitzonderingen stonden. Of de batterij voldoende geladen was.

Daarna opende ik een filmpje.

Om zeven uur ging de wekker.

Mijn ogen deden pijn. In de keuken hing nog de geur van verbrande rijst. Ik trok een trui over mijn pyjamashirt en zette koffie.

Nora stuurde een foto van Liv met haar schooltas.

‘Ze heeft er zin in.’

Ik schreef dat ik er ook zin in had.

Dat was waar.

En toch vergat ik haar.

Hoofdstuk 2

Half vijf

Om tien voor vier sloot ik mijn werklaptop. Ik werkte die dag thuis. Het laatste uur had ik drie keer dezelfde mail gelezen zonder te begrijpen wat de huurder wilde.

Ik had nog ruim tijd. De buitenschoolse opvang was twaalf minuten fietsen.

Eerst koffie, dacht ik.

Ik ging op de bank zitten. Mijn telefoon trilde. Een aanbieding voor schoenen die ik eerder had bekeken. Ik tikte erop. De schoenen waren uitverkocht in mijn maat. Daaronder stonden andere schoenen. Daarna belandde ik bij een filmpje van iemand die met bleekmiddel voegen schoonmaakte.

Mijn alarm ging af.

Ik drukte op stoppen.

Niet op sluimeren. Op stoppen.

Dat kleine verschil heb ik later vaak teruggezien.

Toen mijn telefoon overging, was het vijf uur en tweeëntwintig.

Nora.

‘Waar ben je?’

Ik keek naar het raam. Het was al bijna donker.

‘Onderweg,’ zei ik.

Ik zat nog op de bank.

‘De opvang heeft me gebeld.’

Ik stond zo snel op dat ik duizelig werd.

‘Mijn vergadering liep uit.’

‘Samira, je zei dat je om vier uur klaar was.’

Ik zocht mijn sleutels tussen de kussens. Ze lagen daar niet. Ik liep naar de keuken en weer terug.

‘Ik ga nu.’

‘Ik ben er al. Blijf maar thuis.’

Ze hing op.

Ik bleef met mijn jas half aan in de gang staan. Onder mijn linkervoet zat een kassabon. Ik keek ernaar alsof daar iets belangrijks op stond.

Tien minuten later belde ik terug.

Nora nam niet op.

Ik stuurde vijf berichten. Eerst excuses. Toen uitleg over mijn drukke werk. Toen dat ik slecht sliep. Daarna alleen: ‘Het spijt me.’

Bij het vijfde bericht zag ik dat ik vooral wilde dat zij mij geruststelde.

Ik verwijderde het voordat ik het verstuurde.

Rond zeven uur ging de bel. Nora stond voor de deur. Zonder Liv.

‘Ze is bij Jeroen,’ zei ze.

Ze liep naar de keuken en bleef bij de stoel met de post staan.

‘Wat is hier aan de hand?’

‘Ik had een slechte dag.’

‘Dat vroeg ik niet.’

Ik wilde boos worden. Zij had een man, een kind, een huis met een tuin in Leidsche Rijn. Bij haar stond er altijd eten in de koelkast. Ik was moe van mensen bij wie alles vanzelf leek te gaan.

Maar Nora keek niet alsof haar iets vanzelf ging.

‘Liv dacht dat je een ongeluk had gehad,’ zei ze.

Ik ging zitten.

‘Ze bleef bij het raam staan.’

‘Stop maar.’

‘Nee. Je moet weten wat er gebeurde.’

Mijn telefoon lichtte op. Een melding van een bezorgdienst. Mijn hand schoof erheen.

Nora zag het.

‘Laat dat ding even liggen.’

‘Ik moet bereikbaar zijn voor papa.’

‘Papa zit thuis met mama naar het journaal te kijken.’

‘Dat weet jij niet.’

‘Ik heb ze net gesproken.’

Ik trok mijn hand terug.

Er kwam geen nette bekentenis. Ik begon over mijn werk. Over lawaai van de straat. Over de verwarming die tikte. Nora bleef zitten. Uiteindelijk vertelde ik over de pan. Over vier uur slaap. Over het gevoel dat er iets misging zodra ik niet keek.

‘En soms wil ik juist helemaal niets weten,’ zei ik. ‘Dan wil ik alleen maar kijken tot het stil wordt in mijn hoofd.’

Nora schoof een glas water naar me toe.

‘Hoe lang al?’

‘Ik weet het niet.’

‘Weken?’

Ik keek naar de stapel post.

‘Maanden.’

Ze zei niet dat ik mijn telefoon gewoon moest wegleggen. Daar was ik haar dankbaar voor.

Ze zei wel dat ik Liv voorlopig niet alleen zou ophalen.

Dat deed pijn. Ik vond het ook terecht.

Toen Nora weg was, belde ik mijn moeder. Mijn vader kwam even aan de lijn.

‘Hé, Saar,’ zei hij langzaam. Hij noemde me altijd Saar.

Ik vroeg of alles goed ging.

‘Ja. Jij?’

Ik zei ja.

Na het gesprek zat ik lang op de rand van mijn bed. Ik wilde verdwijnen uit deze avond. Niet dood. Niet ergens anders wonen. Alleen niet voelen hoe ik iemand had laten wachten die op mij vertrouwde.

Ik opende een app.

En sloot hem weer.

Daarna zocht ik het nummer van mijn huisarts. Ik typte het op een briefje, alsof ik het anders niet zou kunnen vinden.

De volgende ochtend moest ik bellen.

Ik legde het briefje op mijn schoenen.

Hoofdstuk 3

De wachtkamer

Ik belde niet de volgende ochtend.

Ik stapte over het briefje heen.

Op kantoor zat mijn collega Floor al achter haar scherm. Ze hield een map omhoog.

‘Heb jij deze huurprijs aangepast?’

Ik knikte.

‘Er staat honderdacht euro te veel.’

Ik trok de map naar me toe. Het getal was van mij. Mijn initialen stonden eronder.

‘Ik herstel het.’

‘De brief is gisteren verstuurd.’

Mijn nek werd warm. Aan de andere kant van het bureau rinkelde een telefoon. Iemand lachte bij het koffieapparaat. Het licht boven mijn hoofd zoemde.

Floor zei nog iets.

Ik hoorde alleen mijn hart.

Ik stond op en liep naar het toilet. In het laatste hokje ging ik op de dichte wc zitten. Mijn handen tintelden. Ik kreeg geen volle adem naar binnen.

Dit is het, dacht ik. Er is iets mis met mijn hart.

Ik zocht mijn klachten op. Het eerste resultaat maakte me banger. Het tweede ook. Ik probeerde mijn pols te tellen en raakte de tel kwijt.

Er werd zacht geklopt.

‘Samira? Ik ben het.’

Floor.

‘Ga weg.’

‘Je hoeft niet open te doen. Maar antwoord even. Heb je pijn?’

Ik huilde nu. Daar schaamde ik me bijna meer voor dan voor de fout.

Floor bleef aan de andere kant van de deur. Ze vroeg of ik de huisartsenpraktijk wilde bellen. Toen dat niet lukte, belde ze met mijn toestemming en gaf ze mij haar telefoon.

De assistent stelde vragen. Over pijn op de borst. Over benauwdheid. Over wat er precies gebeurde. Ik mocht die ochtend komen. Floor bracht me.

In de wachtkamer aan de Laan van Nieuw Guinea hing een poster over tekenbeten. Ik las dezelfde zin steeds opnieuw. Floor zat naast me met haar jas op schoot.

‘Je hoeft niet te blijven,’ zei ik.

‘Dat weet ik.’

Huisarts De Vries controleerde me en luisterde naar mijn verhaal. Mijn hartslag was inmiddels gezakt. Hij legde uit dat mijn klachten bij een paniekaanval pasten. Ook vertelde hij bij welke nieuwe of ernstige klachten ik direct hulp moest zoeken.

Daarna vroeg hij hoe ik sliep.

Ik lachte kort.

‘Niet zo goed.’

‘Hoeveel uur?’

‘Vier. Soms drie.’

Hij draaide zijn stoel iets van het bureau af.

‘Vertel eens over je dagen.’

Ik vertelde een keurige versie. Druk werk. Zieke vader. Veel op mijn telefoon.

Toen vroeg hij: ‘Wat lukt er thuis niet meer?’

Daar ging de keurige versie.

Ik noemde de pan. De was. Liv. Ik vertelde dat douchen soms voelde als een taak waarvoor ik eerst een uur moed moest verzamelen. Dat ik berichten van vrienden weken liet liggen, terwijl ik elke vrije minuut een scherm vasthield.

Hij vroeg ook of ik gedachten had om mezelf iets aan te doen.

‘Nee,’ zei ik. ‘Ik wil vooral even niet mezelf zijn.’

Hij nam dat serieus zonder ervan te schrikken.

We maakten een afspraak bij de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg. Hij adviseerde me mijn werkbelasting te bespreken en contact te zoeken met de bedrijfsarts. Niet alleen minder scrollen. Eerst kijken wat mij zo opgejaagd en uitgeput hield.

Buiten wachtte Floor bij haar fiets.

‘En?’

‘Ik moet rust nemen.’

‘Dan beginnen we met vandaag.’

Ik belde mijn leidinggevende, Pieter. Mijn stem klonk vreemd zakelijk toen ik me ziekmeldde.

Hij vroeg of ik de planning voor vrijdag nog kon doorsturen.

‘Nee,’ zei Floor zacht naast me.

Ik keek haar aan.

‘Dat lukt nu niet,’ zei ik tegen Pieter.

Thuis sliep ik twee uur op de bank. Daarna keek ik drie uur naar mijn telefoon.

Ik had gedacht dat hulp vragen meteen iets zou veranderen. Dat mijn hoofd, nu iemand wist wat er speelde, een beetje zou meewerken.

Maar om zes uur zat ik nog in mijn jas. Mijn mond was droog. Er lag geen eten in huis behalve crackers en een verschrompelde paprika.

Ik stuurde Nora een foto van het afsprakenkaartje.

Ze belde.

‘Goed dat je gegaan bent.’

‘Ik heb vandaag alweer niets gedaan.’

‘Je bent naar de huisarts geweest.’

‘Daarna heb ik alleen gekeken.’

‘Wil je dat ik boodschappen breng?’

Mijn eerste antwoord zat al klaar. Hoeft niet. Gaat prima.

Ik slikte het in.

‘Ja. Graag.’

Toen ze kwam, ruimde ze niet mijn hele huis op. Ze zette soep in de koelkast en brood in de vriezer. We aten aan een half vrijgemaakte tafel.

Voor het eerst in maanden lag mijn telefoon tijdens het eten niet naast mijn bord.

Hij lag op de stoel naast me.

Verder kwam ik die avond niet.

Hoofdstuk 4

Zonder geluid

De praktijkondersteuner heette Esther. Ze droeg rode schoenen en had een doos tissues op de vensterbank. Ik besloot vooraf dat ik die niet nodig zou hebben.

Na negen minuten trok ik er drie tegelijk uit.

‘Ik heb hem laten bellen,’ zei ik.

‘Je vader?’

Ik knikte.

Ik vertelde over het restaurant. Over de kroketjes die midden op tafel stonden. Over mijn collega die zei dat ik altijd bereikbaar was. Ik had mijn telefoon omgedraaid. Bijna demonstratief.

‘En toen kreeg hij die beroerte.’

Esther wachtte even.

‘Wat denk je dat er anders was gegaan als je had opgenomen?’

‘Dan had ik iets gedaan.’

‘Wat precies?’

‘Een ambulance gebeld.’

‘Die had je moeder al gebeld, zei je.’

Ik wist het. Natuurlijk wist ik het.

Maar ik had zijn stem pas later gehoord. Alleen, op mijn fiets bij het restaurant. Zijn mond had mijn naam niet goed kunnen maken. Dat geluid bleef terugkomen wanneer het stil werd.

Esther legde geen haastige conclusie op tafel. We bekeken wat ik sindsdien deed. Controleren. Opnieuw controleren. Me schuldig voelen. Filmpjes kijken om daar niets van te merken. Te laat slapen. Fouten maken. Nog meer schaamte.

‘Je telefoon stelt je soms gerust,’ zei ze. ‘En soms helpt hij je om weg te blijven van wat je voelt. Alleen betaal je er inmiddels veel voor.’

Dat klonk minder prettig dan een verslavingstest met een duidelijke score. Het betekende dat ik niet klaar was als ik één app verwijderde.

We spraken kleine dingen af. Op een vaste tijd opstaan. Elke dag iets eten voordat ik koffie dronk. Tien minuten naar buiten. En één moment observeren waarop ik naar mijn telefoon greep.

Niet meteen elk moment tegenhouden. Eerst merken wat er gebeurde.

Dat vond ik kinderachtig.

Thuis bleek het moeilijk.

Ik zette thee. Tijdens het wachten op de waterkoker pakte ik mijn telefoon. Ik legde hem terug. Toen wist ik niet waar ik met mijn handen heen moest.

De keuken was stil.

Ik hoorde de koelkast aanslaan. Buiten trok iemand een kliko over de stoep. In mijn borst kwam het bekende strakke gevoel.

Ik schreef op een vel papier: ‘Bang dat er iets gebeurd is.’

Daaronder: ‘Ook bang voor de post.’

Dat tweede had ik niet verwacht.

Op de stoel lagen twee betalingsherinneringen. Eén voor een jas die ik maanden eerder had besteld. De jas hing met het kaartje eraan in de kast. Terugsturen kon niet meer.

Er waren meer aankopen. Kleine bedragen. Achteraf betalen. Dingen bestellen gaf even het gevoel dat er iets ging beginnen. Een nettere kamer. Een betere huid. Een versie van mij die op tijd naar bed ging.

Ik telde alles op.

Zeshonderdtweeënveertig euro.

Ik verdiende genoeg om mijn huur te betalen. Toch stond mijn rekening bijna leeg.

Die middag belde ik Nora.

‘Ik wil niet dat je het oplost,’ zei ik snel. ‘Maar kun je naast me zitten terwijl ik dit uitzoek?’

Ze kwam zaterdag. We maakten een overzicht en regelden betalingen. Ik verkocht de ongebruikte jas voor minder dan de helft van de prijs.

Nora maakte geen grap over het kaartje.

Dat hielp.

Via Esther kreeg ik een verwijzing voor behandeling van mijn aanhoudende angst en sombere klachten. Er was een wachttijd. In de tussentijd bleef ik bij haar komen. De bedrijfsarts adviseerde voorlopig rust en later een rustige opbouw.

Mijn telefoon ging niet in de vuilnisbak. Mijn bank stond erop. Mijn agenda. Het contact met mijn ouders. Ik verwijderde wel de winkelapps en zette bijna alle meldingen uit.

Mijn ouders en Nora konden me blijven bellen.

Toch controleerde ik ’s avonds of die instelling echt werkte.

Drie keer.

Op zondag ging ik naar mijn ouders in Nieuwegein. Mijn vader zat aan tafel met een oefenboek van de logopedist. Hij wees op een plaatje van een hamer.

‘Ha…’

Ik wachtte.

‘Hamer,’ zei hij uiteindelijk.

‘Ja.’

Hij keek naar mijn telefoon op tafel.

‘Werk?’

‘Nee.’

Ik stopte hem in mijn tas.

Mijn vader schoof het boek naar me toe. We oefenden woorden. Hamer. Sleutel. Lepel.

Na twintig minuten wilde ik controleren of ik iets gemist had.

Ik deed het niet meteen.

Ik hielp hem eerst met het woord dat maar niet wilde komen.

Raam.

Hoofdstuk 5

Weer mis

Na drie weken dacht ik dat ik het begon te begrijpen.

Ik stond om acht uur op. Meestal. Ik liep naar het Julianapark en kocht brood bij de bakker. Mijn schermtijd was gezakt. De keuken rook niet meer naar oude vaat.

Ik stuurde Esther bijna een bericht dat onze volgende afspraak misschien niet nodig was.

Toen belde mijn moeder op een dinsdagavond.

‘We zijn even in het ziekenhuis.’

Ik stond met een bord pasta in mijn hand.

‘Wat is er?’

Mijn vader was duizelig geworden bij het opstaan. De huisarts wilde hem laten controleren. Mijn moeder sprak rustig. Te rustig, vond ik.

‘Ik kom.’

‘Wacht nou even. Nora is onderweg. We weten nog niks.’

Ik trok mijn schoenen aan en belde Nora.

Geen gehoor.

Nog een keer.

Daarna mijn moeder. Ze nam niet op.

Binnen drie minuten was ik weer op die fiets bij het restaurant. Mijn vaders voicemail zat in mijn hoofd. Ik opende de locatie-app waarin Nora haar locatie soms deelde. Niet beschikbaar.

Ik stuurde vraagtekens.

Toen belde ik opnieuw.

Nora nam op terwijl ze haar auto parkeerde bij het St. Antonius.

‘Ik ben er bijna. Ik bel als we iets weten.’

‘Laat me hem spreken.’

‘Ik ben nog buiten, Samira.’

Haar stem werd scherp. Ik hoorde het als afwijzing.

‘Jij vindt zeker dat ik overdrijf.’

‘Ik vind dat je me even moet laten lopen.’

Ze hing op.

Ik ging niet naar het ziekenhuis. Ik bleef in de gang staan. Daarna liep ik naar de bank en begon te zoeken. Duizeligheid na beroerte. Nieuwe beroerte herkennen. Bijwerkingen medicijnen.

Tussen de zoekresultaten door verschenen filmpjes. Ik keek er één. Daarna nog één. Het voelde verkeerd om iets anders te doen. Toch kon ik de angst niet meer verdragen.

Om half elf belde mijn moeder. Mijn vader mocht naar huis. De arts had hem onderzocht en afspraken gemaakt over zijn medicatie en controle.

‘Ga slapen,’ zei ze.

Ik zei dat ik dat zou doen.

Om vier uur ’s nachts lag ik nog te kijken.

De volgende dag miste ik mijn afspraak met Esther.

Toen ze belde, drukte ik haar weg.

Ik trok de dekens over mijn hoofd. Mijn kamer stonk naar slaap en koude pasta. Ik had het verpest. De wandelingen, de lijstjes, de afspraken. Allemaal toneel, dacht ik.

Esther sprak een kort bericht in. Of ik wilde laten weten hoe het ging. We konden een nieuwe afspraak maken.

Geen boosheid. Geen teleurstelling.

Dat maakte terugbellen mogelijk.

Twee dagen later zat ik weer tegenover haar.

‘Ik ben terug bij nul.’

‘Wat heb je deze keer anders gedaan?’

‘Niks.’

‘Je hebt me teruggebeld.’

Ik haalde mijn schouders op.

‘Dat telt ook als het niet indrukwekkend voelt,’ zei ze.

We schreven de avond uit. Het telefoontje. De gemiste oproepen. Mijn gedachten. Het zoeken. Het kijken. Niet om mij vrij te praten. Wel om te zien waar ik eerder hulp kon gebruiken.

Daarna maakte ik met mijn familie een afspraak. Bij ziekenhuisbezoek gaf één persoon updates. Ik mocht vragen wanneer de volgende update kwam. Als mijn vader zijn telefoon niet opnam, hoefde dat niet te betekenen dat er iets mis was.

Mijn moeder zei ook iets waar ik stil van werd.

‘Als jij steeds belt, moet ik jou geruststellen terwijl ik zelf bang ben.’

Ik had mijn controle bezorgdheid genoemd. Voor haar was het soms extra werk.

Die zaterdag ging ik naar Nora. Liv zat aan tafel te tekenen. Ik had haar sinds de gemiste ophaaldag alleen kort gezien.

‘Waarom kwam je niet?’ vroeg ze.

Nora bleef bij het aanrecht staan.

‘Ik was het vergeten,’ zei ik. ‘Dat had niet mogen gebeuren. Het lag niet aan jou.’

‘Mama zei dat je ziek bent.’

‘Mijn hoofd is snel moe en bang. Daar krijg ik hulp voor. Maar ik moet ook zorgen dat afspraken veilig zijn.’

Liv tekende verder.

‘Volgende keer moet je een wekker zetten.’

‘En zorgen dat ik opsta als die gaat.’

Ze keek even op.

‘Ja. Anders heb je er niks aan.’

Later deden we een spelletje. Nora bleef thuis. Dat was de afspraak.

Mijn telefoon lag in mijn jaszak. Halverwege voelde ik de neiging om te kijken. Ik zei dat ik even water ging halen.

In de keuken bleef ik bij de kraan staan tot de sterke drang zakte.

Toen liep ik terug.

Liv had mijn pion alvast drie vakjes vooruitgezet.

‘Je was langzaam,’ zei ze.

‘Ik weet het.’

Hoofdstuk 6

Twee uur werk

In februari begon ik weer met werken. Twee ochtenden per week, twee uur per keer. Geen telefoonlijn. Geen volle stapel dossiers. Alleen controles die Floor daarna naliep.

Ik vond het vernederend.

Ik vond het ook veilig.

Voor de ingang bleef ik naast mijn fiets staan. Mensen liepen met bekers koffie naar binnen. Iemand hield de deur voor me open. Ik deed alsof ik nog iets in mijn fietstas zocht.

Binnen had Pieter een plek voor me vrijgehouden aan het einde van de afdeling.

‘Fijn dat je er bent,’ zei hij.

Hij begon over de achterstand. Ik voelde mijn maag aanspannen.

‘Die is niet voor jou,’ voegde hij eraan toe. ‘Vandaag vier dossiers. Om elf uur klaar.’

Om tien over negen wilde ik al naar huis.

Mijn scherm stond vol gegevens. Namen. Huurbedragen. Datums. Ik las langzaam. Bij elk getal dacht ik aan die verkeerde brief.

Floor kwam naast me zitten.

‘Zullen we de eerste samen doen?’

Ik wilde nee zeggen. Ik had dit werk jaren gedaan.

‘Goed,’ zei ik.

We vonden een ontbrekende handtekening. Daarna controleerde ik het bedrag. Het klopte. Bij het tweede dossier maakte ik een aantekening en ging verder.

Om elf uur had ik er drie af.

‘Vier was de bedoeling,’ zei ik.

Pieter keek op de klok.

‘Elf uur was ook de bedoeling.’

Ik ging.

Buiten pakte ik meteen mijn telefoon. Ik wilde Nora vertellen dat het gelukt was. Maar eerst opende ik automatisch een andere app. Mijn duim wist de plek nog, ook al stond daar inmiddels iets anders.

Ik bleef bij mijn fiets staan en moest lachen. Kort. Niet vrolijk genoeg om alles goed te maken, wel echt.

Ik belde Nora.

Mijn behandeling was inmiddels begonnen bij een psycholoog in Kanaleneiland. Ze heette Marieke. Met haar onderzocht ik de angst rond mijn vader, mijn neiging om zekerheid te zoeken en mijn sombere buien. We oefenden met situaties waarin ik niet meteen controleerde.

Dat ging niet heldhaftig.

Een keer zat ik tien minuten in haar kamer terwijl mijn telefoon in mijn tas trilde. Het bleek later een reclamebericht van mijn provider. Toch had ik het warm gekregen. Mijn kaken deden pijn van het klemmen.

We spraken niet alleen over mijn telefoon. Ook over hoe ik altijd de betrouwbare dochter wilde zijn. De zus die oppaste. De collega die nog even bleef. Ik zei vaak ja en verdween daarna thuis achter mijn scherm, boos op afspraken die ik zelf had gemaakt.

Dat inzicht maakte me niet ineens assertief.

Toen Pieter vroeg of ik een ochtend kon ruilen, zei ik automatisch ja. Pas buiten merkte ik dat ik dan mijn behandelafspraak moest verzetten.

Ik liep terug.

‘Het kan toch niet,’ zei ik.

Hij keek in zijn agenda.

‘Dan vraag ik iemand anders.’

Meer gebeurde er niet.

Thuis kocht ik een wekker. Een lelijke, witte. Mijn telefoon laadde voortaan op in de gang. Op moeilijke avonden haalde ik hem alsnog naar binnen. Dan begon ik de volgende avond opnieuw.

Ik maakte geen streng schema met strafpunten. Daar werd ik alleen beter van in verbergen. Wel schreef ik drie waarschuwingssignalen op: maaltijden overslaan, afspraken afzeggen om te kunnen kijken, en liegen over hoe lang ik online was.

Als er twee tegelijk speelden, moest ik iemand bellen.

Ik koos Joost als één van die mensen. Hij had na het rookalarm af en toe gevraagd hoe het ging. Op een donderdag vertelde ik hem de rest, bij een kop thee in zijn keuken.

‘Ik dacht al dat je niet lekker zat,’ zei hij.

‘Waarom zei je niks?’

‘Ik vroeg of je hulp nodig had. Jij zei nee.’

Dat was pijnlijk helder.

We spraken af soms samen boodschappen te doen. Geen diep gesprek verplicht. Gewoon naar de supermarkt en terug.

Een week later hoorde ik hem op de galerij.

Ik had net een uur verloren aan filmpjes en stond op het punt ons plan af te zeggen.

Ik deed de deur open.

‘Wacht twee minuten,’ zei ik.

In de winkel vergat ik de helft van mijn lijst. Joost kocht kattenvoer voor een kat die bijna alles weigerde. We hadden ruzie over welke tomaten het minst smakeloos waren.

Bij thuiskomst zag ik drie ongelezen berichten.

Ik zette eerst de yoghurt in de koelkast.

Daarna las ik ze.

Hoofdstuk 7

Ik kwam wel

In mei mocht ik Liv weer ophalen.

Niet zomaar. Nora en ik hadden het besproken. Ik was een paar keer meegegaan. Daarna had ik een middag met Liv doorgebracht terwijl Nora in de buurt bleef. Het vertrouwen kwam terug via afspraken die ik nakwam. Niet via één lang gesprek.

Die donderdag stond ik om kwart over vier bij de opvang aan de Vleutenseweg.

Veel te vroeg.

Ik zette mijn fiets in het rek en controleerde het slot. Toen keek ik op mijn telefoon. Nog twaalf minuten. Ik kon best even iets lezen.

Ik stopte hem terug.

Niet omdat de neiging weg was. Omdat ik wist hoe makkelijk twaalf minuten konden verdwijnen.

Op de stoep lag een kapot blauw potlood. Door het raam zag ik kinderen aan een tafel. Een medewerker zette bekers op een dienblad. Ik voelde me ongemakkelijk zonder iets te doen.

Dat gevoel bleef een tijdje.

Toen werd de deur opengedaan.

Liv kwam naar buiten met een kartonnen huis onder haar arm.

‘Je bent er al.’

‘Ja.’

‘Het dak zit los.’

Ik hield het huis vast terwijl ze haar jas aantrok.

De medewerker keek op de lijst en vinkte haar naam af. Een gewone handeling. Toch voelde ik mijn keel dik worden.

We liepen naar mijn fiets. Liv wilde het huis zelf dragen, maar het paste niet veilig. We belden Nora om te zeggen dat we gingen lopen. Daarna verdween de telefoon weer in mijn jas.

Onderweg vertelde Liv dat een jongen uit haar klas lijm in zijn haar had gekregen. Ze deed zijn stem na. Ik luisterde. Bij een zebrapad vroeg ze waarom ik zo langzaam liep.

‘Omdat jij een heel gebouw draagt.’

Ze hield het karton steviger vast.

Thuis bakten we pannenkoeken. Ik zette een kookwekker naast het fornuis. Niet op mijn telefoon. Liv kreeg de eerste. Die was niet mislukt.

‘Deze telt niet,’ zei ze.

‘Hij is gewoon eetbaar.’

‘Ik wil die met de gaten.’

Ik maakte bij de volgende een scheur met de spatel. Ze vond het bedrog, maar at hem wel op.

Mijn telefoon ging over toen ik het beslag opruimde.

Mijn moeder.

Ik nam op. Ze vroeg of ik zondag kwam eten. Op de achtergrond hoorde ik mijn vader iets zeggen.

‘Wat zegt papa?’

‘Dat je de grote ovenschaal nog hebt.’

Ik keek naar de schaal op mijn aanrecht. Er lagen elastiekjes en kassabonnen in.

‘Ik neem hem mee.’

Na het gesprek wilde ik mijn berichten controleren. De telefoon lag al open in mijn hand.

‘Samira, de stroop,’ zei Liv.

Ik zette hem weg en gaf haar de fles.

Dat was geen overwinning waar muziek onder hoorde. Ik moest het die avond nog twee keer doen.

Het ging ook nog geregeld mis.

Een maand later bleef ik op een zondag tot na middernacht kijken. De volgende ochtend was ik moe en kortaf. Ik schaamde me, maar vertelde het bij mijn volgende afspraak. Ik probeerde niet meer van één slechte nacht een bewijs te maken dat alles zinloos was.

Mijn werk bouwde ik langzaam op. Ik zat nog niet op mijn oude uren. Soms trok ik me op kantoor even terug om tot rust te komen. De betalingsachterstand was weggewerkt. Mijn spaargeld was kleiner dan ik wilde.

Mijn vader bleef beperkt door zijn beroerte. Er kwamen geen perfecte woorden terug omdat ik beter sliep. Mijn moeder bleef soms moe. Ik kon hun leven niet veilig maken door mijn scherm aan te houden.

Dat accepteren lukte sommige dagen beter dan andere.

Ik sprak nog steeds met Marieke. Minder vaak, maar niet omdat ik vond dat ik het nu alleen moest kunnen. We maakten een plan voor drukke periodes en slechte nachten. Ik bewaarde dat plan op papier in de keuken.

Naast de kookwekker.

Toen Nora die avond Liv kwam halen, bleef ze even in de deuropening staan. Liv praatte door over het kartonnen huis. Het dak zat inmiddels vast met schilderstape.

‘Hoe ging het?’ vroeg Nora.

‘Goed,’ zei ik.

Ik hoefde er deze keer geen verhaal bij te verzinnen.

Na hun vertrek was het stil in huis. Dat was nog steeds het moeilijkste moment. Geen werk. Niemand die iets vroeg. Alleen de tafel met stroopvlekken en twee borden.

Ik pakte mijn telefoon en keek naar een paar foto’s die Nora had gestuurd.

Daarna legde ik hem op de lader in de gang.

Ik liep terug naar de keuken. Het raam stond open. Op de straat beneden sloeg een autodeur dicht.

Ik maakte een doek nat en veegde de tafel af.

Het duurde nog even voordat ik rustig werd.

Maar ik bleef.