Naar de inhoud
Terug naar het boek

Ziekte en gezondheid

Mijn nieuwe werkelijkheid

Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.

Hoofdstuk 1

De hamer valt

Het begon op een dinsdag in oktober. Ik stond op een steiger aan de rand van Amersfoort. De wind kwam koud over het weiland. Ik was vierentwintig jaar timmerman en ik kende mijn gereedschap blind. Mijn klauwhamer woog achthonderd gram. Die hamer lag al vijftien jaar in mijn hand alsof hij aan mijn vingers was vastgegroeid. Ik zette een spijker op het rachelwerk van de dakkapel. Ik haalde uit. En toen was de hamer weg.

Er was geen pijn. Geen kramp. Mijn vingers lieten het staal gewoon los. De hamer stuiterde via de dakgoot naar beneden en sloeg met een doffe klap in de modder naast de bus.

"Alles goed daarboven, Frank?" riep Dave, mijn leerling. Hij stond onderaan de ladder met een doos schroeven.

Ik keek naar mijn rechterhand. De huid was rood van de kou, maar verder zag het er normaal uit. Alleen voelden mijn vingers alsof ze sliepen. Dat kriebelende, prikkelende gevoel als je te lang op je arm hebt gelegen. Ik kneep mijn vuist dicht. Dat ging traag. Mijn hand leek niet meer van mij te zijn. Het leek alsof ik een dikke werkhandschoen aanhad, terwijl mijn hand gewoon bloot was.

"Glijder!" riep ik terug naar Dave. Mijn stem klonk vaster dan ik me voelde. "Geef dat ding eens aan."

Ik werkte door tot vijf uur. Dave zaagde het hout, ik sloeg de spijkers erin. Maar het ging houterig. Elke keer als ik iets vastpakte, moest ik kijken of mijn vingers wel echt om het hout klemden. Ik kon niet meer vertrouwen op mijn gevoel. Tegen de tijd dat we de gereedschapskisten in de bus laadden, trok mijn rechterbeen een beetje. Alsof mijn laars tien kilo zwaarder was dan links.

"Je loopt raar," zei Dave toen we bij het tankstation stonden voor koffie.

"Kou in de rug," zei ik kort. "Te lang in de tocht gestaan op die kap."

Dave knikte en dronk zijn koffie leeg. Ik geloofde het zelf ook. Ik was vierenveertig. Mijn lichaam had altijd gewerkt. Ik tilde balken van vijftig kilo, ik sjouwde zakken cement de trap op, ik stond uren achter elkaar gebogen zonder te piepen. Een beknelde zenuw, dacht ik. Een hernia misschien. Lastig, maar niks wat een fysio en wat rust niet konden fixen.

Thuis rook het naar stoofvlees. Mijn vrouw Linda stond bij het fornuis. Luuk van twaalf zat aan de keukentafel met zijn huiswerk en Tess van negen tekende een paard met veel te lange benen. Het gewone leven. De warmte van het huis sloeg tegen mijn gezicht.

"Lange dag?" vroeg Linda zonder om te kijken.

"Het waaide flink," zei ik. Ik deed mijn werkschoenen uit bij de deur. Toen ik op sokken de woonkamer in liep, bleef mijn rechtervoet haken achter de rand van het vloerkleed. Ik verloor mijn evenwicht en viel tegen het dressoir. Twee foto-lijstjes kletterden omver.

Luuk keek op van zijn boek. Linda draaide zich geschrokken om met de pollepel in haar hand.

"Jezus, Frank. Wat doe je? Heb je gedronken?"

"Nee natuurlijk niet," snoof ik. Ik zette de lijstjes recht. Mijn hart bonkte in mijn keel. "Ik struikelde gewoon over dat rotding. Die hoek krult om."

"Die hoek ligt al drie jaar plat," zei Linda zacht. Ze keek me aan met die blik van haar. Ze zag altijd alles. Ze zag dat ik mijn rechterhand in mijn broekzak duwde om te verbergen dat hij trilde.

Die nacht kon ik niet slapen. Mijn been voelde rusteloos, warm en koud tegelijk. Onder het laken bewoog ik mijn tenen op en neer. Rechts ging trager dan links. Veel trager. Het leek alsof het signaal uit mijn hoofd door dikke stroop moest reizen voordat het mijn voet bereikte. Ik keek naar het plafond en luisterde naar de ademhaling van Linda naast me. Ik dacht aan de opdrachten voor volgende week. Een uitbouw in Soest. Drie weken werk, strakke planning. Als ZZP'er kun je niet zomaar op de bank gaan liggen. Geen uren maken betekent geen facturen sturen. Zo simpel was het.

De volgende ochtend kon ik de knoopjes van mijn werkoverhemd niet dichtmaken. Mijn vingertoppen gleden er steeds langs. Alsof ik geen grip had op de werkelijkheid.

"Nu naar de dokter," zei Linda toen ze de slaapkamer binnenkwam en zag hoe ik stond te klooien. Geen discussie. Haar stem duldde geen tegenspraak. Ik probeerde nog een grap te maken over ouderdom, maar de grap bleef steken in mijn keel.

Hoofdstuk 2

In de buis

Dokter Meijer was een rustige man met grijs haar en een bril met een dun montuur. Hij liet me op een lijn lopen over het linoleum van zijn spreekkamer. Met één oog dicht. Hij tikte met een rubberen hamertje op mijn knieën en ellebogen. Mijn linkerbeen schoot netjes naar voren. Mijn rechterbeen deed bijna niets.

Daarna pakte hij een wattenstaafje en een houten tandenstoker.

"Sluit je ogen, Frank. Vertel me of je iets scherps voelt of iets zachts."

Hij raakte mijn linkerarm aan. "Scherp," zei ik meteen. Hij raakte mijn rechterarm aan. Stilte. Ik voelde dat er druk was, maar wat het was? Geen idee.

"Frank?" vroeg de dokter.

"Zacht?" gokte ik.

"Het was de prikker," zei hij. Hij legde het gereedschap neer en ging achter zijn bureau zitten. Hij keek niet ernstig, maar wel heel geconcentreerd. Dat vond ik erger dan wanneer hij bezorgd had gekeken.

"Ik wil dat je naar de neuroloog gaat in het Meander," zei Meijer. "Vandaag nog als het kan. Ik bel ze direct even voor een spoedplek."

"Is het een hernia?" vroeg ik. Ik zat op de rand van de onderzoekstafel en trok mijn sokken weer aan. Het ging moeizaam.

"Dat sluit ik niet uit," zei Meijer ontwijkend. "Maar we moeten verder kijken. Je reflexen kloppen niet helemaal met een simpele zenuwbeknelling in je rug."

Drie uur later lag ik in een kille kamer in het ziekenhuis. Ze hadden me in een dun blauw schort gehesen. Mijn kleren hingen in een kluisje met sleutelnummer 42. Ik voelde me kaal en kwetsbaar zonder mijn werkbroek met zakken vol spijkers, duimstok en potlood.

"U mag blijven liggen, meneer Dekker. Het duurt ongeveer veertig minuten. We schuiven u er nu in."

De laborante zette een plastic helm over mijn hoofd en klikte hem vast. Alsof ik opgesloten werd in een kooi. Ze gaf me een rubberen balletje in mijn linkerhand. "Als er paniek is, gewoon knijpen."

Toen schoof de tafel naar achteren. De tunnel van de MRI-scanner was nauw. Mijn neus zat misschien tien centimeter van het plastic plafond van de buis. Ik ben niet bang in kleine ruimtes. Ik heb in de smalste kruipruimtes gelegen tussen de spinnen en het puin om leidingen te leggen. Maar dit was anders. Dit apparaat voelde als een machine die dwars door me heen keek en dingen zag die ik zelf niet wilde weten.

Het geluid begon plotseling. Een snoeiharde, ritmische dreun. *Klak-klak-klak-klak. Bzzzzzz. Toet-toet-toet.* Het leek op een pneumatische boor die vlak naast mijn oren in beton stond te beitelen, maar dan elektronisch vervormd. Ik kneep mijn ogen dicht. Ik probeerde te tellen. Eén, twee, drie, vier. Ik dacht aan de dakkapel in Amersfoort. Zou Dave die balken wel goed hebben vastgezet? Had hij waterpas gewerkt? Ik dwong mezelf om aan bouwtekeningen te denken, aan maten, aan houtsoorten. Eikenhout, vurenhout, meranti. Alles om maar niet te luisteren naar die beukende herrie om mijn schedel.

De tafel trilde licht onder mijn rug. De lucht in de buis was koud en rook naar ozon en schoonmaakmiddel. Mijn rechterhand voelde doods aan. Ik kneep niet in het balletje. Ik vertikte het.

Na wat een eeuwigheid leek, stopte het lawaai. De tafel schoof langzaam de lichte ruimte weer in. De laborante haalde de helm van mijn hoofd.

"Goed gedaan," zei ze vriendelijk. "U mag zich weer aankleden en plaatsnemen in wachtruimte 3. De neuroloog roept u zo."

In de wachtruimte zat Linda. Ze had haar jas nog aan en haar tas op schoot. Ze had kringen onder haar ogen. Ze had de buurvrouw gevraagd om Tess uit school te halen. We zeiden bijna niks. Ik pakte haar hand vast met mijn goede hand. We keken naar een scherm aan de muur waarop tips voor een gezonde leefstijl voorbijkwamen. Eet meer groente. Beweeg dertig minuten per dag. Ik had me mijn hele leven het lazarus gewerkt in de buitenlucht. Gezonder dan ik bestond bijna niet.

"Meneer Dekker?"

Dokter Van Dijk was een jonge vrouw met donker haar in een strakke staart. Haar spreekkamer was licht en modern. Op haar scherm stonden zwart-witfoto's van hersenen en een wervelkolom. Het leek op een landkaart van een vreemde planeet.

Ze ging zitten en wees naar het scherm. Ze draaide er niet omheen. Daar hield ik van, dacht ik nog even bitter.

"We zien ontstekingsplekken," zei ze. Ze wees met een pen naar een paar witte vlekjes op het grijze beeld van mijn ruggenmerg en in mijn hersenen. "Vlekjes. We noemen dat laesies."

"En wat betekent dat?" vroeg Linda. Haar stem klonk breekbaar.

Dokter Van Dijk legde haar handen op het bureau. Ze keek me recht aan. "Alles wijst op Multiple Sclerose. MS. In een actieve fase."

Het woord bleef in de kamer hangen als zaagsel na een harde zaagsnede. Het daalde neer op mijn schouders. Het maakte geen geluid, maar het woog een ton.

Hoofdstuk 3

De stilte thuis

"Ga je dood?" vroeg Luuk.

We zaten aan de eettafel. De pannen stonden op tafel, maar niemand had opgeschept. Het eten was koud geworden. Tess zat met haar mouwen over haar handen getrokken en keek van Luuk naar mij.

"Nee," zei ik meteen. Mijn stem was hard, bijna te fel. "Absoluut niet. Papa gaat niet dood. Mijn zenuwen zijn een beetje in de war. De draden maken een soort kortsluiting. Meer is het niet. De dokter gaat me medicijnen geven."

"Moet je dan in een rolstoel?" vroeg Tess. Haar lip trilde.

"Welnee," zei ik en ik lachte geforceerd. "Kijk naar me. Ik zit hier toch gewoon? Ik loop toch gewoon? Ik ben alleen even een beetje wankel. Volgende maand sta ik weer op de bouw."

Linda keek naar haar bord en sneed haar aardappel in piepkleine stukjes. Ze zei niks. Ze wist dat ik loog. Of beter gezegd: ze wist dat ik hoopte dat ik loog. De neuroloog had gezegd dat niemand het beloop van de ziekte kan voorspellen. Het kon jaren rustig blijven. Het kon ook snel bergafwaarts gaan. "Iedereen heeft zijn eigen MS," had ze gezegd. Ik haatte die zin meteen. Het klonk alsof ik een rotcadeau had gekregen dat speciaal voor mij was uitgezocht.

De dagen erna probeerde ik het leven door te duwen zoals het was. Gewoon doordouwen, dat was mijn methode. Als je een kromme spijker had, sloeg je hem er met grof geweld in of je trok hem eruit en pakte een nieuwe. Je ging niet zitten janken bij het hout.

Op vrijdag ging ik gewoon naar de klus in Hilversum. Linda had gesmeekt of ik thuis wilde blijven, maar ik werd gek tussen vier muren. Ik moest bewegen. Ik moest laten zien dat die witte vlekjes op de scan me niet klein kregen.

Het was een verbouwing van een oude villa. Hoge plafonds, veel stof, de geur van vers gips en steenpuin. Dave was er al.

"Hoe is het nou, baas?" vroeg hij voorzichtig toen ik binnenkwam. Hij wist van het ziekenhuisbezoek, maar ik had alleen gezegd dat ze 'onderzoek deden naar een beknelling'.

"Prima. Gas erop," zei ik. "Die tussenwand moet er voor het weekend in staan."

Ik pakte een gipsplaat. Normaal tilde ik die dingen in mijn eentje op mijn schouder, liep de trap op en schroefde ze tegen de balken. Nu tilden Dave en ik hem samen. Mijn rechterkant voelde zwaar, alsof er nat zand door mijn aderen stroomde in plaats van bloed. Halverwege de woonkamer gaf mijn rechterbeen ineens mee. Geen waarschuwing. De knie knikte gewoon naar voren.

Ik viel op mijn zij. De gipsplaat knapte met een luid krakend geluid doormidden over mijn heup. Wit poeder stoof op in het zonlicht dat door de ramen viel.

"Frank!" Dave liet zijn kant vallen en boog zich over me heen. "Blijf liggen, man! Wat is er?"

Ik lag op de ruwe betonvloer tussen het witte gipspoeder. Mijn heup deed zeer, maar die pijn was niks vergeleken met de woede die in me opwelde. Een gloeiende, zwarte woede. Ik sloeg met mijn vuist op de betonnen vloer. Eén keer, twee keer. De klappen galmden door de lege villa.

"Verdomme!" schreeuwde ik. "Kutzooi!"

Dave schrok van mijn uitbarsting. Hij deed een stap naar achteren. Ik was nooit een schreeuwer geweest op het werk. Ik was de rustige aannemer die alles oploste als er problemen waren met leidingen of kozijnen.

"Help me overeind," snauwde ik.

Hij pakte me onder mijn oksels en hees me op een omgekeerde speciekuip. Mijn adem ging tekeer alsof ik een marathon had gerend. Mijn rechterbeen trilde onbeheersbaar. De spieren trokken uit zichzelf samen in harde, pijnlijke schokken. Ik keek naar de kapotte gipsplaat op de vloer. Vijftien euro materiaal naar de klote. Dat was niks. Maar het besef dat ik die plaat niet eens meer recht kon houden, dat brak me doormidden.

"Ik breng je naar huis," zei Dave zacht. Zijn stem klonk ineens volwassen, niet meer als die van een leerling van negentien.

"Ik kan rijden," zei ik koppig.

"Je kan niet eens op je poten staan, Frank. Ik rij. We laten de bus hier staan en ik pak jouw wagen wel. Kom op."

Toen we bij mijn huis stopten en Linda de voordeur opendeed en mijn witte, met stof bedekte kleren zag, stelde ze geen vragen. Ze bedankte Dave, pakte mijn arm en leidde me naar binnen alsof ik een bejaarde man was. Ik haatte het. Ik haatte elke centimeter van de gang, ik haatte de trapleuning die ik stevig moest vastgrijpen, ik haatte de geur van het wasmiddel op de bank.

Ik ging liggen en trok het plaid over me heen. Buiten scheen de zon. Het was pas twee uur 's middags. De tijd stond stil, maar de wereld draaide gewoon door zonder mij.

Hoofdstuk 4

Zwarte sneeuw

Drie weken later lag ik weer in het ziekenhuis. Dit keer op de afdeling neurologie. Mijn lichaam had besloten om volledig te staken. De artsen noemden het een 'ernstige exacerbatie' of een 'schub'. Ik noemde het een sloophamer.

Mijn rechterbeen deed helemaal niets meer. Als ik ernaar keek en probeerde mijn tenen te wiebelen, gebeurde er net zoveel als wanneer ik naar de tafelpoot keek. Niks. En mijn zicht aan mijn linkeroog was wazig geworden, alsof iemand een laag vaseline over mijn lens had gesmeerd. Ik zag de wereld door een melkglas.

Ze sloten me aan op een infuus. Drie dagen lang kreeg ik een stootkuur methylprednisolon. Duizend milligram per dag. Een paardenmiddel, zei de verpleegkundige met een bemoedigende glimlach. Ze was een jaar of dertig en heette Sandra. Ze bewoog handig met slangen en zakken vloeistof. Ik keek naar de doorzichtige vloeistof die druppel voor druppel mijn ader in gleed. Druppel. Druppel. Het leek alsof mijn toekomst in datzelfde tempo wegtikte.

De prednison maakte een monster van me. Mijn mond smaakte constant naar verbrand metaal, een bittere, chemische smaak die zelfs met pepermunt niet wegging. Slapen lukte niet meer. Mijn hoofd tolde van de chemische energie, terwijl mijn lijf als een zandzak in het verstelbare bed lag. 's Nachts om drie uur staarde ik naar de tl-buis op de gang die door het raampje van de kamerdeur scheen. Ik hoorde het piepen van monitors, het schuifelen van sloffen, iemand die zachtjes kreunde twee deuren verderop.

In die nachten zag ik zwarte sneeuw. Zo voelde het in mijn hoofd. Een donkere storm van gedachten die ik niet kon stoppen.

Ik was ZZP'er. Ik had wel een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten toen ik begon, maar die keerde pas uit na een wachttijd van zes maanden. En dan nog: het was een basisdekking. Net genoeg om de hypotheek te betalen als we heel zuinig deden. Geen vakanties meer. Geen sportclub voor de kinderen zonder na te denken. Misschien moesten we het huis verkopen. Ons huis in de lommerrijke straat, waar ik zelf de houten vloer in had gelegd, waar ik de badkamer had betegeld met grote grijze tegels die perfect waterpas lagen.

Wat voor man was ik als ik niet meer voor mijn gezin kon zorgen? Ik was de kostwinner. Ik was degene die de schuur bouwde, die de lekkages verhielp, die Luuk leerde hoe hij een handzaag moest vasthouden. Zonder mijn handen en mijn rug was ik niks. Een lege huls die ruimte innam op de bank en geld kostte.

Op de tweede nacht kwam Linda op bezoek toen het eigenlijk al geen bezoektijd meer was. Sandra van de verpleging kneep een oogje dicht.

Linda ging op de rand van het bed zitten. Ze zag er grauw uit. Ze werkte vier dagen per week op een administratiekantoor, runde het hele huishouden en reed tussendoor op en neer naar het ziekenhuis. Haar handen waren koud toen ze de mijne pakte.

"De accountant belde," zei ze zacht. Ze probeerde het luchtig te brengen, maar haar stem brak even. "Over de kwartaalaangifte. En Dave heeft gevraagd of hij via een ander bouwbedrijf aan de slag kan. Hij kan niet wachten tot... nou ja, tot je weer beter bent."

"Hij moet gaan," zei ik. Mijn tong voelde dik door de medicijnen. "Hij moet meters maken. Hij heeft niks aan een baas die als een lijk in bed ligt."

"Zeg dat niet, Frank."

"Het is toch zo? Kijk nou naar me, Lin!" Ik trok mijn hand los uit de hare. Het ging woedend, met een ruk. "Ik kan niet eens zelf naar de plee zonder dat er zo'n meid van twintig met me mee moet lopen met een po-stoel! Ik ben kapot. De boel is naar de klote."

Linda huilde niet. Dat deed ze bijna nooit als ik erbij was. Ze zette haar kaken op elkaar. Haar ogen werden hard.

"Je bent ziek, Frank. Je bent niet dood. En hou op met dat zelfmedelijden, want daar hebben de kinderen geen reet aan. Ik ook niet trouwens. Als jij opgeeft, wat moet ik dan doen? Vertel me dat eens even? Moet ik dan ook maar gaan liggen janken?"

We keken elkaar aan in het halfduister van de ziekenhuiskamer. De lucht tussen ons was strak gespannen. Ik wilde schreeuwen dat ze geen idee had hoe het voelde om je eigen benen kwijt te raken terwijl ze er nog aan zaten. Maar ik hield mijn kaken op elkaar. Ze had gelijk. Dat was het ergste. Ze had verdomme gewoon gelijk.

Hoofdstuk 5

De drempel over

Het revalidatiecentrum rook naar rubberen vloeren, zweet en hete koffie uit een automaat. Het lag aan de rand van de bossen bij Zeist. Een laag gebouw van baksteen met brede deuren en overal hellingbanen in plaats van trappen. Ik kwam er drie ochtenden in de week, nadat de prednisonkuur de ergste vlam uit de ontsteking had gehaald. Ik kon weer een beetje strompelen, met een wandelstok met een rubberen dop.

Mijn fysiotherapeute heette Anouk. Ze droeg een trainingsbroek en had een fluitje om haar nek dat ze nooit gebruikte. Ze was dertig, pezig en had de vrolijke meedogenloosheid van een drillinstructeur.

"Kom op, Frank. Voeten optillen. Kijk niet naar de grond. De grond loopt nergens heen," zei ze terwijl ik tussen twee lange houten leuningen liep.

"Mijn voet blijft hangen," gromde ik. Het zweet liep in mijn ogen. Mijn hemd plakte aan mijn rug. De afstand tussen het begin en het einde van de brug was zes meter. Zes meter. Vroeger rende ik die afstand met drie balken op mijn schouder.

"Weer opnieuw," zei Anouk. "Hak eerst neerzetten. Wikkel af. Denk aan de beweging."

"Ik wil niet denken aan lopen!" riep ik uitbarstend. Ik klemde mijn handen wit om de houten leuning. "Lopen doe je gewoon! Je denkt toch ook niet na over ademhalen?"

Anouk bleef rustig. Ze leunde tegen de muur met haar armen over elkaar. "Vroeger deed je het automatisch, Frank. Nu is de kabel beschadigd. Je moet je hersenen een omweg leren bouwen. Dat kost tijd en dat kost concentratie. Nog een keer."

Ik beet op mijn tanden en zette weer een stap. Hak. Afwikkelen. Knie buigen. Niet slepen.

In de pauzes zat ik in de lounge met andere 'revalidanten'. Zo heetten we daar. Niemand was er gezond. Er zat een vrouw van mijn leeftijd die een hersenbloeding had gehad en opnieuw moest leren praten. Er zat een jongen van twintig die met zijn scooter tegen een boom was geknald en zijn onderlichaam niet meer voelde.

En er was Bert. Bert was zestig, had al vijftien jaar progressieve MS en zat in een elektrische rolstoel die hij bestuurde met een joystick bij zijn kin. Hij had bijna geen spierkracht meer over in zijn armen, maar zijn ogen stonden helder.

"Je kijkt alsof je net je eigen begrafenis hebt geregeld," zei Bert op een donderdag tegen me toen ik met een kartonnen beker koffie naast hem ging zitten. Het kostte me moeite om de beker niet te morsen.

"Zo voelt het ook wel een beetje," bromde ik. Ik keek naar zijn rolstoel. De banden waren vies van modder; hij was buiten geweest.

"Je bent timmerman, toch?" vroeg hij.

"Geweest," zei ik hard.

Bert lachte kort. Het klonk als een schorre hoest. "Man, schei toch uit met dat dramatische gedoe. Mijn vader was meubelmaker. Die zei altijd: als het hout krom trekt, moet je niet proberen het recht te slaan met een moker. Dan splijt het. Je moet kijken hoe de nerf loopt en je ontwerp aanpassen."

"Mijn hele leven is gespleten, Bert. Wat lul je nou over nerven?"

"Je zit nog niet in een stoel," zei hij rustig, zonder boosheid. "En zelfs al kom je erin terecht, dan ben je er nog. Je kop doet het toch nog? Je weet toch nog hoe je een kozijn moet stellen? Je weet toch nog wat een goede constructie is?"

Ik zweeg en keek naar mijn handen. De eeltplekken op mijn handpalmen begonnen al te slijten. Mijn handen werden zachter, gladder. Handen van iemand die achter een bureau zat. Het deed me fysiek pijn om te zien.

"Kijk," ging Bert verder terwijl hij zijn rolstoel een paar centimeter verzette met zijn kin. "Die ziekte pakt dingen af. Dat is een feit. Daar hoef je niet leuk over te doen, want het is gewoon klote. Maar als je blijft vechten tegen wat je niet meer kan, verlies je elke dag. Je moet leren rekenen met wat je vandaag wél hebt. Energie is net geld. Je hebt vanmorgen tien munten gekregen. Ga je die alle tien uitgeven aan stampij maken over wat kapot is? Of bewaar je er drie om vanavond met je zoontje een legotoren te bouwen?"

Ik keek hem aan. De man zat vast in zijn eigen lijf, maar hij klonk vrijer dan ik me in maanden had gevoeld. Ik dronk mijn koude koffie op. De bitterheid smaakte ineens anders. Minder chemisch. Echter.

Hoofdstuk 6

Nieuwe maten

In de lente begon ik mijn schuur op te ruimen. Het was de eerste keer sinds het incident in Hilversum dat ik de werkplaats achter in mijn tuin weer in stapte. De lucht van zaagsel, lijnzaadolie en oud ijzer sloeg over me heen. Het was mijn domein. Jarenlang had ik hier gestaan tot diep in de avond, kasten makend, tafels schavend, naar Radio 2 luisterend.

Nu zag ik het anders. Er lagen drempels van vier centimeter hoog. De doorgang tussen de grote zaagtafel en de werkbank was te smal om veilig doorheen te lopen als mijn been weer eens dienst weigerde. Overal slingerden snoeren over de vloer. Doodeng als je voeten de grond niet goed voelen.

Ik zette mijn wandelstok tegen de muur. Ik pakte een bezem met zachte haren. Heel langzaam begon ik te vegen. Niet haasten. Eén muntje tegelijk uitgeven, zoals Bert had gezegd.

Luuk kwam na school de schuur in gelopen. Hij bleef in de deuropening staan, zijn rugzak nog over zijn schouder. Hij keek schichtig naar me, alsof hij bang was dat ik weer zou ontploffen zoals die keer met de gipsplaat.

"Hee pap," zei hij.

"Hee maat," zei ik. Ik leunde even op de bezemsteel. Het zweet stond op mijn voorhoofd, maar mijn ademhaling was rustig. "Pak eens even een schroeftol uit die koffer daar."

Hij zette zijn tas neer en deed wat ik vroeg. "Wat gaan we doen?"

"Die zaagtafel moet een meter naar links. De ruimte is te krap. En we gaan die drempel weghalen en vervangen door een schuine lat. Zodat ik er niet over op mijn bek ga als ik niet oplet."

Luuk keek naar de schroeftol in zijn handen en toen naar mij. Een brede grijns brak door op zijn sproetige gezicht. "Echt? Mag ik schroeven?"

"Als je het recht doet wel ja. Twee handen gebruiken, Luuk. Rustig aanzetten. Niet doordraaien in het hout."

Die middag werkten we samen. Ik deed bijna niets met mijn handen, behalve aanwijzen en uitleggen. Ik zat op een hoge kruk met een rugleuning die ik van de zolder had gehaald. Het ging tergend langzaam. Een klusje dat ik vroeger in twintig minuten klaarde, kostte ons drie uur. Twee keer schoot de bit van de schroefkop en beschadigde Luuk het hout. Vroeger had ik een zucht geslaakt en het gereedschap overgenomen. Nu haalde ik adem. Ik liet hem zien hoe hij meer druk op de achterkant van de machine moest zetten.

"Zie je wel?" zei ik toen de schroef strak in het vurenhout verdween. "Geduld, Luuk. Hout haast zich niet. IJzer ook niet."

's Avonds zaten Linda en ik in de keuken. De kinderen lagen in bed. Op tafel lag een stapel formulieren. Het UWV, de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de belastingdienst. Het bureaucratische moeras waarin we de afgelopen maanden bijna waren verzopen.

"De keuring is over twee weken," zei Linda. Ze schoof een mok thee naar me toe. "De arts van de verzekering wil weten hoeveel uur je nog denkt te kunnen werken."

Ik keek naar mijn handen op de tafel. Mijn rechterwijsvinger tintelde nog steeds, een dof gezoem onder mijn huid dat nooit meer helemaal weg was gegaan. Maar de kracht in mijn been was stabiel. Ik kon weer een kilometer lopen zonder stok, mits de ondergrond vlak was en ik rustig aan deed. Als ik moe werd, begon de sleepvoet weer. Mijn melkglas-oog was voor tachtig procent hersteld. Niet perfect, maar goed genoeg om een lijn te trekken met een potlood.

"Tien tot vijftien uur," zei ik.

Linda keek op van de papieren. Ze keek me recht aan, onderzoekend.

"Geen daken meer," zei ik, en het uitspreken deed pijn, alsof ik een stuk van mezelf wegsneed met een botte beitel. "Geen zware verbouwingen. Geen steigers. Ik kan het niet meer verantwoorden. Niet naar de jongens toe, niet naar de klanten, niet naar jullie. Als ik van een ladder pleur, breek ik mijn nek."

"En wat ga je dan doen in die vijftien uur?" vroeg ze zacht.

"Maatwerk," zei ik. "Kleine meubels. Snijplanken. Salontafels van hergebruikt eikenhout. Dingen die ik zittend kan maken in de schuur. En tekenwerk. Ik kan bouwtekeningen controleren voor aannemers in de buurt. Ik sprak Peter van der Wal van de week. Die zoekt iemand die zijn calculaties kan doen en de werkvoorbereiding regelt. Vanachter een beeldscherm. Hij weet dat ik er verstand van heb."

Linda pakte mijn hand. Haar vingers waren warm. "Dat is niet wat je wilde, Frank."

"Nee," zei ik eerlijk. "Ik wilde zestig worden met een hamer in mijn klauwen en een rug die versleten was van het harde werken. Maar dat zit er niet in. Dit is de nieuwe werkelijkheid. We moeten het ermee doen."

Ze kneep in mijn vingers. Ze glimlachte niet, maar haar schouders zakten een paar centimeter naar beneden. De spanning die maandenlang als een strak touw door ons huis had gelopen, ontspande een beetje.

Hoofdstuk 7

Standvastig

Het is nu twee jaar na die middag op de steiger.

Het regent zachtjes tegen het raam van mijn werkplaats. De kachel snort in de hoek; Luuk heeft vanmorgen het houtblok erin gelegd voor hij naar school fietste. Hij is inmiddels dertien, schiet de hoogte in en zijn stem begint over te slaan. Hij zaagt zijn eigen planken nu recht af zonder dat ik hoef mee te kijken.

Op mijn werkbank ligt het blad van een grote eiken eettafel. Vier meter lang, gemaakt van oude balken uit een gesloopte boerderij in Leusden. Het hout heeft scheuren, noesten en oude spijkergaten. Vroeger had ik die gaten opgevuld met kneedbaar hout of de balken door de vandiktebank gehaald tot ze spiegelglad en karakterloos waren. Nu laat ik de littekens zitten. Ik borstel het vuil eruit, schuur de scherpe randen glad en giet er een transparante epoxyhars in. De barsten blijven zichtbaar, maar ze zijn stevig. Ze horen bij het verhaal van de tafel. Het maakt hem sterker dan hij was.

Ik werk vier ochtenden in de week. Van negen tot half een. Geen minuut langer. Als de wekker op mijn telefoon om half een gaat, leg ik mijn gereedschap neer. Zelfs als ik midden in een bewerking zit. Dat was het moeilijkste om te leren. Als gezonde vent werk je door tot het af is. Als MS-patiënt werk je tot je energie op is. En als je te lang doorgaat, betaal je de rekening de volgende dag met rente. Dan lig je plat met benen die voelen als beton en een hoofd vol mist.

Ik ben niet genezen. Genezen bestaat niet in mijn wereld. De artsen hebben me op onderhoudsmedicatie gezet; elke vier weken zit ik een ochtend in het ziekenhuis aan het infuus om mijn immuunsysteem plat te leggen zodat het mijn eigen zenuwen niet verder opvreet. De bijwerkingen zijn niet leuk. De eerste twee dagen na het infuus voel ik me alsof ik ben overreden door een vrachtwagen. Ik plan die dagen in. Dan doe ik administratie op de bank, of ik slaap.

Financieel is het krap. We hebben onze levensstandaard moeten bijstellen. De grote vakantie naar Frankrijk werd een weekje in een huurchalet op de Veluwe. Mijn oude Volkswagen Transporter heb ik verkocht; ik rijd nu in een tweedehands stationwagen met een automatische versnellingsbak. Schakelen met mijn rechterbeen in de file ging simpelweg niet meer veilig. Het was een nederlaag toen ik de bus wegreed, maar in de stationwagen kan ik tenminste zonder kramp naar mijn afspraken rijden.

Soms mis ik het ruwe werk. Als ik over straat loop en ik zie mannen op een steiger staan, vloekend tegen de wind, met de geur van nat cement en vers gezaagd vurenhout om zich heen, dan voel ik een steek in mijn borst. Dat was mijn wereld. Daar hoorde ik thuis. Het voelt soms alsof ik naar een film kijk waar ik vroeger zelf de hoofdrol in speelde.

Maar ik sta hier nog.

Ik veeg het fijne zaagsel van het eikenhouten tafelblad. Mijn rechterhand doet het, al voelt het contact met het hout nog steeds gedempt, alsof er een vloeipapiertje tussen mijn huid en het oppervlak zit. Ik voel de nerven. Ik voel waar het hout oneffen is. Ik pak een vel schuurpapier met korrel 240 en schuur de laatste ruwe plek met de hand weg. Rustige, ronde bewegingen.

De deur van de schuur zwaait open. Tess komt binnenlopen. Ze is elf nu. Ze heeft een bordje vast met twee boterhammen met pindakaas.

"Van mama," zegt ze. Ze zet het bord op de rand van de werkbank, precies op een plek waar geen zaagsel ligt. Ze weet hoe het werkt.

"Dank je, mop," zeg ik.

Ze blijft even staan en aait met haar hand over het gladde hout van het tafelblad. "Mooi," zegt ze zacht.

"Vind je?"

"Ja. Vooral die donkere scheur daar. Die lijkt net op een bliksemschicht."

Ik kijk naar de plek die ze aanwijst. Ze heeft gelijk. De barst zit precies in het midden van het zwaarste stuk hout. Het is geen fout in het materiaal. Het is gewoon hoe dit stuk hout is gegroeid, hoe het heeft gewerkt onder de spanning van de jaren.

"Ga je zo mee naar het bos?" vraagt ze. "Met de hond?"

"Ja," zeg ik en ik hang mijn schuurkurk aan het haakje boven de werkbank. Mijn benen voelen redelijk vandaag. Twee munten over op de rekening. Precies genoeg voor een rondje over het verharde pad tussen de beukenbomen. "Ik ga mee."