Naar de inhoud
Terug naar het boek

Liefde, relaties en gezin

Mijn stiefkind noemt me geen mama

Hoofdstuk 1

De verkeerde naam

‘Dat is mijn mama niet.’

Noor zei het hard genoeg voor de hele bakkerij. De vrouw achter de toonbank hield een krentenbol boven een papieren zak. Achter mij schoof iemand een kinderwagen opzij.

‘O, sorry,’ zei de verkoopster.

‘Geeft niet,’ zei ik.

Maar het gaf wel. Niet omdat Noor ongelijk had. Ze was acht. Ik was haar moeder niet. Toch stond ik daar met haar fietssleutel in mijn hand en een vlek tandpasta op mijn mouw. Haar tandpasta. Die had ik een halfuur eerder weggeveegd terwijl zij haar gymtas zocht.

Buiten trok Noor de zak uit mijn hand.

‘Je moet het wel zeggen.’

‘Wat?’

‘Dat je Lotte bent.’

‘Dat weet ik.’

‘Maar je zei niks.’

We stonden naast onze fietsen in de Nachtegaalstraat in Utrecht. Een bezorger belde omdat we in de weg stonden. Ik zette een stap opzij. Noor bleef kijken.

‘Je hebt gelijk,’ zei ik. ‘Ik had het kunnen zeggen.’

Pas toen stapte ze op.

Ik heet Lotte van Dijk. Ik was vijfendertig en woonde sinds negen maanden samen met Bas, de vader van Noor. Zijn dochter was van woensdagmiddag tot zaterdagochtend bij ons. De andere dagen woonde ze bij haar moeder, Marieke, in Zeist. Om de week bleef ze het hele weekend.

Op papier was het overzichtelijk. Op onze koelkast hing een rooster met blauwe en groene vakken. In werkelijkheid vergaten we zwemspullen, wisselden studiedagen en belde Marieke soms tijdens het eten. Dan liep Noor met de telefoon naar boven. Daarna kon dezelfde macaroni ineens vies zijn.

Ik had Bas ontmoet in een café bij station Utrecht Vaartsche Rijn. Hij had meteen verteld dat hij een dochter had. Dat vond ik eerlijk. Ook aantrekkelijk, als ik eerlijk ben. Hij liet een foto zien waarop Noor zonder voortanden op een pony zat.

Ik dacht niet: fijn, een kant-en-klaar gezin. Zo eenvoudig was ik niet. Maar ik zag wel een plek voor mezelf. Een tafel waar ik bij hoorde. Mensen die merkten of ik thuiskwam.

Die zaterdag fietsten Noor en ik zwijgend terug. Bas stond in de keuken. Hij droeg zijn hardloopkleren.

‘Lekker gehaald, dames?’

Noor legde de zak op tafel en liep door naar haar kamer.

‘Wat is er?’ vroeg hij.

Ik vertelde het. Hij pakte een krentenbol.

‘Ze bedoelt er niks mee.’

‘Ze bedoelt precies wat ze zegt.’

‘Lot, geef het tijd.’

Dat zei hij vaak. Alsof tijd vanzelf deed wat wij niet durfden te bespreken.

Ik hing mijn jas op. Naast de deur stonden drie paar schoenen. Mijn laarzen, zijn sportschoenen, haar rode sneakers. Ik had die sneakers gekocht omdat de oude lek waren. Noor had ze zelf uitgezocht. Ze had mijn hand gepakt toen we door de drukke winkelstraat liepen.

Waarom telde dat in mijn hoofd als bewijs?

Die middag kwam mijn zus Eva langs. Zij had twee kinderen die voortdurend ‘mama’ riepen. Aan de telefoon klaagde ze daar soms over. Ik lachte dan mee.

Nu zaten we aan de keukentafel terwijl Bas met Noor boodschappen deed.

‘Wil je eigenlijk dat ze je mama noemt?’ vroeg Eva.

‘Nee.’

Mijn antwoord kwam te snel.

Eva wachtte.

‘Ik wil dat ze het misschien ooit zelf wil,’ zei ik.

Dat klonk anders. Ook lelijker dan ik had gehoopt.

‘Ze heeft al een moeder.’

‘Dat weet ik echt wel.’

‘Ik zeg niet dat jij dat niet weet.’

Ik schoof een kruimel over het tafelblad. Ik wilde dat Eva begreep hoeveel ik deed. Brood smeren. De juiste maillot zoeken. De afspraak bij de orthodontist onthouden omdat Bas vergat zijn agenda bij te werken. Maar zodra ik die lijst begon, hoorde ik hoe het klonk. Alsof ik uren inleverde voor een titel.

Die avond vroeg Noor of ik haar haar wilde vlechten. We zaten op haar bed. Ze hield de elastiekjes vast.

‘Niet zo strak als papa.’

‘Ik zal mijn best doen.’

In de spiegel boven haar bureau keek ze naar mijn handen.

‘Mama kan een vissengraat.’

‘Die kan ik niet.’

‘Geeft niet.’

Ik maakte twee gewone vlechten. Daarna liep ze zonder kus naar beneden.

Ik bleef even zitten. Op haar nachtkastje stond een foto van haar met Marieke. Ik zette het lijstje rechter. Toen schaamde ik me voor de opluchting die ik voelde toen Noor beneden riep:

‘Papa, kijk. Lotte kan het ook.’

Hoofdstuk 2

Een lege stoel

Drie weken later vergat Bas het schoolgesprek.

Ik ontdekte het om kwart over vier. Op tafel lag een brief met twee namen en een tijdstip. Bas had hem onder een folder van de bouwmarkt geschoven.

‘Het is om vijf uur,’ zei ik door de telefoon.

‘Verdomme. Ik zit nog in Amersfoort.’

‘Marieke dan?’

‘Die werkt. Ik zou gaan.’

Ik keek naar Noor. Ze zat op de vloer een doos stiften uit te zoeken. Rode bij rode. Blauwe bij blauwe. Ze deed alsof ze niet luisterde.

‘Kun jij?’ vroeg Bas.

Ik had om halfzes afgesproken met een vriendin. We zouden eten in de stad. Het was al twee keer niet doorgegaan.

‘Vraag eerst of school dat goed vindt,’ zei ik.

Tien minuten later stuurde hij een bericht. Geregeld. Dank je, schat.

Dat woord deed meer dan ik wilde toegeven. Ik zegde mijn vriendin af.

Bij het lokaal rook het naar natte jassen en lijm. Noor liep voor me uit. Juf Sanne wees ons twee stoelen. Op het tafeltje lag een schrift met een grote rode cirkel om een som.

‘Fijn dat je kon komen, Lotte.’

Noor keek op. Haar schouders zakten iets. De juf wist mijn naam. Ze hoefde niets uit te leggen.

Het gesprek begon met rekenen. Daarna ging het over buikpijn op woensdagochtend. Over boos worden als een opdracht anders liep dan verwacht. Over een tekening voor het thema familie.

Sanne schoof het papier naar me toe.

Links stonden Noor en Marieke bij een huis. Rechts Noor en Bas. Ik stond nergens.

‘We vroegen de kinderen wie er bij hun gezin horen,’ zei Sanne.

Ik voelde mijn gezicht warm worden.

‘Het is geen toets,’ voegde ze eraan toe.

Noor trok de tekening naar zich toe.

‘Ik had geen ruimte meer.’

Er was genoeg wit papier. We zagen het alle drie.

‘Je hoeft mij er niet bij te tekenen,’ zei ik.

Ik meende het op dat moment bijna.

Op weg naar huis wilde Noor lopen in plaats van achterop. We gingen langs het Wilhelminapark. Ze schopte een kastanje de stoep af.

‘Ben je boos?’

‘Nee.’

‘Je deed raar met je mond.’

Ik slikte.

‘Ik was even verdrietig. Dat is niet jouw schuld.’

‘Omdat je niet op de tekening staat?’

‘Een beetje.’

Ze bleef staan.

‘Dan teken ik je er toch bij.’

‘Dat hoeft niet.’

Maar het was al gebeurd. Ik had haar verteld waar mijn pijn zat. Nu wilde zij die oplossen. Ik wist niet hoe ik dat terug moest nemen zonder opnieuw iets moeilijks te zeggen.

Thuis legde ze de tekening op tafel. Ze tekende mij naast het rechterhuis. Groene jas. Bruin haar. Een veel te grote hand.

‘Zo.’

‘Dank je,’ zei ik.

Daarmee maakte ik het erger.

Om halfacht belde Marieke. Bas nam op in de gang. Ik hoorde eerst alleen zijn stem. Toen de hare, scherp door de luidspreker.

‘Waarom zit Lotte daar zonder dat iemand mij belt?’

Bas deed het geluid zachter.

‘Ik heb school gesproken.’

‘Ik ben niet school.’

Noor zat naast me op de bank. Ze stopte met kauwen op haar appel.

Ik stond op en liep naar de gang.

‘Niet hier,’ zei ik zacht.

Bas keek geïrriteerd. Alsof ik me mengde in iets wat mij niet aanging. Terwijl mijn naam door de gang klonk.

Hij liep naar buiten. Noor zette haar bordje neer.

‘Mama vindt het niet leuk.’

‘Mama vindt het niet leuk dat ze niets wist.’

‘Van jou.’

Ik had geen antwoord dat niet tegelijk een verdediging was.

Later zat Bas tegenover me aan tafel. Noor sliep.

‘Je had Marieke zelf even kunnen appen,’ zei hij.

Ik keek hem aan.

‘Jij vroeg mij. Jij zei dat het geregeld was.’

‘Ja, maar je weet hoe gevoelig ze is.’

‘Nee. Dit ga je niet bij haar neerleggen. Of bij mij.’

Hij wreef over zijn ogen.

‘Ik probeer het voor iedereen goed te doen.’

‘Vandaag heb je vooral mij gestuurd.’

We waren voor het eerst echt stil samen. Niet prettig stil. Ik hoorde de koelkast aanslaan.

Voor ik naar bed ging, zag ik de tekening nog liggen. Mijn groene jas was doorgestreept. Daaronder had Noor geschreven: Lotte was op haar werk.

Ik pakte het papier niet op. Ik deed alleen het licht uit.

Hoofdstuk 3

Niet jouw kind

Marieke vroeg of we koffie konden drinken. Zonder Bas. Zonder Noor.

We spraken af in Zeist, in een lunchzaak aan de Slotlaan. Ik was te vroeg. Zij ook. We zagen elkaar door de ruit en deden allebei alsof we nog iets op onze telefoon moesten afmaken.

Binnen bestelde ze thee.

‘Ik wil geen gedoe,’ zei ze.

‘Ik ook niet.’

Dat was een slecht begin. Alsof gedoe iets was wat de ander in een tas had meegenomen.

Marieke trok haar jas uit. Ze droeg haar werkshirt nog onder een vest. Ze werkte bij een apotheek. Onder haar ogen zaten donkere kringen.

‘Noor zegt dat jij verdrietig was om haar tekening.’

Ik zette mijn kopje neer.

‘Ja. Dat heb ik niet goed aangepakt.’

Ze leek voorbereid op verweer. Mijn antwoord haalde iets uit haar houding.

‘Ze vroeg of ze voortaan alles twee keer moest maken,’ zei ze. ‘Eén voor mij. Eén voor jou.’

Ik keek naar de suikerzakjes.

‘Dat wil ik niet.’

‘Maar ze denkt het wel.’

We lieten die zin even staan.

Toen zei ik wat ik al dagen oefende. Dat ik Marieke niet wilde vervangen. Dat ik tegelijk niet wist hoe ik moest wonen met een kind voor wie ik zorgde, zonder soms te hopen op iets terug.

‘Wat terug?’ vroeg ze.

‘Waardering. Een plek.’

‘Van Bas of van Noor?’

Ik vond haar op dat moment onaardig. Vooral omdat het een goede vraag was.

‘Waarschijnlijk van allebei.’

Marieke draaide haar theeglas een kwartslag.

‘Bas kan goed blij zijn dat iets geregeld is. Hij vraagt niet altijd wie het geregeld heeft.’

Ik wilde niet met haar over hem gaan klagen. Ik wilde ook niet doen alsof ik niet wist wat ze bedoelde.

We spraken iets praktisch af. Als ik een schoolgesprek overnam, kreeg zij vooraf bericht van Bas. Medische beslissingen bleven bij de ouders. Noodgevallen waren natuurlijk anders. En niemand zou Noor vragen hoe het in het andere huis was geweest om daar vervolgens commentaar op te geven.

Bij de deur zei Marieke:

‘Ze mag je leuk vinden. Dat zeg ik ook tegen haar.’

Ik knikte.

‘Maar soms vind ik het zelf moeilijk,’ voegde ze toe.

Dat had ik niet verwacht. Ik wist niets slims te zeggen.

‘Ik ook,’ zei ik.

De donderdag erna ging het thuis mis om een tablet.

Noor had een halfuur gekeken. We zouden eten. Ik vroeg haar het filmpje uit te zetten. Ze deed alsof ze me niet hoorde.

‘Noor. Nu afronden.’

‘Papa zegt dat deze nog mag.’

Bas was boven aan het bellen. Ik had hem niets horen zeggen.

‘Dan hoor ik dat zo. Nu aan tafel.’

Ze drukte het geluid harder.

Ik pakte de tablet van de bank. Te snel. Ze had hem nog vast. Het apparaat viel tussen de kussens.

‘Blijf van mijn spullen af!’

‘Dan moet je luisteren.’

‘Jij bent mijn moeder niet!’

Daar was hij. De zin waar ik bang voor was geweest. Ik had er rustige antwoorden voor bedacht. Geen daarvan kwam.

‘Maar ik ben blijkbaar wel goed genoeg om alles voor je te doen.’

Noor verstijfde.

Bas stond onder aan de trap.

‘Wat gebeurt hier?’

‘Zij pakt mijn tablet!’

Hij keek naar mij.

‘Laat mij dit maar doen, Lot.’

‘Graag zelfs.’

Ik pakte mijn jas en liep naar buiten. Zonder sleutels. Daar kwam ik pas achter bij de hoek.

Ik belde Eva en vroeg of ze me kon ophalen. Terwijl ik wachtte bij de bushalte, voelde ik vooral woede. Op Noor. Op Bas. Op mezelf omdat ik boos was op een kind van acht.

Bij Eva kreeg ik geen advies. Ze zette soep neer en vroeg of ik wilde blijven slapen.

‘Ik weet niet of ik dit kan,’ zei ik.

‘Vanavond hoef je dat niet te beslissen.’

Om tien uur stuurde Bas: Ze slaapt. Kunnen we praten?

Ik belde hem.

Hij zei dat mijn opmerking niet kon. Ik zei dat ik dat wist.

‘Maar jij maakt mij verantwoordelijk zolang het handig is,’ zei ik. ‘En zodra het moeilijk wordt, moet ik plaatsmaken.’

‘Dat bedoel ik niet zo.’

‘Ik heb inmiddels meer aan andere afspraken dan aan jouw bedoelingen.’

Voor het eerst zei hij niet dat ik het tijd moest geven.

‘Wat heb je nodig?’ vroeg hij.

Ik keek naar mijn ongebruikte lepel.

‘Dat moet ik uitzoeken. En jij ook.’

Hoofdstuk 4

Andere afspraken

Ik bleef twee nachten bij Eva. Op vrijdag ging ik terug toen Noor op school zat.

Bas had bloemen gekocht. Ze stonden nog in plastic op het aanrecht.

‘Dank je,’ zei ik. ‘Maar eerst praten.’

We gingen aan tafel zitten. Hij had een notitieboek klaargelegd. Dat vond ik overdreven. Daarna vond ik het fijn dat hij iets had klaargelegd.

Ik begon met de tablet. Mijn zin over alles wat ik voor Noor deed. Ik probeerde hem niet zachter te maken.

‘Ik heb haar iets verweten waar zij niet om heeft gevraagd.’

Bas knikte.

‘Ik had eerder beneden moeten zijn. Ik hoorde je de eerste keer al roepen.’

‘Waarom kwam je niet?’

‘Omdat ik mijn gesprek wilde afmaken.’

Het was een simpel antwoord. Geen vergadering die onmogelijk onderbroken kon worden. Geen misverstand. Gewoon zijn keuze.

We schreven op wat er elke week moest gebeuren. School. Sport. Was. Eten. Tandarts. Verjaardagsfeestjes. Cadeautjes voor die feestjes. Bij veel taken stond mijn naam.

‘Jij vindt regelen makkelijker,’ zei hij.

‘Dat is geen afspraak.’

Hij kraste iets door.

Vanaf die week zou hij op woensdag op tijd stoppen met werken. Hij regelde schoolzaken en contact met Marieke. Ik bleef op donderdag ophalen, omdat ik dan thuiswerkte en dat ook graag wilde. Extra dingen moest hij vragen. Niet melden terwijl hij al zijn jas aantrok.

We maakten ook drie huisregels. Niet slaan. Niet schelden. Schermen uit bij het eten. Die golden bij ons, ook als alleen ik thuis was.

‘En als ze zegt dat ik haar moeder niet ben?’ vroeg ik.

Bas keek naar zijn boekje.

‘Dan zeg ik dat dat klopt. En dat jij hier wel iets te zeggen hebt.’

‘Niet alleen achteraf tegen mij.’

‘Nee. Tegen haar.’

Toen Noor thuiskwam, zat ik op de vloer in de woonkamer. Ik had geen taart gebakken. Geen cadeau gekocht. Ik had mezelf moeten tegenhouden.

‘Mag ik iets zeggen over woensdag?’ vroeg ik.

Ze bleef bij de deur staan.

‘Mijn opmerking was gemeen. Jij hoeft mij niet terug te betalen voor dingen die ik voor je doe.’

Ze trok aan de rits van haar jas.

‘En je hoeft mij geen mama te noemen. Ook later niet.’

‘Dat ging ik ook niet doen.’

Het stak. Natuurlijk stak het. Ik hield mijn gezicht rustig.

‘Dat is goed.’

‘Blijf je wel hier wonen?’

Ik keek even naar Bas. Hij stond achter haar, met haar schooltas in zijn hand.

‘Ja,’ zei ik. ‘Bas en ik moesten iets bespreken. Daarom sliep ik bij Eva.’

‘Mama dacht dat jullie ruzie hadden.’

‘Dat hadden we ook,’ zei Bas. ‘Die ruzie moeten wij oplossen.’

Noor knikte. Daarna vroeg ze of er yoghurt was.

Ik had gehoopt op een omhelzing. In plaats daarvan pakte ik een kom. Dit keer merkte ik mijn verwachting op voordat ik haar ermee lastigviel.

Een week later zaten Bas en ik bij een gezinscoach in Utrecht. Zij heette Fatima en had een kantoor boven een fysiotherapiepraktijk. Op de gang deed iemand luid oefeningen. Dat maakte het minder plechtig.

Fatima vroeg wat wij wilden veranderen.

‘Ik wil minder snel gekwetst zijn,’ zei ik.

‘Ik wil dat het gezellig is,’ zei Bas.

‘Wat doe je als het niet gezellig is?’ vroeg ze hem.

‘Werken,’ zei ik.

Hij keek boos. Toen moest hij kort lachen.

‘Soms wel.’

We gingen drie keer. Het was geen wondermiddel. We kregen geen stappenplan waarmee Noor vanzelf blij werd. Wel spraken we over dingen die thuis steeds ruzie opleverden.

Ik vertelde dat ik geen eigen kinderen had en niet wist of die er nog zouden komen. Bas had ooit gezegd dat een tweede kind hem leuk leek. Later werd dat ‘misschien’. Ik had het onderwerp laten rusten. Ondertussen wilde ik steeds belangrijker worden voor Noor.

Op de terugweg vroeg Bas of we nog koffie zouden halen.

‘Niet om dit gesprek af te ronden,’ zei ik.

‘Nee,’ zei hij. ‘Om ermee verder te gaan.’

We parkeerden onze fietsen. Binnen bestelde ik koffie. Hij vroeg wat ik bedoelde als ik zei dat ik een kind wilde. Voor het eerst in maanden luisterde hij naar het hele antwoord.

Hoofdstuk 5

De nachttelefoon

In februari belde Marieke om elf uur ’s avonds. Bas lag naast me en keek naar het scherm.

‘Er is iets,’ zei hij.

Ze klonk buiten adem. Ze had hevige buikpijn. Haar buurvrouw was bij haar en de huisartsenpost had haar doorgestuurd naar het ziekenhuis. Of Bas Noor kon halen.

Hij zat al rechtop.

‘Ik kom.’

Twintig minuten later reed hij naar Zeist. Ik maakte het bed van Noor op en zette een glas water neer. Daarna liep ik doelloos door het huis. Een ambulance hoorde ik niet. Ze was niet eens bij ons in de buurt. Toch luisterde ik naar elk geluid buiten.

Noor kwam in haar pyjama binnen. Over haar arm hing een jas. Ze had geen schoenen aan, alleen pantoffels.

‘Mama moet geopereerd,’ zei ze.

‘Dat weten we nog niet,’ zei Bas.

‘De buurvrouw zei het.’

Hij keek naar mij. Ik pakte haar jas aan.

‘Wil je eerst op de bank zitten?’

Ze kroop in de hoek. Ik legde een deken over haar benen. Ze trok hem tot haar kin.

Marieke had een acute blindedarmontsteking. Ze werd die nacht geopereerd. Bas bleef beneden op een bericht wachten. Noor wilde niet naar bed. Om halftwee zat ik nog naast haar. Op televisie bouwde iemand zonder geluid een huis.

‘Kan je doodgaan aan een operatie?’ vroeg ze.

Ik voelde Bas bewegen in de stoel.

‘Bij operaties zijn er risico’s,’ zei hij. ‘De artsen verwachten dat mama hiervan beter wordt.’

‘Maar kan het?’

‘Ja,’ zei hij zacht. ‘Het kan. Maar het gebeurt bij deze operatie niet vaak.’

Noor begon te huilen. Niet luid. Er liepen tranen langs haar neus terwijl ze naar het scherm bleef kijken.

Ik wilde zeggen dat het goed zou komen. Ik wilde het vooral zelf horen. In plaats daarvan schoof ik de doos tissues naar haar toe.

‘Wil je tegen me aan zitten?’

Ze schudde haar hoofd.

Een paar minuten later legde ze haar voeten op mijn schoot.

De operatie ging goed. Om drie uur kregen we bericht. Bas liet Noor de telefoon zien. Ze las dezelfde zin drie keer.

De volgende middag mocht ze op bezoek. Marieke lag bleek in bed. Er zat een infuus in haar hand. Noor liep eerst langzaam. Toen schoot ze naar voren.

‘Voorzichtig met mijn buik, lieverd.’

Ik bleef bij de deur. Bas zette een tas met spullen neer.

Marieke keek naar me.

‘Dank je.’

‘Natuurlijk.’

‘Nee, echt.’

Ik knikte. Meer was niet nodig.

Noor bleef vijf extra nachten bij ons. De eerste twee waren zwaar. Ze belde Marieke vaak. Ze wilde precies weten wanneer haar moeder naar huis mocht. Daarna wanneer ze weer mocht tillen. Daarna of hoesten pijn deed.

Op de derde avond vroeg ze of ik onder haar bed wilde kijken. Ze hoorde iets.

Ik ging op mijn knieën. Er lagen twee sokken, een kaartje van een kinderfeestje en een haarspeld.

‘Geen dieren,’ zei ik.

‘Ook niet bij de muur?’

Ik scheen met mijn telefoon.

‘Ook daar niet.’

Toen ik opstond, pakte ze mijn mouw.

‘Blijf je tot ik slaap?’

Ik ging op de stoel naast haar bed zitten. Na een kwartier werd mijn rug stijf. Na een halfuur vroeg ze of ik er nog was.

‘Ja.’

‘Je mag niet zomaar weg.’

‘Ik zeg het als ik ga.’

De volgende ochtend versliep ik me. Ik zat te laat in een werkoverleg en had mijn haar nog nat. Vroeger zou ik Bas dat later bitter hebben verteld. Nu belde ik hem na het overleg.

‘Vanavond ben jij aan de beurt. Ik moet slapen.’

‘Goed,’ zei hij.

En die avond ging hij daadwerkelijk op de stoel zitten.

Toen Noor weer naar Marieke ging, gaf ze me bij de voordeur een snelle knuffel. Haar gezicht drukte tegen mijn buik.

‘Bedankt voor het onder-bed-kijken.’

‘Graag gedaan.’

Ik keek haar na tot ze in de auto zat. Er kwam geen nieuwe naam. Geen grote uitspraak. Binnen stond haar lege glas nog op tafel.

Ik bracht het naar de keuken. Daarna belde ik mijn vriendin om eindelijk weer eens een afspraak te maken.

Hoofdstuk 6

Een plaats op de foto

In april werd Noor negen. Ze wilde bowlen en daarna patat eten. Geen thema. Geen slingers met een cijfer, want die waren kinderachtig. Wel een taart met negen kaarsjes.

Bas had het feestje geregeld. Zelf. Ik had alleen de allergieën van de kinderen in een lijst gezet nadat hij daarom vroeg.

Het familiebezoek was op zondag bij ons. Marieke kwam met haar moeder. Mijn ouders zouden later aansluiten. Dat laatste had ik spannend gevonden.

‘Waarom komen jouw ouders?’ had Noor gevraagd.

‘Omdat ze je verjaardag willen vieren. Vind je dat vervelend?’

‘Nee. Je vader doet grappig met kaarten.’

Daarmee was het geregeld. Geen overleg over opa-rollen. Gewoon een man die een kaart achter zijn oor kon laten verdwijnen.

Om twee uur stond de kamer vol. Marieke sneed taart, omdat zij gelijke stukken kon maken. Ik schonk koffie. Bas zocht lucifers terwijl die naast zijn hand lagen.

Een tijdje ging het goed. Zelfs prettig. Mariekes moeder vroeg naar mijn werk. Noor liet iedereen haar nieuwe skeelers zien.

Toen haalde Bas zijn telefoon tevoorschijn.

‘Even een foto met de jarige.’

Noor ging tussen hem en Marieke staan. Ik stapte opzij om een bordje weg te zetten.

‘Lot, kom erbij,’ zei Bas.

Ik zette het bord neer.

‘Nee,’ zei Noor. ‘Eerst alleen mijn gezin.’

Het gesprek naast de bank viel stil.

Ik stond half achter een stoel. Mijn hand lag nog op de rugleuning.

Bas opende zijn mond. Ik zag dat hij haar wilde corrigeren. Misschien hard. Misschien voor mij.

‘Maak deze maar,’ zei ik.

Mariekes moeder nam de foto. Noor glimlachte met dichte lippen. Ik liep naar de keuken en spoelde een mes af dat al schoon was.

Marieke kwam achter me aan.

‘Dat was rot.’

‘Ja.’

‘Ze had het over de foto van vroeger. Die van haar vijfde verjaardag. Dezelfde mensen.’

Ik zette de kraan uit.

‘Dat kan. Het blijft rot.’

‘Dat snap ik.’

Ik was blij dat ze niet zei dat Noor het niet zo bedoelde.

Na een minuut ging ik terug. Mijn vader zat op zijn hurken bij de salontafel. Noor probeerde te ontdekken waar zijn speelkaart gebleven was. Ik nam een stuk taart en ging naast Eva zitten.

Ik hoefde niet de rest van de middag koffie te schenken om te laten zien dat het goed met me ging.

Toen iedereen weg was, kwam Noor bij me staan.

‘Papa zegt dat ik je buitensloot.’

Ik keek naar Bas. Hij stond in de keuken en deed geen poging zich te verstoppen.

‘Wat vind jij?’ vroeg ik.

Ze haalde haar schouders op.

‘Ik wilde die foto.’

‘Dat mag.’

‘Maar jij was verdrietig.’

‘Ja. Om de woorden die je gebruikte. Niet omdat je een foto met je vader en moeder wilde.’

Ze streek met haar sok over een kruimel.

‘Wat had ik dan moeten zeggen?’

‘Eerst een foto met papa en mama. Bijvoorbeeld.’

‘O.’

Dat was alles. Ze ging haar cadeaus uitpakken.

Later vertelde Bas dat hij tegen haar had gezegd dat ik ook bij het huis hoorde. Hij had niet gezegd dat ze excuses moest aanbieden.

‘Dank je,’ zei ik.

Die nacht vroeg ik hem of hij nog een kind wilde. Niet ooit. Niet misschien na de zomer. Of hij het echt wilde onderzoeken.

Hij keek naar het plafond.

‘Ik weet het niet,’ zei hij.

Ik draaide me op mijn rug. Het antwoord deed pijn. Toch was het beter dan zijn geruststellende halve ja.

‘Dan moeten we daar iets mee,’ zei ik. ‘Want ik weet ook niet of ik ermee kan leven als jij het niet wilt.’

We sliepen slecht. De volgende ochtend maakten we een nieuwe afspraak bij Fatima. Alleen voor ons.

Op mijn werk vertelde ik Eva later dat het vreemd voelde. Het ging beter met Noor, en tegelijk stond mijn relatie ineens minder vast.

‘Misschien kun je nu eindelijk naar je eigen relatie kijken,’ zei ze.

Die avond vond ik een foto op mijn telefoon. Bas had hem tijdens het feest gemaakt. Ik zat op de bank. Noor stond naast me met haar nieuwe skeelers in haar handen. We keken allebei naar een loshangend gespje.

Ik bewaarde hem. Niet als tegenbewijs. Ik vond het gewoon een mooie foto.

Hoofdstuk 7

Gewoon Lotte

Een jaar na die ochtend bij de bakker noemt Noor me nog steeds Lotte.

Soms roept ze het alsof het een bevel is. Soms maakt ze er Lot van, net als Bas. Als ze iets wil wat waarschijnlijk niet mag, zegt ze heel netjes mijn hele naam.

‘Lotte van Dijk, mag ik bij Feline logeren?’

‘Dat moet je vader even met haar ouders regelen.’

‘Maar vind jij het goed?’

‘Van mij mag het.’

Dat kleine verschil hebben we moeten leren. Ik mag iets vinden. Ik hoef niet alles te regelen.

Bas werkt op woensdag nog steeds korter. Niet elke week lukt het. Laatst belde hij om drie uur dat een overleg uitliep. Of ik Noor kon halen.

Ik zat zelf in een overleg.

‘Nee,’ zei ik.

Er viel een stilte.

‘Oké. Dan ga ik nu weg.’

Hij klonk niet blij. Ik vond dat vervelend. Daarna ging ik verder met mijn werk. Toen hij thuiskwam, had hij brood gehaald. We maakten er geen ruzie van.

Marieke en ik drinken niet samen wijn op vrijdagavond. We zijn geen vriendinnen geworden. Soms erger ik me aan haar berichten. Soms vindt zij dat wij te laat antwoorden. Maar we bellen elkaar als iets niet duidelijk is. We laten Noor de boodschap niet overbrengen.

Op school sta ik als extra contactpersoon vermeld. Met toestemming van allebei. Bij mijn naam staat: partner van vader. Ik heb zelf gevraagd of mijn telefoonnummer klopte. Dat bleek belangrijker dan de omschrijving.

Bas en ik zijn nog samen. We hebben drie gesprekken over een eigen kind gevoerd zonder Noor erbij te halen als argument. Inmiddels hebben we besloten dat we het allebei willen proberen. Dat besluit maakte niet alles licht. Ik ben bang dat het niet lukt. Bas is bang opnieuw zo moe te worden als toen Noor klein was.

We hebben daar geen oplossing voor die in één zin past. Wel hebben we afspraken gemaakt over werk en zorg, nog voordat er sprake is van een zwangerschap. Ik weet nu beter wat een belofte waard is als niemand bespreekt wie er op woensdagmiddag naar school fietst.

Met Noor gaat het soms goed en soms stroef. Vorige maand zei ze tijdens een ruzie dat ze liever bij haar moeder woonde.

‘Dat mag je voelen,’ zei Bas. ‘En nu zet je je bord in de keuken.’

Ik moest mijn gezicht afwenden om niet te lachen. Niet om Noor. Om de opluchting dat niet elke boze zin meteen over mijn plaats in huis hoefde te gaan.

Twee weken geleden had ze een uitvoering in het buurthuis in Oost. Ze speelde geen hoofdrol. Ze was een reiziger die haar koffer kwijt was. Daar had ze vier zinnen voor. We hadden die zeker vijftig keer aan de keukentafel geoefend.

Marieke kwam rechtstreeks van haar werk. Bas had drie stoelen vrijgehouden. Ik zat aan het gangpad.

Vlak voor het begon, stak Noor haar hoofd door het gordijn. Ze zocht de zaal af. Toen ze ons zag, stak ze kort haar hand op.

Haar tekst ging goed. Alleen bij ‘informatiebalie’ struikelde ze over haar woorden. Ze probeerde opnieuw en liep door. Ik klapte hard. Net als de anderen.

Na afloop stond ik bij de kapstok toen een meisje uit haar groep vroeg wie ik was.

Noor trok haar jas van een haak.

‘Dat is Lotte. Ze woont bij mijn papa.’

Even bleef het daarbij.

‘Zij heeft mijn koffer gemaakt,’ zei ze toen.

Het was een schoenendoos met een handvat van oude riem. We hadden er stickers op geplakt. Er zat nog lijm aan mijn trui.

‘Cool,’ zei het meisje.

Buiten overlegden Bas en Marieke over het weekend. Noor kwam naast me staan.

‘Je zag me zoeken, hè?’

‘Naar ons in de zaal?’

Ze knikte.

‘Ik zag je.’

Ze pakte mijn hand toen we de straat overstaken. Aan de overkant liet ze weer los en rende naar haar moeder.

Het deed geen pijn. Niet die avond.

Thuis zette ik haar kartonnen koffer boven op de kast. Morgen wilde ze hem meenemen naar Zeist. Ik legde er een tas naast, zodat we hem niet zouden vergeten.

Vanaf de trap riep ze mijn naam.

‘Lotte? Kom je nog even?’

‘Ja,’ riep ik terug. ‘Ik kom.’