Naar de inhoud
Terug naar het boek

Psychische gezondheid

Mijn lijf zei nee

Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.

Hoofdstuk 1

Mijn lijf zei nee — De lift

Op de derde verdieping bleef de lift steken. Niet echt. Dat dacht ik alleen. De deuren gingen niet meteen open en mijn hart sloeg zo hard dat ik achteromkeek. Alsof iemand tegen de wand stond te bonken.

Ik drukte op het knopje met de twee pijlen.

Nog een keer.

‘Kom op.’

Mijn linkerhand tintelde. Daarna mijn mond. Ik trok aan de kraag van mijn blouse. Er kwam geen lucht meer binnen. De lift rook naar natte jassen en het zoete schoonmaakmiddel dat onze conciërge gebruikte.

Toen de deuren opengingen, stond mijn collega Bas ervoor.

‘Noor? Je ziet wit.’

Ik wilde zeggen dat hij opzij moest. Dat ik naar de vergadering moest. Dat er twaalf dossiers klaarlagen en dat Maarten om negen uur een overzicht verwachtte.

Er kwam alleen een schor geluid uit mijn keel.

Ik was zesendertig. Ik werkte bij een woningcorporatie in Utrecht. Ik had nog nooit op een kantoorvloer gelegen. Toch lag ik daar ineens, naast een plantenbak met hydrokorrels. Mijn rok kroop omhoog. Dat vond ik op dat moment bijna erger dan doodgaan.

‘Niet kijken,’ zei ik.

Bas knielde naast me.

‘Iris, bel even. Nu.’

Ik hoorde schoenen. Een deur. Iemand zei mijn achternaam. Van Dijk. Alsof ze wilden controleren of ik nog dezelfde persoon was.

Ik dacht aan mijn dochter Evi. Ze was negen en zat die ochtend met een losse melktand aan het ontbijt. Ik had gezegd dat ze moest ophouden met wiebelen. Daarna had ik haar naar school gejaagd.

Dat kon toch niet ons laatste gesprek zijn.

De ambulancebroeder heette Karim. Dat las ik op zijn borst. Hij stelde vragen terwijl zijn collega plakkers op mijn huid drukte.

‘Waar zit de pijn?’

Ik wees naar mijn borst.

‘Eerder gehad?’

‘Niet zo.’

Dat was niet helemaal waar. Twee weken eerder had ik bij de kassa van de Albert Heijn mijn boodschappen laten staan. Ik had tegen de caissière gezegd dat ik mijn pinpas kwijt was. Buiten had ik tien minuten tegen een fietsenrek geleund.

Op de spoedeisende hulp werd ik onderzocht. Mijn hartfilmpje gaf geen alarmerende uitslag. Mijn bloed ook niet. De arts kwam terug toen ik alweer normaal kon praten.

‘We vinden op dit moment geen aanwijzingen voor een hartinfarct,’ zei ze. ‘Wat u beschrijft, kan bij een paniekaanval passen. Maak deze week een afspraak bij uw huisarts. Bij nieuwe of andere heftige klachten moet u opnieuw hulp zoeken.’

‘Dus ik kan terug naar mijn werk?’

Ze legde haar pen neer.

‘Dat lijkt me vandaag niet verstandig.’

Ik knikte alsof ze overdreef.

Mijn zus Sanne haalde me op. Ze droeg haar werkkleding nog. Donkerblauwe broek, witte schoenen. Ze werkte in een verpleeghuis in Nieuwegein en had haar dienst geruild.

‘Je had niet hoeven komen,’ zei ik.

‘Wie moest je dan ophalen?’

‘Een taxi.’

Ze keek naar de pleister op mijn hand.

‘Ja. Gezellig.’

In haar auto zette ik mijn telefoon aan. Zeven gemiste oproepen. Drie van Maarten. Twee van Bas. Eén van mijn moeder. Eén onbekend nummer.

Maarten had ook een bericht gestuurd.

Wat schrikken. Laat weten hoe het gaat. Waar staat het bestand voor Kanaleneiland?

Ik begon terug te typen.

Sanne pakte bij het stoplicht mijn telefoon uit mijn hand.

‘Hé.’

‘Straks.’

‘Dat bestand moeten ze hebben.’

‘En jij moet even zitten zonder iets op te lossen.’

Ik wilde boos worden. In plaats daarvan begon ik te huilen. Niet netjes. Mijn neus liep. Ik kreeg mijn gordel niet los toen we voor mijn huis in Leidsche Rijn stonden.

Sanne maakte hem open.

Binnen stonden de ontbijtkommen nog op tafel. Onder Evi’s stoel lag een blauwe sok. Op het aanrecht knipperde mijn laptop. Ik had hem die ochtend niet afgesloten.

Sanne deed het scherm dicht.

‘Waar is Evi vanmiddag?’

‘Bij Joris. Tot morgen.’

Mijn ex. Haar vader. Iemand aan wie ik dit nog moest vertellen.

Ik ging op de bank zitten, met mijn jas aan. Mijn benen trilden. Sanne zette thee neer en belde de huisartspraktijk terwijl ik naar de dichte laptop keek.

Ik wist precies wat er nog moest gebeuren.

Ik wist alleen niet hoe ik moest opstaan.

Hoofdstuk 2

De tweede ochtend

De volgende ochtend werd ik om kwart over vijf wakker. Mijn eerste gedachte was dat ik te laat kwam. Mijn tweede was dat ik me ziek had gemeld.

Daarna begon mijn hart weer.

Ik ging rechtop zitten. Voeten op de vloer. De huisartsassistente had gezegd dat ik mocht terugbellen als het niet ging. Maar wat betekende dat? Ik leefde. Ik kon lopen. Op de stoel naast mijn bed lagen kleren die ik gisteren had kunnen aantrekken.

Ik trok ze aan.

Beneden maakte ik koffie. Mijn handen schudden zo dat ik poeder naast het filter strooide. Ik veegde het met mijn mouw op. Toen zag ik de ambulancepleister weer.

Die trok ik eraf. Er bleef een blauw plekje achter.

Om acht uur belde Maarten.

‘Hoe is het?’

‘Wel iets beter.’

Ik wist niet waarom ik dat zei. Misschien omdat hij opgelucht klonk toen hij antwoordde.

‘Fijn. Neem vandaag nog maar rust. Morgen kijken we verder.’

Morgen. Dat was over één nacht. Ik keek naar de koffie die ik niet durfde te drinken.

‘Ik heb straks een afspraak bij de huisarts.’

‘Goed plan. En Noor, als er iets speelt op het werk, moet je dat aangeven.’

Ik zei ja. Daarna stuurde ik hem alsnog de locatie van het bestand.

Huisarts De Wit had haar spreekkamer aan de achterkant van het gezondheidscentrum. Buiten reed een grasmaaier heen en weer. Ik volgde het geluid terwijl zij vroeg hoe lang ik al slecht sliep.

‘Een tijdje.’

‘Hoe lang is een tijdje?’

‘Sinds november, denk ik.’

Het was april.

Ze vroeg naar mijn werk. Mijn scheiding. Mijn moeder, die sinds haar heupoperatie voor boodschappen en ziekenhuisbezoeken op mij rekende. Naar eten. Alcohol. Concentratie.

‘Ik vergeet woorden,’ zei ik. ‘Gewone woorden. Gisteren wist ik niet hoe een vergiet heette.’

Ze wachtte.

‘En soms zit ik op de parkeerplaats van mijn werk tot de vergadering bijna begint. Dan hoef ik niemand bij het koffieapparaat te spreken.’

Dat had ik nog nooit hardop gezegd.

‘Heb je gedachten dat je niet meer wilt leven?’ vroeg ze.

Ik keek naar haar handen.

‘Ik wil niet dood. Ik wil dat niemand iets van me nodig heeft. Een week. Misschien langer.’

‘Dat is belangrijk om te weten.’

Ze besprak de uitslagen van het ziekenhuis met me. Ze stelde meer vragen. Aan het eind zei ze dat mijn klachten pasten bij ernstige overbelasting, met paniekklachten. Ze wilde me over een week terugzien en maakte ruimte voor gesprekken met de praktijkondersteuner ggz.

‘En werk?’ vroeg ik.

‘Vandaag hoef je niet te beslissen wanneer je teruggaat. Daarover bespreek je je belastbaarheid met de bedrijfsarts.’

‘Maar ik kan niet zomaar weken wegblijven.’

‘Je bent gisteren met een ambulance afgevoerd, Noor.’

Ik knikte. Kennelijk telde dat voor haar zwaarder dan voor mij.

Thuis schreef ik op een envelop wat ik de volgende dag moest doen. Douchen. Wandelen. Was. Moeder bellen. Boodschappen. Mail bijwerken.

Bij het zesde punt merkte ik dat ik weer mijn adem inhield.

Ik streepte mail bijwerken door. De rest liet ik staan.

Joris bracht Evi om zes uur. Hij had een tas met pasta bij zich.

‘Sanne belde,’ zei hij.

Natuurlijk had Sanne gebeld.

Evi hing haar jas op en keek naar mij.

‘Tante San zegt dat je niet lekker bent.’

‘Klopt.’

‘Moet je overgeven?’

‘Nee. Mijn lijf raakt soms heel erg in paniek. Ook als er geen gevaar is. Daar ga ik hulp voor krijgen.’

Ze dacht na.

‘Zoals ons brandalarm toen de tosti zwart was?’

‘Een beetje.’

Tijdens het eten viel haar vork op de grond. Het geluid schoot door mijn hoofd. Ik sloeg mijn handen tegen mijn oren.

Evi verstijfde.

Joris raapte de vork op.

‘Ik pak een schone.’

Ik liet mijn handen zakken.

‘Je deed niks verkeerd,’ zei ik tegen haar.

Ze at daarna heel voorzichtig. Ze legde haar vork zonder geluid op haar bord.

Dat zag ik. En ik wist niet hoe ik het ongedaan moest maken.

Hoofdstuk 3

Alles wat bleef liggen

Na tien dagen rook mijn huis naar oud brood en wasgoed dat te lang in de machine had gezeten. Ik zette het raam open. Daarna ging ik weer zitten.

Ik had gedacht dat thuisblijven hetzelfde was als uitrusten. Maar thuis waren geen vergaderingen die de dag indeelden. Er waren alleen uren waarin ik kon tellen wat ik niet deed.

De vaatwasser uitruimen duurde drie pogingen. Eerst de glazen. Toen op de bank. Daarna de borden. Bij de bestekbak begon ik te huilen omdat een lepel klemzat.

Mijn moeder belde terwijl ik op de keukenvloer zat.

‘Ik heb donderdag controle,’ zei ze. ‘Half elf, Antonius.’

Ik kende de route. De parkeergarage. De lange gang naar orthopedie. Haar patiëntenpas lag in een zijvak van haar rode tas.

‘Ik kan niet rijden, mam.’

‘Ben je nog steeds zo moe?’

‘Ja. En ik raak in paniek.’

‘Misschien knap je juist op van even iets anders.’

Ik drukte mijn nagel in een voeg tussen de tegels.

‘Vraag Sanne.’

‘Die werkt.’

Daar was het. Zij werkte. Ik zat thuis.

‘Ik kan niet,’ zei ik opnieuw.

Mijn moeder zweeg lang genoeg om mij bijna te laten toegeven. Toen zei ze dat ze wel iemand anders zou vinden.

Ik bleef met de telefoon in mijn hand zitten. Het gesprek had drie minuten geduurd. Mijn shirt was nat onder mijn armen.

Die middag kwam Bas langs. Hij had eerst geappt of ik bezoek wilde. Ik had nee getypt, dat gewist en daarna halfuurtje gestuurd.

Hij bracht geen bloemen mee. Wel kaasbroodjes en mijn mok van kantoor.

‘Je orchidee is dood,’ zei hij.

‘Die was al dood.’

‘Dan heb ik niks verkeerd gedaan.’

Voor het eerst die week lachte ik zonder dat ik er moeite voor deed.

We aten aan de tafel. Ik schoof een stapel ongeopende post opzij. Bas vertelde over een lekkage boven de kantine. Daarna vroeg hij of ik iets over werk wilde horen.

Ik zei ja, hoewel mijn schouders meteen omhooggingen.

‘Je dossiers zijn verdeeld. Het loopt.’

Ik keek naar een bladerdeegkruimel op mijn bord.

‘Mooi.’

‘Dat bedoel ik niet lullig.’

‘Weet ik.’

Maar ik vond het wel lullig. Maandenlang had ik doorgewerkt omdat alles anders zou vastlopen. Nu zat ik thuis en liep het blijkbaar.

‘Waarom liet je me dan steeds overwerken?’ vroeg ik.

Bas legde zijn broodje neer.

‘Ik heb twee keer gevraagd of ik iets kon overnemen.’

‘Omdat jij dacht dat ik het niet aankon.’

Hij keek me aan.

‘Wat had ik moeten zeggen zodat je wel ja zei?’

Ik had geen antwoord. Hij ook niet.

Toen hij weg was, zocht ik mijn werkmail door. Tegen de afspraken met mezelf in. Ik wilde bewijs dat ik het had aangegeven. Er waren berichten waarin ik schreef dat een deadline krap was. Dat ik nog wel een gaatje zou vinden. Dat ik het weekend kon gebruiken.

In februari had Maarten gevraagd of de nieuwe wijk erbij kon.

Ik had geantwoord: Komt goed.

Ik sloeg de laptop dicht. Niet omdat mijn werk niets verkeerd had gedaan. We waren met te weinig mensen. Vacatures bleven open. Spoed was altijd belangrijker dan pauze. Maar mijn eigen woorden stonden daar ook.

Twee dagen later sprak ik Hanneke, de praktijkondersteuner. Ze had rode brillenpoten en een pak tissues dat buiten mijn bereik stond. Ik was haar daar dankbaar voor.

‘Wat gebeurt er als je iemand teleurstelt?’ vroeg ze.

‘Dan krijgt iemand anders problemen.’

‘En als jij uitvalt?’

Ik zuchtte.

‘Ja, ik snap de vraag.’

‘Je hoeft geen goed antwoord te geven.’

Ik keek naar de klok. Nog twintig minuten. Ik wilde iets nuttigs zeggen. Iets waardoor ze kon zien dat ik mijn best deed.

In plaats daarvan zei ik: ‘Ik weet niet wie ik ben als ik niks voor iemand regel.’

Hanneke schoof haar stoel iets naar achteren.

‘Wanneer merkte je dat voor het eerst?’

Ik vertelde over mijn vader. Over zijn dood toen ik zeventien was. Over de blauwe map met verzekeringen die ik naast mijn huiswerk had gelegd.

Daarna was het stil.

Voor het eerst probeerde ik die stilte niet voor haar op te vullen.

Hoofdstuk 4

Vier stations te ver

In mei ging het een week beter. Ik sliep zes uur achter elkaar. Ik kookte rijst zonder de pan te vergeten. Op woensdag haalde ik Evi zelf van school.

Daar maakte ik meteen een planning van. Volgende week boodschappen op zaterdag. Daarna weer fietsen naar kantoor. Misschien kon ik in juni volledig terug zijn.

Op vrijdag moest ik naar de bedrijfsarts in Utrecht, vlak bij het station. Ik besloot met de trein te gaan. Eén halte vanaf Leidsche Rijn. Dat moest kunnen.

Op het perron voelde ik mijn hart, maar ik bleef staan. Ik stuurde Sanne een bericht.

Ben onderweg. Gaat goed.

De trein was voller dan ik had verwacht. Een groep scholieren stond bij de deur. Iemand had friet bij zich. Ik vond een plek naast een man die filmpjes keek zonder oortjes.

Toen we stilstonden voor Utrecht Centraal, trok mijn borst samen.

Niet nu.

De conducteur zei iets over een bezet spoor. De trein bleef staan. Naast me lachte een stem uit de telefoon. Ik slikte. Mijn keel werkte niet goed.

Ik stond op.

De man trok zijn benen in. Ik liep naar de deur en drukte op de knop, hoewel ik wist dat die niet open kon.

‘Mevrouw, we staan nog niet op het station,’ zei een jongen.

‘Dat weet ik.’

Ik zei het zo hard dat hij achteruitstapte.

Toen de deuren eindelijk opengingen, liep ik het perron op. Mijn benen voelden slap. Ik belde Sanne. Geen gehoor. Ik belde opnieuw.

Daarna Joris.

‘Kun je me komen halen?’

‘Waar ben je?’

Ik keek naar het bord boven me. Spoor vijf. Ik was één halte van huis. Het voelde alsof ik ergens was gestrand waar niemand mijn taal sprak.

‘Centraal.’

‘Ik zit in Amersfoort, Noor. Ik kan niet meteen weg.’

Ik hoorde mezelf huilen. Mensen liepen om me heen.

‘Ik bel zo terug,’ zei hij. ‘Kun je ergens gaan zitten?’

Ik hing op. Uit schaamte. Uit boosheid omdat hij niet onmiddellijk kwam. Ik ging op een bank zitten en bleef daar tot de ergste golf zakte.

Daarna nam ik de verkeerde trein.

Ik zag te laat dat Leidsche Rijn niet op het scherm stond. Pas vier stations verder stapte ik uit, in Woerden. Op het perron belde ik de bedrijfsartspraktijk om te zeggen dat ik niet kwam.

De assistente vroeg niet waarom ik zo onhandig was. Ze vroeg of ik veilig zat. Toen regelde ze dat de arts me later die ochtend zou bellen.

Dat praktische hielp. Een nieuwe afspraak. Een tijd. Geen oordeel.

De bedrijfsarts sprak me terwijl ik bij het stationscafé zat, met een onaangeraakte fles water voor me.

‘Dit was te veel vandaag,’ zei ze. ‘Dat betekent niet dat alles wat eerder lukte verdwenen is.’

Ik geloofde haar niet. Ik schreef haar woorden toch op een servet.

Thuis lag ik tot vier uur op bed. Daarna ging de deurbel. Joris stond buiten met Evi’s weekendtas.

‘Ze blijft vanavond bij mij,’ zei hij. ‘Dat hadden we net toch afgesproken?’

Ik was het gesprek vergeten.

‘Ja.’

Hij bleef staan.

‘Je hing op.’

‘Ik weet het.’

‘Ik wilde helpen. Ik kon alleen niet binnen vijf minuten in Utrecht zijn.’

‘Dat weet ik ook.’

We keken allebei naar de tas. Een knuffeloor stak uit de rits.

‘Heeft Evi het gemerkt?’ vroeg ik.

‘Dat je het moeilijk hebt? Ja. Ze vraagt of ze bij mij harder mag praten.’

Ik moest gaan zitten.

Joris ging niet zeggen dat ik een geweldige moeder was. Daar was ik blij om. Het zou op dat moment als een leugen hebben geklonken.

‘We moeten haar blijven uitleggen dat ze geen rekening hoeft te houden met jouw stemming alsof ze volwassen is,’ zei hij.

Ik knikte.

Die avond belde ik Evi.

‘Het ging vandaag niet goed met mij,’ zei ik. ‘Papa helpt. De huisarts ook. Jij hoeft me niet beter te maken.’

‘Mag ik dan wel gewoon trompet oefenen?’ vroeg ze.

Ik sloot mijn ogen.

‘Ja. En als het me te veel is, regel ik zelf even een andere kamer.’

Hoofdstuk 5

Wat ik niet vertelde

Na de treinrit besprak ik met Hanneke dat haar gesprekken niet genoeg hielpen. Ze overlegde met mijn huisarts. Er volgde een verwijzing voor behandeling. De wachttijd was elf weken.

Ik lachte toen de vrouw aan de telefoon dat zei.

‘Sorry,’ zei ik. ‘Dat is niet om u.’

We spraken af dat ik kon worden gebeld als er eerder een plek vrijkwam. Tot die tijd bleef ik bij Hanneke komen. De huisarts hield contact. Het was geen oplossing voor die elf weken. Wel iets wat in mijn agenda stond.

Intussen werd het juni. Evi kreeg sproeten. Mijn moeder ging met haar buurvrouw naar het ziekenhuis. Niemand stierf doordat ik niet reed.

Toch voelde ik me elke ochtend schuldig voordat er iets was gebeurd.

Ik begon dingen op te schrijven die ik normaal verzweeg. Niet in een mooi schrift. Op de achterkant van reclamefolders.

Ik ben jaloers op mensen die in een café zitten zonder naar de uitgang te kijken.

Ik doe alsof ik slaap wanneer mijn moeder belt.

Soms vind ik het fijn dat Evi bij haar vader is. Daarna mis ik haar zo erg dat ik haar kamer niet in wil.

Ik ben bang dat iedereen ontdekt dat ik vroeger ook al bang was.

Die laatste zin nam ik mee naar Hanneke.

‘Waar was je toen bang voor?’ vroeg ze.

Ik vertelde over mijn eerste baan. Dat ik elke verzonden mail drie keer teruglas. Over vakanties waarbij ik de hele tijd mijn banksaldo controleerde. Over de ochtend van mijn bruiloft, toen ik op het toilet zat met buikpijn en dacht dat iedereen dat had.

‘Waarom heb je dat nooit eerder verteld?’

‘Omdat ik ondertussen gewoon functioneerde.’

Ze knikte.

‘En omdat ik niet wilde dat je dacht dat ik me aanstelde,’ zei ik.

Het klonk kinderachtig. Maar het was waar.

Begin juli kwam er een plek vrij bij psycholoog Farah in een praktijk in Zuilen. De wachtkamer had uitzicht op geparkeerde scooters. Ik zat er twintig minuten te vroeg. Toen Farah me kwam halen, bood ik mijn excuses aan.

‘Waarvoor?’ vroeg ze.

‘Dat ik er al zat.’

‘De stoelen staan er niet voor niks.’

Tijdens de intake vroeg ze naar mijn paniek, mijn vermijding en mijn stemming. Ze wilde weten wat ik deed wanneer mijn hart sneller ging. Pols voelen. Water drinken. Weggaan. Sanne bellen. Opzoeken of de klachten toch gevaarlijk waren.

‘Dat voelt logisch,’ zei ze. ‘Je zoekt zekerheid. Alleen wordt de angst soms groter als je elke keer moet controleren of vluchten.’

‘Dus ik moet gewoon blijven staan?’

‘Niet zomaar alles tegelijk. We maken een plan dat past bij wat we onderzoeken en bij wat jij aankunt.’

Ik vond het prettig dat ze niet deed alsof één inzicht genoeg was.

We begonnen met kleine oefeningen. Een stukje lopen zonder onderweg mijn pols te tellen. In een rustige winkel wachten tot ik aan de beurt was. Achteraf opschrijven wat ik had verwacht en wat er echt gebeurde.

Soms lukte het. Soms liep ik toch weg.

Bij de bakker aan de Amsterdamsestraatweg bleef ik op een dinsdag staan terwijl drie mensen voor me waren. Mijn nek werd heet. Ik wilde mijn telefoon pakken. Ik liet hem in mijn tas.

‘Wie was er?’ vroeg de verkoopster.

‘Ik,’ zei ik.

Ik kocht vier volkorenbollen. Buiten huilde ik van opluchting. Een fietser vroeg of het ging. Ik zei ja, en deze keer klopte dat.

Diezelfde week kwam Sanne eten. Ze keek naar de folders op tafel.

‘Mag ik?’

Ik schudde mijn hoofd. Ze legde ze terug.

‘Ik dacht altijd dat jij alles beter kon,’ zei ze later, terwijl we sperziebonen afhaalden.

‘Ik dacht dat jij nooit ergens bang voor was.’

Ze snoof.

‘Ik reed gisteren drie rondjes voordat ik mijn auto durfde in te parkeren.’

Ik lachte. Daarna vertelde ik dat ik boos was geweest omdat zij wel gewoon naar haar werk ging.

‘Dat is niet eerlijk,’ zei ze.

‘Nee.’

Ze brak een boon doormidden.

‘Je mag het wel zeggen.’

We kookten verder. Ik hoefde mijn bekentenis niet meteen goed te maken.

Hoofdstuk 6

De stoel bij het raam

Mijn eerste werkdag duurde twee uur. Dat was het plan dat ik met de bedrijfsarts en mijn werkgever had afgesproken. Twee keer per week. Geen eigen dossiers. Geen telefoon voor bewoners. Eerst eenvoudige taken, met vaste evaluatiemomenten.

Ik vond het vernederend toen ik het las.

Ik vond het geruststellend toen ik op dinsdagochtend mijn jas aantrok.

Voor het kantoor bleef ik naast het fietsenrek staan. Het was eind augustus. Iemand had de dode planten bij de ingang vervangen. Ik herkende de vuilniswagen aan de overkant, de scheve stoeptegel, het raam van onze vergaderkamer.

Mijn buik trok samen.

Bas kwam naar buiten.

‘Koffie?’

‘Thee.’

‘Ook goed.’

Hij vroeg niet of ik er klaar voor was. We liepen naar binnen. Ik nam de trap. De lift bewaren we voor later, had ik met Farah besproken. Niet omdat die gevaarlijk was, maar omdat ik niet alles op mijn eerste ochtend hoefde te oefenen.

Mijn oude bureau was bezet door een tijdelijke kracht. Ze heette Dina en stond meteen op.

‘Ik kan ergens anders zitten.’

‘Nee,’ zei ik. ‘Blijf maar.’

Er stond een bureau voor me bij het raam. Een leeg werkblad. Eén scherm. Geen stapels met gele briefjes. Ik legde mijn tas neer en voelde tranen opkomen.

Maarten vroeg me mee naar een kleine spreekkamer.

‘Goed dat je er bent.’

‘Dank je.’

Hij schoof het plan van aanpak naar me toe. We bespraken werktijden en taken. Ik vertelde niet wat Farah precies met mij besprak. Dat hoefde niet. Toch voelde het alsof ik informatie achterhield.

‘We willen voorkomen dat je opnieuw te veel krijgt,’ zei hij.

‘Dan moet het niet alleen van mij afhangen of ik op tijd nee zeg.’

Hij keek op.

Ik had die zin thuis geoefend. Nu hij eruit was, wilde ik hem meteen zachter maken.

Dat deed ik niet.

‘Je hebt gelijk,’ zei hij na een paar tellen. ‘We moeten ook naar de verdeling kijken.’

Het was geen schuldbekentenis. Geen groot gesprek waarin alles werd rechtgezet. We spraken af dat nieuwe taken via één persoon zouden lopen en dat ik niet buiten mijn uren bereikbaar was.

Om kwart voor elf kwam een collega naar mijn bureau.

‘Jij weet vast nog hoe het zit met die familie aan de Vasco da Gamalaan.’

Ik wist het. Hun namen kwamen direct terug. De schimmelmelding. Het rapport. De toezegging die nog openstond.

Mijn hand ging al naar de muis.

Toen zag ik de klok.

‘Vraag Dina,’ zei ik.

‘Alleen heel even.’

‘Ik pak nu nog geen dossiers op.’

Mijn stem klonk stug. De collega liep weg met een kort knikje. Ik wist niet of ze boos was. Ik liet het daarbij.

Om elf uur vertrok ik. Buiten wilde ik Bas appen om te vragen of ik onaardig had gedaan. Ik stopte mijn telefoon terug.

Thuis sliep ik twee uur.

De tweede week ging minder goed. Ik bleef toch drie kwartier langer omdat een overzicht bijna af was. Die nacht lag ik wakker. De volgende ochtend schreeuwde ik tegen Evi omdat ze haar gymschoenen niet kon vinden.

Ze begon te huilen.

Ik ging naast haar op de trap zitten.

‘Ik deed naar. Dat kwam niet door jouw schoenen. Het spijt me.’

‘Je zei heel hard dat ik altijd alles kwijt ben.’

‘Dat had ik niet moeten zeggen.’

Ze schoof een tree naar beneden. Ze wilde nog niet tegen me aan zitten. Ik bleef op mijn eigen tree.

Bij de evaluatie vertelde ik over het langer werken. Niet over een drukke ochtend. Niet over een klein dipje. Ik zei precies hoeveel minuten en wat er daarna gebeurde.

We hielden de uren voorlopig gelijk.

Dat voelde als zakken voor een toets die niemand had uitgedeeld.

Farah vroeg wat ik had gedaan vóórdat ik uitviel, als iets niet lukte.

‘Harder werken.’

‘En nu?’

‘Nu moet ik kennelijk stoppen terwijl het nog niet af is.’

Ze knikte.

Ik vond het nog steeds een beroerde oplossing. Maar die donderdag zette ik om elf uur mijn computer uit. Het overzicht had drie lege vakken.

Op maandag stonden ze er nog. Ik kon gewoon verder.

Hoofdstuk 7

Gewoon naar huis

In november ging ik met Evi naar Amersfoort. Ze wilde naar een winkel waar je losse kralen kon uitzoeken. Joris had gezegd dat hij haar ook kon brengen.

‘Ik wil het proberen,’ zei ik.

Niet: het gaat vast lukken. Dat verschil hoorde ik zelf.

We spraken af dat we één winkel zouden doen en daarna zouden lunchen. Geen hele dag. Evi stopte een boterham in haar tas voor het geval de broodjes ergens vies waren.

Op Utrecht Centraal namen we de roltrap. Ik zag het bankje waarop ik in mei had gezeten. Er lag nu een vergeten handschoen op.

Mijn hart versnelde.

Ik bleef even staan bij het bord met vertrektijden. Niet om te vluchten. Om te kijken waar we heen moesten.

‘Spoor twaalf,’ zei Evi. ‘Ik zie het al.’

‘Goed gezien.’

In de trein vroeg ze of ik aan het opletten was of aan het piekeren.

‘Een beetje allebei.’

‘Over de trein?’

‘Ja.’

Ze schoof haar tas van de stoel zodat ik naast haar kon zitten. Daarna begon ze over een meisje uit haar klas dat had beweerd dat parels uit slakken kwamen.

Ik luisterde. Mijn hart zakte niet meteen. Toch hoorde ik haar verhaal.

Dat was nieuw genoeg.

Het ging nog steeds niet elke dag goed. Ik werkte inmiddels twaalf uur per week. Soms kon er iets bij. Soms hielden we de uren langer gelijk. De bedrijfsarts bleef betrokken. Maarten had een extra medewerker aangenomen, niet speciaal voor mij, maar omdat het werk ook zonder mij niet paste.

Ik behandelde nog geen zware overlastzaken. Een deel van mij miste dat. Een ander deel was bang dat ik het nooit meer zou kunnen.

Farah en ik praatten daarover zonder een einddatum te verzinnen.

Ook geld bleef een zorg. Ik had mijn uitgaven uitgezocht en bij personeelszaken nagevraagd wat langdurig ziek zijn voor mijn loon kon betekenen. Daarna had ik met Sanne aan de keukentafel gerekend. Dat gesprek was naar. Ik schaamde me voor mijn kleine buffer.

Maar nu lagen de bedragen op papier. Niet meer alleen in mijn hoofd, waar ze ’s nachts steeds groter werden.

Mijn moeder vroeg minder vaak of ik alweer de oude was. Soms vergat ze het en zei ze dat ik vroeger zoveel aankon.

‘Ik deed veel,’ zei ik dan. ‘Dat is niet precies hetzelfde.’

Ze begreep het niet altijd. Ze hield wel rekening met me. Op zondag kwam ze een uur in plaats van een hele middag. Ze nam zelf cake mee en vroeg waar de bordjes stonden.

In de kralenwinkel koos Evi langzaam. Blauw. Groen. Dan toch geen groen. Ik voelde ongeduld en vermoeidheid tegelijk. Vroeger had ik gedaan alsof ik alle tijd had, om later thuis uit te vallen.

‘Nog tien minuten,’ zei ik. ‘Daarna moet ik zitten en eten.’

‘Mag ik dan deze ook?’

Ze hield een geel kraaltje omhoog in de vorm van een citroen.

‘Binnen je budget.’

Ze begon opnieuw te rekenen. Ik leunde tegen een kast zonder mezelf daarvoor toe te spreken.

Bij de lunch viel haar mes op de vloer.

Ik schrok. Mijn schouders schoten omhoog.

Evi keek naar me.

Ik bukte, pakte het mes op en legde het apart.

‘We vragen een schone.’

Ze ging verder met haar broodje. Pas toen merkte ik hoeveel die gewone reactie voor me betekende.

Op de terugweg was ik moe. Niet prettig moe. Mijn hoofd suisde en ik had geen zin meer om te praten. Ik zei dat tegen Evi. Ze zette haar koptelefoon op en keek uit het raam.

Bij Leidsche Rijn stapten we uit. Het regende. Mijn fiets stond aan de verkeerde kant van het station, waar ik hem die ochtend gehaast had neergezet.

Ik baalde. Evi klaagde dat haar sok nat werd. We liepen door de tunnel en ik voelde een korte steek van angst toen de ruimte hol klonk.

Ik bleef lopen. Rustig. Zonder te doen alsof ik niets voelde.

Thuis liet ik de boodschappentas in de gang staan. Ik hing mijn jas op en ging op de bank zitten.

Evi kwam naast me haar kralen sorteren.

‘Was het te veel?’ vroeg ze.

‘Het was genoeg voor vandaag.’

Ze legde het citroentje op mijn knie.

‘Deze is voor jou.’

Ik hield het kleine gele ding tussen twee vingers. Morgen zou ik moeten bijkomen. Misschien zou ik slecht slapen. Maandag wachtte er werk, maar niet vóór negen uur.

‘Dank je,’ zei ik.

Daarna zaten we gewoon thuis.