Naar de inhoud
Terug naar het boek

Liefde, relaties en gezin

Mama is ook maar een mens

Hoofdstuk 1

Het zout op het aanrecht

Ik heet Sanne. Ik ben achtendertig jaar oud en ik woon in een tussenwoning in de Rivierenwijk in Deventer. Als je bij ons de straat in rijdt, zie je overal dezelfde voortuinen: grijze tegels, twee kliko’s en hier en daar een verroeste kinderfiets. Ik werk vier dagen per week als teamleider bij de plaatselijke supermarkt. Dat betekent dat ik om kwart over zes ’s ochtends al tussen de pallets met halfvolle melk en kratten witloof sta. Ik zorg dat de schappen vol zijn voor de eerste bejaarden met hun rollators naar binnen schuifelen. Mijn leven zat altijd in strakke bakjes. Werken, boodschappen doen, de wasmand leegtrekken, huur betalen en zorgen dat er om half zes warm eten op tafel stond.

Die woensdagochtend in november begon precies zoals alle andere ochtenden. De wekker ging om tien voor zes. Het was ijskoud in de gang. Ik zette de koffiezetter aan, smeerde vier boterhammen met smeerkaas voor mijn dochter Nina van veertien en legde die in een plastic bakje. Daarna klopte ik op haar slaapkamerdeur. Geen gehoor. Ik klopte nog een keer, harder, met mijn knokkels tegen het dunne hout.

‘Nina, opstaan. Het is over zeven.’

Er kwam een vaag gegrom van onder de dekens. Normaal gesproken zou ik naar binnen lopen, de gordijnen opentrekken en zeggen dat de eerste bel om half negen ging. Maar ik had haast. Mijn collega Melanie had zich ziek gemeld met buikgriep en ik moest de vroege vracht alleen lossen. Ik liet het erbij. Dat was mijn eerste fout van die dag. Of misschien was het al mijn honderdste fout van dat jaar. Je weet nooit precies wanneer het begint te glijden.

Op mijn werk ging alles in de hoogste versnelling. Een pallet met suiker was omgevallen bij de laadklep. Overal lag wit kristal. Het knarste onder mijn werkschoenen terwijl ik de rolcontainers naar het magazijn duwde. Tussen de middag, toen ik net een bekertje automatenkoffie naar binnen wilde gieten in de kantine, trilde mijn telefoon. Het nummer op het scherm was niet opgeslagen, maar ik herkende het netnummer van Deventer.

‘Met Sanne de Wit,’ zei ik met mijn zakelijke stem. De stem die ik gebruik als een klant klaagt over te zure mandarijnen.

‘Goedemiddag mevrouw De Wit. U spreekt met meneer Van Veen, de teamleider van Nina op het Etty Hillesum Lyceum. We maken ons een beetje zorgen. Nina is vandaag weer niet op school verschenen. En als ik naar haar verzuim van de afgelopen drie weken kijk, zien we een patroon.’

De koffie werd ineens heel bitter in mijn mond. Mijn keel knelde dicht. ‘Hoezo, weer niet? Ze is vanochtend gewoon vertrokken.’ Ik loog. Ik wist helemaal niet of ze vertrokken was. Ik had alleen tegen een dichte deur staan praten.

‘Ze is er al vier dagen deze maand niet geweest,’ zei Van Veen rustig. Te rustig. Hij klonk als een man die dit formulier al duizend keer had ingevuld. ‘En haar cijfers voor Nederlands en wiskunde staan op een vier. Vorige week hebben we haar aangesproken op het roken achter de fietsenstalling. Ze reageerde erg brutaal. We willen graag een gesprek met u. Morgenochtend om negen uur.’

Ik keek naar mijn handen. Er zat een scheurtje in mijn linkerduim van het karton van de bananendozen. Een klein streepje bloed dat opdroogde. ‘Morgenochtend kan ik niet,’ flapte ik eruit. ‘Dan sta ik ingeroosterd.’

Er viel een stilte aan de andere kant van de lijn. De stilte waarin zo’n leraar een oordeel velt. Ik hoorde het hem bijna denken: *Daar heb je weer zo’n alleenstaande moeder die haar prioriteiten niet op orde heeft.*

‘Mevrouw De Wit,’ zei hij, nog iets trager. ‘Het gaat hier om de toekomst van uw kind. Als dit zo doorgaat, moeten we de leerplichtambtenaar inschakelen. Negen uur. Ik zet u in de agenda.’

Hij hing op voordat ik iets terug kon zeggen. Ik bleef aan de plastic kantinetafel zitten. Naast me zat een vakkenvuller van zestien een frikandelbroodje naar binnen te proppen. Hij keek naar een filmpje op TikTok waar harde bassen uit zijn oordopjes lekten. Ik voelde me ineens honderd jaar oud. Ik was de moeder die alles onder controle had. De moeder die altijd meeging op schoolreisjes in groep acht. De moeder die verse soep maakte als Nina verkouden was. En nu belde er een wildvreemde man om te vertellen dat mijn dochter verdween terwijl ik stond toe te kijken.

Hoofdstuk 2

Het slot aan de binnenkant

Ik fietste om vier uur naar huis door een miezerige regen die niet hard genoeg viel om een regenpak voor aan te trekken, maar koud genoeg was om door mijn spijkerbroek heen te trekken. De wind kwam recht over de IJssel. Bij elke trap tegen de wind in dacht ik aan wat ik tegen haar ging zeggen. Ik had twee opties. Optie één was woede: de trap op stampen, de deur opengooien en schreeuwen over verantwoordelijkheid, over hoe hard ik werkte om die merkschoenen van honderdtwintig euro voor haar te betalen, over haar toekomst. Optie twee was de kalme, begripvolle aanpak: thee zetten, een koekje erbij, vragen wat er aan de hand was.

Toen ik de voordeur opendeed, rook het huis muf. Geen geur van gebakken tosti’s of parfum, maar de geur van een huis dat de hele dag dicht heeft gezeten met de gordijnen dicht. In de gang stonden haar witte sneakers. Modderig aan de neuzen.

‘Nina?’ riep ik vanuit de gang.

Geen antwoord. Alleen het gezoem van de oude koelkast in de keuken. Ik liep de trap op. De treden kraakten. Voor haar slaapkamerdeur bleef ik staan. Er hing een poster op van een zangeres die ik niet kende, met zwarte lippenstift en een blik die zei dat de wereld kon ontploffen. Ik legde mijn hand op de klink en duwde naar beneden. De klink bewoog, maar de deur ging niet open. Er zat een haakje aan de binnenkant. Dat had ze er zelf op geschroefd met een schroevendraaier uit mijn gereedschapskistje in de schuur.

‘Nina, doe open. We moeten praten.’

‘Ga weg,’ klonk het. Dof, van ver weg.

‘Ik ga niet weg. School heeft gebeld. De teamleider. Doe die deur nu open.’

‘Ik zei toch: ga weg! Laat me gewoon met rust!’ Haar stem sloeg over aan het eind. Het was geen driftige stem van een verwend kind. Er zat iets scherps in, iets van paniek.

Ik voelde mijn hart in mijn keel bonken. De angst won het van mijn geduld. Ik zette mijn schouder tegen het hout. Het kozijn kraakte. ‘Nina, als jij die deur niet binnen drie tellen van het haakje haalt, trap ik hem in. Ik meen het.’

Het bleef een paar tellen stil. Toen hoorde ik sokken over het laminaat schuifelen. Het metaalachtige klikje van het haakje. De deur ging op een kier van tien centimeter.

Ze stond in het halfduister. De gordijnen waren dichtgetrokken. Het enige licht kwam van het blauwe scherm van haar telefoon die op haar onopgemaakte bed lag. Ze droeg een veel te grote zwarte hoodie. Haar blonde haar zat in een slordige knot, vet bij de slapen. Haar ogen waren rood omrand. Ze rook naar oude chips en iets zoets, chemisch. Zo’n wegwerp-vape met aardbeiensmaak.

‘Wat wil je nou?’ vroeg ze. Ze keek niet naar mijn ogen, maar naar mijn jas, waar nog een druppel regen aan de rits hing.

‘Waarom was je niet op school? Waarom lieg je tegen me?’

‘Ik lieg niet.’

‘Je was er niet! De hele week al niet!’ Mijn stem schoot omhoog, precies op de manier die ik mezelf op de fiets had verboden. ‘We moeten morgen naar die man toe. Ze willen de leerplichtambtenaar sturen, Nina. Weet je wat dat betekent? Dat kost honderden euro’s boete. Waar moet ik dat van betalen? Denk je dat het geld me op de rug groeit?’

Nina trok haar schouders op tot aan haar oren. Haar hele lichaam werd een strakke plank. ‘Altijd maar geld,’ zei ze zacht. Het klonk giftig. ‘Alles gaat altijd over geld en jouw rottige werk. Denk je dat het mij wat kan schelen wat die vent van school zegt? Ik ga daar gewoon niet meer heen.’

‘Je gaat wel! Je moet je diploma halen! Je wordt geen schoonmaker zoals...’ Ik beet op mijn tong. Ik wilde zeggen: zoals je oma. Maar de naam van mijn moeder lag als een taboe tussen ons in.

Nina keek me nu wel aan. Haar blik sneed dwars door me heen. ‘Ik word liever helemaal niks dan dat ik word zoals jij. Altijd maar rennen, altijd maar zeiken, altijd maar doen alsof alles fantastisch is terwijl je ’s avonds op de bank zit te janken bij een stomme serie.’

Voordat ik adem kon halen, sloeg ze de deur dicht. De klap trilde na in de vloer. Het haakje viel weer in het oogje. Een harde, definitieve klik.

Hoofdstuk 3

Koffie met een schoteltje

De volgende ochtend zat ik om tien voor negen in een spreekkamertje op de tweede verdieping van de school. De stoelen waren van hard blauw plastic en de tafel had wiebelpootjes. Nina zat naast me. Ze had schone kleren aangetrokken omdat ik had gedreigd haar telefoon af te pakken, maar haar houding was een vestingmuur. Haar armen over elkaar, haar kin op haar borst. Ze staarde naar haar schoenveters.

Meneer Van Veen had een map voor zich liggen. Hij droeg een ribfluwelen colbertje en had een bril met een dun montuur. Hij schonk water in uit een glazen karaf. ‘Fijn dat u er bent, mevrouw De Wit. Nina, goed dat jij er ook bent.’

Nina zei niks.

‘We zien een zorgelijke ontwikkeling,’ begon hij. Het leek wel alsof hij een handleiding voorlas. ‘Nina haalt cijfers die ver onder haar niveau liggen. Ze trekt zich terug uit de klas. Twee weken geleden zagen docenten haar op het plein met oudere jongens van het mbo. Er gaan geruchten over blowen. En als docenten haar aanspreken, ontploft ze of loopt ze gewoon het lokaal uit.’

Hij keek over zijn brilleglas naar mij. ‘Hoe is de situatie thuis, mevrouw De Wit? Sinds de scheiding, bedoel ik.’

Mijn wangen werden gloeiend heet. De scheiding was zes jaar geleden. Haar vader woonde ergens in Almere met een nieuwe vriendin en twee peuters. Hij stuurde met haar verjaardag een bol.com-bon van twintig euro en belde met kerst. Wat had dat in godsnaam met dit kantoortje te maken?

‘Thuis is alles rustig,’ zei ik strak. Mijn nagels groeven in mijn handpalmen onder de tafel. ‘We hebben een vast ritme. Ik zorg dat ze alles heeft wat ze nodig heeft.’

‘Rustig?’ Nina lachte schamper. Het was een rauw geluid. Ze keek Van Veen recht aan. ‘Ze is er nooit. En als ze er is, controleert ze mijn kamer alsof ik een crimineel ben. Ze vraagt nooit hoe het met me gaat. Ze vraagt alleen of ik mijn huiswerk af heb en of ik de vaatwasser heb uitgeruimd.’

De lucht werd uit mijn longen geslagen. Ik wilde iets zeggen, een verweer, een verklaring over ploegendiensten en de gasrekening die verdrievoudigd was, maar de woorden bleven steken in mijn keel. Ik voelde me net een klein kind dat betrapt was op diefstal.

Van Veen zuchtte zacht. Hij schoof een folder naar me toe. ‘Ik stel voor dat we Nina aanmelden bij het sociaal wijkteam. Een jeugdcoach. Iemand die met haar kan praten, los van school en thuis. En misschien is het goed als u zelf ook wat ondersteuning zoekt bij het opvoeden van een puber in deze fase.’

Ondersteuning bij het opvoeden. De woorden brandden als zuur. Alsof ik gefaald had op het allerbelangrijkste examen van mijn leven.

Toen we naar buiten liepen, trok Nina meteen een sprintje naar haar fiets. Ze trapte weg zonder om te kijken. Ik bleef op het plein staan met die glanzende folder in mijn hand. De wind scheurde aan het papier.

In plaats van naar mijn werk te gaan, stapte ik op mijn fiets en reed de brug over, richting Zutphen. Ik belde Melanie en zei met schorre stem dat ik door mijn rug was gegaan. Mijn eerste leugen tegen mijn werkgever in twaalf jaar tijd.

Mijn moeder woont in een seniorenflat aan de rand van Zutphen. Binnen ruikt het altijd naar pepermunt, lavendel en mottenballen. Ze deed open in haar gebreide vest. Haar haar zat strak in de watergolf. Ze keek verbaasd naar mijn bezwete gezicht en mijn verwaaide haren.

‘Sanne? Wat doe jij hier op donderdagochtend? Moet jij niet werken?’

‘Ik moest er even uit, mam,’ zei ik en ik schoof langs haar heen de gang in.

Ze zette koffie. Ouderwetse filterkoffie in een porseleinen kopje met een schoteltje eronder. Er lag een speculaasje naast. Ik zat op haar bloemetjesbank en keek naar de klok die luidruchtig tikte op het dressoir. Ik vertelde haar over school. Over Van Veen. Over het spijbelen. Ik vertelde het zo luchtig mogelijk, alsof het een lastig probleempje was dat we even moesten oplossen.

Mijn moeder luisterde terwijl ze met een lepeltje in haar koffie roerde. Toen zette ze het lepeltje neer met een klein, scherp tikje tegen het porselein.

‘Je bent te slap voor haar, Sanne,’ zei ze nuchter. ‘Dat ben je altijd al geweest. Je wilt haar vriendinnetje zijn. Een kind heeft geen vriendin nodig, een kind heeft een moeder nodig die de teugels strak houdt. Je vader en ik hadden vroeger echt geen tijd voor dit soort flauwekul. Als wij zeiden dat je naar school moest, dan ging je. Geen tegenspraak.’

Ik keek naar haar rimpelige handen. Handen die nooit getroost hadden, alleen maar hadden gewassen, gekookt en gecorrigeerd. ‘Ze praat niet met me, mam. Ze sluit zich op.’

‘Dan haal je de deur eruit,’ zei mijn moeder simpel. ‘En je pakt die telefoon af. Geen gezeur. Jij bent de baas in huis. Maar ja, jij wilde zo graag alles anders doen dan wij vroeger. Nou, kijk waar het je gebracht heeft.’

Ik slikte de koffie door. Hij smaakte bitter en lauw. Ik voelde de eenzaamheid die ik als kind van tien had gevoeld weer helemaal terugkomen, alsof hij nooit was weggeweest. Ik stond op, liet het speculaasje onaangeraakt liggen en zei dat ik weer weg moest. Mijn moeder vroeg niet waarom ik mijn kopje niet leegdronk.

Hoofdstuk 4

Het telefoontje om kwart voor twee

De zaterdag die volgde was een ramp in slow motion. Nina had haar kamer niet verlaten, behalve om naar de wc te gaan. Als ik tegen haar sprak, keek ze dwars door me heen alsof ik van glas was. Rond zeven uur ’s avonds hoorde ik de voordeur dichtvallen. Toen ik in de gang keek, waren haar jas en schoenen weg. Ik belde haar meteen. Haar voicemail sprong direct aan: *Dit is Nina, spreek maar niks in want ik luister het toch niet af.*

Ik probeerde niet in paniek te raken. Pubers gaan uit op zaterdagavond. Ze was veertien, bijna vijftien. Ze zou naar vriendinnen zijn in het centrum, op de Brink. Ik zette de televisie aan. Een stom spelprogramma met mensen die opblaasbare ballen moesten ontwijken. Ik keek zonder iets te zien. Om elf uur appte ik haar: *Hoe laat ben je thuis?* Eén grijs vinkje. Om half twaalf nog steeds één vinkje. Haar telefoon stond uit.

Om halfeen trok ik mijn schoenen aan en liep ik naar de Brink. De terrassen zaten vol lachende mensen onder warmtelampen. Dronken studenten zongen liedjes bij de Waag. Meisjes met korte rokjes en dikke jassen giechelden bij de snackbar. Ik liep ertussen als een geest, speurend naar die zwarte hoodie en dat blonde haar. Ik voelde me intens belachelijk en tegelijkertijd misselijk van angst. Ik sprak twee meisjes aan die eruitzagen alsof ze in de derde klas zaten. ‘Kennen jullie Nina? Nina de Wit?’ Ze keken me aan alsof ik een zwerver was die om kleingeld vroeg. ‘Nee mevrouw, nooit van gehoord.’

Ik ging naar huis. Om kwart voor twee ging de vaste huistelefoon. Dat ding rinkelt eigenlijk nooit, behalve als er een energiebedrijf belt om een contract aan te smeren. Het geluid sneed door de stille woonkamer als een alarmsirene.

Ik griste de hoorn van de haak. ‘Nina?’

‘Goedenacht, spreekt u met de verpleging van de Spoedeisende Hulp van het Deventer Ziekenhuis?’ Een kalme vrouwenstem. Te kalm.

De grond zakte letterlijk onder mijn voeten vandaan. Ik moest me vasthouden aan de leuning van de trap. ‘Ja. Met Sanne de Wit. Wat is er gebeurd?’

‘Uw dochter is zojuist binnengebracht door de ambulance. Ze is aanspreekbaar, maar ze heeft een flinke alcoholvergiftiging en ze is buiten bewustzijn aangetroffen in een portiek bij het station. Er zat ook vermoedelijk GHB of iets dergelijks in het spel, dat zijn we nu aan het testen. Het is belangrijk dat u direct deze kant op komt.’

Ik weet niet hoe ik in mijn jas ben gekomen. Ik weet niet hoe ik naar mijn oude Toyota ben gerend. Ik reed door rood bij de kruising bij het station. Mijn handen trilden zo hevig op het stuur dat de auto slingerde over de lege weg. In mijn hoofd tolde maar één gedachte rond, als een kapotte plaat: *Ik heb haar laten vallen. Dit is mijn schuld. Ik ben een waardeloze moeder.*

De geur van het ziekenhuis trof me als een stomp in mijn maag. Ontsmettingsmiddel, warme lucht en rubber. Een beveiliger wees me de weg naar de afdeling. Door de dubbele deuren, langs lege gangen met tl-buizen die fel en koud zoemden.

Nina lag in een van de behandelkamers achter een gordijn. Ze zag er afschuwelijk uit. Haar lippen waren blauw, haar gezicht lijkbleek met grijze vegen onder haar ogen. Er liep een slangetje uit haar neus en een infuus in haar handrug. Ze droeg een papieren ziekenhuishemd. Haar eigen kleren zaten in een doorzichtige plastic vuilniszak op een stoel in de hoek. Ze rook naar braaksel en goedkope bessenjenever.

‘Nina,’ fluisterde ik. Ik pakte haar vrije hand. Die voelde koud en klam aan, als een vis.

Ze deed haar ogen half open. Haar pupillen waren zo groot dat haar ogen bijna helemaal zwart leken. Ze keek me aan, maar ze herkende me nauwelijks. Toen trok haar gezicht samen en begon ze te kokhalzen. Een verpleegkundige met een paardenstaart schoof meteen een kartonnen bakje onder haar kin. Er kwam alleen wat geel schuim uit.

‘Rustig maar, Nina,’ zei de verpleegkundige zacht. ‘Je moeder is er.’

Nina draaide haar hoofd weg naar de muur. Er rolde een dikke traan uit haar ooghoek, over haar bleke wang, in het kussen. ‘Ga weg,’ mompelde ze met een dikke tong. ‘Kijk niet naar me.’

Ik ging op het krukje naast het bed zitten. Ik liet haar hand niet los, ook al trok ze er slapjes aan om weg te komen. De monitors piepten monotoon. Buiten begon het te regenen tegen de donkere ramen van het ziekenhuis. Ik zat daar in mijn oude trui, met modder aan mijn schoenen, en ik had geen flauw idee meer hoe we hier ooit nog uit moesten komen.

Hoofdstuk 5

Het breken van de theepot

Ze mocht zondagmiddag om twee uur naar huis. De arts, een jonge vrouw met donkere kringen onder haar ogen, had ons een stevige preek gegeven in het kantoortje. Nina had geluk gehad. De temperatuur die nacht was rond het vriespunt geweest. Als een voorbijganger haar niet had zien liggen tussen het karton en de fietsen bij het station, had ze onderkoeld kunnen raken met fatale gevolgen. Er was geen GHB gevonden, alleen een gigantische hoeveelheid goedkope wodka en energydrank.

De autorit naar huis was muisstil. Nina staarde uit het zijraam, met een spuugzakje stevig tussen haar knokkels geklemd. Ze zag er nog steeds grauw uit. Haar lichaam deed pijn van het overgeven en het liggen op het koude beton.

Toen we binnenkwamen in de gang, schopte ze haar schoenen uit en wilde meteen doorlopen naar de trap, naar haar veilige bunker met het haakje op de deur.

‘Nee,’ zei ik. Mijn stem klonk hees en leeg.

Ze bleef op de onderste trede staan. Ze draaide zich niet om. ‘Ik wil slapen.’

‘Je gaat niet naar boven. Je komt in de keuken zitten.’

‘Laat me met rust, mam! Ik ga echt overgeven als je nu gaat schreeuwen!’

‘Ik schreeuw niet!’ zei ik, maar het kwam er toch hard uit. ‘Kom naar de keuken. Nu.’

Ze sjokte achter me aan en liet zich op een van de houten stoelen vallen. Ze legde haar hoofd op haar armen op het tafelzeil. Ik liep naar het aanrecht om thee te zetten. Mijn handen beefden nog steeds van de adrenaline van de afgelopen vierentwintig uur. Ik pakte de theepot uit het kastje. Een oude, zware theepot van bruin aardewerk die ik nog van mijn oma had gekregen toen ik op kamers ging. Een oerlelijk ding, maar hij hield de thee altijd gloeiend heet.

Terwijl ik de theepot onder de kraan hield, glipte hij uit mijn natte vingers. Hij kletterde in de roestvrijstalen gootsteen, stuiterde terug en viel op de tegelvloer. De pot barstte in drie grote stukken en tientallen kleine scherven uit elkaar. Een plas koud water verspreidde zich over het zeil.

Ik bleef stokstijf staan. Ik keek naar de scherven bij mijn voeten.

Nina tilde haar hoofd op van de tafel. Ze keek verschrikt naar de vloer, klaar voor de woede-uitbarsting die normaal gesproken zou volgen. Want ik was altijd zuinig op spullen. Ik mocht niks breken, want alles kostte geld.

Maar er kwam geen woede. Er knapte iets anders. Een kabel die veel te strak had gestaan, diep in mijn borstkas. Ik zakte door mijn knieën, midden in het water, tussen de scherven van de theepot. Ik trok mijn benen tegen me aan en sloeg mijn handen voor mijn gezicht. En toen begon ik te huilen. Niet netjes, niet stil met een tissue zoals ik het altijd deed als Nina al in bed lag. Ik huilde met lange, lelijke uithalen, alsof de lucht uit een lekke band werd geperst. Mijn hele lijf schokte.

‘Mam?’ hoorde ik Nina zeggen. Haar stem klonk ineens heel klein, heel jong. Ze klonk weer als het meisje van zeven dat haar knie had geschaafd op het schoolplein.

Ik kon geen antwoord geven. Ik kon alleen maar snikken. ‘Ik kan het niet meer,’ perste ik eruit tussen twee ademhalingen door. Het snot liep over mijn bovenlip. Het kon me niks meer schelen. ‘Ik kan het gewoon niet meer, Nina. Ik weet niet hoe het moet. Ik doe alles verkeerd. Ik werk me kapot en jij haat me en vannacht was je bijna dood geweest en ik weet gewoon niet wat ik moet doen.’

De stilte in de keuken werd ademloos. Alleen mijn eigen schokkerige ademhaling vulde de ruimte.

Toen hoorde ik het schuiven van de houten stoelpoten over het zeil. Twee sokken stapten voorzichtig tussen de scherven door. Nina zakte naast me op haar knieën in het water. Ze aarzelde even, alsof ze niet wist of het mocht. Haar koude, dunne armen schoven om mijn nek. Haar gezicht drukte tegen mijn schouder, in de natte stof van mijn trui.

‘Het spijt me,’ snikte ze in mijn nek. Ze begon nu ook te huilen, met grote, hete tranen die door mijn kleren heen brandden. ‘Het spijt me zo, mam. Ik haat je niet. Echt niet. Ik haat mezelf gewoon.’

We zaten daar op de vloer van de keuken, tussen het water en het gebroken aardewerk, twee vrouwen die niet wisten hoe ze moesten leven, elkaar vasthoudend alsof we van een klif dreigden te vallen.

Hoofdstuk 6

Het openbreken van de stilte

We bleven op de grond zitten tot mijn benen sliepen en de kou van de tegels door onze broeken trok. Ik pakte een handdoek, veegde het water op en gooide de grote scherven van de theepot in de pedaalemmer. Nina hielp me. Zonder dat ik het hoefde te vragen, pakte ze de stoffer en blik en veegde de kleine splinters bij elkaar. We zeiden niks. De stilte was anders nu. Niet meer geladen met giftige spanning, maar leeg en breekbaar, zoals de lucht na een zwaar onweer.

Ik zette twee mokken kamillethee met een zakje rechtstreeks in de mok. We gingen aan de keukentafel zitten. Nina hield de warme mok met twee handen vast om haar vingers op te warmen.

‘Vertel het me maar,’ zei ik zacht. Ik keek haar aan. Zonder boosheid, zonder oordeel. Alleen maar moe.

Ze keek naar de damp die van de thee afkwam. Haar stem was hees. ‘Ik voel me zo dom op die school, mam. Iedereen snapt die formules bij wiskunde. Iedereen praat over merkkleding en waar ze op vakantie gaan in de zomer. Naar Spanje, naar Italië. Als zij vragen wat ik doe in de vakantie, zeg ik dat we naar Zeeland gaan, maar we gaan helemaal nergens heen. Ik zit gewoon zes weken op mijn kamer.’

Ik slikte. Het was waar. We hadden al drie jaar geen vakantie gehad. Mijn vakantiedagen gebruikte ik om overuren op te nemen of om extra diensten te draaien als de supermarkt onderbemand was.

‘En die meiden in de klas,’ ging ze verder, en haar stem trilde. ‘Ze hebben een WhatsApp-groep waar ik niet in zit. Ze lachen om filmpjes die ik niet snap. Twee weken geleden had iemand stiekem een foto gemaakt van mijn schoenen, waar een gat in de zool zat, en die rondgestuurd met een sticker erbij: *armoedezaaier*. Ik wilde gewoon niet meer naar binnen lopen. Elke ochtend als ik dat plein op loop, voelt het alsof ik moet overgeven. Mijn hart slaat op hol en ik krijg geen adem.’

Paniekaanvallen. Ze had paniekaanvallen gehad, en ik had gedacht dat ze gewoon lui was en liever uitsliep.

‘Waarom heb je dat niet verteld?’ vroeg ik zacht.

Nina keek op. Haar ogen waren rood en gezwollen. ‘Omdat jij altijd zo hard je best doet. Je bent altijd bezig. Als ik erover begon dat die schoenen kapot waren, zag ik meteen die rimpel tussen je wenkbrauwen komen. De geld-rimpel. Je zei altijd: *Niet zeuren, schouders eronder, we redden het wel.* Dus dacht ik dat ik me aanstelde. Dat ik gewoon harder mijn best moest doen. Maar het lukte niet. En toen boden die jongens bij het station me die fles aan. En na drie slokken voelde ik me even niet meer zo bang. Even kon het me allemaal niks schelen.’

Ik greep haar hand over de tafel. Haar vingers waren nog steeds koud. ‘Nina. Luister heel goed naar me. Ik ben je moeder. Het is mijn taak om me zorgen te maken over de huur en over schoenen en over eten. Niet de jouwe. Ik heb gedaan alsof ik een soort robot ben die alles aankan. Maar ik kan het ook niet allemaal alleen. Ik ben ook maar een mens. Ik wist gewoon niet beter. Mijn moeder praatte vroeger ook nooit over gevoelens. Als ik verdrietig was, zei ze dat ik de afwas moest doen.’

Nina glimlachte flauwtjes. Een heel klein, waterig glimlachje. ‘Oma is eng.’

‘Oma is een product van haar tijd,’ zei ik eerlijk. ‘Maar ik wil niet zo zijn. Ik wil dat jij tegen me kunt zeggen dat je doodsbang bent, zonder dat ik meteen begin te zeuren over een rapportcijfer.’

Die middag belde ik mijn moeder. Ik had mezelf voorgenomen om niet te schreeuwen, maar wel de waarheid te vertellen.

‘Mam,’ zei ik toen ze opnam. ‘Nina ligt in bed. Ze heeft vannacht in het ziekenhuis gelegen met een alcoholvergiftiging.’

Het bleef doodstil aan de andere kant van de lijn. Geen zucht, geen kreet. Alleen het suizen van de verbinding.

‘Zie je wel,’ zei mijn moeder na een lange pauze, en haar stem klonk breekbaar in plaats van streng. ‘Geen grenzen gesteld.’

‘Nee, mam,’ zei ik heel rustig. ‘Niet geen grenzen. Geen liefde. Geen ruimte om te praten. Precies zoals ik ben opgegroeid. Ik neem Nina niks kwalijk. Ik neem het mezelf kwalijk dat ik net zo doof ben geweest voor haar als jij altijd voor mij was.’

‘Sanne, hoe durf je—’

‘Ik hang nu op,’ zei ik. ‘Ik bel je volgende week wel weer. Maar kom de komende dagen niet langs. We moeten dit met z’n tweeën doen.’

Ik drukte op het rode knopje op het scherm. Mijn hele lichaam trilde, maar voor het eerst in jaren voelde ik geen schuldgevoel. Het voelde alsof ik een zware koffer die ik al twintig jaar meesjouwde, eindelijk op het perron had neergezet.

Hoofdstuk 7

Koude thee en een nieuwe mok

We zijn nu vijf maanden verder. Het is april. De bomen langs de IJssel staan in bloei met dat tere, felgroene blad dat eruitziet alsof het bij de eerste windvlaag kan wegwaaien, maar dat toch blijft zitten.

Het sprookje is niet ineens uitgekomen. Het leven is geen film waar na de grote huilscène alles magisch opgelost is. Nina staat nog steeds niet te springen om naar school te gaan. Haar cijfers zijn opgekrabbeld van een vier naar een krappe voldoende, maar wiskunde blijft een drama. We hebben een jeugdcoach via het wijkteam, een nuchtere vrouw van begin dertig die Esther heet. Esther komt eens in de twee weken op dinsdagmiddag langs. Soms praten ze met z’n tweeën op Nina’s kamer — waar het haakje inmiddels van de deur is geschroefd — en soms zitten we met z’n drieën aan de keukentafel.

Ik heb op mijn werk aangegeven dat ik geen vroege diensten meer draai op woensdag en vrijdag. Mijn filiaalmanager keek bedenkelijk en mompelde iets over personeelstekort en collegialiteit. Vroeger zou ik me daar kapot voor hebben geschaamd en direct hebben ingebonden. Nu zei ik: ‘Dan moet je op zoek naar een andere oplossing, want ik ben er dan niet.’ Ik verdien iets minder deze maand omdat ik een paar overuren heb laten schieten, maar we eten wel twee keer per week soep met brood om het gat op te vangen. Het kan me niet meer schelen.

Met mijn moeder is het contact stroef. Ze belde na drie weken zelf op. Ze deed alsof er niks gebeurd was, vroeg naar het weer en vertelde dat de buurvrouw een nieuwe heup had gekregen. Ik liet het maar zo. Ze is vierenzeventig. Ze gaat niet meer veranderen. Maar ik hoef haar goedkeuring niet meer te hebben om te weten dat ik mijn best doe.

Vanochtend was het weer een strijd. Nina lag in bed met haar kussen over haar hoofd en zei dat ze buikpijn had. Een paar maanden geleden zou ik in paniek zijn geraakt, bang voor een terugval, bang dat de school weer zou bellen.

Ik liep haar kamer binnen en ging op de rand van haar matras zitten. Ik trok het kussen een klein stukje van haar hoofd.

‘Echte buikpijn, of het-is-maandagochtend-buikpijn?’ vroeg ik.

Ze keek me aan met één oog. ‘Allebei.’

‘Kom op,’ zei ik. ‘Eruit. Eerst een banaan eten. Als je om twaalf uur nog steeds kromloopt van de pijn, stuur je me maar een berichtje en kom ik je halen.’

Ze zuchtte diep, een zucht die vanuit haar tenen leek te komen, maar ze schopte de dekens van zich af. Tien minuten later zat ze beneden aan de keukentafel haar tas in te pakken.

We hebben een nieuwe theepot gekocht bij de kringloopwinkel op het industrieterrein. Een witte, van dik aardewerk, met een blauw randje langs het deksel. Hij kostte drie euro vijftig. Hij is niet perfect; er zit een klein chipje van het tuitje af, maar hij lekt niet.

‘Mam,’ zei Nina terwijl ze haar jas aantrok bij de voordeur. ‘Ben je vanavond thuis voor het eten?’

‘Ja. Half zes. Ik maak macaroni.’

‘Met die nepkaas?’

‘Nee, met echte geraspte kaas van de markt,’ zei ik met een knipoog.

Ze glimlachte. Het was een snelle, haastige glimlach van een puber die de deur uit moet om de bel niet te missen, maar haar ogen stonden helder. Ze trok de voordeur achter zich dicht. Ik hoorde het grind in de voortuin knarsen onder haar banden.

Ik bleef nog even in de gang staan. Ik keek naar de kapstok waar haar sjaal slordig overheen hing. Het huis was stil, maar het was niet meer die dodelijke, benauwde stilte van afgelopen winter. Het was gewoon een stil huis op een doodgewone maandagochtend in Deventer.

Ik ben geen perfecte moeder. Ik zal Nina nooit alles kunnen geven wat de rijke meisjes uit haar klas hebben. Ik maak nog steeds fouten; gisteren viel ik nog tegen haar uit omdat ze haar natte handdoek op de badkamervloer had laten liggen. Maar als ik naar de keuken loop en die witte theepot zie staan, weet ik één ding heel zeker: we zijn niet meer van porselein. We kunnen breken, maar we kunnen de scherven ook weer oprapen en opnieuw beginnen. Meer kan een mens niet doen.