Ziekte en gezondheid
Long covid nam mijn jaar
Bevat beschrijvingen van ziekte en behandeling.
Hoofdstuk 1
Long covid nam mijn jaar — 1. De trap
Op de dertiende trede zakte ik door mijn knieën. Mijn boodschappentas gleed langs me heen. Een pot pastasaus sloeg beneden op de tegels kapot.
‘Sanne?’ riep mijn buurvrouw.
Ik wilde zeggen dat er niets was. Dat ik alleen even moest zitten. Maar ik kreeg niet genoeg lucht om die leugen uit te spreken.
Het was februari. Ik was achtendertig. En twaalf dagen eerder had ik nog gedacht dat corona voor mij een week op de bank zou betekenen.
Dit is mijn volledig verzonnen verhaal. Ik heet Sanne de Wit. Ik woon in Amersfoort, boven een fietsenwinkel aan de Leusderweg. Voor ik ziek werd, werkte ik als planner bij een installatiebedrijf in Soest. Vier monteurs ziek? Een klant zonder verwarming? Ik schoof met afspraken tot het paste. Ik hield van lijstjes. Van fietsen door de regen. Van een dag die vol zat en toch lukte.
Mijn buurvrouw heette Els. Ze kwam naar beneden op haar sokken.
‘Heb je pijn op je borst?’
Ik knikte. Er zat een harde druk achter mijn borstbeen. Mijn hart bonsde tot in mijn keel.
Els belde 112. Ik hoorde haar ons adres noemen. Daarna legde ze haar hand op mijn schouder. Beneden liep rode saus onder de deurmat.
Ik bleef naar die saus kijken. Alsof dat het probleem was dat iemand moest oplossen.
In de ambulance plakte een verpleegkundige elektroden op mijn borst. Hij vroeg wanneer de klachten waren begonnen. Ik vertelde over mijn besmetting. Over de koorts die weg was. Over het blokje om van gisteren, waarna ik drie uur had geslapen.
‘En vandaag boodschappen?’ vroeg hij.
‘Alleen brood en avondeten.’
Hij schreef iets op. Ik wilde weten of ik een hartaanval had. Ik durfde het niet te vragen.
Op de spoedeisende hulp van Meander kwamen onderzoeken. Een hartfilmpje. Bloed. Steeds dezelfde vragen. Tegen de avond vertelde een arts dat ze op dat moment geen aanwijzingen zagen voor een acuut hartprobleem.
‘Dat is goed nieuws,’ zei hij.
Ik begon te huilen.
Hij schoof een doos tissues naar me toe. ‘Goed nieuws betekent niet dat u zich goed voelt.’
Die zin onthield ik. De rest ging langs me heen. Bij nieuwe of erger wordende klachten moest ik opnieuw hulp zoeken. Ik moest mijn huisarts bellen voor het vervolg.
Mijn broer Daan haalde me op. Hij woonde in Utrecht en was rechtstreeks uit zijn werk gekomen. In de auto rook het naar koffie en zijn natte jas.
‘Je blijft vannacht bij mij,’ zei hij.
‘Ik wil naar huis.’
‘Je woont boven.’
‘Dat weet ik.’
Hij keek even naar me. Toen draaide hij de parkeerplaats af.
Thuis was de trap schoon. Els had ook mijn boodschappen in de koelkast gezet. Daan liep achter me naar boven, zonder me aan te raken. Bij iedere paar treden stopte ik. Hij zei niets. Dat hielp meer dan aanmoedigen.
Boven ging ik op bed liggen met mijn schoenen nog aan.
Mijn telefoon trilde. Een bericht van Jeroen, mijn leidinggevende.
Hoe gaat het? Denk je maandag weer aan te sluiten? Desnoods thuis.
Ik typte: Vast wel.
Daan pakte mijn telefoon niet af. Hij keek alleen naar het scherm.
‘Waarom schrijf je dat?’
‘Omdat het donderdag is.’
‘Dat is geen antwoord.’
Ik verwijderde de woorden. Ik schreef dat ik nog niet kon werken. Mijn duim bleef boven verzenden hangen. Ik had in zes jaar drie dagen verzuimd. Eén keer buikgriep. Twee dagen na een kaakoperatie.
Ik drukte toch.
Die nacht hoorde ik Daan op mijn bank draaien. Zelf sliep ik nauwelijks. Zodra ik bijna wegzakte, schrok ik wakker van mijn hartslag. Ik telde hem op mijn pols. Daarna opnieuw. De cijfers maakten me niet rustiger.
Om vier uur stond ik op om naar de wc te gaan. Halverwege de gang moest ik tegen de muur leunen.
Op de koelkast hing mijn kalender. Een weekend Texel in april. De verjaardag van mijn nichtje. Een fietstocht in juni waarvoor ik al had betaald.
Ik keek naar die vakjes en dacht nog steeds in dagen.
Een paar dagen rust. Misschien twee weken.
Toen riep Daan vanaf de bank of het ging.
Ik zei ja. En bleef staan tot hij me kwam halen.
Hoofdstuk 2
Maandag lukt niet
In maart zette ik voor het eerst mijn werklaptop weer aan. Ik zat aan de keukentafel. Naast me stonden water, thee en een boterham waar één hap uit was.
Jeroen had gezegd dat ik alleen hoefde mee te luisteren. Een halfuur overleg. Geen druk.
Op mijn scherm verschenen zes gezichten. Iemand maakte een grap over mijn vakantiekleur. Ik was zo bleek dat het even duurde voor ik begreep dat het een grap was.
‘Fijn dat je er bent,’ zei Jeroen. ‘We nemen de planning door.’
Hij deelde zijn scherm. Groene vakken. Rode vakken. Namen die ik al jaren kende.
Na tien minuten wist ik niet meer welke dag we bespraken.
Na twintig minuten hoorde ik de stemmen nog wel, maar de zinnen vielen uit elkaar. Ik schreef een adres op. Toen nog eens. Beide keren verkeerd.
‘Sanne, lukt donderdag bij Van Leeuwen?’
Iedereen wachtte.
Ik keek naar donderdag. Er stond een woord dat ik herkende, maar niet begreep.
‘Ik moet stoppen,’ zei ik.
Ik sloot de laptop zonder afscheid.
De volgende ochtend kon ik mijn tandenborstel nauwelijks vasthouden. Mijn armen voelden zwaar en pijnlijk. Ik had keelpijn. Licht deed zeer. Daan belde drie keer voordat ik opnam.
‘Ben je gevallen?’
‘Nee.’
‘Wat is er dan gebeurd?’
‘Een vergadering.’
Dat klonk zo onzinnig dat ik boos op hem werd voordat hij iets kon zeggen.
Mijn huisarts, dokter Vermeer, liet me een paar dagen later komen. Ik had een taxi genomen. De rit kostte achttien euro. Vanaf de wachtkamer naar haar spreekkamer liep ik langzaam, met mijn hand langs de muur.
Ze vroeg naar mijn slaap, mijn ademhaling, mijn hartslag. Naar de terugslag na inspanning. Ze onderzocht me en besprak aanvullend bloedonderzoek.
‘Het kan passen bij aanhoudende klachten na covid,’ zei ze. ‘Maar we moeten ook andere oorzaken bekijken.’
‘Wanneer is het over?’
Ze schoof haar toetsenbord opzij.
‘Dat kan ik je nu niet vertellen.’
Ik had liever een vervelend getal gehoord. Zes weken. Drie maanden. Iets waar ik een streep onder kon zetten.
Een deel van het onderzoek leverde geen verklaring op. Mijn bloedwaarden waren grotendeels in orde. Geen uitslag die vertelde waarom haren wassen mijn hele ochtend kostte.
Mijn moeder vond dat geruststellend.
‘Dan is er gelukkig niets ernstigs.’
We zaten in mijn woonkamer. Ze had tulpen meegenomen en een pan soep. Ik keek naar de bloemen, omdat ik anders iets gemeens zou zeggen.
‘Ik kan niet douchen en eten koken op dezelfde dag, mam.’
‘Dat bedoel ik niet.’
‘Maar dat zeg je wel.’
Ze trok haar tas naar zich toe. Even dacht ik dat ze zou vertrekken. In plaats daarvan haalde ze een schaar uit mijn keukenla en knipte de stelen korter.
‘Vertel dan wat ik moet doen.’
Ik had geen antwoord. Dat maakte me nog bozer.
Bij de bedrijfsarts huilde ik voor het eerst om mijn werk. Het gesprek was telefonisch. Ik lag op bed met de telefoon naast mijn hoofd.
‘Ik wil terug,’ zei ik. ‘Ik trek dit thuiszitten niet.’
Hij vroeg niet hoeveel wilskracht ik had. Hij vroeg wat er na dat halfuur overleg was gebeurd. Hoelang de verslechtering had geduurd. Wat ik op een gewone dag nog kon.
We spraken af dat werkhervatting nu niet passend was. Over een paar weken zouden we opnieuw kijken.
Toen ik ophing, voelde ik opluchting. Daarna schaamte.
Ik had altijd gedacht dat uitvallen betekende dat je koorts had, een gebroken been of een duidelijke uitslag. Iets wat je kon aanwijzen. Nu kon ik een kwartier normaal praten en daarna niet meer rechtop zitten. Dat kwartier werd bewijs tegen me. Ook in mijn eigen hoofd.
Eind maart kwam Noor langs, mijn oudste vriendin. Ze zette haar fiets beneden tegen het rek en belde aan met twee kaneelbroodjes.
‘Zal ik thee zetten?’ vroeg ze.
Ik knikte.
Terwijl ze in de keuken rommelde, probeerde ik een kussenhoes om te keren. De rits zat binnenstebuiten. Ik kreeg het niet opgelost.
Toen Noor terugkwam, hield ik dat kussen nog vast.
‘Geef maar,’ zei ze.
Ik liet niet los.
‘Ik kon dit vroeger gewoon.’
Ze ging naast me zitten. Ze pakte de hoes niet af.
‘Ik weet het.’
We aten zonder thee te drinken. Die stond te ver weg, op tafel. Geen van ons maakte daar een opmerking over.
Hoofdstuk 3
Het bankje
In april wilde ik naar buiten zonder dat er een afspraak achter zat. Geen huisarts. Geen bloedprikken. Gewoon de straat zien.
Noor stelde Park Randenbroek voor. Ze zou me brengen. Vanaf de parkeerplaats was het niet ver naar een bankje.
‘We kunnen ook alleen in de auto zitten,’ zei ze.
‘Ik ben geen vaas.’
Het kwam harder uit mijn mond dan bedoeld. Noor knikte alsof ik had gezegd dat het regende.
In het park rook ik natte grond. Een hond trok aan een lange lijn. Verderop riep een vader dat zijn kind niet zo dicht bij het water moest komen. Alles ging door zonder dat iemand daar moeite voor hoefde te doen.
Ik liep langzaam. Bij het eerste bankje wilde Noor stoppen.
‘Het gaat wel,’ zei ik.
Het ging ook. Dat was het verraderlijke.
We liepen naar een tweede bankje. Ik vertelde iets over Jeroen, die had gevraagd of ik mijn wachtwoord kon doorgeven. Noor lachte om mijn imitatie van zijn zakelijke stem. Voor het eerst in weken vergat ik tijdens een gesprek mijn lichaam.
Thuis stuurde ik Daan een foto van het park.
Kijk. Vooruitgang.
De volgende middag lag ik in het donker. Mijn benen trilden als ik opstond. Ik had hoofdpijn, misselijkheid en dat grieperige gevoel dat ik inmiddels herkende. Zelfs een gesproken bericht van Noor was te veel.
De verslechtering duurde zes dagen.
Op dag drie belde ik dokter Vermeer. Ze vroeg of er nieuwe alarmerende klachten waren. Daarna bespraken we het patroon: soms ging iets tijdens de activiteit redelijk, maar volgde de terugslag pas later.
Ze noemde post-exertionele malaise. PEM. Verergering van klachten na inspanning, ook na mentale inspanning.
‘Dus ik merk pas later dat het te veel was?’
‘Dat kan. En de grens kan wisselen.’
Ik staarde naar een scheur in het plafond.
‘Hoe moet ik dan ooit iets doen?’
Ze verwees me naar een ergotherapeut die ervaring had met langdurige klachten na covid. Niet om me snel op te bouwen, zei ze. Eerst om beter zicht te krijgen op wat mijn dagen met me deden.
De ergotherapeut heette Marieke. Ze kwam thuis. Ik had de avond ervoor willen opruimen, maar was halverwege gestopt. Er lagen sokken onder de salontafel.
‘Sorry voor de rommel.’
‘Ik kom niet voor je vloer.’
Ze vroeg me de vorige dag te beschrijven. Ik zei dat ik niets had gedaan.
Ze keek naar mijn natte haar.
‘Gedoucht?’
‘Ja.’
‘Ontbijt gemaakt?’
‘Dat telt toch niet?’
We schreven alles op. Douchen. Aankleden. Berichten beantwoorden. Een formulier voor mijn werkgever lezen. Mijn moeder uitleggen waarom ik niet mee kon naar een verjaardag. Tien minuten piekeren over geld.
Mijn blad was vol.
Marieke legde uit wat ze met pacing bedoelde. Activiteiten afstemmen op wat ik op dat moment aankon. Eerder stoppen. Rust plannen voordat ik volledig leeg was. Geen garantie op herstel. Wel een manier om te proberen minder vaak zo hard terug te vallen.
Ik vond het een treurig plan.
‘Dus ik moet beter worden in minder doen.’
‘Voorlopig moeten we vooral voorkomen dat je jezelf steeds voorbijloopt.’
Samen maakten we mijn wereld kleiner. Een kruk in de douche. Ontbijtspullen op één plank. Geen bezoek op een dag met een afspraak. Berichten niet meteen beantwoorden.
Dat laatste bleek moeilijker dan zittend douchen.
Mijn telefoon bleef licht geven. Een collega stuurde een artikel over vitamines. Een tante kende iemand die na iedere ochtend koud douchen weer kon werken. Een kennis vroeg of ik al aan mijn conditie dacht.
Ik bedankte iedereen. Dat kostte ook energie.
Uiteindelijk schreef ik één bericht dat Daan mocht doorsturen: ik kreeg begeleiding, ik kon niet alle adviezen uitproberen en ik wilde geen discussie over mijn herstel.
Mijn tante reageerde met een duim.
Ik wist niet of ze boos was. Ik liet het voor het eerst liggen.
Eind april belde het pension op Texel. Of we onze aankomsttijd al wisten. Ik was vergeten te annuleren.
De vrouw aan de telefoon hoorde me naar adem zoeken.
‘Bent u ziek?’
‘Ja.’
‘Dan regelen we het.’
Na het gesprek bleef ik op de douchekruk zitten, midden in mijn woonkamer. Daan had hem net uitgepakt.
Op mijn telefoon stond nog de foto uit het park. Mijn jas open. Noor half in beeld. Ik verwijderde hem niet.
Maar ik stuurde die dag niemand een bewijs dat het beter ging.
Hoofdstuk 4
De brief
De envelop lag op een woensdag tussen een reclamefolder en een rekening van de tandarts. Mijn werkgever. Het logo stond scheef achter het venster.
Ik las de eerste alinea drie keer.
In het kader van uw re-integratie nodigen wij u uit voor een gesprek op locatie.
Er stond een datum. Een tijdstip. Geen vraag of ik de reis aankon.
Mijn hart begon te jagen. Ik legde de brief neer, pakte hem weer op en las verder. Er werd verwezen naar gemaakte afspraken. Welke afspraken? Had ik iets gemist? Was er een mail die ik had vergeten?
Ik belde Jeroen.
‘Het is een standaardbrief,’ zei hij.
‘Maar ik moet naar Soest komen.’
‘We moeten elkaar toch een keer zien.’
‘Ik kan niet eens zelf boodschappen doen.’
Hij zuchtte. Niet luid. Net hoorbaar.
‘Sanne, ik probeer ook gewoon mijn werk te doen.’
Ik verbrak het gesprek te snel. Daarna was ik bang dat het als werkweigering zou worden uitgelegd.
Daan kwam die avond. Hij legde de brief naast mijn laptop.
‘We gaan eerst kijken wat er echt staat.’
‘Er staat dat ik moet komen.’
‘Er staat ook dat je contact kunt opnemen als het niet lukt.’
Die zin had ik niet verwerkt. Mijn ogen waren er wel overheen gegaan.
We stuurden een korte mail. Ik wilde meewerken, maar vroeg om een vorm die medisch haalbaar was. Ook vroeg ik de bedrijfsarts om advies. Daan liet me iedere zin goedkeuren. Hij drukte pas op verzenden toen ik knikte.
Het gesprek werd uiteindelijk online gepland. Twintig minuten. Met pauzemogelijkheid. Daan zat naast me, buiten beeld, met een notitieblok.
Jeroen en iemand van personeelszaken verschenen op het scherm. Achter hen zag ik ons oude prikbord. Een foto van het personeelsfeest hing er nog. Ik stond erop met een papieren kroon van een collega.
‘We missen je,’ zei Jeroen.
Ik wilde hem geloven zonder meteen te hoeven terugkomen.
We spraken over contact houden en over het advies van de bedrijfsarts. Geen werkuren op dat moment. Wel opnieuw beoordelen wanneer dat zinvol was. De vrouw van personeelszaken vatte de afspraken samen.
Na afloop bleef Jeroen nog even hangen.
‘Ik snap niet goed hoe ziek je bent,’ zei hij.
‘Ik soms ook niet.’
Hij wreef over zijn gezicht.
‘Die brief had ik moeten toelichten.’
Het was geen grote verontschuldiging. Het was genoeg om die nacht iets minder bang te zijn.
Maar het geld bleef.
Mijn loon liep door volgens de afspraken bij mijn werkgever, maar ik miste vergoedingen en mijn vaste lasten veranderden niet. Taxi’s, bezorgkosten en eigen betalingen telden op. Ik opende mijn bankapp alleen nog wanneer het moest.
In juni verkocht ik mijn racefiets.
Ik zei tegen Daan dat hij te veel ruimte innam. Dat was waar. Het was niet de reden.
De koper heette Pieter. Hij kwam uit Nijkerk en vroeg of ik er veel op had gereden.
‘Vroeger.’
Hij keek naar de banden. ‘Mooi onderhouden.’
Daan tilde de fiets naar beneden. Ik bleef boven bij het raam staan. Pieter reed een proefrondje door de straat. Hij schakelde netjes terug voor het kruispunt. Daar was ik hem belachelijk dankbaar voor.
Toen de betaling binnenkwam, zette ik mijn telefoon uit.
Die avond at ik crackers omdat ik geen zin had in de maaltijd die mijn moeder had gebracht. Ik wist dat het niet om die maaltijd ging. Toch huilde ik toen het plastic deksel niet loskwam.
Els hoorde me door de open keukendeur. Ze klopte.
‘Zal ik morgen mee naar buiten? Rolstoel lenen, stukje rijden?’
‘Nee.’
Het kwam meteen.
‘Goed,’ zei ze. ‘Dan vraag ik het volgende week nog eens.’
Ik wilde haar vertellen dat een rolstoel betekende dat het echt was. Maar het was al echt toen ik op mijn vloer zat met een afgesloten bak macaroni.
Een week later vroeg ze het opnieuw.
Ik zei ja.
Bij de uitleenbalie keek ik vooral naar de grond. Buiten stelde Els de voetensteunen af. Ze deed het onhandig en kneep in haar vinger.
‘Verdomme,’ zei ze.
Ik lachte. Zij ook.
We gingen naar een klein plein. Ik kocht een ijsje. Er liep niemand op me af om mijn leven mislukt te verklaren.
Thuis was ik moe. Maar ik had niet hoeven kiezen tussen de hele route teruglopen en op de stoep gaan zitten.
De rolstoel bleef voorlopig in de hal.
Hoofdstuk 5
Buiten beeld
In juli zag ik de verjaardag van mijn nichtje op mijn telefoon. Liv werd zeven. Daan had een filmpje gestuurd van de taart.
Achter haar stond mijn moeder. Naast haar Noor, die met haar dochter was gekomen. Iedereen zong te hard. Liv hield haar handen tegen haar oren en lachte.
Ik bekeek het filmpje zonder geluid.
Mijn cadeau lag nog op tafel. Een bouwdoos met een windmolen. Ik had hem niet ingepakt gekregen. Daan zou hem komen halen, maar ik had die ochtend gezegd dat zelfs een kort bezoek niet ging.
Liv belde na het eten.
‘Ben je nog ziek?’
‘Ja.’
‘Ook morgen?’
Ik keek naar de bouwdoos.
‘Dat denk ik wel.’
‘Dan bewaar ik een snoepzakje.’
Toen ze ophing, legde ik mijn telefoon onder een kussen. Ik wilde niemand meer zien genieten. Daar schaamde ik me voor, maar het veranderde niets.
De weken daarna raakte ik slechter in antwoorden. Eerst liet ik groepsberichten liggen. Daarna gewone berichten. Mensen stopten niet meteen met vragen hoe het ging. Ze stopten langzaam.
Dat deed pijn. Tegelijk voelde ieder bericht als huiswerk.
Noor kwam op een donderdag langs. We hadden tien minuten afgesproken. Ze bleef bij de deur staan toen ze zag dat de gordijnen dicht waren.
‘Is het te veel?’
‘Alles is te veel.’
‘Zal ik weer gaan?’
‘Dat doen jullie uiteindelijk toch allemaal.’
Haar gezicht veranderde.
‘Dat is niet eerlijk, San.’
‘Nee, dit is gezellig.’
Ze zette een tas met boodschappen neer.
‘Ik weet niet hoe ik het goed moet doen als je niets zegt.’
‘Ik moet altijd uitleggen hoe jullie met mij om moeten gaan.’
Noor keek naar de vloer. Toen zei ze dat ze morgen zou appen. Niet om ruzie te maken. Om te vragen wat haalbaar was.
Ik hoorde haar fietsbel beneden en voelde me meteen nog eenzamer.
Die middag vertelde ik dokter Vermeer dat ik soms wenste dat ik gewoon niet wakker hoefde te worden. Ik had lang geaarzeld voordat ik het zei. Ik was bang dat vanaf dat moment alle lichamelijke klachten onder verdriet zouden verdwijnen.
Ze vroeg rustig door. Of ik mezelf iets wilde aandoen. Of ik plannen had. Of ik alleen veilig was.
Ik vertelde dat ik geen plan had en niet dood wilde. Ik wilde dat deze dagen ophielden. Het was belangrijk dat ze dat verschil hoorde. Het was ook belangrijk dat ze mijn woorden serieus nam.
We spraken af wie ik kon bellen als het erger werd. Daan kwam die avond. De volgende dag had ik opnieuw contact met de praktijk. Later kreeg ik gesprekken met de praktijkondersteuner.
Niet omdat mijn ziekte ingebeeld was. Omdat ik ziek was en het psychisch niet meer alleen droeg.
De praktijkondersteuner heette Fatima. Onze eerste afspraak duurde een kwartier aan de telefoon. Daarna was ik op.
‘Dan houden we het hierbij,’ zei ze.
Ik verwachtte oefeningen, doelen, nog een lijst waar ik op kon mislukken. Ze vroeg vooral wat het zwaarst was.
‘Dat ik de hele dag keuzes maak en er niets gebeurt.’
‘Welke keuzes?’
‘Haar wassen of iemand bellen. Koken of buiten zitten. Een formulier invullen of slapen zonder hoofdpijn.’
Ze liet me uitpraten. Dat bleek genoeg voor die eerste keer.
Noor en ik maakten het niet met één gesprek goed. Ik stuurde eerst: Wat ik zei was gemeen. Het spijt me.
Zij antwoordde pas ’s avonds. Die uren waren lang.
Ik mis jou ook, schreef ze.
Een week later kwam ze zes minuten. We zetten een kookwekker. Dat voelde absurd, tot we allebei tegelijk naar het ding keken en begonnen te lachen.
‘Nog twee minuten,’ zei Noor. ‘Snel. Wie vind je irritant?’
Ik noemde drie mensen. Zij twee. Toen ging de wekker.
Ze vertrok zonder te vragen of het echt niet langer kon.
Vanaf augustus stuurde ze soms een foto zonder vraag. Haar kat in een boodschappentas. Een scheef verkeersbord. Haar dochter met blauwe verf op haar neus. Ik hoefde niets terug te sturen.
Daan bracht het snoepzakje van Liv. Er zat een briefje bij, geschreven met dikke paarse stift.
Voor als je weer smaak hebt in leuke dingen.
Ze had die zin zelf bedacht, zei Daan.
Ik legde het briefje naast mijn bed. Niet om mezelf op te vrolijken. Ik was die avond niet vrolijk.
Maar toen Liv later vroeg of ik het had gekregen, kon ik haar vertellen dat ik het elke dag zag.
Hoofdstuk 6
Een uur te veel
In september merkte ik het aan een bord.
Ik had ontbeten en zette mijn bord in de vaatwasser. Daarna spoelde ik een mes af. Pas toen ik weer zat, besefte ik dat ik niet op de keukenvloer had hoeven wachten tot de duizeligheid zakte.
Ik schreef het niet meteen in de familieapp.
Eerst wilde ik weten of het nog eens gebeurde.
De verbetering was klein en onregelmatig. Sommige ochtenden kon ik mezelf wassen, aankleden en ontbijten met rust ertussen. Op andere dagen bleef ik na het wassen liggen. Maar de zwaarste terugvallen kwamen minder vaak.
Marieke keek met me naar mijn aantekeningen. Geen grafiek die strak omhoogging. Wel iets meer ruimte op verschillende dagen.
‘Wat wil je met die ruimte?’ vroeg ze.
‘Werken.’
Ik zei het snel. Te snel.
Ze vroeg of ik ook iets anders miste.
Ik dacht aan koken. Aan een gesprek dat niet over ziekte ging. Aan zelf mijn post openen zonder Daan alvast te waarschuwen.
Met de bedrijfsarts besprak ik later een heel kleine proef. Geen gewone planning. Geen klanten. Thuis een korte taak, met ruime tijd om te zien wat die met me deed. Stoppen mocht ook de uitkomst zijn.
Jeroen stuurde een lijst met dubbele klantgegevens. Ik hoefde alleen twee kolommen te vergelijken.
De eerste keer werkte ik twaalf minuten.
Daarna sloot ik de laptop. Niet omdat de taak af was. Omdat de afgesproken tijd om was.
De volgende dag was ik moe, maar niet duidelijk zieker. Ik wachtte nog. Het bleef redelijk gaan.
Bij de derde poging belde een collega terwijl ik bezig was. Bas. Ik zag zijn naam en nam op voordat ik nadacht.
‘Eindelijk,’ zei hij. ‘Ik heb je stem gemist.’
We praatten over werk. Over zijn nieuwe puppy. Toen vroeg hij of ik toevallig wist waar een oud overzicht stond.
Ik wist het. Voor het eerst in maanden was ik ergens onmiddellijk zeker van.
Ik opende een map. Daarna een andere. Het bestand was verplaatst. Bas bleef aan de lijn. Ik vond het, legde iets uit en stuurde het door.
Toen ik ophing, was er bijna een uur voorbij.
Ik voelde me nuttig. Dat gevoel was zo prettig dat ik de waarschuwingen in mijn lijf even niet wilde benoemen.
Twee dagen later kon ik mijn ontbijt niet maken.
De terugval duurde ruim een week. Ik lag in mijn slaapkamer en haatte het bestand, de puppy, mijn laptop en vooral mezelf.
‘Je hebt iets geprobeerd,’ zei Daan.
‘Ik heb hetzelfde gedaan als in april.’
‘Niet helemaal. Je hebt nu eerder hulp gevraagd.’
Ik wilde geen goed punt van hem horen. Ik draaide mijn gezicht naar de muur.
Jeroen belde niet. Hij mailde dat de proef werd gepauzeerd en dat ik niet hoefde te reageren. Later spraken we af dat collega’s me tijdens eventuele werktijd niet rechtstreeks zouden benaderen. Eerst opnieuw overleggen met de bedrijfsarts.
Bas stuurde één bericht.
Sorry. Ik dacht er niet bij na.
Ik antwoordde dat ik zelf ook had kunnen ophangen. Daarna schreef ik dat dit niet betekende dat hij me voortaan moest vermijden.
Dat laatste kostte me langer dan het eerste.
In oktober leerde ik stoppen terwijl ik nog iets overhad. Niet altijd. Niet netjes. Soms zat ik woedend op mijn bank omdat de wasmachine piepte en ik toch bleef zitten.
Ik kocht een tweede wasmand. Schone was hoefde niet dezelfde dag gevouwen te worden. Mijn moeder vond dat eerst onpraktisch. Daarna kocht ze er een passende stapel doekjes bij, zodat ik niet hoefde te zoeken.
We werden allebei minder streng over mijn huis.
Op een dinsdag ging ik met Els naar de bibliotheek aan het Eemplein. Ze duwde de rolstoel over de klinkers. Binnen liep ik zelf een klein stukje naar de romans.
Ik koos een dun boek. Grote letters. Korte hoofdstukken.
Bij de balie vroeg de medewerker of ik een bon wilde.
‘Graag,’ zei ik.
Geen gesprek over mijn gezondheid. Geen bewondering omdat ik buiten was. Gewoon een bon met een datum waarop het boek terug moest.
Thuis las ik drie bladzijden. Daarna stopte ik.
Het boek lag open naast me. Ik wist nog wat ik gelezen had.
De volgende ochtend ook.
Hoofdstuk 7
Tot aan de deur
In januari zette ik opnieuw een kalender op de koelkast. De oude haalde ik er niet meteen af. Daarop stond nog mijn fietstocht, met een dikke blauwe cirkel eromheen.
Ik had in bijna een jaar nergens naartoe gewerkt wat ik vooraf had gepland.
Geen Texel. Geen lange zomerdagen buiten. Geen gewone terugkeer na een vervelende griep. Mijn verjaardag was een bezoek van tien minuten geworden, met een taart waarvan de helft in de vriezer belandde.
Long covid had mijn jaar genomen. Niet iedere minuut. Wel het recht om ervan uit te gaan dat ik morgen ongeveer hetzelfde kon als vandaag.
Toch was januari niet hetzelfde als maart.
Ik hoefde niet meer na iedere douche in het donker te liggen. Soms kon ik een eenvoudige maaltijd maken, verspreid over de middag. Groente snijden. Rusten. Later de pan aanzetten. Daan bleef maaltijden brengen, maar hij vulde niet meer al mijn dagen in.
Werk bleef onzeker. Na overleg deed ik af en toe een korte, afgebakende taak. Geen vaste uitbreiding omdat er weer een week voorbij was. Soms ging het redelijk. Soms moest het opnieuw stilliggen. Mijn oude functie was nog ver weg.
Ik wist niet of ik die ooit helemaal terugkreeg.
Dat schreef ik voor het eerst zonder er meteen achter te zetten dat het vast goed zou komen.
Op de dag dat het een jaar geleden was dat ik positief testte, wilde ik naar de fietsenwinkel beneden. Mijn keukenstoel wiebelde. De eigenaar, Hakim, had maanden eerder gezegd dat hij wel naar het losse schroefje wilde kijken.
Het was een klein plan. Toch had ik het twee keer uitgesteld.
Els bracht de stoel naar beneden. Ik volgde later, zonder iets te dragen. Bij de bocht in de trap bleef ik staan. Op de dertiende trede keek ik naar beneden.
De tegel waar de pot saus was gebroken, lag er gewoon. Ik had verwacht dat ik iets bijzonders zou voelen. Eerst voelde ik alleen mijn benen.
Daarna angst.
Ik ging zitten op de trede. Niet omdat ik al instortte. Omdat ik niet wilde wachten tot dat gebeurde.
Beneden riep Els of het lukte.
‘Nog even.’
Ze zei dat ze in de winkel was.
Ik zat drie minuten. Misschien vijf. Toen liep ik verder.
Hakim stond achter zijn werkbank. Er hing een voorwiel boven zijn hoofd. Mijn stoel stond tussen twee kinderfietsen.
‘De patiënt is behandeld,’ zei hij, terwijl hij op de zitting tikte.
Ik keek hem aan.
‘De stoel,’ voegde hij snel toe.
Ik lachte harder dan prettig was. Daarna moest ik op diezelfde stoel zitten om bij te komen.
Hij vertelde over een klant die zijn fietssleutel in een krat mandarijnen had teruggevonden. Els haalde koffie. Voor mij water. Ik bleef acht minuten. Misschien negen. Daarna ging ik terug naar boven.
Els droeg de stoel. Ik hield de leuning vast en nam de trap in stukken.
Boven was ik moe. Ik ging liggen. Mijn hoofd voelde vol. Ik wist nog niet wat de volgende dag zou brengen.
Daarom stuurde ik geen bericht dat ik terug was.
Ik stuurde Noor: Ben beneden geweest. Bij Hakim gezeten. Was fijn.
Ze antwoordde met een foto van haar kat, die op haar toetsenbord lag.
De volgende ochtend werd ik wakker met zware benen, maar zonder die diepe, grieperige terugslag. Ik bleef voorzichtig. Ik schrapte niets van mijn ervaring omdat één uitstapje redelijk was gegaan. Ik maakte er ook geen voorspelling van.
’s Middags belde Liv.
‘Kun je nu op mijn volgende verjaardag komen?’
‘Dat weet ik nog niet.’
‘Maar misschien?’
‘Misschien. En anders doen we iets kleins hier.’
Ze stelde voor om samen haar windmolen te bouwen. Het cadeau stond inmiddels bij haar thuis. Ze wilde wachten tot ik mee kon doen.
Ik zei dat ze hem gerust alvast mocht maken. Ze kon me de moeilijke stukken laten zien.
Na het gesprek pakte ik mijn nieuwe kalender. In het vakje van zaterdag schreef ik: Liv bellen.
Niet: weer beter zijn. Niet: wandelen tot het park.
Later die avond kwam Daan eten. Hij vond de gerepareerde stoel stevig en schepte twee keer op. Ik had de saus gemaakt. Hij had de pasta gekookt en zou straks afwassen.
‘Was het te veel vandaag?’ vroeg hij.
Ik dacht even na.
‘Dat weet ik morgen beter.’
Hij knikte en gaf me de kaas.
We aten verder. Daarna vertelde hij iets over zijn werk. Ik kon luisteren zonder ieder woord kwijt te raken.
Toen het genoeg was, zei ik dat.
Hij ruimde af. Ik bleef nog even aan tafel zitten.