Identiteit en zelfacceptatie
Mijn leven op andermans voorwaarden
Hoofdstuk 1
De blauwe polo
Mijn naam is Sander de Wit. Ik ben vierendertig jaar oud en ik woon in Deventer. Als je me vijf jaar geleden had gevraagd wie ik was, had ik een keurige opsomming gegeven. Ik was werkvoorbereider bij een installatiebedrijf. Ik had een nieuwbouwwoning met een uitbouw. Ik had een vriendin, Nicole, met wie ik al zeven jaar samen was. Ik reed in een grijze stationwagen die altijd op zaterdagochtend door de wasstraat ging.
Maar als je me had gevraagd wat ik écht vond, van wat dan ook, had ik mijn mond gehouden. Ik wist het simpelweg niet. Mijn hele leven was een verzameling keuzes die door anderen waren gemaakt.
Het begon op een zondagmorgen in mei. De zon scheen op het laminaat in onze slaapkamer. Ik stond voor de kledingkast in mijn onderbroek. Mijn hand reikte naar een oud, verwassen zwart T-shirt van een band die ik vroeger goed vond. Een shirt met gaten onder de oksels, maar het zat fijn. Het voelde zacht.
'Nee, San, niet die,' zei Nicole. Ze kwam de badkamer uit met een handdoek om haar haar gewikkeld. Ze keek naar mijn hand alsof ik een dood dier vasthield. 'Mijn ouders verwachten ons over een uur. Trek die blauwe polo van Tommy Hilfiger aan. Die met die nette kraag.'
Ik keek naar de polo. Hij was donkerblauw, stug van het strijken en de stof kriebelde in mijn nek. Ik haatte dat ding. Ik voelde me er een kantoorpik in die net iets te hard zijn best deed om er succesvol uit te zien.
'Is goed,' zei ik.
Het floepte eruit voordat ik erover kon nadenken. 'Is goed.' Die twee woorden waren de soundtrack van mijn bestaan. Ze rolden over mijn lippen zonder dat mijn hersenen eraan te pas kwamen. Ik trok het zwarte shirt terug, pakte de polo van de hanger en schoof mijn armen erdoorheen. De kraag schuurde tegen mijn hals. Ik knoopte de bovenste twee knoopjes dicht.
Nicole knikte goedkeurend. Ze gaf me een snelle kus op mijn wang, meer een aai met haar lippen. 'Kijk eens hoe knap. Staat je veel volwassener.'
In de spiegel zag ik een man staan die ik niet kende. Een man met doffe ogen, kortgeknipt haar volgens het model dat de kapper altijd knipte omdat ik nooit durfde te zeggen dat ik het langer wilde laten groeien. Ik keek naar mijn eigen gezicht en voelde een vreemde, koude leegte. Het was alsof ik naar een acteur keek die klaarstond om het toneel op te lopen.
In de auto naar haar ouders in Schalkhaar zweeg ik. De radio stond op Sky Radio, de zender die Nicole altijd koos. Ik hield van harde gitaren, van rammelende drums, maar in deze auto klonk al vijf jaar zachte popmuziek. Elke keer als ik de zender verzette, zuchtte Nicole. Dus liet ik het maar zo. Ruzie maken kostte energie, en energie had ik niet meer.
'Vergeet je niet te vragen naar de knie van mijn vader?' vroeg Nicole terwijl ze in haar tas zocht naar haar zonnebril. 'En zeg even iets over hun nieuwe tuinset. Mijn moeder heeft daar weken over getwijfeld.'
'Zal ik doen,' zei ik.
Mijn handen klampten zich vast aan het stuur. Mijn knokkels werden wit. Mijn maag trok samen in een bekende, strakke kramp. Ik kende die kramp al jaren. Het was de angst om het verkeerde te zeggen. De angst dat iemand boos zou worden, teleurgesteld zou raken, of erger nog: me raar zou vinden. Ik wilde gewoon dat iedereen tevreden was. Zolang iedereen om me heen rustig bleef, dacht ik, was ik veilig.
Bij haar ouders aangekomen liep alles volgens script. Ik gaf haar moeder drie zoenen. Ik prees de houten tuinset. Ik vroeg haar vader naar zijn meniscus. Ik dronk filterkoffie uit een porseleinen kopje met een koekje erbij dat naar karton smaakte. Ik lachte om de grappen van haar vader over de politiek, grappen waar ik het stiekem van binnen totaal mee oneens was.
'Sander is altijd zo'n rustige jongen,' zei haar moeder terwijl ze de koffiepot bijzette. 'Nooit gedoe met hem. Een echte rots in de branding.'
Ik glimlachte. Mijn kaken deden pijn van het glimlachen. Vanbinnen gilde er iets, heel zachtjes nog, als een dier dat achterin een donkere kast is opgesloten. Maar ik pakte nog een kartonnen koekje en knikte.
Hoofdstuk 2
Nooit 'nee' geleerd
Maandagochtend, kwart over zeven. De geur van natte jassen en goedkope automaatkoffie vulde het kantoor van Van Vliet Installatietechniek. Ik zat achter mijn twee beeldschermen en staarde naar een bouwtekening van een schoolgebouw in Apeldoorn. De cijfers tolden voor mijn ogen. Ik had slecht geslapen. De blauwe polo lag thuis in de wasmand, maar de strakke knoop in mijn maag was meegereisd naar mijn werk.
De deur van mijn kantoor zwaaide open. Henk kwam binnen. Henk was projectleider, vijftig jaar oud, met een buik die over zijn riem hing en een stem die altijd klonk alsof hij tegen een groep bouwvakkers op een winderige steiger stond te schreeuwen.
'Sander, jongen,' zei Henk. Hij smeet een dikke ordner op mijn bureau. Het stof vloog op. 'De offerte voor het distributiecentrum in Zutphen. Moet voor morgenmiddag vier uur de deur uit. Klant zit te drukken.'
Ik keek naar de ordner. Die was minstens vierhonderd pagina's dik. 'Henk, ik zit tot over mijn oren in het project De Vlinder. Dat moet woensdag klaar zijn voor de aanbesteding.'
Henk boog zich voorover. Hij leunde met beide handen op mijn bureau. Hij rook naar zware shag en pepermunt. 'Ja, maar jij bent snel, San. Jij hebt die cijfers altijd zo strak als een snaar. Even een avondje doortrekken, dan red je het makkelijk. Ik kan dit niet aan Jeffrey geven, die maakt er een zooitje van. Jij bent mijn man voor het secure werk.'
Daar was het weer. De vleiende toon. De verwachting. Het gevoel dat als ik nu nee zou zeggen, ik een teleurstelling zou zijn. De hele afdeling zou instorten als ik weigerde. Ik zag Henks ogen op me rusten. Hij verwachtte geen weerstand. Hij had in de zes jaar dat ik hier werkte nog nooit een 'nee' van mij gehoord.
'Kan Jeffrey dan niet een deel van De Vlinder overnemen?' probeerde ik nog. Mijn stem klonk veel te zacht, bijna verontschuldigend.
'Breek me de bek niet open over Jeffrey,' wuifde Henk het weg. 'Doe jij dit nou maar gewoon. Krijg je die uren later wel een keer terug. We staan samen voor de klus, toch?'
Hij wachtte niet eens op een echt antwoord. Hij gaf me een harde klap op mijn schouder en liep alweer naar de gang, waar hij begon te roepen naar iemand van de planning.
Ik bleef achter met de ordner. Mijn handen trilden lichtjes boven het toetsenbord. Mijn keel voelde kurkdroog.
Waarom had ik niet gezegd: 'Nee Henk, dat gaat niet. Zoek het maar uit'? Waarom had ik niet gewoon opgestaan?
Omdat ik het nooit geleerd had. Ik dacht aan vroeger, aan de keukentafel bij mijn ouders in Zwolle. Mijn vader was leraar op een middelbare school. Orde en rust, dat waren zijn heilige huisjes. Als mijn broer Maarten begon te schreeuwen of stampen, werd mijn vader woedend. Dan vielen er harde woorden en knalden de deuren. Ik was het jongere broertje dat muisstil in de hoek zat met zijn Lego. Als ik maar braaf was, als ik maar mijn rapportcijfers hoog hield en nooit zeurde om speelgoed, dan kreeg ik een aai over mijn bol.
'Sander is zo'n makkelijk kind,' zei mijn vader altijd tegen visite. 'Je merkt niet eens dat hij er is.'
Ik had van die zin mijn levensmissie gemaakt: zorgen dat niemand merkte dat ik er was. Geen ruimte innemen. Geen wensen hebben. Want een wens kon botsen met de wens van een ander, en botsingen betekenden ruzie, en ruzie betekende dat ik afgewezen zou worden. Onzekerheid was als giftige schimmel in mijn fundament gaan zitten. Ik dacht oprecht dat niemand van me zou houden als ik lastig was.
Om half negen 's avonds zat ik nog steeds achter mijn beeldscherm. De tl-buizen zoemden boven mijn hoofd. De rest van het kantoorpand was donker en verlaten. Mijn ogen brandden van het staren naar Excel-sheets. Mijn telefoon trilde op het bureau.
Nicole: *Waar blijf je? Het eten is koud. We moesten vanavond nog naar de Gamma voor die plinten.*
Ik typte een antwoord. Mijn vingers voelden zwaar.
*Sorry schat. Druk op de zaak. Henk had me nodig. Ik kom er nu aan.*
Ik sloot de computer af, trok mijn jas aan en liep door de donkere gangen naar buiten. De avondlucht was koud. Ik stapte in mijn auto en bleef vijf minuten roerloos achter het stuur zitten. Ik keek naar de dashboardlampjes. Ik haatte mijn baan. Ik haatte die plinten. Ik haatte mezelf.
Hoofdstuk 3
Het perfecte plaatje
De geur van verse verf en dure geurstokjes hing zwaar in de woonkamer. Het was zaterdagmiddag en ons huis zat vol. We woonden er nu drie maanden. Een hoekwoning in een nieuwe wijk aan de rand van Deventer, dicht bij de snelweg. Vloerverwarming, visgraatlaminaat, zwarte stalen deuren. Alles wat op Pinterest stond, hadden we nagebouwd. Nicole had het uitgezocht, ik had geknikt en mijn handtekening onder de hypotheekakte gezet.
Vandaag was de housewarming.
'Geweldig, die keuken,' zei Mark, de man van Nicole's zus. Hij stond met een flesje speciaalbier tegen het kookeiland te leunen. 'Mooi composiet blad. Kost een paar centen zeker?'
'Het mag wat kosten, maar dan heb je ook wat,' zei ik. Ik hoorde de woorden uit mijn eigen mond komen en werd er misselijk van. Ik praatte zoals de mensen in reclames. Ik praatte zoals mijn zwager.
'En je zit hier lekker vrij aan de achterkant,' ging Mark verder. Hij nam een slok bier. 'Goeie investering, San. Over tien jaar is deze wijk goud waard. Zeker met die overkapping die jullie nog gaan bouwen.'
'Ja, absoluut,' zei ik. 'Ruimte voor de toekomst.'
Ruimte voor kinderen, bedoelde hij. Iedereen keek er al naar uit. Nicole had al een bord op haar telefoon gemaakt met babykamers. Niemand had me ooit gevraagd: 'Sander, wil jij eigenlijk wel kinderen?' En ik had het mezelf ook nooit afgevraagd. Het hoorde er gewoon bij. Stap één: studie. Stap twee: baan. Stap drie: vaste relatie. Stap vier: koophuis. Stap vijf: kinderen. Je volgde de stappen tot je doodging, en zolang je niet van het pad afweek, deed je het goed.
Nicole kwam voorbij met een schaal warme hapjes. Ze straalde. Haar haren zaten strak naar achteren, ze droeg een nieuwe jurk. Ze tikte even speels tegen mijn heup. 'Sander, schat, pak jij even nieuw ijs uit de vriezer in de garage? En haal meteen die prosecco tevoorschijn.'
'Komt eraan,' zei ik.
Ik liep door de bijkeuken naar de garage. De deur viel achter me in het slot en ineens was het geluid gedempt. Het geroezemoes van twintig pratende, lachende mensen klonk plotseling alsof het van heel ver kwam. De garage was koel en rook naar beton en kartonnen verhuisdozen die er nog opgestapeld stonden.
Ik liep niet naar de vriezer. Ik ging op een omgekeerd plastic kratje zitten, tussen een stapel autobanden en mijn oude racefiets die al twee jaar niet gebruikt was.
Ik legde mijn ellebogen op mijn knieën en liet mijn hoofd in mijn handen zakken. Mijn hart bonkte in mijn keel. Boem. Boem. Boem. Veel te snel voor een man die alleen maar stilzat.
Ik keek naar mijn racefiets. Er zat een dikke laag stof op het frame. Vroeger, toen ik begin twintig was, fietste ik in het weekend urenlang in mijn eentje over de Veluwe. Koude wind tegen mijn wangen, zweet op mijn rug, brandende bovenbenen. Niemand die tegen me praatte. Niemand die iets van me wilde. Gewoon trappen tot mijn kop leeg was. Wanneer was ik daarmee gestopt? Oh ja, toen Nicole vond dat het te veel tijd kostte in het weekend. Er moesten immers boodschappen worden gedaan, verjaardagen worden bezocht, meubels worden gekocht.
'Ben je hier nou?'
De garagedeur stond op een kier. Nicole keek naar binnen. Haar glimlach verdween zodra ze zag dat ik op een kratje zat.
'Sander? Wat doe je hier? Iedereen wacht op de drank.'
Ik keek op. Ik probeerde een lach op te zetten, maar mijn gezichtsspieren weigerden dienst. 'Ik had even wat lucht nodig.'
Ze stapte de garage in en trok de deur achter zich dicht, alsof ze bang was dat iemand ons zou horen. Haar stem werd een scherpe fluistering. 'Lucht nodig? Het is ónze housewarming. Mijn hele familie staat daarbinnen. Collega's van je werk zijn er. En jij zit hier tussen de dozen te niksen?'
'Het is druk,' zei ik zacht.
'Natuurlijk is het druk! Het is een feestje! Kom op zeg, doe even normaal. Zet die knop even om.' Ze keek me aan met een mengeling van ergernis en onbegrip. 'Wat is er toch de laatste tijd met jou? Je bent zo afwezig. Alsof je er met je hoofd helemaal niet bij bent.'
*Omdat ik er ook niet bij ben,* dacht ik. *Omdat de man die hier staat een spook is.*
Maar ik zei het niet. Ik slikte het in, zoals ik alles inslikte. De brok in mijn keel werd groter, zwaarder, harder.
'Sorry,' zei ik. 'Een beetje moe van de week. Ik pak de prosecco.'
Ze zuchtte kort, blies een pluk haar uit haar gezicht en draaide zich om. 'Schiet op dan.'
Ik stond op van het kratje. Ik pakte de flessen uit de vriezer. Mijn handen waren ijskoud. Toen ik de deur naar de warme, luidruchtige kamer weer openduwde, voelde het alsof ik kopje onder ging in troebel water.
Hoofdstuk 4
De scheur in de muur
De echte klap kwam op een doodgewone donderdagochtend in oktober. Het was guur buiten. De regen kletterde tegen de ruiten van de vergaderruimte bij Van Vliet. We zaten om de grote ovale tafel: Henk, twee externe aannemers, een architect en ik.
Het ging over de kosten van een leidingtracé. Een miljoenenproject. Ik had de berekeningen gemaakt. Ik wist dat de marges flinterdun waren. Ik wist dat als we de plannen van de aannemer volgden, we tienduizenden euro's verlies zouden draaien.
'Dus we pakken de noordelijke route,' zei de aannemer, een zelfverzekerde kerel met een gouden horloge. 'Dat scheelt ons twee weken graafwerk. Sander, jij bent akkoord met die raming, toch?'
Alle ogen draaiden naar mij. Vijf mannen keken me aan. Ze wachtten op mijn knikje. Het knikje waarmee ik alles altijd soepel liet verlopen. Henk keek me aan met een blik van: *Zeg maar ja, dan kunnen we lunchen.*
Ik deed mijn mond open. Ik wilde zeggen: 'Nee, dat kan niet. De grondwaterstand is daar te hoog. De kosten voor bronbemaling maken het twee keer zo duur.' Dat waren de feiten. Dat was mijn vak.
Maar er kwam geen geluid uit mijn keel.
In plaats van woorden voelde ik een golf van hitte die vanuit mijn borst omhoog schoot naar mijn kaken. Mijn keel kneep dicht, alsof er een bankschroef omheen werd aangedraaid. Mijn adem bleef steken achter mijn borstbeen.
'Sander?' vroeg Henk. Zijn stem klonk ineens gedempt, alsof hij van onder water sprak.
Ik wilde ademhalen, maar mijn longen weigerden lucht op te nemen. Mijn hart sloeg op hol. Het bonkte niet meer regelmatig; het fladderde als een vogel die tegen een raam vliegt. Mijn vingers begonnen te tintelen, een doods, prikkelend gevoel dat snel naar mijn onderarmen kroop. Zwart voor mijn ogen. Kleine vlekjes die dansten over de bouwtekening op tafel.
*Ik ga dood,* dacht ik. *Dit is een hartaanval. Hier, aan deze vergadertafel, val ik dood neer.*
Ik schoof mijn stoel met een harde kras naar achteren. Iedereen schrok op.
'Sander, wat is er?' hoorde ik iemand roepen.
Ik gaf geen antwoord. Ik kon niet praten. Ik strompelde naar de deur, duwde hem open en liep de gang op. Mijn benen voelden aan als zachte rubberen slangen. Ik haalde het herentoilet net op tijd. Ik sloot mezelf op in het kleinste hokje, liet de deksel van de wc vallen en ging zitten. Ik greep de porseleinen rand van de wasbak vast met beide handen.
'Adem,' fluisterde ik tegen mezelf. 'Adem, verdomme, adem.'
Ik hapte naar lucht, maar het leek alsof er geen zuurstof in de ruimte was. Koude zweetdruppels liepen over mijn slapen en vielen op de koude tegelvloer. Ik beefde over mijn hele lichaam. Mijn tanden klapperden op elkaar.
Dit was geen hartaanval. Dat wist ik diep vanbinnen wel. Dit was mijn lijf dat zei: *Tot hier en niet verder. Als jij je bek niet opentrekt, dan doe ik het voor je.*
Ik bleef een half uur in dat hokje zitten. Net zolang tot het beven overging in een doffe, verlammende uitputting. Toen ik naar buiten kwam, was de gang leeg. Ik waste mijn gezicht met ijskoud water. In de spiegel zag ik een lijkbleke man met rode vlekken in zijn nek.
Henk stond me op te wachten bij mijn bureau. Hij keek bezorgd, maar er zat ook irritatie onder.
'Wat was dat daarnet? Je liet ons mooi voor lul staan bij die aannemer.'
'Ik werd niet goed,' zei ik schor.
'Buikgriep zeker? Heerst enorm,' zei Henk snel. Hij greep de uitweg met beide handen aan. Een fysieke kwaal begreep hij tenminste. 'Ga maar naar huis. Rust even uit. Maar zorg wel dat die tekeningen morgen af zijn, hè? We kunnen niet blijven hangen.'
Ik knikte alleen maar. Ik ruimde mijn spullen niet eens op. Ik pakte mijn autosleutels en liep weg.
Thuis trof ik Nicole aan de keukentafel. Ze werkte die dag thuis. Ze keek verbaasd op van haar laptop.
'Wat doe jij hier nu al?'
Ik ging tegenover haar zitten. Ik hield mijn jas nog aan. 'Het ging niet meer op de zaak.'
Ze fronste. 'Hoezo niet?'
'Ik kreeg geen adem meer. Ik denk dat het een paniekaanval was.'
Het woord viel zwaar tussen ons op tafel. Nicole keek ernaar alsof het een vuilniszak was die ik zomaar op haar schone visgraatvloer had gegooid.
'Een paniekaanval?' Haar stem klonk niet bezorgd, maar ongeduldig. 'Sander, doe niet zo theatraal. Je bent gewoon gestrest. Iedereen heeft het druk. We hebben zaterdag het jubileumfeest van mijn ouders, we moeten nog een cadeau kopen, en die schilder komt volgende week voor het kozijn. We kunnen dit er nu echt niet bij hebben.'
Ik keek naar haar. Naar haar perfect geföhnde haar, haar verzorgde nagels, haar strakke blik. Ze zag me niet. Ze had me al jaren niet gezien. Ze zag alleen een radertje in de machine van haar leven dat plotseling weigerde te draaien.
'Ik kan niet meer, Nicole,' zei ik. Het klonk nauwelijks harder dan een zucht.
'Iedereen kan als hij maar wil,' zei ze kordaat, en ze richtte haar ogen weer op haar laptopscherm. 'Ga maar even een uurtje liggen. Dan voel je je straks vast beter.'
Ik bleef zitten waar ik zat. Er knapte iets in me. Geen luide knal, maar een zacht, onherroepelijk breken. Zoals een tak die onder te veel sneeuw langzaam doormidden scheurt.
Hoofdstuk 5
De val
Drie weken na het voorval op kantoor kwam de genadeklap. Ik had me drie weken lang voortgesleept. Ik sliep niet meer. Als ik at, smaakte alles naar as. Op mijn werk deed ik alsof alles normaal was, maar ik maakte fouten. Domme fouten in calculaties. Henk had al twee keer uit zijn sloof gestaan tegen me. Ik had gewoon 'ja' geknikt en 'sorry' gezegd.
Het was een vrijdagmiddag in november. De lucht boven Deventer was grijs, zwaar van de naderende sneeuw of koude regen. Ik reed weg van de zaak, maar in plaats van de afslag naar onze wijk te nemen, reed ik door. Ik reed de stad in, parkeerde de auto bij de Welle en liep naar de kade van de IJssel.
De rivier stroomde snel en kolkend voorbij. Het water was bijna zwart. De wind sneed door mijn dunne jasje, maar ik voelde het nauwelijks. Ik stond bij de reling en keek naar het water.
Ik dacht niet aan springen. Ik wilde niet dood. Maar ik wilde zó vreselijk graag stoppen met zijn wie ik was. Ik wilde dat masker afrukken, maar ik was bang dat eronder helemaal niets meer zat. Alleen een holle ruimte. Wie was Sander zonder zijn inschikkelijkheid? Wie was Sander zonder zijn 'is goed'? Als ik stopte met iedereen tevreden te houden, wie bleef er dan nog over om van me te houden?
Ik stond daar een uur. Mijn vingers werden gevoelloos door de kou. Mensen liepen met opgetrokken schouders voorbij met hun honden. Niemand keek naar me. Ik was onzichtbaar, precies zoals ik altijd had gewild. En het was de eenzaamste plek op aarde.
Toen ik om zeven uur thuiskwam, was het huis donker, op de keuken na. Nicole zat aan de bar met een glas witte wijn. Haar telefoon lag voor haar.
'Waar was je?' vroeg ze. Geen begroeting. Geen vraag hoe het ging. Alleen die kille ondervragingstoon.
'Aan de rivier,' zei ik. Ik deed mijn schoenen uit bij de deur.
'Aan de rivier?' Ze lachte, een kort, spottend lachje. 'Je telefoon stond uit. We hadden om zes uur bij de notaris moeten zitten voor de aanpassing van de hypotheekakte. De afspraak die al twee maanden staat, Sander. Ik heb daar in mijn eentje gezeten als een idioot.'
Ik liep de keuken in. Ik keek naar haar glas wijn. 'Ik ben het vergeten.'
'Vergeten? Hoe kún je dat nou vergeten?' Ze stond op. Haar stem sloeg over. 'Je bent nergens meer bij met je kop! Je loopt hier rond als een zombie. Ik schaam me kapot voor je. Mijn vriendinnen vragen wat er met je aan de hand is. Je zegt niks meer op feestjes, je zit alleen maar te staren. En nu laat je me zitten bij de notaris!'
Ze bleef maar praten. Haar woorden kwamen als hagelstenen op me af: onverantwoordelijk, slap, egoïstisch, een blok aan haar been.
En toen gebeurde het.
Het begon diep in mijn buik. Een hitte die anders was dan de paniek van de vorige keer. Dit was geen angst. Dit was woede. Een oeroude, zwarte woede die ik vierendertig jaar lang had weggestopt in kelders en hoeken van mijn ziel.
'HOU JE BEK!' schreeuwde ik.
Het geluid dat uit mijn mond kwam, was zo hard, zo rauw, dat de ruiten leken te trillen.
Nicole stokte midden in een zin. Haar mond bleef openstaan. Haar ogen werden groot van schrik. Ze deinsde een stap achteruit tegen het aanrecht aan. Ze had me in zeven jaar tijd nog nooit horen schreeuwen. Ik had mezelf nog nooit horen schreeuwen.
'Hou gewoon je bek,' herhaalde ik. Mijn stem trilde, maar hij was laag en gevaarlijk. 'Hoor je jezelf weleens praten? Je vraagt nooit hoe het met me gaat. Nooit! Het gaat alleen maar over jou. Over je familie. Over dit kut-huis. Over wat de buren wel niet zullen denken. Ik stik hier, Nicole. Ik ga kapot hier!'
'Sander...' bracht ze uit. Ze was lijkbleek geworden.
'Ik trek die blauwe polo niet meer aan,' schreeuwde ik, en hoewel het een belachelijke zin was, voelde het alsof ik een banier in de grond plantte. 'Ik wil die kut-plinten niet. Ik wil dit hele leven niet! Ik doe alles voor iedereen, elke dag weer, en het is nooit genoeg. Nooit!'
Ik sloeg met mijn vlakke hand op het composieten aanrechtblad. De knal weergalmde door de strakke, lege keuken. Nicole kromp ineen.
We keken elkaar aan. De stilte die volgde was oorverdovend. De scheur in de muur was een ravijn geworden. Er was geen weg meer terug. We wisten het allebei. De leugen was dood.
Hoofdstuk 6
De lege kamer
Het kraken van de verhuisdozen was het enige geluid in het appartement aan de Brinkgreverweg. Het was een portiekwoning op de tweede verdieping, boven een Turkse bakkerij. Het stonk er lichtjes naar oud vet en vocht. De muren waren vergeeld door de vorige bewoner, die blijkbaar binnen had gerookt. Er lag goedkoop, bobbelig zeil op de vloer.
Dit was mijn nieuwe thuis.
Nicole en ik hadden drie weken na de uitbarsting besloten uit elkaar te gaan. Eigenlijk had ik niet eens besloten; we wisten gewoon allebei dat het over was. Het huis in de nieuwbouwwijk stond te koop. Nicole sliep tijdelijk bij haar zus. Ik had het eerste het beste huurappartement geaccepteerd dat ik kon betalen.
Ik had weinig meegenomen. Mijn kleren, wat boeken, mijn racefiets en een matras dat ik nu op de vloer van de slaapkamer had gegooid. Geen visgraatlaminaat meer. Geen strakke zwarte deuren.
Het was zaterdagavond. Zeven uur. Buiten toeterden auto's op het kruispunt.
Ik zat op mijn matras tegen de muur geleund. Ik had geen televisie, geen radio. Alleen de stilte van een man die nergens meer naartoe hoefde.
Mijn telefoon ging. Het was mijn vader.
Ik staarde naar het schermpje. Mijn vinger zweefde boven de knop. Vroeger had ik binnen één seconde opgenomen. Altijd klaarstaan. Altijd braaf zijn.
Ik nam op. 'Hoi pap.'
'Sander,' klonk zijn stem. Streng, bezorgd op die bevoogdende manier die ik al mijn hele leven kende. 'Je moeder en ik maken ons grote zorgen. We hoorden van Nicole dat je bent vertrokken. Dat je in een bouwval zit bij het station. Wat bezielt je toch allemaal? Je had alles zo goed voor elkaar. Een prachtig huis, een lieve meid. Je gooit je eigen glazen in, jongen. Iedereen heeft weleens een dipje, maar dan loop je toch niet zomaar weg?'
Daar was het weer. Het oordeel. De verwachting van hoe het hoorde.
Ik kneep mijn ogen dicht. Mijn maag krampte even samen, een echo van de oude angst. Maar de woede van een paar weken geleden was weg; er was alleen nog een diepe, zware vermoeidheid over.
'Ik had niks goed voor elkaar, pap,' zei ik zacht.
'Hoezo niet? Je verdient goed, je hebt...'
'Ik was er zelf niet bij, pap,' onderbrak ik hem. Mijn stem trilde licht, maar ik hield vol. 'Ik leefde het leven dat jij en Nicole voor me hadden bedacht. En ik ging eraan onderdoor.'
'Wat een onzin,' zei mijn vader geïrriteerd. 'Wat een therapeutengepraat. Je moet gewoon je verantwoordelijkheid nemen. Een man loopt niet weg als het even tegenzit.'
Normaal gesproken had ik me verontschuldigd. Dan had ik gezegd dat hij gelijk had, dat ik erover na zou denken, dat ik Nicole weer zou bellen. Gewoon om de vrede te bewaren.
'Ik ga nu ophangen, pap,' zei ik.
'Wat? Luister eens even naar mij...'
'Nee. Ik bel je volgende week wel een keer.'
Ik drukte op de rode knop. Het gesprek was verbroken.
Mijn hart sloeg wild in mijn borstkas. Ik beefde. Het voelde heiligschennend om de verbinding met mijn vader te verbreken. Ik had het gevoel dat het plafond elk moment naar beneden kon storten als straf voor mijn brutaliteit. Maar het plafond bleef hangen. De auto's buiten bleven toeteren. De geur van vers Turks brood trok langzaam door de kieren van het raamkozijn.
Ik stond op en liep naar de supermarkt op de hoek. Ik liep door de gangpaden met een mandje in mijn hand.
En daar, voor het schap met de kant-en-klaarmaaltijden, kwam de volgende crisis.
Wat vind ik eigenlijk lekker?
Ik keek naar de lasagnes, de stamppotten, de curry's. Nicole hield van biologisch, van koolhydraatarm, van salades met quinoa en geitenkaas. Zeven jaar lang had ik dat gegeten. Ik wist niet eens meer wat mijn eigen smaak was. Hield ik van pittig eten? Lustte ik eigenlijk wel spruitjes? Ik wist het verdomme niet.
Ik stond daar zeker tien minuten voor dat koelvak, als een idioot die niet wist hoe een supermarkt werkte. Een vrouw met een kinderwagen keek me bevreemd aan toen ze me passeerde.
Uiteindelijk pakte ik een simpele pizza margherita en een fles goedkope cola. Geen speciaalbier. Geen verantwoorde maaltijd.
Terug in mijn kale appartement schoof ik de pizza in het vieze oventje. Ik at hem op van een kartonnen bord, zittend op de grond, met mijn rug tegen de vergeelde muur. De pizza smaakte naar zout en goedkope kaas. Het was het lekkerste eten dat ik in jaren had geproefd. Niet omdat het goed was, maar omdat niemand me had verteld dat ik het moest eten.
Hoofdstuk 7
Een eigen stem
Zes maanden later.
Het was een heldere ochtend in april. De bomen langs de IJssel kregen weer hun eerste, lichtgroene waas. Ik zat aan een tafeltje buiten bij een café op het Grote Kerkhof in Deventer. Voor me stond een zwarte koffie en een krant.
Ik zag er anders uit. Mijn haar was langer, een beetje warrig, omdat ik al vier maanden niet naar de kapper was geweest. Ik droeg een spijkerjack dat ik bij de kringloop had gekocht en versleten bergschoenen. Maar het grootste verschil zat niet aan de buitenkant. Het zat in mijn schouders. Ze hingen niet meer permanent opgetrokken tot aan mijn oren. De kramp in mijn kaken was weg.
Ben ik gelukkig? Nee, dat is een te groot woord. Het leven is geen sprookje dat plotseling goed afloopt zodra je eerlijk wordt.
De scheiding van Nicole was een hel geweest. Er waren bittere verwijten gevallen, tranen, ruzies over de overwaarde van het huis en wie de eettafel mocht houden. Haar familie keek me niet meer aan; voor hen was ik de schoft die hun dochter na zeven jaar in de steek had gelaten zonder duidelijke reden. Met mijn vader praat ik nog steeds maar mondjesmaat. We bellen soms op zondag. Het zijn stroeve, ongemakkelijke gesprekken waarin we het over het weer hebben en over de reparatie van zijn auto. Hij begrijpt me niet. Misschien zal hij me nooit begrijpen. Dat doet pijn, elke dag een beetje, maar het scheurt me niet meer doormidden.
Op mijn werk was de dynamiek voorgoed veranderd.
Twee maanden geleden kwam Henk weer eens mijn kantoor binnenstormen. Zelfde buik, zelfde zware shag. Weer een spoedklus, weer een ordner die op mijn bureau werd gesmeten.
'Sander, jongen, even snel de offerte voor die sporthal in Twello. Voor morgenochtend.'
Ik had opgekeken van mijn scherm. Mijn hart had een klein sprongetje gemaakt — de oude reflex van angst sterft niet zomaar uit. Mijn eerste neiging was nog steeds om 'is goed' te zeggen. De onzekerheid zat er nog, diep geworteld. De stem die fluisterde dat Henk me zou haten, dat ik ontslagen zou worden, dat ik waardeloos was.
Maar ik haalde adem. Langzaam, door mijn buik.
'Nee, Henk,' zei ik. Duidelijk. Rustig.
Henk had me aangestaard alsof ik Chinees sprak. 'Wat bedoel je, nee?'
'Ik bedoel nee. Ik zit vol. Als ik die offerte erbij pak, haal ik mijn andere deadlines niet. Geef hem maar aan Jeffrey.'
'Jeffrey kan dit niet!' brieste Henk. Zijn kop werd rood. 'Ik vraag het aan jou!'
'Dan moet je Jeffrey inwerken,' zei ik. Mijn handen lagen plat op het bureau, volkomen stil. 'Mijn antwoord is nee.'
Henk had nog wat gemompeld, had de ordner met een nijdige zwaai weer van mijn bureau gepakt en was weggelopen met een klappende deur.
En weet je wat er gebeurde daarna? Helemaal niks. De aarde spleet niet open. Ik werd niet op staande voet ontslagen. De volgende dag dronk Henk gewoon weer koffie uit de automaat en vroeg hij of ik Ajax had gezien. Mijn 'nee' had de wereld niet vernietigd. Het had alleen een grens getrokken.
Ik nam een slok van mijn koffie. Hij was bitter en heet.
Vanmiddag haal ik mijn racefiets op bij de fietsenmaker. Ik heb hem laten opknappen. Nieuwe banden, nieuwe ketting. Morgenochtend vroeg ga ik de Posbank op. Alleen. Drie uur lang tegen de wind in beuken tot mijn benen branden. Niet om ergens van weg te vluchten, maar gewoon omdat ik het wil.
Ik heb nog steeds geen antwoord op alle vragen. Ik weet nog steeds niet precies wie ik ben, wat mijn grote passie is, of waar ik over vijf jaar sta. Soms overvalt de eenzaamheid me in dat kale appartement aan de Brinkgreverweg, zo hevig dat ik niet weet waar ik het zoeken moet. Soms mis ik de vanzelfsprekendheid van een relatie, het veilige gevoel van een uitgestippeld pad.
Maar als ik 's ochtends voor de spiegel sta, draag ik wat ik zelf heb gepakt. Al is het een oud, verwassen shirt met gaten. Ik kijk naar mijn eigen ogen en ik zie geen acteur meer. Ik zie een man die opnieuw moet leren lopen, wankel en onzeker, maar op zijn eigen benen.
Het leven op andermans voorwaarden was comfortabel, maar het was een langzame dood. Nu is het vaak moeilijk, schuurt het en doet het pijn. Maar het is tenminste van mij.