Naar de inhoud
Terug naar het boek

Psychische gezondheid

Mijn hoofd heeft honderd tabbladen

Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.

Hoofdstuk 1

De zoem in mijn schedel

Het is vier uur in de nacht en de wekker gaat pas om kwart over zes. Ik lig op mijn rug in het donker. Buiten op de Deventerweg rijdt af en toe een vrachtwagen voorbij. De banden ruisen over het natte asfalt. Dat geluid ken ik uit mijn hoofd. Eerst een doffe dreun op het viaduct, dan twee seconden stilte, en dan het wegstervende gezoem.

In mijn hoofd stopt het gezoem nooit.

Ik ben Jeroen. Vierendertig jaar. Ik werk als logistiek planner bij een technische groothandel in Deventer. Wie mij op kantoor ziet zitten, ziet een rustige kerel. Kort donker haar, blauw overhemd, altijd op tijd, koffie zwart. Iemand die de roosters strak trekt en de vrachtbrieven op orde heeft. Maar vanbinnen ben ik een computer die op instorten staat.

Ken je dat gevoel als je computer vastloopt? Je hebt dertig tabbladen openstaan in je browser. Ergens speelt een video af met harde muziek, maar je weet niet welk tabblad het is. Er knippert een melding dat het geheugen vol is. De ventilator loeit alsof het apparaat elk moment kan ontploffen. Dat is mijn hoofd. Al maanden.

Het zijn niet eens nuttige gedachten. Het is een smerige stroom van ruis. 'Heb ik de pallet met koperen koppelingen wel ingeboekt voor de vroege rit?' 'Wat bedoelde Sanne gisteravond toen ze zei dat ik zo afwezig keek?' 'Waarom zei ik vijf jaar geleden op die verjaardag zoiets stoms tegen de buurman?' 'Als mijn vader over tien jaar doodgaat, hoe moet dat dan met zijn huis?' 'Mijn rug doet pijn, wat als het een hernia is?'

Ik draai me om op mijn zij. Mijn kussen is warm en klam. Naast me ademt Sanne rustig en diep. Ze slaapt met haar hand onder haar wang, volkomen ontspannen. Ik voel een steek van jaloezie die meteen omslaat in schuldgevoel. Zij heeft ook een drukke baan op de basisschool. Zij heeft ook zorgen. Waarom kan zij wel gewoon haar ogen dichtdoen en wegzakken, terwijl ik gevangen zit in mijn eigen schedel?

Onder die storm van gedachten ligt iets anders. Iets zwaarders. Een grijze, koude deken. De somberheid. Het is niet hetzelfde als verdriet. Als je verdrietig bent, kun je huilen. Er is een reden, er komt een traan, er lucht iets op. Somberheid is leeg. Het zuigt alle kleur uit de dingen. Alsof iemand de volumeknop van het leven op nul heeft gezet, behalve voor de nare stemmen.

Ik staar naar de rode cijfers van de wekkerradio. 04:18. Over twee uur moet ik opstaan. Mijn hele lijf voelt al alsof het van lood is. Mijn benen zijn zwaar, mijn borstkas zit strak, alsof er een spanband omheen is getrokken. Ik weet nu al hoe de dag eruitziet. Ik ga koffie zetten, Sanne een zoen geven die nergens naar smaakt, in mijn oude Volkswagen Polo stappen en naar het industrieterrein rijden. Ik ga 'goedemorgen' zeggen tegen Bram van het magazijn, en niemand zal aan de buitenkant zien dat ik langzaam verdrink.

Ik probeer een trucje dat ik op internet las: tel je ademhaling. In door de neus, uit door de mond. Eén. Twee. Maar bij drie springt er alweer een tabblad open. 'Als je vandaag weer zo moe bent, maak je gegarandeerd fouten in de planning. Als je fouten maakt, kost dat het bedrijf duizenden euro's. Dan vlieg je eruit. Hoe betaal je dan de hypotheek?'

Mijn hart slaat een slag over en begint harder te bonzen. In mijn keel zit een brok die ik niet kan wegslikken. Ik doe mijn ogen dicht, maar het donker achter mijn oogleden is niet rustig. Het flikkert. Ik voel de spanning in mijn kaken, mijn tanden klemmen op elkaar. Ik moet ontspannen. 'Ontspan,' zeg ik tegen mezelf. Het werkt niet. Hoe harder ik tegen mezelf schreeuw dat ik moet slapen, hoe wakkerder ik word.

Om vijf uur geef ik het op. Ik schuif het dekbed langzaam van me af om Sanne niet wakker te maken. De vloerbedekking voelt koud onder mijn blote voeten. Ik loop naar de overloop, stap voor stap, krakende planken vermijdend. In de spiegel van de badkamer zie ik een bleke vent met donkere kringen onder zijn ogen. Een schim. Ik draai de kraan open en gooi ijskoud water over mijn gezicht. Even stopt het suizen. Even is er alleen de kou. Maar zodra ik de handdoek pak, schiet het volgende venster alweer open: 'Nog een uur en dan begint de hel opnieuw.'

Hoofdstuk 2

Alles staat aan

Op het werk ruikt het naar karton, versgezette automatenkoffie en de diesel van de vorkheftrucks. Het is een vertrouwde geur. Normaal gesproken geeft die me houvast. Vandaag maakt het me misselijk.

Ik zit achter mijn twee beeldschermen in het logistieke kantoortje. Buiten razen de heftrucks door de gangpaden van het magazijn. Piep-piep-piep als ze achteruitrijden. Het geluid boort zich recht in mijn slapen. Elk piepje voelt als een tik met een klein hamertje tegen mijn voorhoofd.

'Hé Jeroen,' klinkt een harde stem. Bram stapt het kantoor binnen met een stapel vrachtbrieven. Bram is vijftig, heeft handen als kolenschoppen en praat altijd alsof hij boven een scheepsmotor moet uitkomen. 'Die lading voor Zwolle, die van half negen. Die staat nog niet bij dock vier. Klopt dat wel? De chauffeur staat al te vloeken bij de koffieautomaat.'

Ik kijk naar mijn scherm. De letters en cijfers in het planningsprogramma dansen een beetje. Een tabel met zestig rijen. Groen, oranje, rood. Ik weet precies hoe het systeem werkt, ik doe dit al zeven jaar met mijn ogen dicht. Maar nu kijk ik naar de rijen en zie ik alleen maar tekens zonder betekenis.

'Jeroen? Ben je erbij, kerel?' Bram tikt met zijn pen op het houten bureaublad. Tik. Tik. Tik.

'Ja,' zeg ik. Mijn eigen stem klinkt vreemd in mijn oren. Dun en ver weg, alsof ik door een holle buis praat. 'Ik ben erbij. Zwolle. Even kijken.'

Ik klik met de muis. Fout venster. Ik klik nog een keer. De muisaanwijzer schiet over het scherm. In mijn hoofd begint de ventilator weer harder te draaien. 'Waarom weet ik dit niet meteen? Waarom heb ik die vracht niet gecheckt om acht uur? Bram ziet dat ik faal. Hij denkt dat ik een luie hond ben. Straks loopt hij naar Mark, de bedrijfsleider. Dan moet ik op gesprek. Ze zien het allemaal. Iedereen ziet het.'

'Ah,' pers ik eruit, terwijl ik eindelijk de juiste order vind. 'Chauffeur had vertraging bij het lossen in Arnhem. Hij is er over een kwartier. Dock vier is prima.'

'Top,' zegt Bram. Hij kijkt me even aan met samengeknepen ogen. 'Gaat-ie wel lekker? Je ziet zo wit als een pas geverfde muur.'

'Slecht geslapen,' zeg ik. De standaardleugen. De enige leugen die mensen accepteren zonder door te vragen.

Bram grijnst en schudt zijn hoofd. 'Minder zuipen op de doordeweekse avond, maat.' Hij draait zich om en beent het kantoor uit. De deur valt met een klap achter hem dicht.

Ik blijf alleen achter. Mijn handen trillen lichtjes boven het toetsenbord. Mijn vingertoppen zijn koud. Ik haal diep adem, maar het voelt alsof de lucht mijn longen niet vult. Het blijft steken in mijn keel.

Het beeldscherm staart me aan. Ik moet drie leveranciers bellen. Ik moet een foutieve zending uit Rotterdam corrigeren. Ik moet de planning voor morgenmiddag afronden. Het zijn gewone taken. Vorige maand deed ik dit fluitend, met een kop koffie in de hand, ondertussen grappen makend met de jongens van het magazijn. Nu voelt elke taak als een berg grind die ik met een theelepel moet verzetten.

Er kruipt een zwart gevoel omhoog vanuit mijn maag. Het is geen angst voor het werk zelf. Het is een verlammende hopeloosheid. Wat maakt het uit of die vrachtwagen naar Zwolle gaat? Wat maakt het uit of die buizen op tijd bij de aannemer liggen? Alles gaat toch kapot. De wereld draait door, dag in dag uit, een domme, doffe routine van dozen verplaatsen tot je pensioen, en dan ga je dood. Waar ben ik mee bezig?

De telefoon rinkelt. Een harde, doordringende toon. Het scherm licht op: 'Inkomend - Directie'.

Ik staar naar het knipperende lampje. De hoorn weegt honderd kilo. Ik kan mijn arm niet optillen. De telefoon rinkelt nog een keer. En nog een keer. De kamer lijkt kleiner te worden, de muren komen een centimeter naar binnen. Het licht van de tl-buizen aan het plafond flikkert met een hoge, irritante zoem.

Bij de vierde ring pak ik met een ruk de hoorn op. 'Van Veen Techniek, met Jeroen.'

'Jeroen, met Mark. Heb jij die kwartaalcijfers van de ritten al klaarliggen? Ik heb ze om elf uur nodig voor het overleg met de directie.'

De cijfers. Ik was ze vergeten. Helemaal vergeten. Ze stonden op mijn lijstje van maandag. Het is nu woensdag.

'Ik... ik ben er bijna mee klaar, Mark,' lieg ik. Het zweet breekt me aan alle kanten uit. Mijn shirt plakt tussen mijn schouderbladen.

'Mooi zo. Stuur ze maar door als je zover bent,' zegt Mark kortaf en hij hangt op.

Ik leg de hoorn neer. Ik heb anderhalf uur. Ik moet zestien spreadsheets doorploegen en samenvoegen. Mijn handen weigeren dienst. In plaats van Excel te openen, staar ik naar het bureaublad van mijn computer. Er staan tientallen icoontjes op. Een chaos van bestanden. Net als in mijn hoofd. Alles staat aan. Elk venster schreeuwt om aandacht. En ik kan alleen maar toekijken hoe het systeem langzaam vastloopt.

Hoofdstuk 3

Het kruispunt bij de IJssel

De geur van gebakken aardappels hangt in de gang als ik de voordeur openmaak. Normaal gesproken een fijne geur die betekent dat ik thuis ben, dat de werkdag voorbij is. Vandaag voelt het als een slag in mijn gezicht. Ik heb geen honger. Mijn maag zit potdicht geknepen.

Ik hang mijn jas aan de kapstok. Ik doe er extra lang over. Eerst de rits naar beneden, heel voorzichtig. Dan het lusje over het haakje. Dan mijn schoenen netjes naast elkaar zetten. Alles om tijd te winnen. Alles om nog een halve minuut niet te hoeven praten.

'Jeroen?' roept Sanne vanuit de keuken. 'Ben jij dat?'

'Ja,' zeg ik. Ik loop de woonkamer in. De televisie staat zachtjes aan, een praatprogramma met lachende mensen. Het contrast met wat er in mij omgaat is zo groot dat het fysiek pijn doet.

Sanne staat bij het fornuis. Ze draagt haar grijze trui en heeft haar haar in een rommelige knot. Ze draait zich om en glimlacht, maar zodra ze mijn gezicht ziet, verdwijnt haar glimlach. Haar schouders zakken een klein beetje in. Ik zie de vermoeidheid in haar ogen, en ik weet dat ik daar de oorzaak van ben.

'Hé,' zegt ze zacht. 'Heb je brood meegenomen?'

Ik blijf midden in de kamer staan. Brood. Het stond in een appje dat ze om half drie stuurde. Ik had het gelezen. Ik had zelfs 'komt goed' teruggestuurd. Maar toen ik om vijf uur van het industrieterrein reed, waren er weer zeshonderd andere gedachten die eroverheen walsten. De fout in de cijfers van Mark. De opmerking van Bram. De vraag of ik morgen wel uit bed kon komen.

'Vergeten,' zeg ik. De toon van mijn stem is vlakker dan ik wil. Het klinkt bot.

Sanne zucht. Het is geen boze zucht, en dat maakt het duizend keer erger. Het is een zucht van teleurstelling, van iemand die het eigenlijk al had verwacht.

'Laat maar,' zegt ze, terwijl ze met een houten lepel in de pan roert. 'Dan eten we morgenochtend wel crackers.'

'Ik kan nu nog even naar de supermarkt,' zeg ik. Mijn stem trilt een beetje van irritatie. Niet naar haar toe, maar naar mezelf. Omdat ik zelfs zoiets simpels als een half volkoren niet kan onthouden.

'Nee, laat maar zitten, Jeroen. Het eten is bijna klaar. Ga maar gewoon zitten.'

'Zeg dan gewoon wat je denkt!' schiet ik ineens uit. De woorden vliegen eruit voor ik ze kan tegenhouden. 'Zeg gewoon dat ik een waardeloze vent ben die niks kan onthouden. Hou op met dat gezucht!'

Sanne draait zich met een ruk om. De houten lepel hangt boven de pan, er drupt een beetje vet op de kookplaat. Ze kijkt me aan met grote ogen. 'Waar slaat dit op? Ik vraag alleen maar naar een brood, Jeroen! Je doet al drie weken alsof ik de vijand ben. Je praat niet, je zit alleen maar voor je uit te staren, en als ik iets vraag ontplof je. Ik trek dit niet meer.'

Er valt een stilte die als beton op de kamer drukt. De televisie babbelt vrolijk door op de achtergrond. Ik zie de tranen in haar ogen glinsteren. Ik wil naar haar toe lopen. Ik wil haar vastpakken en zeggen dat het me spijt, dat ik niet weet wat er met me aan de hand is, dat ik gek word van mijn eigen hoofd. Maar mijn benen bewegen niet. Mijn mond zit op slot. De somberheid heeft een muur van glas tussen ons gezet. Ik kan haar zien, ik kan haar horen, maar ik kan haar niet bereiken.

'Ik ga een stuk lopen,' zeg ik zacht.

Ik wacht haar antwoord niet af. Ik draai me om, gris mijn jas weer van de kapstok en stap naar buiten. De koude avondlucht slaat tegen mijn gezicht. Het motregent.

Ik loop met grote passen door de straat, weg van het huis, weg van de geur van gebakken aardappels. Mijn pas versnelt vanzelf. Ik loop richting de IJssel. De straatlantaarns weerkaatsen op de natte klinkers. Mijn hoofd raast op volle toeren. 'Zie je wel, je verpest alles. Nu maak je haar ook nog kapot. Ze verdient een vent die lacht, die haar helpt, die er voor haar is. Jij bent alleen maar een blok aan haar been.'

Na tien minuten sta ik op de kade bij de rivier. Het water van de IJssel is zwart en kolkt woest langs de basaltblokken. Aan de overkant liggen de weilanden in het donker, stil en verlaten. De wind trekt aan mijn jas.

Ik leun met mijn handen op de ijzeren reling. Het metaal is ijskoud, het brandt aan mijn handpalmen. Ik kijk naar het stromende water. Er is een vreemde, enge gedachte die oprijst uit de mist in mijn hoofd: als ik hier gewoon instap, stopt het suizen dan? Zou het water die honderd open tabbladen in één keer wegspoelen?

De gedachte schokt me tot op het bot. Ik wil niet dood. Ik wil absoluut niet dood. Ik hou van Sanne, ik hou van mijn leven zoals het was. Maar ik wil zó verschrikkelijk graag dat het ophoudt. Ik wil dat iemand de stekker eruit trekt. Dat de ventilator stopt met loeien. Dat er gewoon een paar minuten stilte is.

Ik knijp mijn ogen dicht en klem mijn vingers om de reling tot mijn knokkels wit zien. Ik sta daar, midden in de regen, kletsnat en rillend, op het kruispunt tussen wie ik was en wie ik aan het worden ben.

Hoofdstuk 4

De kortsluiting

De donderdagochtend erna knapt de kabel.

Het begint met een klein ding. Een pallet met warmtepompen die naar een groot bouwproject in Enschede moet. Tienduizend euro aan materiaal. Ik zit om negen uur achter mijn bureau. De nacht was weer een aaneenschakeling van wakker schrikken, zweten en piekeren geweest. Mijn ogen voelen alsof er zand in zit. Mijn concentratie is helemaal weg.

Bram komt binnengestormd. Geen grapjes dit keer. Zijn gezicht staat op onweer. 'Jeroen, die pomp-units. Waar zijn die in godsnaam gebleven? De aannemer staat op de bouwplaats met zes monteurs en een hijskraan. Die kraan kost tweehonderd euro per uur. En er is geen pomp te bekennen!'

Ik voel het bloed uit mijn wangen wegtrekken. 'Die... die zijn gisteren toch weggegaan met de middagrit?'

'Nee!' brult Bram. 'Ze staan niet eens op de laadlijst! Ik heb je gisteren drie keer gevraagd of die order definitief was vrijgegeven. Je zei van wel!'

Ik staar naar mijn scherm. Ik open het systeem. De order staat erin, gemarkeerd met een rode vlag. Niet vrijgegeven. Ik heb het formulier ingevuld, maar ik heb nooit op de knop 'verzenden' gedrukt. Ik dacht dat ik het had gedaan. Ik herinner me het beeld dat ik op die knop klikte. Maar dat was een herinnering aan de vorige keer, of een gedachte die ik aanzag voor een handeling.

De kantoorruimte lijkt ineens heel stil te worden, afgezien van het gebrom van de tl-balk. Mark, de bedrijfsleider, komt uit zijn kantoortje gelopen. Hij heeft het geschreeuw van Bram gehoord.

'Wat is hier aan de hand?' vraagt Mark rustig, maar met die strakke lijn rond zijn mond die betekent dat het foute boel is.

Bram wijst met een dikke vinger naar mij. 'Hij heeft de units voor Enschede laten staan. De kraan staat te wachten. De aannemer eist een schadevergoeding.'

Mark kijkt naar mij. Zijn blik is niet eens woedend. Het is erger: het is bezorgd en teleurgesteld. 'Jeroen? Hoe kan dit? Dit is de derde grote fout deze week.'

En op dat moment gebeurt het.

Er knapt iets. Het voelt letterlijk alsof er een zekering doorslaat in mijn hoofd. Een felle flits van paniek, gevolgd door een oorverdovende stilte. De stemmen van Mark en Bram vervagen tot een dof gemompel, alsof ze onder water praten. Hun monden bewegen, maar de woorden bereiken me niet meer. Het beeldscherm voor me begint te kantelen.

Ik sta op van mijn stoel. Mijn benen voelen slap, als pudding. Mijn hart gaat tekeer, tweehonderd slagen per minuut, bons-bons-bons tegen mijn ribben. Ik kan geen adem halen. De lucht is op. Er zit geen zuurstof meer in dit kantoor.

'Jeroen? Gaat het?' hoor ik Mark vaag vragen. Hij steekt een hand uit.

'Niet aanraken,' mompel ik. Ik weet niet eens of ik het hardop zeg. Ik deins achteruit tegen de archiefkast. Een stapel ordners valt met een doffe klap op de grond. Papieren vliegen over het linoleum.

Ik kan hier niet zijn. Ik moet weg. Nu.

Ik loop langs Mark en Bram. Ik ren bijna. De kantoordeur door, de gang op. Mijn werkschoenen stampen op de vloer. Ik duw de zware klapdeuren naar het magazijn open. De geur van rubber en diesel slaat in mijn gezicht. Een heftruck toetert luid omdat ik vlak voor zijn vorken langs schiet. Het kan me niet schelen. Ik kijk niet links, niet rechts.

Ik loop door de overheaddeur naar buiten. De regen valt in dikke druppels naar beneden, maar ik voel de kou niet eens. Ik loop naar mijn auto op de parkeerplaats. Mijn vingers trillen zo hevig dat ik de sleutel drie keer laat vallen in een modderplas voor ik hem kan oppakken.

Eindelijk zit ik in de auto. Ik trek de deur dicht. Het geluid van de regen op het metalen dak klinkt als hagel. Ik steek de sleutel in het contactslot, maar ik draai hem niet om. Ik kan niet rijden. Mijn hele lichaam schudt van de spiertrekkingen. Ik leg mijn armen op het stuur en begraaf mijn gezicht erin.

En dan breek ik. De tranen die al maanden vastzaten achter de muur van somberheid en geruis, komen er in één keer uit. Het zijn geen gewone tranen; het zijn schokkende, lelijke snikken die uit het diepste van mijn buik komen. Ik huil om de pallets, om Mark, om Sanne, om het brood dat ik vergat, om de duizenden nachten waarin ik niet kon slapen, om de complete en totale mislukking die ik ben.

Ik ben opgebrand. De computer is gecrasht. Het scherm is zwart en er staat alleen nog maar een knipperende cursor in een lege hoek. Ik zit daar, op de parkeerplaats van het industrieterrein in Deventer, een volwassen vent van vierendertig, en ik kan helemaal niets meer.

Hoofdstuk 5

Vier muren en stilstand

De eerste week van de ziekmelding herinner ik me in flarden. Een aaneenschakeling van grauwe dagen die geruisloos in elkaar overliepen.

Mark was die donderdagochtend naar buiten gekomen, naar mijn auto. Hij had niet gescholden. Hij had zachtjes op het raampje getikt, me uit de auto geholpen en Sanne gebeld. Sanne was me komen halen. Ze had me bij mijn arm gepakt alsof ik van glas was, me in haar auto gezet en me mee naar huis genomen. Mijn eigen auto staat nu nog steeds op de parkeerplaats van het werk. Ik kan het niet opbrengen om hem op te halen.

Nu zit ik op de bank. Het is twee uur 's middags op een dinsdag. Buiten schijnt een waterig zonnetje, maar de gordijnen zijn half dicht. Ik draag dezelfde grijze joggingbroek als gisteren en eergisteren. Er zit een koffievlek op mijn T-shirt. Het kan me niet schelen. Douchen voelt als een expeditie naar de Mount Everest. Het idee dat ik moet opstaan, me moet uitkleden, onder die straal water moet staan, me moet afdrogen en weer kleren moet aantrekken... het is te veel. Dus blijf ik zitten.

Ik dacht dat het stoppen met werken rust zou brengen. Dat de tabbladen zouden sluiten als de druk van de ketel was. Maar het tegendeel is waar. Nu er geen orders meer zijn om in te boeken en geen telefoons om te beantwoorden, hebben de stemmen vrij spel gekregen. Ze richten zich nu volledig op mij.

'Kijk je nou zitten,' zegt de stem in mijn hoofd. 'Een parasiet. Je vrouw is aan het werk, voor de klas, nuttig bezig voor de maatschappij. En jij zit hier op je luie reet naar de muur te staren. Je bent een aansteller. Er zijn mensen met echte ziektes, met kanker, met oorlog, en jij trekt het niet omdat je een paar vrachtbrieven moest regelen? Slappeling.'

Ik kijk naar de salontafel. Er ligt een briefje van Sanne. 'Er staat soep in de koelkast. Even opwarmen in de magnetron. Hou van je, tot vanmiddag xx'. Het handschrift is netjes en rond. Het briefje breekt mijn hart. Ze probeert het zo goed te doen. Ze stelt geen vragen meer, ze loopt op kousenvoeten door het huis, ze zet thee voor me neer die ik koud laat worden. Haar zorgzaamheid voelt als een verwijt. Ze verdient dit niet. Ze verdient een partner, geen patiënt.

De stilte in het huis is oorverdovend. Vroeger hield ik van stilte. Nu is het een echoput. Elke herinnering aan een fout die ik ooit gemaakt heb, komt voorbij drijven. Dingen van de lagere school. Ruzies met vrienden die verwaterd zijn. De teleurstelling in de ogen van mijn vader toen ik stopte met mijn hbo-opleiding en in het magazijn ging werken.

De somberheid is nu fysiek aanwezig in de kamer. Het is een zwaartekracht die tien keer sterker is dan normaal. Mijn armen wegen vijftig kilo per stuk. Als ik naar de wc moet, stel ik het een uur uit omdat het opstaan te veel energie kost. Mijn maag knort, maar het idee van eten maakt me misselijk. De soep blijft in de koelkast staan.

Om half vier hoor ik de sleutel in het slot. Sanne komt binnen. Ze heeft een tas met boodschappen bij zich. Ze probeert haar gezicht vrolijk te houden, maar ik zie de spanning in haar nekspieren als ze haar jas ophangt.

'Hé lieverd,' zegt ze zachtjes, terwijl ze de kamer in loopt. Ze kijkt naar de gordijnen die nog half dicht zijn. Naar mij in mijn joggingbroek. Naar de onaangeraakte kop koude thee op tafel.

'Hé,' mompel ik.

Ze zet de boodschappentas op de grond en komt naast me op de bank zitten. Ze legt een hand op mijn knie. Haar hand is warm. Mijn knie voelt doods en koud aan.

'Heb je de soep op?' vraagt ze voorzichtig.

Ik schud mijn hoofd. Ik kan haar niet aankijken.

Sanne haalt diep adem. Ik wacht op de woede. Ik wacht op het moment dat ze zegt dat ze haar koffers pakt, dat ze er klaar mee is. Dat zou eerlijk zijn. Dat zou ik tenminste begrijpen.

Maar ze wordt niet boos. Ze schuift dichter tegen me aan, slaat haar arm om mijn schouder en trekt me tegen zich aan. 'Het is oké,' fluistert ze in mijn haar. 'Het is oké, Jeroen. Maar we kunnen dit niet met z'n tweeën oplossen. Je moet naar de dokter. Morgenochtend. Ik heb de afspraak al gemaakt.'

Ik wil protesteren. Ik wil zeggen dat de dokter me toch niet kan helpen, dat pillen mijn karakter niet kunnen veranderen, dat er niks mis is met mijn lijf maar dat ik gewoon kapot ben. Maar als ik haar hand voel beven op mijn schouder, slik ik mijn woorden in. Ik knik alleen maar. Een millimeter op en neer. Meer zit er niet in.

Hoofdstuk 6

Eén venster tegelijk

De praktijk van de huisarts ruikt naar desinfectiemiddel en oude tijdschriften. Dokter Veldman is een rustige man met grijs haar en een leesbril die op het puntje van zijn neus balanceert. Hij kijkt me niet aan alsof ik gek ben. Hij kijkt me aan zoals mijn garagehouder kijkt naar een motor die vastgelopen is door gebrek aan olie: met een mengeling van begrip en praktische nuchterheid.

'Een zware burn-out met depressieve klachten, Jeroen,' zegt hij, nadat ik in horten en stoten mijn verhaal heb gedaan. Sanne zat naast me en vulde de gaten op als ik stilviel. 'Je systeem heeft te lang op honderdtwintig procent gedraaid. De zekeringen zijn eruit geknald om ergere schade te voorkomen. Dat voelt vreselijk, maar het is een beschermingsmechanisme.'

Bescherming. Zo voelt het niet. Het voelt als een straf.

'Geen pillen voor nu,' zegt hij als ik ernaar vraag. 'We beginnen met de basis. Rust, structuur, en praten met de praktijkondersteuner. En ik wil dat je elke dag naar buiten gaat. Regen of geen regen. Een half uur wandelen. Niet rennen, niet luisteren naar podcasts of muziek. Gewoon lopen.'

De eerste week doe ik het met tegenzin. Het voelt belachelijk. Ik ben een volwassen vent die logistieke stromen van tonnen materiaal leidde, en nu is mijn dagdoel: een blokje om de wijk lopen en niet huilen.

De eerste keren loop ik met mijn hoofd naar beneden. Mijn kin op mijn borst, handen diep in mijn jaszakken. De stemmen razen door. 'Kijk je nou sukkelen. Dit helpt toch geen zak.' De grijze mist trekt niet zomaar op. Het is er nog steeds, die zware, doffe leegte in mijn borst.

Het keerpunt komt op een vrijdagochtend, drie weken na de crash. Het is koud en helder. De eerste nachtvorst heeft over de daken van Deventer gelegen.

Ik loop langs de singel. Het water ligt er strak en stil bij. Normaal gesproken zie ik niets van de omgeving; mijn ogen zijn naar binnen gericht, naar de honderd open tabbladen. Maar ineens hoor ik een scherp, tikkend geluid. Het is zo specifiek dat het door de ruis in mijn hoofd heen breekt.

Ik blijf staan. Ik kijk op. Tegen de stam van een oude eik zit een specht. Een bonte specht, rood, wit en zwart. Zijn kopje beweegt razendsnel op en neer. Tik-tik-tik-tik-tik. Stukjes schors vallen naar beneden in het bevroren gras.

Ik blijf staan kijken. Een minuut. Twee minuten. Voor het eerst in maanden merk ik iets op dat buiten mezelf ligt. Er is even geen gedachte aan Mark, geen schuldgevoel naar Sanne, geen angst voor de toekomst. Er is alleen die vogel die driftig op zoek is naar insecten onder de schors van een boom.

Ik haal adem. De lucht is ijskoud en scherp. Het brandt een beetje in mijn neus en in mijn longen. Een fysieke gewaarwording die echt is. Ik voel mijn voeten op het asfalt. Ik voel de koude wind tegen mijn wangen.

De praktijkondersteuner, Mirjam, had me een oefening meegegeven. 'Als je hoofd op hol slaat, gebruik je zintuigen. Vijf dingen die je ziet, vier die je voelt, drie die je hoort, twee die je ruikt, één die je proeft.' Ik vond het zweverig geneuzel toen ze het vertelde. Maar nu, staand onder die eik, probeer ik het.

Ik zie de specht. Ik zie het rijp op het gras. Ik zie mijn eigen adem die wolkjes maakt in de lucht. Ik zie een rode bakfiets die voorbijrijdt. Ik zie een scheur in het trottoir.

Ik voel de kou op mijn lippen. Ik voel de ruwe stof van mijn jaszakken. Ik voel de stevigheid van de grond onder mijn zolen. Ik voel de rits van mijn kraag tegen mijn kin.

Ik hoor het tikken van de snavel. Ik hoor een stadsbus in de verte optrekken. Ik hoor het ritselen van een dor blad dat over de straat waait.

Het suizen in mijn hoofd verdwijnt niet. De tabbladen sluiten zich niet met een magische klik. Maar het geluid wordt zachter. Alsof iemand het volume van die krioelende browser van honderd naar zeventig procent heeft gedraaid. Er is weer een millimeter ruimte om te ademen.

Ik loop door. Ik loop niet sneller, maar ik til mijn kin een klein stukje op. Als ik thuiskom, staat de soep nog steeds in de koelkast. Ik haal het bakje eruit, giet het in een pannetje en draai het gas open. Ik dek de tafel voor twee. Als Sanne thuiskomt, zit ik niet op de bank te staren. Ik sta bij het aanrecht en ik roer in de pan.

Ze kijkt me aan. Ze zegt niks. Ze ziet de pan, ze ziet mij, en voor het eerst in maanden zie ik weer een echte glimlach op haar gezicht. Het lost niets op van de problemen op het werk, en de somberheid ligt nog steeds als een koude steen in mijn buik. Maar vandaag heb ik één tabblad kunnen sluiten. Eén. Dat is genoeg voor vandaag.

Hoofdstuk 7

Het ruisen blijft

Het is november. Acht maanden na de ochtend dat ik instortte op de parkeerplaats.

Ik zit weer achter een bureau bij Van Veen Techniek. Niet meer fulltime. Ik werk nu vier ochtenden van vier uur. Twaalf tot zestien uur per week, een re-integratietraject noemen ze dat. Geen planningen meer voor grote bouwprojecten van tienduizend euro. Ik doe nu het voorraadbeheer van de kleine materialen. Scharnieren, schroeven, pvc-bochten. Saai werk, zeggen sommigen. Voor mij is het een zegen. Het is overzichtelijk. Er zijn maar drie tabbladen tegelijk open in mijn hoofd.

Mark heeft me de ruimte gegeven. Toen ik na vier maanden voor het eerst weer koffie kwam drinken, zweette ik peentjes. Ik dacht dat iedereen me aan zou kijken als die gekke planner die door het lint ging. Maar Bram gaf me een stomp tegen mijn schouder en zei: 'Mooi dat je er weer bent, ouwe reus. Koffie?' Niemand vroeg naar de details. Dat is het mooie van dit soort bedrijven: ze lullen niet over gevoelens, maar ze laten je ook niet vallen als het misgaat.

Het is geen sprookje geworden. Dat moet even duidelijk zijn. Ik ben niet 'genezen' zoals je geneest van een griepje. De depressie en de onrust zijn geen vreemde indringers die na een kuurtje weer verdwijnen; ze horen blijkbaar bij hoe mijn hersenen in elkaar zitten. De aanleg voor overprikkeling zit in mijn bloed.

Er zijn nog steeds ochtenden dat ik om vier uur wakker schiet. Ochtenden dat de deken van lood weer over me heen ligt en ik denk: 'Ik kan het niet. Ik trek die kleren niet aan, ik ga niet naar dat industrieterrein.' Het verschil met vroeger is dat ik nu weet wat het is. Het is maar een gedachte. Een gedachte is geen feit. Het is een venster dat openspringt, maar ik hoef er niet met mijn neus bovenop te gaan zitten.

'Hé Jeroen,' klinkt de stem van Bram. Hij leunt tegen de deuropening van mijn magazijnkantoortje. 'Die koperen t-stukken van 15 millimeter. Hebben we die nog liggen voor de bus van Ron?'

Vroeger zou mijn hoofd meteen exploderen: 'Waarom vraagt hij dat aan mij, had ik dat moeten weten, ligt de voorraad achter, ben ik te traag?'

Nu haal ik eerst adem. Rustig in, rustig uit. Ik voel mijn voeten op de vloer. 'Geen idee, Bram,' zeg ik eerlijk. 'Ik ben nu bezig met de pvc-bochten. Als ik hier over twintig minuten mee klaar ben, loop ik even naar het schap om te kijken. Is dat op tijd?'

Bram knikt eenvoudig. 'Kwartiertje later is ook best. Succes man.' Hij loopt weer weg.

Zo simpel kan het zijn als je je grenzen aangeeft. Ik moest vierendertig worden en een complete mentale inzinking krijgen om te leren dat 'nee' of 'wacht even' ook een geldig antwoord is.

Vanavond ga ik koken. Gewoon pasta met saus uit een potje, niks bijzonders. Sanne en ik hebben geleerd om de lat niet meer zo achterlijk hoog te leggen. We hebben afgesproken dat we eerlijk zijn. Als mijn hoofd weer volloopt met lawaai, zeg ik het. 'Sanne, er staan weer tachtig tabbladen open. Ik trek drukte even niet.' Dan zet zij de televisie wat zachter, of ze gaat een uurtje boven een boek lezen. Zonder ruzie. Zonder dat drama van vroeger.

Ik loop aan het einde van de ochtend naar buiten, naar mijn oude Volkswagen Polo die weer trouw op de parkeerplaats staat. De herfstwind trekt aan de bomen langs het spoor. De bladeren dwarrelen geel en bruin over het natte asfalt.

Ik stap in, start de motor en kijk in de achteruitkijkspiegel. Ik zie nog steeds de lijnen in mijn gezicht, de vermoeidheid die nooit helemaal weggaat. Ik ben niet meer de oude Jeroen van vroeger. Die zorgeloze vent die alles tegelijk dacht te kunnen, bestaat niet meer. Die is gecrasht op de parkeerplaats.

Dit is de nieuwe versie. Hij loopt wat langzamer. Hij hapert af en toe. Hij heeft nog steeds momenten dat de somberheid om de hoek komt kijken als een oude bekende die je liever niet tegenkomt op een verjaardag. Maar ik weet nu waar de uitknop zit. Of in ieder geval: waar de volumeknop zit.

Ik zet de radio aan op een zender met rustige gitaarmuziek. Niet te hard. Ik rijd de weg op, richting huis, richting de IJsselbrug. Het ruisen in mijn schedel is er nog steeds. Het zal waarschijnlijk nooit helemaal stil worden daarbinnen. Maar ik hoef niet meer naar elk tabblad te luisteren. Eén venster tegelijk. Dat is meer dan genoeg.