Ziekte en gezondheid
Mijn hart sloeg over
Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.
Hoofdstuk 1
Mijn hart sloeg over
De eerste klap kwam niet in mijn borst. Hij kwam tegen mijn kin.
Ik lag naast mijn fiets op de Amsterdamsestraatweg in Utrecht. Mijn boodschappentas was gescheurd. Er rolde een ui onder een geparkeerde bestelbus. Een vrouw hield mijn schouder vast.
‘Blijf liggen. Je was even weg.’
Ik wilde zeggen dat ik alleen was gestruikeld. Maar ik herinnerde me geen struikelpartij. Wel het stoplicht. De wind onder mijn jas. Daarna een leeg stuk.
‘Hoe heet je?’
‘Noor.’
‘En verder?’
‘Noor van Dijk. Tweeënveertig.’
Dat antwoord stelde me gerust. Ik wist nog wie ik was. Dan kon het niet ernstig zijn.
Mijn hart begon te rennen.
Niet snel zoals na een trap. Het voelde alsof er iets loszat dat tegen mijn ribben sloeg. Mijn handen werden koud. De vrouw keek op naar iemand achter me.
‘Bel nog een keer. Zeg dat ze helemaal wit wordt.’
Ik probeerde overeind te komen. Zij drukte me voorzichtig terug.
‘Je hoeft nergens heen.’
Maar dat moest ik wel. Mijn dochter kwam om halfvier uit school. Mijn telefoon zat in mijn jaszak. Ik kreeg de rits niet open.
De weken daarvoor had ik het al gevoeld. Een overslag tijdens het tandenpoetsen. Een korte roffel als ik in bed lag. Soms werd het zwart voor mijn ogen wanneer ik opstond. Ik gaf de koffie de schuld. Daarna mijn werk.
Ik maakte onderhoudsplanningen bij een woningcorporatie in Nieuwegein. Monteurs vielen uit. Bewoners waren boos. Mijn leidinggevende, Bas, vroeg steeds of ik nog één ding kon regelen. Meestal zei ik ja. Ook als mijn brood nog onaangeroerd naast mijn toetsenbord lag.
Twee dagen eerder had mijn collega Fatima gezien hoe ik me aan een archiefkast vastgreep.
‘Bel de huisarts, Noor.’
‘Als iedereen met een overslag belt, komen ze nergens meer aan toe.’
Nu lag ik op straat met bloed in mijn mond.
De ambulanceverpleegkundige heette Jeroen. Dat stond op zijn borst. Hij knipte mijn shirt niet open, wat me merkwaardig genoeg opluchtte. Het was nieuw. Hij schoof het omhoog en plakte elektroden op mijn huid.
‘Heb je pijn op de borst?’
‘Nee. Alleen dat rare bonken.’
Hij keek naar het scherm. Toen naar zijn collega.
Hun gezichten veranderden nauwelijks. Toch zag ik het.
Ze reden me de ambulance in. De vrouw van de straat gaf mijn telefoon aan. Ze heette Saskia. Ik probeerde haar naam te onthouden. Iemand moest later mijn fiets kunnen aanwijzen.
Binnen prikte Jeroen een infuus. De andere verpleegkundige zat bij mijn hoofd.
‘Je hart gaat op dit moment veel te snel,’ zei ze. ‘Daardoor pompt het niet goed genoeg. We gaan je helpen.’
‘Ik moet mijn dochter bellen.’
‘Eerst jou.’
Er kwam een band om mijn arm. Een pieptoon werd harder. Ik zag mijn bloeddruk op een scherm, maar de cijfers dreven uit elkaar.
‘Noor, blijf naar me kijken.’
Ik wilde vragen of ik doodging. Het lukte niet. Mijn tong leek te dik.
Ze vertelden dat ze mijn hartritme met een elektrische schok moesten herstellen. Ik kreeg iets via het infuus. De laatste gedachte die ik helder had, ging over mijn dochter. Saar was elf. Ze had die ochtend gevraagd of ik haar gymbroek wilde wassen. Ik had geïrriteerd gezegd dat ik niet alles kon onthouden.
Toen werd het donker.
Toen ik bijkwam, waren we al bijna bij het ziekenhuis. Mijn borst voelde beurs. Het bonken was weg. Jeroen hield mijn telefoon vast.
‘Wie kunnen we bellen?’
‘Mijn zus. Eva. Ze staat bij favorieten.’
Hij belde en legde uit waar we heen gingen. Ik hoorde haar stem door de luidspreker. Hoog en snel.
‘Maar ze fietste net nog.’
Ik had precies hetzelfde willen zeggen.
Op de spoedeisende hulp van het UMC Utrecht ging alles tegelijk. Vragen. Bloedafname. Een arts die in mijn ogen scheen. Iemand maakte mijn kin schoon. Mijn broek was nat bij de knie. Ik schaamde me voor de modder op het bed.
‘U had een gevaarlijke ritmestoornis uit de hartkamers,’ zei de arts. ‘We houden u hier om uit te zoeken hoe dat komt.’
‘Eén nacht?’
‘Dat kan ik nog niet zeggen.’
Eva kwam binnen met mijn fietstas. Er stak een prei uit.
Zodra ik haar zag, begon ik te huilen. Niet rustig. Ik hapte naar lucht en kreeg geen zin af.
Ze zette de tas neer en pakte mijn hand.
‘Saar is bij mij. Je fiets staat op slot. Nu mag jij even niks regelen.’
Hoofdstuk 2
De nachtmonitor
Mijn eerste nacht op de hartbewaking sliep ik niet. Boven mijn bed hing een scherm waarop mijn hartslag als een groene lijn voorbijtrok. Ik ontdekte dat ik mijn adem kon inhouden en de cijfers toch zag veranderen. Daar werd ik niet rustiger van.
Om kwart over twee piepte het alarm.
Ik drukte meteen op de bel.
Verpleegkundige Mo kwam binnen. Hij keek naar mij, daarna naar het scherm en de plakkers op mijn borst.
‘Eentje zit los.’
‘Dus er is niks?’
‘Dit alarm komt door een plakker. Als er iets met je ritme gebeurt, zien we dat ook bij de balie.’
Hij verving de elektrode en trok mijn deken recht.
‘Moet jij niet slapen?’ vroeg ik.
‘Pas morgenochtend.’
Ik wilde dat hij bleef. Ik zei het niet.
Aan de andere kant van het gordijn snurkte een man. Er piepten infuuspompen. Op de gang reed iemand een kar over een drempel. Iedere klik leek het begin van een nieuw probleem.
Tegen de ochtend kwamen de beelden terug. Niet van de schok. Daar wist ik niets meer van. Wel van die ui onder de bestelbus. Ik zag hem telkens rollen. Daarna dacht ik aan wat er gebeurd was als ik twee minuten eerder was weggevallen, midden op het kruispunt.
Bij de artsenvisite kwam cardioloog De Bruin naast mijn bed staan. Ze had een kruk gepakt. Dat maakte me bang. Wie slecht nieuws bracht, ging zitten.
‘We hebben nog niet alle antwoorden,’ zei ze. ‘Op de echo zien we dat je hartspier niet overal normaal beweegt. Vooral de rechterkamer vraagt om verder onderzoek.’
‘Heb ik een infarct gehad?’
‘Daar wijzen de onderzoeken tot nu toe niet op. We denken eerder aan een aandoening van de hartspier. Die kan ritmestoornissen veroorzaken.’
Ik vroeg of ze zich kon vergissen.
‘Daarom onderzoeken we het zorgvuldig.’
Die middag ging ik in een MRI-scanner. Er zat een spiegel boven mijn ogen waardoor ik een stukje van de ruimte kon zien. Een stem gaf ademcommando’s. Inademen. Vasthouden. Uitademen.
Het apparaat maakte zoveel lawaai dat ik mijn eigen hart niet meer kon horen. Dat was het eerste prettige moment van die dag.
Daarna moest ik weer wachten.
Eva bracht een schone onderbroek, een oplader en mijn bril. Ze had ook Saar meegenomen. Mijn dochter bleef eerst bij de deur staan.
‘Doen die draadjes pijn?’
‘Nee. Die kijken alleen mee.’
Ze ging op het puntje van de stoel zitten. Haar jas hield ze aan.
‘Tante Eva zei dat je hart in de war was.’
‘Dat klopt.’
‘Kan het weer gebeuren?’
Ik keek naar Eva. Zij keek terug. We hadden afgesproken niet te liegen. Dat was eenvoudiger geweest zonder Saar erbij.
‘Dat weten ze nog niet precies. Daarom blijf ik hier.’
Saar haalde een verkreukelde tekening uit haar tas. Geen hartjes. Een plattegrond van ons huis. Bij mijn slaapkamer stond: hier rusten.
Ik lachte en moest daarna opnieuw huilen.
‘Ben je verdrietig door mij?’ vroeg ze.
‘Nee. Ik ben geschrokken. Dat is niet jouw schuld.’
Pas toen deed ze haar jas uit.
Later die dag belde Bas. Hij begon met te zeggen dat ik rustig moest herstellen. Daarna vroeg hij waar de planning voor de cv-monteurs stond.
Ik legde het uit. Toen nog een keer. Mijn hartslag liep op terwijl ik sprak.
Mo kwam binnen en wees naar de telefoon.
‘Mag ik raden? Werk?’
Na het gesprek zette hij een glas water neer.
‘Je hoeft hier niet ook nog je afdeling draaiend te houden.’
Ik vond dat betuttelend. Tien minuten later stuurde ik Fatima toch mijn wachtwoord niet, maar de locatie van het gedeelde bestand. Daarna zette ik mijn werktelefoon uit.
Op de derde ochtend vroeg De Bruin naar ziekten in mijn familie.
Mijn vader was op zijn zevenenveertigste verdronken tijdens het zwemmen bij Maarsseveen. Men had gedacht aan kramp. Er was geen duidelijk antwoord gekomen.
Ik vertelde het alsof ik een oud adres doorgaf.
De Bruin schreef iets op.
‘Dat kan relevant zijn. Het hoeft niet, maar we nemen het mee.’
Toen ze weg was, belde ik Eva.
‘Weet jij nog wat ze precies over papa zeiden?’
Aan de andere kant bleef het stil.
‘Waarom?’ vroeg ze uiteindelijk.
Ik hoorde de angst al voordat ik antwoord gaf.
Hoofdstuk 3
Een naam ervoor
Op donderdag zaten Eva en ik in een kleine spreekkamer. Op tafel lag een doos tissues. Ik schoof hem weg om mijn notitieboek neer te leggen.
De Bruin kwam met een verpleegkundig specialist, Anouk. Ze gingen tegenover ons zitten.
‘De onderzoeken passen bij een aritmogene cardiomyopathie,’ zei De Bruin. ‘Een aandoening waarbij delen van de hartspier veranderen. Daardoor kunnen gevaarlijke ritmestoornissen ontstaan.’
Ik schreef alleen de eerste drie letters op. Daarna stopte ik.
‘Gaat dat weer over?’
‘We kunnen de aanleg niet wegnemen. We kunnen wel behandelen en de kans op ernstige gevolgen verkleinen.’
Ze legde uit dat mijn MRI afwijkingen liet zien die pasten bij de echo en bij de ritmestoornis die de ambulance had vastgelegd. Er zou ook erfelijkheidsonderzoek volgen. De uitslag daarvan kon lang duren.
Ik hoorde veel woorden. Mijn hoofd bleef hangen bij één zin: het gaat niet weg.
‘En mijn vader?’ vroeg ik.
‘Het is mogelijk dat er een verband is. Maar zonder onderzoeken van hem kunnen we daar geen zekerheid over geven.’
Eva trok aan een velletje naast haar nagel. Dat deed ze al sinds we kinderen waren.
‘Moet ik ook onderzocht worden?’
‘Ja. We adviseren onderzoek bij naaste familieleden. We begeleiden jullie daarbij.’
Toen kwam Saar ter sprake.
Ik schoof mijn stoel achteruit.
‘Zij heeft nergens last van.’
Mijn stem klonk hard. Alsof De Bruin iets verkeerds had gedaan.
‘Dat is goed,’ zei ze. ‘Maar klachten zijn niet het enige waarop we letten. Een gespecialiseerde arts bespreekt welk onderzoek op haar leeftijd passend is.’
Ik keek naar de deur. Ik wilde terug naar een moment waarop dit alleen over mijn eigen lichaam ging.
Anouk schoof een tekening naar me toe. Een hart. Een klein kastje onder het sleutelbeen. Een draad naar binnen.
Ze adviseerden een ICD. Een apparaat dat mijn hartritme bewaakte en een gevaarlijke ritmestoornis kon behandelen. Soms met snelle, kleine prikkels. Soms met een schok.
‘Omdat je al een ernstige ritmestoornis met bewustzijnsverlies hebt gehad, willen we je daartegen beschermen,’ zei De Bruin.
‘Dus jullie stoppen een stroomstoot in mij.’
‘We plaatsen een apparaat dat kan ingrijpen als het nodig is.’
Ik vond haar formulering vriendelijker. Niet minder beangstigend.
Ik vroeg of ik zonder kon. Ze zei dat de keuze aan mij was, maar dat haar advies duidelijk was. Ze legde de risico’s uit van wel en niet plaatsen. Ook die van de ingreep zelf. Een bloeding. Een infectie. Problemen met een draad. Een onterechte schok.
‘Waarom kan niets gewoon honderd procent veilig zijn?’ vroeg ik.
Niemand probeerde daar een mooi antwoord op te geven.
Die avond belde ik mijn moeder in Amersfoort. Ze luisterde zonder me te onderbreken. Daarna zei ze dat mijn vader soms ook van die aanvallen had gehad.
‘Welke aanvallen?’
‘Dat zijn hart ineens heel snel ging. Hij ging dan even zitten.’
Ik werd boos.
‘Waarom weet ik dat nu pas?’
‘Omdat ik niet wist dat het iets betekende.’
Ik zweeg. Ze begon te huilen. Ik had geen ruimte voor haar verdriet en schaamde me daar meteen voor.
‘Ik bel morgen terug,’ zei ik.
Na het gesprek liep ik naar het toilet. Ik keek naar mezelf in de spiegel. Een blauwe plek onder mijn kin. Vet haar. Plakresten op mijn borst. Ik zag er ziek uit. Tot dat moment had ik gedacht dat dat vooral door de ziekenhuisverlichting kwam.
De volgende ochtend stelde ik Anouk twintig vragen. Kon ik mijn dochter nog knuffelen? Kon ik werken? Mocht ik fietsen? Wat gebeurde er op een vliegveld? Zou je het kastje zien onder een shirt?
Ze antwoordde één voor één. Ze maakte onderscheid tussen beperkingen kort na de ingreep en afspraken voor later. Intensief sporten zou voor mij niet verstandig zijn. Over werk en bewegen maakten we een apart plan. Autorijden mocht voorlopig niet; de regels moesten met mijn behandelteam en het CBR worden uitgezocht.
‘En seks?’ vroeg ik zacht.
‘Daar mag je gewoon naar vragen.’
Voor het eerst die ochtend lachte ik.
De ICD werd de volgende dag geplaatst. Ik kreeg plaatselijke verdoving en medicijnen om rustig te blijven. Ik voelde druk en getrek. Geen scherpe pijn. Boven me hoorde ik mensen aantallen controleren.
Toen ik terugkwam op de afdeling, lag mijn hand steeds naast het verband.
Er zat nu iets in mij dat ik niet wilde hebben.
Ik was ook opgelucht dat het er zat.
Hoofdstuk 4
Thuis was erger
Eva bracht me op maandag naar huis. Ze reed stapvoets over iedere verkeersdrempel. Mijn schouder trok bij elke hobbel.
‘Je mag best harder dan twaalf,’ zei ik.
‘Jij mag best even je mond houden.’
We grinnikten. Het duurde maar een paar seconden. Toch voelde het vertrouwd.
Thuis rook het naar schoonmaakmiddel. Mijn moeder had de keuken gedaan. Op het aanrecht stonden bakjes soep met datumstickers. Mijn buurman Henk had mijn fiets opgehaald en in de schuur gezet.
Ik keek er niet naar.
In het ziekenhuis had ik naar huis gewild. Nu miste ik de monitor. Hier was geen scherm dat liet zien of ik veilig was. Geen Mo die om de hoek verscheen als ik belde.
Er stond wel een apparaatje naast mijn bed dat gegevens van de ICD kon doorsturen. Anouk had nadrukkelijk gezegd dat het geen alarmdienst was. Bij spoed moest ik zelf hulp inschakelen.
Dat zinnetje bleef hangen.
De eerste avond zat ik op de bank met mijn ontslagbrief. Ik las het noodplan opnieuw. En opnieuw. Ik wist niet of ik het uit mijn hoofd wilde leren of er ergens een garantie in zocht.
Saar kwam naast me zitten.
‘Mag ik tegen je aan?’
‘Aan deze kant.’
Ze schoof voorzichtig onder mijn rechterarm. We keken een programma waarin mensen taarten bakten. Ik volgde niets. Mijn aandacht zat onder mijn linker sleutelbeen. Daar voelde ik de wond trekken en de rand van het kastje drukken.
Om negen uur bracht ik Saar naar bed. Halverwege de trap moest ik stoppen.
‘Ben je weer ziek?’ vroeg ze.
‘Ik ben moe van alles.’
Dat klopte. Ik wist alleen niet welk deel van alles: mijn hart, de ingreep, de nieuwe medicijnen of de angst.
Toen zij sliep, ging ik onderaan de trap zitten. Ik was bang dat ik boven zou instorten. Ik was ook bang dat ik beneden iets zou krijgen en zij me pas in de ochtend zou vinden.
Ik belde Eva.
‘Kun je komen?’
Ze vroeg niet waarom.
De dagen daarna sliep ze op een matras in de woonkamer. Ik luisterde ’s nachts naar haar gesnurk. Het was minder betrouwbaar dan een monitor, maar menselijker.
Mijn medicijnen stonden in een weekdoos. De bètablokker maakte me traag. Soms werd ik duizelig als ik opstond. Bij de telefonische controle vertelde ik dat ik daarom een dosis had willen overslaan.
‘Niet zelf veranderen,’ zei Anouk. ‘We kijken samen wat haalbaar is. Bel bij bijwerkingen.’
Ik vond het lastig om voor ieder probleem te bellen. Zij vond het lastiger als ik op eigen houtje ging experimenteren.
We spraken af wanneer ik mijn bloeddruk zou meten en welke klachten ik moest doorgeven. Niet ieder kwartier. Dat laatste zei ze omdat ik al een schrift vol cijfers had.
Op donderdag kwam Fatima met broodjes. Ze vertelde over een lekkage in Vreeswijk en een monteur die per ongeluk bij de verkeerde woning had aangebeld. Ik wilde die verhalen horen. Ik wilde nog ergens bij horen waar het niet over mijn hart ging.
Daarna vroeg ze hoe het echt ging.
‘Goed,’ zei ik automatisch.
Ze keek naar de deken over mijn benen. Het was mei.
‘Nog een keer.’
Ik vertelde dat ik bang was om te douchen. Dat ik mijn telefoon in een plastic bakje naast de douche zette. Dat ik mijn eigen pols controleerde tot mijn duim pijn deed.
Ze luisterde. Geen advies. Geen verhaal over een buurvrouw die ook iets aan haar hart had gehad.
Voor ze wegging, vroeg ze of ze zaterdag weer mocht komen.
De eerste keer dat ik boos werd op Saar, ging over een glas limonade. Ze zette het te dicht bij de rand van de tafel. Ik snauwde alsof ze met vuur speelde.
Ze pakte het glas en liep naar de keuken.
Later hoorde ik haar aan Eva vragen of mijn hart kapot zou gaan als ze vervelend was.
Ik stond in de gang. Ik had liever nog een snee in mijn kin gehad dan die zin gehoord.
Ik ging naar haar kamer.
‘Mijn ziekte komt niet door wat jij doet,’ zei ik. ‘Ook niet als ik boos word. Ik was onredelijk.’
Ze keek naar haar dekbed.
‘Je bent de hele tijd bang.’
‘Ja.’
‘Ik ook.’
Die avond schreef ik op een briefje dat ik hulp nodig had voor iets wat geen cardioloog met een draad kon repareren. De volgende ochtend belde ik de huisarts.
Hoofdstuk 5
De eerste schok
Zes weken na de implantatie stond ik bij de bakker op de Vleutenseweg. Eva was weer thuis gaan slapen. De wond was dicht. Ik liep elke dag een klein rondje en deed alsof dat vooral was omdat bewegen goed voor me was.
In werkelijkheid testte ik de afstand tot mijn voordeur.
Die ochtend had ik de route uitgebreid. Naar de bakker. Brood kopen. Terug. Een gewone handeling waar ik twee dagen over had nagedacht.
Er stonden drie mensen voor me. Achter de toonbank sneed een jongen een volkorenbrood. Ik telde de plakken zonder te weten waarom.
Toen begon mijn hart te jagen.
Ik herkende het direct.
Niet iedere overslag. Niet de losse bons die ik soms in bed voelde. Dit was de snelle, dwingende roffel van de straat.
‘Mag ik zitten?’ vroeg ik.
De vrouw voor me draaide zich om.
‘Er staat daar een kruk.’
Ik haalde hem niet.
Ik zakte tegen de muur en ging op de vloer zitten. Mijn tas viel om. Iemand vroeg of ik suikerziekte had.
‘Hart,’ zei ik. ‘Ik heb een ICD.’
Er zat een korte stilte tussen die woorden en de schok.
Het voelde alsof iemand van binnenuit hard tegen mijn borst trapte. Mijn rug sloeg tegen de muur. Ik maakte een geluid dat ik niet kende. Een rauwe, korte kreet.
Daarna was het snelle ritme weg.
De schrik niet.
Ik begon te trillen. Mijn tanden klapperden. De jongen achter de toonbank kwam naast me hurken.
‘Moeten we iemand bellen?’
Ik wilde het noodplan uit mijn tas pakken, maar mijn vingers deden niet mee. Ik bleef duizelig en voelde me slap.
‘112,’ zei ik.
Hij belde. De vrouw die de kruk had aangewezen, ging naast me op de vloer zitten. Ze droeg een lichte broek. Ik zag bloem op haar knie komen.
‘Ik blijf hier,’ zei ze.
Ik dacht aan Saskia, de vrouw bij mijn fiets. Ik was boos dat ik alweer een onbekende nodig had om niet alleen te zijn.
In de ambulance was mijn ritme rustig. De verpleegkundige vertelde wat ze op de monitor zag. Ik vroeg het drie keer.
In het ziekenhuis lazen ze de ICD uit. Het apparaat had een snelle ritmestoornis uit de hartkamers herkend. Eerst had het geprobeerd die met snelle prikkels te stoppen. Toen dat niet lukte, had het een schok gegeven.
‘Een terechte behandeling,’ zei de arts.
Ik wist dat hij bedoelde dat het apparaat had gedaan waarvoor het was geplaatst. Toch werd ik woedend.
‘Het voelde niet terecht.’
Hij knikte.
‘Dat begrijp ik. Het blijft een heftige ervaring.’
Ze controleerden mijn bloed, mijn hartfilmpje en de instellingen van het apparaat. Er was geen simpele aanleiding te vinden die alles verklaarde. Mijn medicatie werd aangepast. Ik bleef ter observatie.
Eva kwam zonder Saar.
‘Ze is bij haar vader,’ zei ze. ‘Ik heb verteld dat je apparaat heeft moeten werken.’
Ik trok het laken over mijn benen.
‘Ik ging alleen brood halen.’
‘Dat weet ik.’
‘Ik rende niet. Ik deed niets verkeerd.’
‘Dat zegt ook niemand.’
Maar ik had het zelf wel gedacht. Ergens was ik ervan uitgegaan dat braaf zijn bescherming bood. Pillen op tijd. Geen zware inspanning. Rust nemen. Dan zou mijn hart zich aan de afspraak houden.
Die afspraak bestond niet.
Na ontslag durfde ik de voordeur niet meer uit. Mijn eerste afspraak bij de psycholoog vond via beeldbellen plaats. Ze heette Mirjam. Ze vroeg niet meteen naar mijn jeugd. Ze vroeg wat ik deed zodra ik iets in mijn borst voelde.
‘Stoppen. Voelen. Meten. Googelen. Eva bellen.’
‘En hoe lang ben je daarna gerust?’
‘Soms vijf minuten.’
We maakten onderscheid tussen het medische noodplan en mijn eindeloze controles. Dat was moeilijk. Mijn angst was niet verzonnen. Er kon echt iets gebeuren.
‘We hoeven je niet wijs te maken dat er geen risico is,’ zei Mirjam. ‘We gaan oefenen hoe je kunt leven zonder de hele dag op dat risico te wachten.’
Een week later liep ik met haar instructies en Eva naast me tot de hoek. Geen heldendaad. Ik had buikpijn en wilde terug.
Bij de lantaarnpaal bleven we staan.
‘Nog tien meter?’ vroeg Eva.
‘Nee.’
We liepen naar huis.
De dag erna ging ik opnieuw.
Hoofdstuk 6
Langzaam terug
Bij de hartrevalidatie hing een klok die veel te langzaam liep. Ik zat op een hometrainer met een band om mijn borst. Fysiotherapeut Joost had het programma afgestemd met mijn cardioloog. Geen wedstrijd. Geen maximale test van mijn wilskracht. Bewegen binnen grenzen die bij mijn aandoening pasten.
Na vier minuten wilde ik stoppen.
‘Wat voel je?’ vroeg hij.
‘Mijn hart.’
‘Pijn? Duizelig?’
‘Nee. Ik voel het gewoon.’
Hij keek naar de gegevens en naar mijn gezicht.
‘We houden het rustig. Je mag zeggen wat er gebeurt, maar je hoeft niet iedere slag te beoordelen.’
Dat was alsof iemand me vroeg niet aan een sirene te denken terwijl hij naast mijn oor afging.
Naast me fietste Gerard, een voormalige buschauffeur uit Houten. Hij had een andere hartziekte en ook een ICD. Hij droeg sportsokken tot bijna aan zijn knieën.
‘Ik kijk naar die beschadiging in de muur,’ zei hij. ‘Anders kijk ik alleen naar dat scherm.’
Ik keek. Er zat inderdaad een deuk naast de deur.
‘Hoe komt die daar?’
‘Geen idee. Ik verzin iedere week iets anders.’
Ik moest lachen. Mijn benen bleven bewegen.
Tijdens de groepsgesprekken zei ik eerst weinig. Ik vond dat anderen het erger hadden. Gerard was gereanimeerd. Een vrouw van achtenvijftig wachtte op een operatie. Ik zat daar met een klein litteken en een tas vol angst.
Toen een ander vertelde dat hij ’s nachts zijn vrouw wakker maakte om te vragen of hij normaal ademde, begon ik te praten.
Ik vertelde over Saar. Over de douche. Over de bakker waar ik niet meer langs durfde.
Niemand zei dat ik dankbaar moest zijn.
Thuis oefende ik met minder controleren. Eerst tien minuten zonder mijn pols te voelen. Daarna een halfuur. Het lukte niet elke dag. Soms zat ik om drie uur ’s nachts weer rechtop in bed met twee vingers tegen mijn hals.
Mirjam noemde dat geen mislukking. Ik wel. We hadden daar regelmatig discussie over.
Ondertussen kwam het erfelijkheidsonderzoek op gang. Bij mij werd een erfelijke verandering gevonden die bij de aandoening paste. De klinisch geneticus legde uit wat dat betekende en wat nog onzeker bleef. Familieleden konden gericht onderzoek krijgen.
Ik had verwacht dat een uitslag rust zou geven. In plaats daarvan voelde ik schuld.
‘Ik heb Saar dit misschien gegeven,’ zei ik tegen Eva.
‘Je wist het niet.’
‘Dat verandert toch niet wat ze kan hebben?’
‘Nee. Maar het verandert wel of je jezelf iets te verwijten hebt.’
Eva liet zich onderzoeken. Haar eerste hartonderzoeken lieten geen afwijkingen zien. De verdere afspraken hingen samen met het genetisch onderzoek. We leerden voorzichtig te zijn met het woord veilig. Een goede uitslag was goed nieuws. Geen belofte voor de rest van een leven.
Saar kreeg een afspraak in het kinderziekenhuis. Ze vond de gel van de echo koud en vroeg of haar hart op het scherm ondersteboven zat. Ik zat naast haar en drukte mijn nagels in mijn handpalm.
Op dat moment zagen ze bij haar geen afwijkingen. Het plan voor vervolgonderzoek werd met ons besproken. Buiten kochten we warme chocolademelk, hoewel het juni was.
‘Moet jij nu huilen?’ vroeg Saar.
‘Een beetje.’
‘Doe maar. Maar ik wil eerst slagroom.’
Op mijn werk begon ik met twee ochtenden van twee uur. Dat was het plan met de bedrijfsarts. Bas zette toch een stapel achterstallige dossiers klaar.
‘Je hoeft alleen even te kijken.’
Vroeger was ik blijven zitten tot ze af waren.
Nu wees ik op de klok.
‘Ik werk tot elf uur. Kies welke het belangrijkst is.’
Hij keek verbaasd. Ik ook.
Om elf uur sloot ik mijn computer af. In de lift voelde ik me schuldig. Eenmaal buiten vooral moe.
Het leven werd niet meteen goedkoop omdat ik ziek was. Parkeerkosten, eigen risico en reizen liepen op. Mijn moeder bood geld aan. Ik zei eerst nee en belde haar later terug. Dat gesprek vond ik moeilijker dan vragen om hulp met de boodschappen.
Aan het eind van de maand ging ik met Eva naar de bakker. Ik bleef eerst bij de deur staan. De jongen van die ochtend herkende me.
‘Fijn dat u er weer bent.’
Ik knikte.
‘Een volkoren,’ zei ik.
Mijn handen trilden toen ik betaalde. Buiten stopte ik het brood zelf in mijn tas. We liepen terug zonder mijn hartslag te tellen. Pas thuis merkte ik dat.
Hoofdstuk 7
Gewoon zaterdag
Een halfjaar na mijn val zat ik weer tegenover De Bruin. Anouk had de gegevens van mijn ICD al gecontroleerd. Sinds de schok bij de bakker waren er geen nieuwe behandelingen nodig geweest.
‘Dat is goed nieuws,’ zei De Bruin.
Ik wachtte op het woord maar.
Het kwam niet meteen. Ze besprak mijn klachten, mijn medicijnen en de controles die nodig bleven. Mijn hartspierziekte was niet verdwenen. De ICD maakte me niet onaantastbaar. Toch mochten we tevreden zijn over hoe het op dat moment ging.
Ik durfde dat inmiddels te horen zonder meteen een ramp te zoeken.
‘Kan ik nog een keer zo’n schok krijgen?’ vroeg ik.
‘Ja, dat kan. We blijven er alles aan doen om ritmestoornissen te beperken.’
Ik knikte. Vroeger had ik dezelfde vraag daarna anders gesteld, in de hoop op een zachter antwoord. Nu liet ik het hierbij.
Voor ik vertrok, vroeg ik naar een paar concrete dingen: mijn vermoeidheid aan het eind van de werkdag, een wandelweekend dat Eva voorstelde, en de controle van mijn medicatie. Ik had ze opgeschreven. Niet op drie pagina’s. Op één kaartje.
Buiten regende het. Ik wachtte onder de luifel op de bus en stuurde Saar een bericht.
Controle goed. Vanavond pasta?
Ze antwoordde met een foto van een lege koekjestrommel.
Ook boodschappen nodig.
Ik werkte inmiddels drie korte dagen per week. Meer lukte nog niet. Op woensdagmiddag sliep ik vaak. Mijn hoofd kon na een druk overleg ineens vol zitten. Dan las ik dezelfde mail vier keer.
Bas leerde daarmee omgaan. Soms moest ik het hem opnieuw uitleggen. Fatima hoefde meestal alleen naar mijn gezicht te kijken.
Mijn oude neiging om alles op te lossen was niet verdwenen. Vorige week had ik toch een extra dossier aangenomen. Die avond was ik te moe om te koken en snauwde ik tegen Saar. Ik bood mijn excuses aan en schrapte de volgende ochtend die extra taak.
Dat was ongeveer hoe herstel eruitzag. Niet steeds beter worden. Vaker merken waar het misging, en eerder iets veranderen.
Het litteken onder mijn sleutelbeen was rustiger geworden. Het kastje bleef zichtbaar. Bij een strak shirt zag je de bobbel. Ik had een tijd alleen ruime truien gedragen. Nu koos ik vooral wat lekker zat.
Soms raakte ik het apparaat aan als ik me afdroogde. Ik was er niet van gaan houden. Ik hoefde het ook niet mooi te vinden om er blij mee te zijn.
Met mijn moeder sprak ik eindelijk langer over mijn vader. We zaten aan haar keukentafel in Amersfoort. Ze had oude ziekenhuispapieren gezocht, maar weinig gevonden.
‘Ik blijf denken dat ik hem naar de dokter had moeten sturen,’ zei ze.
Ik herkende haar stem. Zo klonk ik wanneer ik over Saar sprak.
‘Je wist niet wat er speelde.’
Ze keek me aan.
‘Geldt dat voor jou ook?’
Ik gaf niet meteen antwoord.
Die zaterdag ging ik met Saar naar de bibliotheek op de Neude. We namen de bus. Fietsen in het drukke verkeer was nog een stap waarover ik twijfelde, ook al hadden we besproken wat medisch verantwoord was. Ik hoefde niet alles in één maand terug te winnen.
Saar zocht een boek voor school. Ik dwaalde tussen de kasten en koos een thriller. Maandenlang had ik niets kunnen lezen. Zodra iemand in een verhaal buiten bewustzijn raakte, klapte ik het boek dicht.
Nu las ik de achterkant en nam het mee.
Op weg naar buiten voelde ik een overslag.
Een harde bons. Een korte leegte erna.
Ik bleef staan.
‘Mam?’
Ik wachtte even. Geen snelle reeks. Geen duizeligheid. Geen pijn. Gewoon die ene slag, zoals ik die vaker had gevoeld en met mijn behandelteam had besproken.
‘Het gaat,’ zei ik.
Ik pakte mijn telefoon niet. Ik voelde niet aan mijn pols. We liepen door naar het plein.
Bij een tafel onder een parasol dronken we thee. Saar vertelde over een meisje uit haar klas dat tijdens een spreekbeurt een levende slak had laten ontsnappen. Ik luisterde naar het hele verhaal. Ook naar de omweg over de conciërge en een kapotte plantenbak.
Pas toen we opstonden, merkte ik dat ik een tijd niet aan mijn hart had gedacht.
Thuis zette ik boodschappen op het aanrecht. Saar trok haar schoenen uit zonder de veters los te maken. Ik zei er iets van. Ze rolde met haar ogen.
Later zou ik mijn medicijnen nemen. Mijn controles bleven in de agenda staan. Er zouden nog bange avonden komen.
Maar nu moest het pastawater op.
‘Dek jij de tafel?’ vroeg ik.
‘Zo.’
‘Nu graag.’
Ze zuchtte en pakte twee borden.