Naar de inhoud
Terug naar het boek

Liefde, relaties en gezin

Liefde was niet genoeg

Hoofdstuk 1

De klap van de voordeur

Het geluid van hout dat tegen het kozijn slaat. Dát herinner ik me het best. Een doffe klap die door het hele huis dreunde, dwars door de vloer van onze slaapkamer heen. Drie uur ’s nachts. Zomer, maar klam en benauwd.

Ik heet Dennis van Vliet. Ik ben vierenveertig jaar en ik werk als planner bij een groot transportbedrijf in Moerdijk. Ik woon in Gouda, in een gewone tussenwoning met een kleine tuin op het zuiden. Jarenlang dacht ik dat we een normaal gezin waren. Een vader, een moeder, een zoon. We gingen met de caravan naar Frankrijk. We stonden op zaterdagochtend langs de lijn bij de E-pupillen met een kartonnen beker slappe koffie in onze handen. Ellen smeerde broodjes kaas, ik repareerde de ketting van zijn fiets. Heel overzichtelijk. Heel gewoon.

Tot die nacht van de voordeur.

Ik lag al twee uur naar het plafond te staren. Naast me ademde Ellen onrustig. Ze sliep nooit echt als Sem niet thuis was. Sem was toen zeventien. Zijn telefoon stond al sinds tien uur uit. Dat was geen uitzondering meer, dat was de regel geworden. Als je zoon zeventien is, zeggen mensen: laat hem los, het hoort erbij, jongens schoppen tegen de grenzen. Maar dit voelde niet als puberteit. Dit voelde als een lek in een boot. Je hoort het water klotsen, je weet alleen nog niet hoe diep het gat is.

Toen kwam dus die klap. Daarna gestommel in de gang. Het geluid van een jas die op de grond viel, niet aan de haak, maar met een zware plof op de tegels. Ik stapte uit bed. Mijn blote voeten plakten aan het laminaat.

'Dennis, doe rustig,' fluisterde Ellen in het donker. Haar stem klonk schor. Ze wist net zo goed als ik dat rustig doen allang geen optie meer was.

In de gang brandde geen licht. Sem stond tegen de muur geleund met zijn capuchon op. Zijn adem rook zuur, naar goedkope energydrink, wiet en zweet. Zijn ogen waren rood omrand en stonden dof, alsof er iemand achter zat die de gordijnen had dichtgetrokken.

'Waar was je?' vroeg ik. Mijn stem klonk harder dan ik wilde.

Sem keek me niet aan. Hij bukte om zijn schoenen uit te trappen. Hij miste zijn hiel, struikelde bijna over zijn eigen voeten en schopte tegen de plint.

'Buiten,' zei hij. Meer niet. Eén woord, plat en koud.

'Je telefoon staat uit. Je moeder heeft vijf keer gebeld. We hadden afgesproken dat je om twaalf uur binnen zou zijn.'

'Batterij leeg. Zeur niet zo, man.' Hij liep langs me heen richting de trap. Hij raakte mijn schouder. Geen per ongelukke botsing, maar een duwtje. Een test. Kijken hoeveel ruimte hij kon pakken.

Ik pakte zijn arm. Dat had ik niet moeten doen. Zijn spieren spanden zich meteen aan, keihard en strak als staaldraad. Hij rukte zich los en draaide zich om. Opeens stond hij heel dichtbij. Hij was een halve kop groter dan ik geworden in twee jaar tijd. Waar was dat blonde jochie gebleven dat bang was voor onweer? Dit was een vreemde kerel in mijn gang.

'Raak me niet aan,' zei hij zacht. Juist die zachte toon maakte het eng. Geen schreeuw, maar een dreiging.

Bovenaan de trap verscheen Ellen. Ze hield haar badjas dicht met één hand. 'Semmie,' zei ze, met die smekende toon die me al maanden de keel uithing. 'Alsjeblieft. We maken ons gewoon zorgen om je. Heb je honger? Ik kan een tosti voor je maken.'

Sem keek naar haar, toen weer naar mij. Er trok een spiertje bij zijn kaak. Zonder iets te zeggen draaide hij zich om, liep de trap op langs zijn moeder en sloeg de deur van zijn kamer dicht. De sleutel draaide om in het slot. Klik.

Ik bleef beneden staan in het halfdonker. Mijn hart bonkte in mijn keel. Ellen kwam langzaam de trap af. Ze zag er breekbaar uit, oud opeens, met diepe groeven naast haar mond.

'Hij is in elk geval thuis,' zei ze zachtjes, alsof ze zichzelf wilde troosten. 'Hij leeft, Dennis. We moeten hem niet zo aanvallen.'

Ik keek naar haar en voelde een koude rilling over mijn rug gaan. 'Aanvallen?' vroeg ik. 'Ellen, hij was stoned. Hij ruikt naar een coffeeshop. Hij duwt me weg in mijn eigen huis.'

'Hij heeft het moeilijk,' zei ze. 'We moeten hem vasthouden. Liefde geven. Als we nu hard worden, raken we hem helemaal kwijt.'

Ik zei niks meer. Ik liep naar de keuken, dronk een glas kraanwater en keek door het raam naar de donkere tuin. Liefde geven. We deden al zeventien jaar niets anders dan van die jongen houden. Maar die nacht, met de smaak van kalk en adrenaline in mijn mond, begon ik voor het eerst te twijfelen. Wat als liefde gewoon niet genoeg was? Wat als het helemaal niets oploste?

Hoofdstuk 2

Kou aan de keukentafel

De weken daarna veranderde ons huis in een soort wachtkamer. Zo’n kille ruimte met tl-buizen waar niemand hardop durft te praten omdat er slecht nieuws in de lucht hangt.

Sem spijbelde. Niet een uurtje, maar hele dagen. Het begon met vage telefoontjes van zijn mbo-opleiding. Een mentor met een vriendelijke stem die vroeg of Sem ziek was. 'Hij heeft zich niet afgemeld, meneer Van Vliet.' Ik zat dan achter mijn bureau op de planning, met drie telefoons die tegelijk rinkelden en chauffeurs die klaagden over files bij de grens, en ik moest me verontschuldigen voor mijn eigen zoon.

Thuis spraken Ellen en ik nauwelijks meer over normale dingen. We hadden het niet over vakantie, niet over de tuin, niet over elkaars werk. Alles draaide om Sem. Elk gesprek begon met: 'Heeft hij al gegeten?' of 'Ligt hij nog in bed?'

Op een zaterdag in oktober liep ik naar boven met de schone was. Sems kamerdeur stond op een kier. Dat gebeurde zelden; meestal zat hij binnen gebarricadeerd met zijn muziek en zijn schermen. Ik duwde de deur open met mijn elleboog. De geur sloeg meteen op mijn borst. Muffe lucht, oude pizzadozen, klamme lakens en die zoete, weeïge stank van wiet.

Sem lag op zijn buik op bed, gekleed in een joggingbroek. Hij sliep als een blok, met zijn mond open. Op zijn nachtkastje lag een stapeltje spullen: zijn telefoon, een aansteker en een klein plastic gripzakje met witte restjes erin. Geen wiet. Iets anders.

Mijn maag kromp ineen. Ik zette de wasmand neer op de grond. Mijn handen trilden toen ik het zakje oppakte. Het was leeg, maar de randen waren wit bepoederd. Daarnaast lag een opgerold briefje van twintig euro.

Ik liep naar beneden. Ellen stond aan het aanrecht boontjes te doppen. Het water in de pan kookte zachtjes.

Ik legde het zakje en het briefje op het aanrechtblad, vlak naast de snijplank.

'Kijk eens,' zei ik.

Ellen keek op. Haar blik ging naar het plasticje. Ze stopte met doppen. Een boontje glipte uit haar vingers en viel op de grond.

'Wat is dat?' vroeg ze. Ze wist het best.

'Dat lag naast zijn bed,' zei ik. 'Samen met dit geld.'

Ze waste haar handen onder de kraan, droogde ze af aan een theedoek en pakte het zakje op alsof het giftig was. 'Misschien... misschien is het van een vriend van hem. Misschien bewaart hij het gewoon.'

Ik sloeg met mijn vlakke hand op de keukentafel. De theekopjes rammelden. 'Hou op, El! Hou alsjeblieft op met die smoesjes! Hij snuift. Of hij dealt. Of allebei. Zie je het dan echt niet? Hij slaapt tot twee uur ’s middags, hij heeft rode ogen, hij heeft geen cent te makken maar hij loopt wel op schoenen van tweehonderd euro!'

Ellen begon te huilen. Niet hard, maar van die stille, hopeloze tranen die meteen over haar wangen rolden. 'En wat wil je dan, Dennis? Hem op straat gooien? Moet ik mijn eigen kind de deur wijzen? Hij is pas zeventien!'

'Nee,' zei ik, en ik voelde de woede branden in mijn keel. 'Ik wil regels. Ik wil dat hij zich laat testen. Ik wil dat hij zijn telefoon inlevert als hij thuiskomt. En als hij niet naar school gaat, gaat hij werken. Geen geld meer van ons. Geen was meer voor hem doen. Helemaal niks.'

'Dan duw je hem weg,' snikte ze. 'Dan gaat hij naar die foute vrienden toe. Die vangen hem wél op. Wij zijn zijn veilige haven, Dennis. Dat heeft die maatschappelijk werker toch ook gezegd? Verbinding houden. Blijven praten.'

'Verbinding?' Ik lachte schamper, een lelijk geluid. 'Er is geen verbinding meer, Ellen. Hij gebruikt ons als een gratis hotel. Jij wast zijn kleren, ik betaal zijn zorgverzekering, en intussen lacht hij ons vierkant uit.'

Op dat moment kraakte de trap. We keken allebei naar de deuropening van de keuken.

Sem stond daar. Zijn haar zat door de war, zijn ogen waren klein van de slaap. Hij keek naar het plastic zakje op het aanrecht. Hij schrok niet. Hij werd niet rood. Er verscheen alleen een koude, spottende grijns op zijn gezicht.

'Lekker snuffelen op mijn kamer?' zei hij.

'Van wie is dit, Sem?' vroeg ik, zo rustig mogelijk, hoewel mijn hele lijf schudde.

'Gaat je niks aan.'

'Het ligt in mijn huis. Dus het gaat me wel aan.'

Sem liep naar de koelkast, trok hem open en pakte een pak melk. Hij dronk rechtstreeks uit het pak, met grote slokken. Een straaltje witte melk liep langs zijn kin. Hij veegde het af met zijn mouw, zette het pak met een klap terug en keek me recht in de ogen.

'Jouw huis,' zei hij zacht. 'Jezus, wat ben jij een zielige man, pap. Altijd maar bang. Altijd maar zeuren.'

Ik wilde naar voren stappen, maar Ellen schoot ertussen. Ze legde haar handen op Sems borst. 'Semmie, alsjeblieft, praat gewoon met ons. We houden van je. We willen je alleen maar helpen.'

Sem keek neer op zijn moeder. Heel even zag ik iets van twijfel in zijn blik, een fractie van een seconde waarin hij weer dat jongetje van vroeger leek. Maar toen verhardde zijn gezicht weer. Hij duwde haar handen rustig, maar beslist van zich af.

'Laat me met rust,' zei hij. 'Jullie snappen er toch geen kloot van.'

Hij pakte zijn autosleutels – de sleutels van de oude Peugeot die we voor hem hadden gekocht zodat hij naar stage kon – en liep naar de gang. Vijf seconden later hoorden we de auto starten met piepende banden. We bleven achter aan de keukentafel. De pan met boontjes kookte droog. De geur van aangebrand eten trok langzaam door de kamer.

Hoofdstuk 3

De achterbank

Het regende pijpenstelen toen de telefoon ging. Dinsdagnacht, half vier. Ik nam op voor de tweede overgang. Mijn hand lag al uren naast het toestel op het nachtkastje.

'Met Dennis.'

Er klonk gekraak aan de andere kant. Wind. Muziek op de achtergrond, een zware bastoon die dreunde door een goedkope speaker. En daarna een stem die ik nauwelijks herkende.

'Pap?'

Het was Sem, maar hij klonk niet stoer. Hij klonk klein. Zijn stem sloeg over.

'Waar ben je?' vroeg ik meteen. Ik zat al rechtop in bed, de dekens van me af geschopt.

'Ik weet het niet precies. Rotterdam ergens. Spaanse Polder. Die gasten... ze hebben mijn jas afgepakt. En mijn sleutels. Pap, ik heb het koud.'

'Blijf waar je bent,' zei ik. 'Heb je een straatnaambordje? Zie je een gebouw?'

Hij noemde een benzinestation. Een Total aan een uitvalsweg. 'Kom je me halen?' vroeg hij. Er zat een snik in zijn ademhaling. Een echte snik, zoals toen hij acht was en zijn knie had opengehaald op het schoolplein.

'Ik kom eraan,' zei ik. 'Blijf bij dat tankstation. Ga niet weg.'

Ellen was ook wakker. 'Is hij het? Wat is er gebeurd? Ik ga mee.'

'Nee,' zei ik terwijl ik mijn spijkerbroek aantrok. 'Jij blijft hier. Ik haal hem op.'

De rit over de A20 was een waas van ruitenwissers en opspattend water van vrachtwagens. Mijn knokkels waren wit van het knijpen in het stuur. Boosheid en doodsangst vochten om voorrang in mijn borstkas. Ik dacht aan de verhalen die je in de krant leest. Jongens die ergens in een berm worden gedumpt. Steekpartijen om een paar honderd euro schuld. Ik haatte hem om wat hij ons aandeed, en tegelijk trapte ik het gaspedaal dieper in omdat ik bang was dat hij dood zou vriezen.

Het tankstation was gesloten, alleen de felle witte lampen boven de pompen brandden. De regen kletterde op het asfalt.

Hij zat op de stoeprand onder de luifel, ineengedoken met zijn knieën tegen zijn borst. Alleen in een zwart T-shirt, kletsnat. Zijn armen waren blauw van de kou en bedekt met kippenvel.

Ik zette de auto stil en stapte uit. De koude regen sloeg meteen in mijn gezicht. Sem keek op. Zijn neus bloedde; er zat een veeg donkerrood bloed over zijn bovenlip en zijn kin. Zijn ene ooglid was dik en paars.

Hij stond wankelend op. 'Pap,' zei hij weer.

Ik zei niks. Ik trok mijn eigen jas uit, gooide die over zijn natte schouders en duwde hem zachtjes naar de passagierskant. Hij stribbelde niet tegen. Hij liet zich in de stoel zakken als een lappenpop. Ik zette de verwarming op de hoogste stand en reed weg.

In de auto rook het naar natte hond, bloed en angst. Twintig minuten lang zei niemand een woord. Alleen het suizen van de kachel en het tikken van de regen tegen de voorruit.

Toen we bijna bij Gouda waren, keek ik opzij. Hij rilde nog steeds onbedaarlijk, zijn tanden klapperden op elkaar.

'Wie waren dat?' vroeg ik.

Sem keek naar buiten, naar de donkere weilanden langs de snelweg. 'Maakt niet uit.'

'Het maakt wel uit, Sem. Ze hebben je in elkaar geslagen. Ze hebben je autosleutels. Wat voor gezeik heb je over je afgeroepen?'

'Ik had geld nodig,' mompelde hij. 'Voor een deal. Het ging mis. Iemand heeft me genaaid.'

'Hoeveel geld?'

'Tweeduizend euro.'

Het bedrag viel als een baksteen tussen ons in op de versnellingspook. Tweeduizend euro. Voor een jongen zonder baan, zonder diploma, die van de overblijfselen van zijn spaarrekening leefde.

'En nu?' vroeg ik.

'Ze weten waar we wonen, pap,' zei hij opeens. Zijn stem klonk vlak, bijna emotieloos nu de eerste schrik voorbij was. 'Ze zeiden: als het er morgen niet is, komen we naar je huis. Ze weten dat mama daar is.'

Ik trapte zo hard op de rem dat de wielen even blokkeerden op het natte asfalt van de afrit. De auto slipte lichtjes, maar ik hield hem recht. Ik zette de wagen stil op de vluchtstrook, zette de alarmlichten aan en draaide me naar hem toe.

'Wat zeg je me daar?' schreeuwde ik. Mijn stem brak. 'Heb jij die gasten ons adres gegeven? Heb jij je moeder in gevaar gebracht voor je gore troep?'

Sem kromp even ineen, maar toen zag ik weer die blik. Die harde, glazen blik die ik zo haatte. 'Ik kon er niks aan doen! Ze pakten mijn ID-kaart af! Wat had ik moeten doen dan?'

'Niet beginnen!' brulde ik. 'Niet stelen! Niet liegen! Gewoon je poten van die rotzooi afhouden!'

Hij keek me aan, en opeens was alle kwetsbaarheid verdwenen. De jongen die net nog bibberend op een stoeprand zat, was weg. 'Jij snapt er niks van,' zei hij koud. 'Jij met je burgerlijke leventje. Je klokkie-rond werken voor een baas. Jij bent gewoon een lafaard. Als je me niet helpt, regelen ze het zelf wel. Dan steken ze de boel maar in de fik.'

Ik keek naar mijn zoon. Mijn eigen vlees en bloed. En voor het eerst in mijn leven voelde ik een rilling van pure walging. Niet alleen verdriet. Niet alleen angst. Maar afschuw. Ik had hem net gered uit de kou, en binnen vijf minuten chanteerde hij me met de veiligheid van zijn eigen moeder.

Hoofdstuk 4

De breuklijn

Ik heb die tweeduizend euro betaald. Ik schaam me kapot als ik het opschrijf, maar ik deed het. Ik pinde het geld bij drie verschillende automaten, stopte het in een witte envelop en gaf het aan Sem. Waar het gebleven is, wie het heeft aangepakt, ik heb geen idee. Ik wilde alleen dat de dreiging weg was. Ik wilde dat Ellen weer kon slapen zonder bij elk geluid van een brommer overeind te schieten.

'Nu is het klaar,' zei Ellen die avond huilend tegen hem aan tafel. 'We hebben je geholpen, Semmie. Een schone lei. Vanaf morgen ga je werk zoeken. We helpen je met je cv.'

Sem knikte braaf. Hij at twee borden macaroni leeg, waste zowaar zijn eigen bord af en zei dat hij van ons hield. Ellen keek me aan met een blik van: zie je wel? Liefde werkt. Geduld loont.

Het duurde precies vier dagen.

Op donderdag kwam ik thuis uit mijn werk. Mijn rug deed zeer van het sjouwen en de stress. Ik liep de gang in en zag meteen dat de lade van het dressoir openstond. De lade waar Ellen haar sieradendoosje bewaarde. Het gouden kettinkje van haar overleden oma. De zegelring van mijn vader die ik aan Sem wilde geven voor zijn achttiende verjaardag.

De lade was leeg.

Ik liep naar boven, twee treden tegelijk. De deur van Sems kamer zat op slot. Ik klopte niet. Ik trapte met de zool van mijn werkschoen tegen het slot. Het hout van het kozijn versplinterde met een harde krak. De deur vloog open.

Sem stond bij zijn kledingkast. Hij had een sporttas op zijn bed staan en propte er kleren in. Op het bureau lagen de sieradendoosjes. Geopend. Leeg.

'Waar zijn ze?' vroeg ik. Mijn stem was griezelig rustig. Geen geschreeuw meer. De woede was voorbij; er was alleen nog een zwart, koud gat over.

Sem draaide zich om. Hij keek naar de kapotte deurpost, toen naar mij. 'Ik heb ze verpand,' zei hij simpelweg. Alsof hij zei dat hij brood had gehaald bij de bakker.

'Dat kettinkje was van Ellens oma,' zei ik.

'Ik had nog een schuld,' zei hij. 'Een kleintje. Boetes. Ik moest het regelen, pap. Jullie wilden me toch geen geld meer geven?'

Hij zei het met zo'n vanzelfsprekendheid dat het leek alsof ik de gek was. Alsof het mijn schuld was dat hij de erfstukken van zijn moeder naar een louche goudwisselkantoor had gebracht.

Op dat moment hoorden we de voordeur beneden. Ellen was thuis van haar werk op de basisschool. We hoorden het rinkelen van haar fietssleutels, het neerzetten van haar tas.

'Dennis?' riep ze vrolijk. 'Sem?'

Ik pakte de sporttas van het bed en gooide hem door de openstaande deur de overloop op. Kleren rolden over de vloer.

'Eruit,' zei ik.

Sem lachte. 'Wat?'

'Je dondert op. Nu. Dit huis uit.'

'Dennis, doe niet idioot,' zei hij, en voor het eerst klonk er lichte paniek in zijn stem. 'Ik ben nog geen achttien. Je mag me er niet eens uitzetten van de wet.'

'Probeer de politie maar te bellen,' zei ik. Ik stapte op hem af. Ik was niet meer bang voor zijn lengte, niet meer bang voor zijn spieren. Ik voelde helemaal niets meer. 'Pak je tas en donder op. Als je over vijf minuten nog in dit huis bent, sleep ik je aan je haren naar beneden.'

Ellen stond ineens bovenaan de trap. Ze zag de kapotte deur, de kleren op de grond, de lege doosjes op het bureau. Ze sloeg haar handen voor haar mond. 'Nee... nee, Dennis, alsjeblieft niet.'

'Hij heeft je oma’s ketting verkocht, El,' zei ik zonder haar aan te kijken. 'Voor drugs. Weer.'

Ellen zakte door haar knieën op de overloop. Ze huilde niet eens meer met geluid, ze maakte een raar, piepend geluid, alsof ze geen lucht kreeg. Maar toen Sem langs haar heen liep om zijn tas te pakken, greep ze zijn been vast.

'Niet weggaan,' smeekte ze. 'Sem, zeg dat het niet waar is. We lossen dit op. Dennis, we kunnen dit oplossen! Als we hem nu wegsturen, zien we hem nooit meer terug!'

Sem keek naar zijn moeder die op de grond lag te smeken. Er was geen medelijden in zijn ogen. Alleen irritatie. Hij trok zijn been los uit haar handen met een harde ruk. Ze viel voorover met haar gezicht tegen het tapijt.

'Laat me los, mam,' zei hij bits. 'Jullie zijn allebei gestoord.'

Hij riste zijn tas dicht, liep de trap af en smeet voor de zoveelste keer de voordeur dicht. Deze keer brak het glas in het zijraampje. Een lange barst sneed dwars door het matglas.

Ik hielp Ellen overeind. Ze sloeg me van zich af. Ze stompte met haar vuisten tegen mijn borstkas, huilend, schreeuwend. 'Je hebt hem weggejaagd! Je hebt onze zoon op straat gezet! Monster! Je houdt niet van hem! Je hebt nooit echt van hem gehouden!'

Ik liet haar slaan. Haar vuisten deden geen pijn. Het enige wat pijn deed, was de wetenschap dat ze gelijk had over één ding: het gezin was kapot. Niet door een ongeluk, niet door een ziekte, maar door een langzame, giftige ontbinding waar we met open ogen bij hadden gestaan.

Hoofdstuk 5

De koffers bij de trap

Twee weken na die middag stonden er koffers in de gang. Niet die van Sem. Die van Ellen.

In die twee weken hadden we nauwelijks vijf zinnen tegen elkaar gezegd. We leefden als twee vreemden in hetzelfde huis. Ik sliep op de bank in de woonkamer, zij in het tweepersoonsbed boven. Ze at niet met me mee. Als ik thuiskwam, zat zij op de rand van haar bed naar haar telefoon te staren, wachtend op een berichtje dat niet kwam.

Sem was spoorloos. Zijn telefoon ging direct naar de voicemail. Een vriend van hem had gezegd dat hij ergens in Dordrecht sliep, op een bank bij een wietkweker. Zeker wisten we het niet.

Op een zondagochtend kwam ik de keuken uit met een mok koffie. Bij de voordeur stonden twee grote reistassen en een kartonnen doos met boeken.

Ellen stond in de gang met haar winterjas aan. Ze zag er grauw uit. Haar haar zat in een slordige staart en haar kleren hingen los om haar schouders. Ze was in een maand tijd zeker vijf kilo afgevallen.

'Ik ga naar mijn zus,' zei ze. Haar stem klonk vlak, zonder woede, en dat maakte het erger dan al het geschreeuw van de week ervoor.

Ik zette mijn koffie op het dressoir. 'Voor hoe lang?'

'Ik weet het niet, Dennis. Ik kan hier niet zijn. Ik kan niet in een huis wonen waar mijn kind niet welkom is.'

'Ellen,' zei ik, en ik probeerde mijn stem zacht te houden. 'Hij stal van je. Hij loog tegen je. Hij heeft je op de grond geduwd. Moest ik hem dan laten blijven tot hij ons iets aandeed?'

'Hij is ziek,' zei ze koppig. 'Hij is verslaafd. Je zet iemand met kanker toch ook niet op straat als hij overgeeft?'

Daar was hij weer. Het argument uit de zelfhulpboeken die ze de afgelopen maanden had verslonden. De brochures die ze overal in huis had laten slingeren.

'Hij heeft geen kanker, El,' zei ik moe. 'Hij maakt keuzes. Elke dag opnieuw. Hij kiest voor zichzelf, voor zijn roes, en het interesseert hem geen moer wat hij achterlaat. En jij laat je kapotmaken. En mij ook.'

'Omdat ik van hem hou!' riep ze, en opeens brak de emotie door haar vlakke masker heen. 'Dat heet onvoorwaardelijke liefde, Dennis! Blijkbaar ken jij dat niet. Blijkbaar heeft jouw liefde voorwaarden. Goede cijfers, op tijd thuis zijn, beleefd dankjewel zeggen. Zodra het moeilijk wordt, gooi je de deur dicht!'

Die woorden sneden dwars door me heen. Ze wist precies waar ze moest steken.

'Ik heb nachten wakker gelegen,' zei ik met ingehouden stem. 'Ik heb hem van straat geplukt in Rotterdam. Ik heb tweeduizend euro van ons spaargeld aan criminelen gegeven om hem te beschermen. Zeg verdomme niet dat ik niet van hem hou.'

'Maar je koos voor jezelf,' zei ze koud. 'Je koos voor je eigen rust. Niet voor hem.'

'Ik koos voor óns,' zei ik. 'Voor wat er nog van ons over was.'

'Er is niks meer van ons over,' zei ze. Ze pakte de handvatten van de tassen vast. Haar knokkels werden wit. 'Zonder Sem zijn wij gewoon twee mensen die toevallig dezelfde hypotheek betalen. Dat wist je toch allang?'

Ik kon niets terugzeggen. Omdat het waar was. De afgelopen jaren was Sem de lijm geweest, maar tegelijkertijd het zuur dat alles wegvrat. Zonder hem was er geen gezamenlijk doel meer. Alleen een leeg huis met een kapotte deurpost op de eerste verdieping.

Ik hielp haar niet met de tassen naar haar auto dragen. Ik bleef in de deuropening staan terwijl ze de kofferbak van haar kleine Toyota dichtsloeg. Het regende niet, het was gewoon zo’n grijze, kille novemberdag waarop de wereld eruitziet alsof iemand de kleur eruit heeft gewassen.

Ze stapte in, startte de motor en reed de straat uit zonder om te kijken.

Ik liep terug naar binnen. De voordeur viel achter me dicht met een klik. Geen klap deze keer. Gewoon het mechanische geluid van een slot dat in het kozijn valt.

Ik liep naar boven, naar Sems kamer. De kapotte deur hing scheef in de scharnieren. Binnen lagen de kleren nog steeds op de grond zoals hij ze had achtergelaten. Een oude sok. Een leeg blikje cola onder het bed. Een schoolrapport van groep acht dat aan het prikbord hing met een punaise: *Sem is een vrolijke, sociale jongen die graag anderen helpt.*

Ik trok het rapport van het bord, scheurde het in vier stukken en gooide het in de prullenbak. Daarna ging ik op de rand van zijn kale matras zitten en huilde ik. Niet om Sem, niet om Ellen, maar om mezelf. Omdat ik alles had gedaan wat een vader hoorde te doen, en het had precies niets uitgemaakt.

Hoofdstuk 6

Stille zondagen

De winter ging voorbij in een soort verdoving. Je staat op om zes uur, je krabt de ruiten van de auto schoon, je rijdt naar Moerdijk, je deelt ritten in voor zeventig vrachtwagens, je drinkt zwarte koffie uit een plastic bekertje, je rijdt terug. Je koopt een kant-en-klaarmaaltijd bij de supermarkt, magnetron op zevenhonderd watt, vier minuten wachten. Bord op schoot voor de televisie.

Het huis was brandschoon. Ik had Sems kamer leeggehaald. Alles in zwarte vuilniszakken gestopt en naar de milieustraat gebracht. Zijn bed, zijn bureau, zijn kleren. Ik had de muren wit geverfd en het kozijn gerepareerd met plamuur en een nieuwe sluitplaat. De kamer rook nu naar verf en allesreiniger. Een hotelkamer waar nooit iemand kwam.

Ellen belde soms. Eens in de twee weken. Puur zakelijk.

'Heb je post gehad van de belasting?'

'Ja, ligt hier.'

'Ik kom het zaterdag wel even halen als je er niet bent.'

'Is goed.'

Ze vroeg nooit hoe het met me ging. Ik vroeg het ook niet aan haar. We wisten allebei het antwoord. Ze woonde inmiddels in een klein huurappartementje in Gouda-Oost. Ze had Sem een paar keer gezien, vertelde een buurvrouw me later die haar nog sprak. Sem kwam bij haar langs als hij geld nodig had, at haar koelkast leeg en verdween weer. Ze gaf hem nog steeds geld. Kleine beetjes, vijftig euro hier, honderd euro daar. Ze kon het niet laten. Het was haar manier van ademhalen geworden: hopen tegen beter weten in.

In februari werd ik gebeld door het politiebureau in Alphen aan den Rijn. Een zaterdagochtend.

'Spreek ik met de vader van Sem van Vliet?'

Mijn hart sloeg een tel over, maar vreemd genoeg schoot de adrenaline niet meer door mijn lijf zoals vroeger. Mijn lichaam was eraan gewend geraakt.

'Ja,' zei ik.

'Uw zoon is vannacht aangehouden. Poging tot diefstal met braak bij een bedrijfspand. Hij zit vast voor verhoor.'

'Is hij gewond?' vroeg ik.

'Nee meneer. Hij is ongedeerd. Maar hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats opgegeven en hij vroeg of we u wilden bellen.'

Ik keek naar mijn sokken. Naar het patroon op het vloerkleed. 'Waarom vroeg hij dat?'

'Hij wilde weten of u borg voor hem kon betalen, of spullen kon brengen. Schone kleren.'

De agent aan de andere kant klonk zakelijk, een beetje verveeld. Dit was zijn zevende telefoontje van de ochtend naar een ouder van een ontspoorde tiener.

Ik zweeg even. De stilte aan de lijn werd lang.

'Meneer Van Vliet? Bent u er nog?'

'Ik ben er nog,' zei ik. 'Heeft hij een advocaat?'

'Er is een piketadvocaat toegewezen, ja.'

'Mooi,' zei ik. 'Dan heeft hij alles wat hij nodig heeft.'

'Dus u komt niet langs?' vroeg de agent. Er klonk een lichte zweem van verbazing in zijn stem. Meestal kwamen vaders aangerend, woedend of wanhopig, met een tas vol kleren en een pakje shag.

'Nee,' zei ik. 'Ik kom niet.'

'Wilt u dat ik hem iets doorgeef?'

Ik dacht na. Wat geef je door aan een jongen die je de vernieling in heeft geholpen? *Ik hou van je?* Het klonk leeg. *Succes ermee?* Dat was te wreed.

'Zeg maar dat zijn moeder in Gouda-Oost woont,' zei ik. 'Zij heeft zijn spullen.'

Ik hing op voor de agent iets kon zeggen.

Ik liep naar het raam en keek naar buiten. Twee deuren verderop was de buurman bezig met zijn zoontje. Het jochie had zijwieltjes op zijn fietsje en de vader liep erachteraan, met zijn handen losjes klaar om hem op te vangen als hij zou vallen. Een doodnormaal tafereel op een zaterdagochtend in een gewone straat.

Ik voelde een steek in mijn maag, zo scherp dat ik even vooroverboog met mijn handen op de vensterbank. Ik herinnerde me de dag dat Sem leerde fietsen. Hoe trots hij was. Hoe hij zijn armen in de lucht gooide toen hij het einde van de straat haalde zonder om te vallen. Ik had hem opgetild en rondgedraaid tot we allebei duizelig waren.

Waar was die afslag gemist? Was het die verkeerde vriend op de middelbare school? Was het die keer dat ik te hard had geschreeuwd toen hij dertien was? Was het iets in zijn hoofd, een stofje dat verkeerd zat, een gat dat met niets te vullen was?

Je kunt jezelf kapot denken aan de 'waarom'-vraag. Je kunt elke herinnering afpellen tot er niets meer van over is. Maar het antwoord verandert de werkelijkheid niet. Sem zat in een cel met betonnen muren en een stalen toilet. En ik stond in een stil huis naar de buurman te kijken.

Ik zette de radio aan. Gewoon muziek, iets met gitaren. Ik pakte een stofdoek en begon de vensterbank schoon te maken. Het klinkt koud, misschien wel onmenselijk. Maar het was de enige manier om overeind te blijven: doorgaan met ademhalen, het stof wegvegen, de minuten wegtikken tot de dag voorbij was.

Hoofdstuk 7

Koffie op het terras

Anderhalf jaar na de nacht dat Ellen vertrok, was de scheiding definitief rond. Het huis stond te koop. Ik had een klein appartement gekocht aan de rand van de stad, met uitzicht op een singel en een grasveld waar mensen hun honden uitlieten. Twee kamers. Geen tuin om te onderhouden. Genoeg voor mij alleen.

Het was een zaterdag in mei. Zo’n eerste warme lentedag waarop iedereen naar buiten stroomt alsof ze net uit een bunker zijn bevrijd. De terrassen op de Markt in Gouda zaten vol. Ik had net wat boodschappen gedaan – een brood, wat kaas, koffiebonen – en liep met mijn linnen tasje over het plein.

Ik zag hem voor hij mij zag.

Hij zat op een bankje bij de Waag, een beetje afzijdig van de terrassen. Hij droeg een zwarte jas die te groot voor hem was en een donkere pet die laag over zijn voorhoofd was getrokken. Zijn benen bewogen onrustig, op en neer, alsof er een motortje in zat dat niet uitgezet kon worden.

Hij was broodmager. Zijn jukbeenderen staken scherp af onder zijn bleke huid en zijn wangen waren ingevallen. Maar hij leefde. Hij zat daar in de zon.

Ik bleef op een paar meter afstand staan. Mijn eerste impuls was weglopen. Gewoon omdraaien, over de brug lopen naar mijn veilige, stille flatje. Geen gedoe. Geen pijn.

Maar mijn benen weigerden. Ik liep naar het bankje toe.

'Sem,' zei ik.

Hij schrok op. Zijn ogen schoten heen en weer, op zoek naar gevaar, voor ze op mij scherpstelden. Hij had donkere kringen onder zijn ogen, alsof iemand met houtskool om zijn oogkassen had gewreven. Hij zag eruit als dertig, maar hij was pas negentien.

'Pap,' zei hij. Zijn stem klonk hees, krakerig van het roken.

'Mag ik zitten?' vroeg ik.

Hij haalde zijn schouders op en schoof een paar centimeter opzij. Ik ging zitten aan het andere uiteinde van het houten bankje. Tussen ons in lag een afstand van een halve meter die net zo goed de oceaan had kunnen zijn.

'Hoe is het?' vroeg ik.

'Gaat wel,' zei hij. Hij keek naar zijn schoenen. Versleten Nikes met gaten bij de neus. 'Beetje rustig aan doen.'

'Heb je een slaapplek?'

'Soms bij het Leger des Heils. Soms bij een gozer in Schiedam. Het gaat wel, pap. Ik red me wel.'

Het was een leugen, natuurlijk. Iedereen met ogen in zijn hoofd kon zien dat hij zich helemaal niet redde. Hij balanceerde op het randje van een ravijn.

'Heb je mama nog gesproken?' vroeg ik.

Hij werd even stil. Hij pulkte aan een loshangend draadje van zijn mouw. 'Vorige week. Ze gaf me wat eten.' Hij keek me even schuin aan, met een blik waarin heel even die oude schaamte te zien was. 'Ze zei dat jullie uit elkaar zijn.'

'Ja,' zei ik. 'Dat klopt.'

'Door mij?'

Ik keek naar het stadhuis aan de overkant van het plein. De terrasjes, de mensen die lachten om een grap, een ober die glazen op een dienblad zette met een vrolijk rinkelend geluid. Het leven van andere mensen, dat gewoon doorging.

'Nee,' zei ik, en voor het eerst meende ik het echt. 'Niet door jou alleen. Wij wisten gewoon niet hoe we hiermee om moesten gaan. We trokken aan verschillende kanten van het touw tot het brak.'

Sem knikte langzaam. Hij begreep het waarschijnlijk niet echt, of misschien kon het hem niet schelen. Zijn aandacht verslapte alweer. Zijn ogen dwaalden af naar de mensen die voorbijliepen. Hij zocht naar iets, altijd op zijn hoede, altijd alert.

'Heb je honger?' vroeg ik.

'Ik lust wel een broodje,' zei hij.

We liepen naar een bakkerszaak op de hoek. Ik kocht een pistolet met warm vlees en een beker koffie voor hem. We gingen aan een klein tafeltje buiten staan. Hij at het broodje op in vier grote happen, alsof hij bang was dat iemand het uit zijn handen zou trekken. De mayonaise zat op zijn wang, maar hij veegde het niet af.

Toen hij klaar was, dronk hij zijn koffie in één teug leeg.

'Heb je een tientje voor me?' vroeg hij. Daar was hij. De onvermijdelijke vraag. De transactie.

Ik keek hem aan. Geen woede meer. Geen teleurstelling. Alleen een diepe, zware rust.

'Nee, Sem,' zei ik rustig. 'Ik geef je geen geld.'

Hij zuchtte diep en rolde met zijn ogen, precies zoals hij deed toen hij veertien was en zijn zin niet kreeg. 'Eén tientje maar, man. Voor de trein.'

'Nee.'

Hij zette de kartonnen beker met een klap op het tafeltje. 'Laat maar zitten dan. Je blijft dezelfde klootzak.'

Hij draaide zich om en liep weg, over de Markt, tussen het winkelend publiek door. Zijn jas wapperde om zijn magere lijf. Binnen tien seconden was hij verdwenen in de menigte.

Ik bleef staan bij het tafeltje. Ik pakte de lege kartonnen beker en gooide hem in de prullenbak.

Mensen denken vaak dat liefde alles kan overwinnen. Dat zie je in films, dat lees je in boeken. Als je maar hard genoeg je best doet, als je maar genoeg praat, als je maar blijft hopen, dan komt het wel goed. Dan keert de verloren zoon terug op zijn schreden en vallen we elkaar huilend in de armen.

Het is een sprookje.

Liefde is geen schild tegen een verslaving. Liefde kan iemands verrotte keuzes niet ongedaan maken. Ik hield van Sem. Ik hield meer van hem dan van mijn eigen leven. Maar mijn liefde kon hem niet tegenhouden toen hij over de rand stapte. En als ik was blijven proberen hem vast te houden, had hij me gewoon mee naar beneden getrokken.

Ik pakte mijn tas met boodschappen op en liep langzaam naar huis. Het zonnetje scheen warm op mijn gezicht. Het was een mooie dag. En ik leefde nog.