Naar de inhoud
Terug naar het boek

Ziekte en gezondheid

Mijn lichaam na de chemo

Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.

Hoofdstuk 1

Mijn lichaam na de chemo — De bel

De bel hing naast de uitgang van de dagbehandeling. Er zat een rood koord aan. Verpleegkundige Fatima wees ernaar toen ze het infuus uit mijn arm haalde.

‘Wil je?’

Ik schudde mijn hoofd.

Achter het gordijn naast me gaf iemand over. Mijn tong voelde dik. Onder mijn nagels zaten donkere randen die ik er niet af kon wassen. Zes maanden had ik naar deze laatste behandeling toe geleefd. Nu wilde ik alleen naar huis.

Mijn naam is Marieke van Dalen. Ik was vierenveertig, woonde in Amersfoort en werkte op de salarisadministratie van een installatiebedrijf. Tot er een tumor in mijn dikke darm werd gevonden. Eerst kwam de operatie. Daarna de chemo. In mijn agenda stonden geen gewone weken meer. Alleen bloedprikken, kuren en dagen waarop ik hopelijk weer kon eten.

Mijn man Daan stond bij de deur met mijn jas. Hij glimlachte te hard.

‘Klaar,’ zei hij.

‘Met dit stuk.’

Zijn glimlach zakte weg. Meteen had ik spijt. Maar ik kon het woord klaar niet verdragen.

Buiten het Meander Medisch Centrum waaide mijn muts bijna af. Het was maart. Bij de parkeerautomaat kreeg ik mijn bankpas niet tussen mijn vingers. Ik drukte ernaar, maar voelde vooral een soort elektrisch zand.

Daan pakte de pas.

‘Laat mij maar.’

‘Ik kan betalen.’

‘Dat zeg ik toch niet?’

We reden zwijgend naar huis.

Onze dochter Noor had een slinger opgehangen. VEEL LIEFS MAM stond erop. Geen gefeliciteerd. Ze was vijftien en begreep soms meer dan wij.

Op tafel stond een appeltaart van mijn zus Elise. Er lagen drie vorkjes naast. Ik nam een hap. De appel smaakte zuur en de korst naar karton.

‘Lekker?’ vroeg Noor.

‘Ik proef het nog niet goed.’

Ze schoof mijn bord weg zonder iets te zeggen. Daarna ging ze naast me zitten. Haar knie raakte de mijne. Dat kon ik wel verdragen.

Die avond wilde ik douchen. Alleen. Tijdens de kuren had Daan vaak op de overloop gewacht. Voor het geval ik duizelig werd. Nu stuurde ik hem naar beneden.

Ik trok mijn shirt uit en bleef voor de spiegel staan. Mijn buik had een lange, bleke streep. Er zat nog een hard stukje bij mijn navel. Mijn haar was dun geworden, vooral bovenop. Mijn wenkbrauwen leken half uitgegumd.

Ik draaide me opzij. Ik zocht iets herkenbaars. Mijn schouders misschien. De moedervlek onder mijn rechterborst.

Toen begon mijn voet te branden.

Niet een beetje. Het voelde alsof ik op een hete tegel stond. Ik trok hem op en greep de wastafel. Het branden bleef. Mijn andere voet begon ook.

‘Daan!’

Hij kwam zo snel boven dat hij tegen de deurpost botste.

‘Wat is er?’

‘Mijn voeten. Het wordt erger.’

Hij keek naar de vloer. Alsof daar iets kon liggen.

Fatima had gezegd dat zenuwklachten na sommige kuren nog konden toenemen. Ik had geknikt. Ik had folders gekregen. Geen folder had me voorbereid op dit moment. Na de laatste kuur. In mijn eigen badkamer. Met een lichaam dat nieuwe manieren vond om pijn te doen.

Daan hielp me op de gesloten wc zitten. Ik huilde zonder mijn handen voor mijn gezicht te doen. Daar had ik geen kracht voor.

‘We bellen,’ zei hij.

De verpleegkundige aan de telefoon stelde rustige vragen. Kon ik lopen? Was het plots aan één kant? Had ik krachtsverlies? Koorts? Ze overlegde en gaf aan wanneer we direct opnieuw moesten bellen. De volgende ochtend kon ik terecht.

Ik sliep die nacht in stukken. Om twee uur luisterde ik naar Daans ademhaling. Om vier uur zocht ik op mijn telefoon naar blijvende zenuwschade. Om vijf uur naar de kans dat darmkanker terugkwam.

Om zes uur zat ik beneden.

Noor vond me aan de keukentafel toen ze naar school ging.

‘Heb je geslapen?’

‘Een beetje.’

Ze keek naar mijn telefoon.

‘Je doet weer dat gezicht.’

‘Welk gezicht?’

‘Alsof er iemand een toets geeft waarvoor je niks hebt geleerd.’

Ik legde de telefoon omgekeerd neer.

Daan kwam binnen met de slinger in zijn handen. Hij had hem uit de deuropening gehaald.

‘Zal ik hem bewaren?’

Ik knikte.

‘Niet weggooien.’

Want ik was blij dat de chemo voorbij was. Alleen niet op de manier die ik had verwacht.

Hoofdstuk 2

Geen grip

Drie weken later liet ik een mok vallen. Niet zomaar een mok. De blauwe die Noor op de basisschool had beschilderd. Er stond MAMA op, met een A die op een ladder leek.

Ik zag hem uit mijn hand glijden. Mijn vingers sloten te laat.

De mok brak tegen de keukenvloer.

‘Verdomme.’

Ik bukte en greep naar een scherf. Pas toen er bloed op de tegel viel, zag ik het sneetje in mijn duim. Ik had het nauwelijks gevoeld.

Bij de controle liet ik mijn hand aan Fatima zien.

‘Dit bedoel ik,’ zei ik. ‘Ik kan niet eens veilig koffie drinken.’

Ze vroeg welke dingen nog meer misgingen. Knopen. Ritsen. Een sleutel draaien. Lopen in het donker. Ik schaamde me toen ik vertelde dat ik op de trap soms naar mijn voeten moest kijken om te weten waar ze stonden.

‘Dat wil ik juist weten,’ zei ze.

De oncoloog onderzocht mijn handen en voeten. Hij sprak over perifere neuropathie door de behandeling. Er kon herstel komen. Dat kon lang duren. Sommige klachten konden blijven.

‘Hoe lang?’ vroeg ik.

‘Maanden. Soms langer. Ik kan het voor jou niet precies voorspellen.’

Ik keek naar zijn schoenen. Bruin leer. Stevige zolen. Ik werd kwaad op die schoenen. Op zijn voeten die kennelijk gewoon deden wat hij vroeg.

Thuis lag een kaart van mijn werk. We missen onze snelle rekenaar. Mijn collega Bas had er een getekende rekenmachine bij gezet.

Ik opende mijn laptop. Even kijken. Niet werken.

Binnen tien minuten had ik drie keer hetzelfde bericht gelezen. Een vraag over overuren. Vroeger had ik die tussen twee telefoontjes afgehandeld. Nu bleef ik steken bij de tweede zin.

Ik tikte een antwoord. Verwijderde het. Tikte opnieuw.

Toen belde Bas.

‘Hé, ik zie je online. Ben je weer een beetje terug?’

‘Ik kijk alleen.’

‘Mooi. Rustig opbouwen. Maar ik heb één klein vraagje.’

Ik zei geen nee. Ik wilde horen dat ik nog nuttig was.

Na het gesprek lag ik op de bank. Mijn hart klopte hard. Niet van inspanning. Van schaamte. Ik had een bedrag verkeerd genoemd. Ik wist het pas toen ik had opgehangen.

Ik stuurde een correctie. Daarna sloot ik de laptop zo hard dat Daan vanuit de gang vroeg wat er viel.

‘Niks.’

Die zaterdag ging ik alleen naar de supermarkt op het Euterpeplein. Een kleine proef. Brood, yoghurt, tomaten. Ik nam geen kar, want ik had maar drie dingen nodig.

Bij het koelvak begon mijn buik te rommelen.

Sinds de darmoperatie was haast geen gewone haast meer. Soms had ik minuten. Soms minder. Tijdens de chemo was ik bijna altijd thuis geweest. Daar kende ik de afstand tot de wc.

Ik zette mijn mand neer en liep naar een medewerker.

‘Mag ik naar jullie toilet?’

‘We hebben geen klantentoilet.’

‘Ik ben aan mijn darmen geopereerd. Het moet nu.’

Hij keek achter zich. Een jongen met puistjes en een naamkaartje: Milan.

‘Wacht, ik haal even—’

‘Geen tijd.’

Mijn stem klonk hard. Mensen keken.

Hij deed een deur open en wees door het magazijn. Ik haalde het net niet helemaal.

Op het personeelstoilet zat ik met mijn onderbroek in mijn hand. Ik had tissues, een telefoon en een klantenkaart. Geen schone kleren. De tl-buis zoemde. Iemand reed buiten een kar langs de deur.

Ik belde Daan.

‘Je moet komen.’

Hij vroeg niet waarom toen hij mijn stem hoorde.

Milan gaf me een vuilniszak en zei dat ik rustig kon wachten. Ik keek hem niet aan toen ik hem bedankte.

Thuis trok ik de gordijnen dicht. Daan zette mijn boodschappen op het aanrecht. Hij had ook een nieuwe blauwe mok gekocht.

‘Goed bedoeld,’ zei ik. ‘Maar doe die weg.’

Hij bleef staan met de mok in zijn hand.

‘Ik weet ook niet wat ik moet doen, Mariek.’

Ik zag hoe moe hij was. Toch kon ik hem niet troosten.

‘Ik ook niet.’

Die avond pakte ik een klein tasje. Ondergoed, vochtige doekjes, een broek. Ik legde het bij mijn jas.

Het voelde als toegeven.

De volgende ochtend hing ik mijn jas eroverheen. Ik wilde het tasje niet zien. Maar ik liet het wel staan.

Hoofdstuk 3

Wat ik verzwijg

Daan raakte mijn heup aan toen we in bed lagen. Een vertrouwde beweging. Vroeger schoof ik naar hem toe zonder erbij na te denken.

Nu verstijfde ik.

Hij trok zijn hand terug.

‘Sorry.’

‘Je hoeft niet steeds sorry te zeggen.’

‘Wat moet ik dan zeggen?’

Ik staarde naar het rode lampje van de oplader. Mijn lichaam voelde niet als iets waar iemand naar kon verlangen. Mijn buik was gevoelig. Mijn huid droog. Ik werd ’s nachts wakker van hitte en schopte de deken weg. Daarna lag ik te rillen.

We hadden één keer geprobeerd te vrijen. Het deed pijn. Ik zei dat hij moest stoppen. Dat deed hij meteen. Sindsdien lag er tussen ons een strook matras waar niemand overheen durfde.

‘Ik ben bang dat je iets wilt wat ik niet kan,’ zei ik.

‘Ik wilde je vasthouden.’

Dat was erger. Nu had ik zelfs dat verkeerd begrepen.

De volgende middag reed Elise me naar een afspraak. Ik had verteld dat het alleen een controle was. In werkelijkheid had Fatima extra tijd gemaakt omdat ik bij ons laatste gesprek was dichtgeklapt.

Elise parkeerde en zette de motor uit.

‘Je hoeft niet flink te doen bij mij.’

‘Ik doe niet flink.’

‘Je vertelt alleen dingen die al opgelost zijn.’

Ik wilde uitstappen. Mijn vingers kregen de gordel niet los. Elise wachtte. Ze hielp niet. Dat was precies goed.

Bij Fatima kwam alles tegelijk. De pijn bij het vrijen. De hitte. Mijn angst voor de supermarkt. Het werk dat ik niet begreep. Dat ik soms boos werd wanneer iemand zei dat ik er goed uitzag.

‘Dan lijkt het alsof ik moet bewijzen dat het niet goed gaat.’

Fatima schoof de tissues dichterbij.

‘Je hoeft hier niets te bewijzen.’

Ze vroeg naar mijn menstruatie. Die was tijdens de behandeling verdwenen. Ze legde uit dat verschillende dingen konden meespelen. De behandeling. Stress. Veranderingen in mijn hormonen. We maakten afspraken voor verdere beoordeling. Ook kreeg ik informatie over hulp bij seksuele klachten.

‘Je mag stoppen zodra iets pijn doet,’ zei ze. ‘Je hoeft niet te oefenen door pijn heen.’

Ik wist niet hoe hard ik die zin nodig had.

Daarna vroeg ze hoe vaak ik bang was dat de kanker terugkwam.

‘Hoe vaak telt als vaak?’

‘Vertel maar hoe een dag gaat.’

Ik vertelde over mijn ontlasting bekijken. Over voelen aan mijn buik. Over zoekopdrachten onder de dekens. Over de nacht waarin ik zeker wist dat rugpijn betekende dat het overal zat.

Ze bleef rustig. Niet sussend. Dat hielp meer.

Een week later zat ik tegenover psycholoog Saskia, die met mensen na kanker werkte. Haar kamer had uitzicht op een fietsenrek. Terwijl ik praatte, probeerde een man buiten een kinderzitje op zijn fiets vast te zetten.

‘Iedereen wil dat ik vooruitkijk,’ zei ik.

‘Wat wil jij?’

‘Dat iemand zegt dat het voorbij is.’

‘Kan iemand je die zekerheid geven?’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Daar ben ik kwaad over,’ zei ik.

‘Op wie?’

‘Iedereen die wel gewoon morgen durft af te spreken.’

Dat klonk kinderachtig. Saskia keek niet alsof het kinderachtig was.

Thuis vond ik Noor aan de keukentafel. Haar wiskundeboek lag open. Ze had de hoek van een bladzijde kapotgevouwen.

‘Waarom heb je me niet verteld dat je naar een psycholoog ging?’

‘Hoe weet je dat?’

‘Tante Elise vroeg hoe het was.’

Ik ging zitten.

‘Ik wilde niet dat je je zorgen maakte.’

Noor lachte kort. Niet vrolijk.

‘Mam. Als jullie fluisteren, maak ik zelf iets.’

‘Wat maak je dan?’

Ze keek naar haar boek.

‘Dat je weer ziek bent. Dat jullie wachten met vertellen tot na mijn proefwerkweek.’

Ik schoof mijn stoel naast de hare. Ik vertelde wat er speelde. Dat er op dat moment geen aanwijzingen waren voor nieuwe kanker. Dat mijn hoofd nog vaak deed alsof er direct gevaar was. Dat ik daar hulp voor kreeg.

‘Dus je bent niet stiekem dood aan het gaan?’

Ik slikte.

‘Niet voor zover de artsen weten. En belangrijke dingen vertellen we je.’

Die avond vroeg ik Daan of hij naast me wilde liggen. Zonder plan. Zonder dat het ergens heen hoefde.

Hij legde zijn hand op mijn arm.

Deze keer liet ik hem liggen.

Hoofdstuk 4

De wachtkamer

Het bloed lag als een rode veeg op het toiletpapier. Ik bleef zitten. Mijn voeten tintelden tegen de badkamervloer.

Het was eind mei. Acht weken na mijn laatste kuur. Ik had net geleerd om niet elke buiksteek op te zoeken. Nu keek ik naar iets wat ik niet kon wegademen.

Ik vouwde het papier dicht. Daarna weer open.

‘Daan.’

Hij hoorde meteen genoeg.

Ik belde de polikliniek. De verpleegkundige vroeg hoeveel bloed ik zag, of het vaker was gebeurd en of ik pijn of duizeligheid had. Ze overlegde met de arts. Ik kreeg een afspraak voor onderzoek. Als het bloeden toenam of ik me acuut ziek voelde, moest ik direct opnieuw contact opnemen.

Na het telefoontje ging ik de badkamer schoonmaken.

Ik schrobde rond de kraan met een oude tandenborstel. Daan stond in de deuropening.

‘Wat doe je?’

‘Dat zie je.’

‘Mariek.’

‘Niet nu.’

Hij ging weg. Ik schrobde tot mijn vingers kramp kregen.

De dagen daarna hield ik mijn wereld klein. Geen nieuws. Geen afspraken. Ik ging vroeg naar bed, maar sliep nauwelijks. Iedere keer dat ik wakker werd, wist ik het weer.

Saskia vroeg telefonisch of ik onderscheid kon maken tussen wat er bekend was en wat ik vreesde.

‘Er is bloed,’ zei ik.

‘Dat is bekend. En wat vrees je?’

‘Dat de behandeling niet heeft gewerkt.’

‘Dat weten we nu niet.’

‘Dat weet ik ook wel.’

Het kwam scherp uit mijn mond.

‘Het hoeft niet prettig te voelen,’ zei ze. ‘We proberen alleen te voorkomen dat de angst zich voordoet als een uitslag.’

Ik schreef het op een kassabon. Niet omdat het me rustig maakte. Omdat ik anders bleef zoeken tot mijn telefoon leeg was.

Bij het onderzoek droeg ik sokken met citroenen erop. Noor had ze voor me gekocht. Ik schaamde me plots voor die vrolijke sokken onder de dunne ziekenhuisdeken.

De arts vertelde wat hij zag. Er was een klein scheurtje bij de anus. Dat kon het helderrode bloed verklaren. In het onderzochte deel zag hij geen verdachte afwijking. We bespraken hoe ik mijn ontlasting minder hard kon houden. Mijn geplande controles bleven staan.

Ik knikte. Daan stelde vragen. Ik hoorde vooral de woorden geen verdachte afwijking.

Buiten begon ik te trillen.

Daan sloeg zijn armen om me heen, midden op de stoep. Er liep iemand langs met een bos bloemen in plastic. Ik wilde naar die onbekende roepen dat het vandaag niet erger was geworden.

Maar de opluchting bleef niet heel.

Die nacht voelde ik weer aan mijn buik.

Ik was kwaad op mezelf. Ik had goed nieuws gekregen. Waarom kon ik daar niet gewoon in blijven?

Een week later ging ik voor het eerst naar een inloophuis in Amersfoort. Niet omdat ik zin had om over kanker te praten. Omdat ik moe was van uitleggen aan mensen die na elke zin zeiden dat ik positief moest blijven.

Aan de grote tafel zat een vrouw met kort, grijs haar. Ze schoof een schaal koekjes naar me toe.

‘Ik ben Ria.’

‘Marieke.’

‘Net klaar met behandelen?’

‘Zie je dat?’

‘Je kijkt alsof je ieder moment teruggeroepen kunt worden.’

Ik pakte geen koekje. Ik begon te huilen.

Ria schoof geen doos tissues onder mijn neus. Ze liet me zelf de doos pakken.

Ze was zestig. Borstkanker. Andere behandeling, ander lichaam. Toch herkende ze het wachten, de schrik en de vreemde leegte na de laatste ziekenhuisdag.

‘Ik dacht dat ik ondankbaar was,’ zei ik.

‘Omdat je nog niet gelukkig rondhuppelt?’

Ik knikte.

‘Daar was ik te moe voor,’ zei ze.

Ik lachte. Voor het eerst die week zonder dat ik mezelf ertoe dwong.

We praatten ook over gewone dingen. Haar buurman die zijn afval naast de container zette. Noors slechte humeur. De dure aardbeien bij de groenteboer.

Toen ik vertrok, vroeg Ria of ik de volgende woensdag terugkwam.

Ik begon met mijn vaste antwoord. Dat ik moest kijken hoe het ging.

Toen stopte ik.

‘Ja,’ zei ik. ‘Als er niets tussenkomt.’

Thuis zette ik de afspraak in mijn agenda. Niet onder ziekenhuis. Niet onder herstel.

Gewoon: koffie met Ria.

Hoofdstuk 5

Twee uur werken

De bedrijfsarts vroeg wat ik op een gewone dag kon. Ik had een lijst gemaakt. Douchen. Ontbijten. Een korte wandeling. Soms koken.

‘En daarna?’ vroeg hij.

‘Dan rust ik.’

‘Hoe lang?’

Ik keek naar mijn papier.

‘Langer dan ik wil.’

We spraken af dat ik klein zou beginnen. Twee ochtenden per week. Twee uur per keer. Afgebakende taken. Geen verantwoordelijkheid voor de definitieve salarisbetaling. Ik vond dat laatste vernederend en verstandig tegelijk.

Op mijn eerste ochtend droeg ik een donkerblauwe blouse. De knoopjes had Daan dichtgemaakt. Ik had hem bijna afgesnauwd toen hij hulp aanbood, maar hield me in.

Bij het kantoor in Nijkerk bleef ik even in de auto zitten. Het gebouw zag er hetzelfde uit. De scheve vlaggenmast. De bestelbus van onderhoud naast de ingang.

Binnen rook het naar koffie en printerpapier.

Bas kwam overeind.

‘Daar is ze!’

Drie mensen klapten. Ik wilde meteen weer weg.

Mijn leidinggevende, Ellen, zag het. Ze stuurde iedereen terug naar zijn bureau en nam me mee naar een rustige werkplek.

‘Zeg het als iets niet gaat.’

‘Dat ga ik proberen.’

Ik durfde niet te beloven dat ik het zou doen.

Het eerste uur ging goed. Ik controleerde adressen en contractdata. Een eenvoudige lijst. Ik maakte aantekeningen, zodat ik niet alles hoefde vast te houden.

Toen kwam Bas met een bestand.

‘Alleen even jouw ogen hierover. Jij ziet zo’n fout meteen.’

Dat was precies de zin waarvoor ik gevoelig was.

Ik opende het bestand. Er stonden correcties in, toeslagen, uren van een feestdag. De kolommen begonnen op elkaar te lijken. Ik schoof een regel omhoog. Toen nog een.

Ellen kwam achter me staan.

‘Dit hadden we niet afgesproken.’

‘Het is maar even.’

Mijn stem klonk alsof ik op iets betrapt was.

Ze keek naar het scherm.

‘Sla het nog niet op.’

Er stond een bedrag bij de verkeerde medewerker. Geen ramp. Het bestand was nog niet verwerkt. Maar ik voelde mijn gezicht heet worden.

Bas zei dat hij het wel oploste.

Ik pakte mijn tas.

‘Ik ga.’

Ellen liep mee naar de gang.

‘Dit zegt iets over de taak en de belasting. Niet over jouw waarde hier.’

Ik knikte zoals je knikt wanneer je iemand wilt laten ophouden.

Thuis lag ik vier uur op bed. Mijn benen deden pijn. In mijn hoofd bleef die verkeerde regel staan.

Daan kwam om zes uur boven.

‘Heb je iets gegeten?’

‘Geen trek.’

‘Je moet wel—’

‘Ik weet wat ik moet.’

Hij zette het bord op de kast.

‘Ik kan niet bij alles raden welk antwoord goed is.’

Toen hij weg was, huilde ik. Niet om zijn woorden. Omdat hij gelijk had.

Bij de volgende afspraak vertelde ik de bedrijfsarts precies wat er was gebeurd. Ook over de vier uur slapen. We maakten het plan kleiner. Korter werken, met rust ertussen. Eén soort taak. Bas kreeg van Ellen te horen dat vragen via haar moesten lopen.

Ondertussen begon ik bij een fysiotherapeut met ervaring in oncologische revalidatie. Hij heette Joris en had een notitieboek dat uit elkaar viel.

‘Wat wil je weer kunnen?’ vroeg hij.

‘Mijn leven.’

Hij knikte alsof hij dat antwoord kende.

‘Welke handeling hoort daar vandaag bij?’

Ik dacht na.

‘Naar de bakker lopen. En zelf terugkomen met brood.’

We oefenden kracht en evenwicht. Niet spectaculair. Opstaan van een stoel. Een stukje lopen. Rust nemen voordat ik helemaal leeg was. Hij liet me bijhouden wat de inspanning later die dag en de volgende ochtend deed.

Ik ging één keer te hard. Thuis kon ik nauwelijks de trap op. De keer daarna paste hij het programma aan zonder preek.

Na vier weken liep ik naar de bakker. Zeven minuten heen. Ik had mijn noodtasje mee en wist waar een toilet was. Ik kocht een half volkoren en twee krentenbollen.

Terug moest ik op een muurtje zitten.

Een vrouw met een hond vroeg of het ging.

‘Ja. Ik rust even.’

Ik merkte dat ik geen excuus toevoegde.

Thuis belde ik Ellen. Ik wilde maandag weer komen. Voor de afgesproken tijd. Niet langer.

Daarna at ik een krentenbol voordat ik op de bank ging liggen.

Hoofdstuk 6

Langs het water

In september wilde Noor dat ik naar haar optreden kwam. Haar muziekklas speelde in een kleine zaal in de binnenstad van Amersfoort. Ze zou keyboard spelen. Ze had het wekenlang gebracht alsof het niets voorstelde.

‘Je hoeft niet hoor,’ zei ze terwijl ze haar bord afruimde.

Ik hoorde de vraag eronder.

‘Ik wil komen.’

‘Maar kom je ook?’

Daan keek naar mij. Ik keek naar Noor.

‘Ik ga er alles voor regelen. En als het echt niet lukt, vertel ik het op tijd.’

Ze knikte. Ze vroeg niet om een belofte. Dat deed pijn.

Die middag deed ik weinig. Geen was. Geen wandeling. Een eenvoudige lunch. Mijn tas stond klaar met schone kleren en de spullen die ik inmiddels altijd meenam.

Bij de zaal zocht ik eerst het toilet. Daarna koos ik een stoel aan het gangpad. Ik schaamde me daar minder voor dan vroeger. Toch zag ik anderen zomaar ergens gaan zitten. Zonder de ruimte te controleren.

Het optreden begon twintig minuten te laat.

Mijn voeten prikten. De stoelrand drukte tegen mijn benen. Ik hoorde iemand achter me een zak snoep openmaken. Het geluid kwam ongefilterd binnen.

Halverwege het tweede nummer trok mijn buik samen.

Niet nu.

Ik zette mijn voeten stevig neer en wachtte een paar seconden. Nog een kramp. Ik keek naar het podium. Noor stond achter haar keyboard. Haar nummer kwam hierna.

Daan boog naar me toe.

‘Ga maar. Ik film.’

Ik wilde zeggen dat ik kon blijven. Mijn lichaam gaf me geen ruimte om daar lang over te liegen.

Ik miste haar eerste minuten.

Toen ik terugkwam, speelde ze met haar schouders hoog en haar ogen op haar handen. Bij het laatste akkoord keek ze de zaal in. Ik stak mijn hand op. Ze zag me.

Na afloop stond ze bij de garderobe.

‘Je was weg.’

‘Ja. Mijn buik.’

‘Ik weet het.’

Maar haar gezicht bleef strak.

In de auto begon ze te huilen. Boos huilen, met haar mouw tegen haar neus.

‘Ik ben het zo zat dat alles daarmee te maken heeft.’

Daan haalde adem om iets te zeggen. Ik legde mijn hand op zijn arm.

‘Ik ook,’ zei ik.

‘En dan voel ik me een rotkind omdat jij er niks aan kunt doen.’

‘Je bent geen rotkind.’

‘Ik wilde gewoon dat je alles zag.’

Ik draaide me om in mijn stoel.

‘Dat wilde ik ook.’

Meer kon ik niet repareren. Thuis bekeken we de opname. Ze wees aan waar ze een fout had gemaakt. Ik hoorde hem niet. Voor één avond was zij degene die uitlegde hoe iets werkte.

Een paar dagen later ging ik wandelen met Ria langs de Eem. Ze liep niet langzaam om aardig te zijn. Haar heup deed pijn. We hadden allebei reden om af en toe te stoppen.

Bij een bankje haalde ze koffie uit een thermoskan.

‘Ik heb iets stoms gedaan,’ zei ik.

‘Dat maakt twee.’

Ik vertelde dat ik mijn oude hardloopschoenen had aangetrokken. Ik was tot het einde van de straat gerend. Uit woede. Daarna had ik twee dagen extra pijn gehad.

‘Ik heb een kast geschilderd,’ zei Ria. ‘De helft. Nu staat hij al drie weken open in de kamer.’

We lachten. Daarna werden we stil.

‘Ik mis mezelf,’ zei ik.

Ria draaide haar beker tussen haar handen.

‘Wat mis je het meest?’

‘Niet hoeven plannen. Gewoon gaan.’

Een roeiboot gleed voorbij. De instructeur riep iets vanaf een fiets op de oever. Ik keek naar de gelijke beweging van de roeiers. Ik was jaloers op hun handen, hun ruggen, hun gewone vermoeidheid straks.

‘Ik mis dat ook,’ zei Ria.

Ze maakte er niets mooiers van. Ik was haar daar dankbaar voor.

Die avond vertelde ik Daan dat ik niet steeds als patiënt benaderd wilde worden. Ook niet in bed.

‘Maar vraag wel wat fijn is,’ zei ik.

‘Dat kan ik.’

We gingen vroeg naar boven. We praatten meer dan vroeger. Soms lachten we ongemakkelijk. We stopten voordat ik pijn kreeg.

Later lag zijn arm over mijn middel, boven het litteken.

Ik controleerde niet meteen hoe mijn buik voelde.

Pas toen ik het nachtlampje uitdeed, merkte ik dat op.

Hoofdstuk 7

Een gewone zaterdag

Bijna een jaar na de laatste chemo zat ik opnieuw in dezelfde gang van het ziekenhuis. De bel hing er nog. Het rode koord was vervangen door een blauw.

Ik was er voor een controle, niet voor een kuur. Toch werd mijn mond droog zodra ik de geur van handalcohol rook.

Daan zat naast me. Hij vroeg niet of ik zenuwachtig was. Hij kende het antwoord.

Ik had slecht geslapen. Drie nachten al. Mijn hoofd maakte lijsten van klachten. Rugpijn na het tuinieren. Een dag minder eetlust. Vermoeidheid die er nog steeds was.

Toen mijn naam klonk, stond ik te snel op. Daan pakte mijn jas. Ik liep zelf.

De arts besprak de uitslagen. Op de scan en in het bloedonderzoek waren geen aanwijzingen gevonden voor terugkeer van de ziekte.

Ik liet hem de zin herhalen.

Daarna stelde ik mijn vragen. Ik had ze op papier. Over mijn voeten. Over mijn darmen. Over het tempo van herstel. De zenuwklachten waren verminderd, maar niet weg. Vooral ’s avonds brandden mijn voetzolen. Mijn vingertoppen bleven dof.

Hij kon niet zeggen wat nog zou herstellen. Wel konden we blijven kijken naar behandeling van klachten en naar wat mij hielp functioneren.

Vroeger had ik dat een mager antwoord gevonden. Nu schreef ik de afspraak op.

Buiten vroeg Daan of ik taart wilde halen.

‘Nee. Brood. We hebben niks voor morgen.’

Hij keek even naar me. Toen begon hij te lachen.

‘Heel feestelijk.’

‘Doe er dan een gevulde koek bij.’

Ik werkte inmiddels vier ochtenden per week. Niet mijn oude uren. Misschien zou dat later veranderen. Misschien niet. Ik deed weer salariscontroles, maar liet belangrijke berekeningen altijd door een collega nakijken. Dat deden we nu bij iedereen. Ellen had er een vaste werkwijze van gemaakt.

Soms moest ik na het werk slapen. Soms kon ik nog koken. Ik had geleerd het verschil niet pas te erkennen wanneer ik stond te trillen bij het fornuis.

Die zaterdag werd ik om halfacht wakker. Niet van pijn. Niet van angst. Van Noor, die beneden een keukenkastje dichtgooide.

Ik bleef even liggen.

Mijn voeten tintelden. Mijn buik voelde rustig. Daan sliep met zijn mond open. Een klein, onflatteus detail waar ik plots blij van werd.

Beneden stond Noor in haar jas.

‘Ik ga met Fenna naar Utrecht.’

‘Hoe laat terug?’

‘Weet ik nog niet.’

‘Dan spreek je nu een tijd af.’

Ze zuchtte diep. Een normale puberzucht. Ik vroeg door. Zij vond me lastig. Het was een behoorlijk goed begin van de dag.

Later fietste ik naar de markt. Een korte route. Ik droeg stevige schoenen en stapte af bij het drukste kruispunt. Mijn evenwicht was beter, maar ik vertrouwde het niet altijd tussen plots remmende fietsers.

Bij een kraam kocht ik tulpen. Geel, omdat ik ze mooi vond. Niet omdat ze ergens voor stonden.

Toen zag ik Milan, de jongen uit de supermarkt. Hij droeg geen werkkleding. Hij liep met een meisje en een papieren zak broodjes.

Ik twijfelde. Daarna sprak ik hem aan.

‘Jij hebt me vorig jaar geholpen. Bij jullie personeelstoilet.’

Hij keek kort zoekend en knikte toen.

‘O ja. Hoe gaat het nu?’

‘Beter. Niet helemaal goed. Maar beter.’

‘Fijn.’

‘Ik heb je toen niet echt bedankt.’

Hij haalde zijn schouders op.

‘Je had gewoon hulp nodig.’

Daarna liep hij verder. Voor hem was het een klein voorval. Ik stond nog even met de tulpen tegen mijn jas.

Thuis zette ik ze in een vaas. Naast de vaas stond een klein potje met een scherf van mijn oude blauwe mok. Noor had hem bewaard. Alleen het stukje met de scheve A.

Ik maakte koffie in de nieuwe mok. Daan had hem niet weggegooid. Een paar maanden later had ik er zelf om gevraagd.

Mijn hand hield het oor stevig vast.

Niet alles was terug. Ik kon niet meer hardlopen zoals vroeger. Soms moest een afspraak worden afgezegd. De week voor een controle bleef moeilijk. En ik had nog altijd schone kleren in mijn tas.

Om twee uur zou Ria komen. We wilden een stukje lopen en daarna lunchen. Ik had soep gemaakt. Als wandelen niet ging, konden we aan tafel blijven.

Ik ging bij het raam zitten met mijn koffie. Mijn telefoon lag in de keuken.

Er was niets dat ik op dat moment hoefde na te kijken.

Dus liet ik hem liggen.