Naar de inhoud
Terug naar het boek

Liefde, relaties en gezin

Liefde op afstand

Hoofdstuk 1

Liefde op afstand — De tas

Daan stond met zijn weekendtas bij de voordeur toen onze dochter vroeg of hij nog wel terugkwam.

‘Natuurlijk,’ zei hij.

‘Wanneer dan?’

Hij keek naar mij. Alsof ik de agenda beheerde van alles wat we niet wisten.

Ik heet Noor. Ik was achtendertig, werkte bij een woningcorporatie in Rotterdam en dacht dat ik mijn gezin redelijk kende. Daan, mijn partner. Ise, onze dochter van negen. Een bovenwoning in Schiebroek. Twee fietsen in het portiek. Gewoonte genoeg om je veilig te voelen.

Drie dagen eerder had Daans vader een beroerte gekregen. Henk woonde alleen in Groningen. Hij was zevenenzestig, weduwnaar en iemand die zelfs bij een kapotte knie zei dat iedereen zich aanstelde. Nu kon hij zijn linkerhand nauwelijks gebruiken. Zijn woorden kwamen traag.

Daan was direct naar het ziekenhuis gereden. Die ochtend was hij teruggekomen om kleren op te halen.

‘Eerst een week,’ zei hij tegen Ise. ‘Dan kijken we verder.’

Ze trok aan het losse stiksel van zijn tas.

‘Maar vrijdag is mijn spreekbeurt.’

‘Die kun je voor de telefoon doen.’

‘Het gaat over geluid. Dan werkt het niet hetzelfde.’

Daan hurkte. Hij wilde haar vasthouden, maar zij liep naar de keuken. Ik hoorde een stoel schuiven. Daarna het harde tikken van een lepel tegen haar bord.

Bij de deur trok hij me tegen zich aan.

‘Ik kan hem daar niet alleen laten.’

‘Dat vraag ik ook niet.’

‘Je kijkt wel zo.’

We lieten elkaar los.

Dat was het eerste wat ik moeilijk vond om later uit te leggen. Er was nog niets misgegaan. Zijn vader lag in het ziekenhuis. Natuurlijk moest hij helpen. Toch voelde ik al hoe mijn eigen zorgen iets ongepasts kregen. Alsof ik met een kapotte vaatwasser aankwam terwijl er ergens brand was.

Die avond aten Ise en ik macaroni. Ik had voor drie gekookt. Ze schoof de lege stoel van Daan onder tafel.

‘Anders staat hij in de weg.’

Om halfacht belde hij vanuit een gang in het ziekenhuis. Achter hem piepte iets.

‘Opa heeft vandaag zelf yoghurt gegeten,’ zei hij.

Ise hield haar schrift voor de camera.

‘Ik heb een acht voor rekenen.’

‘Goed zo, meisje.’

Toen keek hij opzij. Iemand zei zijn naam.

‘Ik bel straks terug.’

Hij belde om kwart voor elf. Ise sliep. Ik stond was op te vouwen in de slaapkamer.

‘Ze heeft tot kwart over acht gewacht,’ zei ik.

‘Er was een arts.’

‘Dat snap ik. Stuur dan even iets.’

‘Noor, ik weet hier soms niet waar mijn telefoon ligt.’

Ik legde een van zijn shirts op de stapel. Het rook naar ons wasmiddel. Daar werd ik onverwacht kwaad van.

‘Ik weet ook niet altijd waar alles ligt.’

Hij zweeg. Ik hoorde hem uitademen.

‘Ik heb geen ruimte voor ruzie.’

‘Ik ook niet.’

We hingen op zonder afscheid.

De volgende ochtend vergat ik Ise haar gymtas. Mijn teamleider vroeg of ik een bewonersavond kon overnemen. De fietsenmaker belde dat mijn achterwiel niet meer te repareren was. Allemaal kleine dingen. Alleen kwamen ze nu bij dezelfde persoon terecht.

Mijn zus Merel kwam donderdag eten. Ze zag de macaroni in drie bakjes in de koelkast.

‘Je mag ook iets anders koken.’

‘Ik had geen tijd.’

Ze vroeg niet of het ging. Ze zette water op en sneed een komkommer. Dat hielp meer.

Toen Ise boven was, vertelde ik over Groningen.

‘Hoe lang blijft hij?’

‘Een week. Misschien twee. Daarna moet zijn vader revalideren.’

‘En daarna?’

‘Geen idee.’

Merel knikte naar mijn telefoon, die naast mijn bord lag.

‘Vraag het voordat “even” een afspraak wordt.’

Die nacht belde Daan vanaf de parkeerplaats. Hij klonk zachter.

‘Sorry van gisteren.’

‘Ik ook.’

Hij vertelde dat hij zijn vader had geholpen met scheren. Henk had gehuild omdat het mes steeds uit zijn hand gleed.

Ik ging op de keukenvloer zitten. De tegels waren koud.

‘Dat is naar,’ zei ik.

‘Ja.’

Even waren we weer twee mensen die elkaar iets vertelden. Geen verdediging. Geen wedstrijd over wie het zwaar had.

‘We moeten wel een plan maken,’ zei ik.

‘Zondag. Dan kom ik naar huis.’

Ik schreef het op de kalender. Daan thuis.

Met pen.

Hoofdstuk 2

De lege zondag

Zondag om elf uur stonden er pannenkoeken op tafel. Ise had zelf het beslag gemaakt. Er zat bloem op de kraan en op haar sokken.

Om kwart over elf kwam Daans bericht.

Het lukt niet. Pap is erg in de war. Ik kan nu niet weg.

Ik las het twee keer. Daarna legde ik mijn telefoon ondersteboven.

‘Hoe laat is hij er?’ vroeg Ise.

‘Vandaag niet.’

Ze keek naar de stapel pannenkoeken.

‘Kunnen die in de vriezer?’

Dat rustige stemmetje vond ik erger dan geschreeuw.

Henk ging die week naar een revalidatieafdeling. Daan bleef in zijn vaders rijtjeshuis in Beijum. Eerst sliep hij op de bank. Daarna kocht hij een matras voor de kleine kamer boven. Hij stuurde een foto van de verpakking in de gang.

Ik antwoordde met een duimpje. Wat moest ik anders zeggen? Fijn dat je daar steeds beter woont?

Op zijn werk had hij tijdelijk verlof gekregen. Hij was servicemonteur voor ventilatiesystemen. Zijn werkgever had ook klanten in het noorden. Volgens Daan kon hij misschien een paar diensten overnemen.

‘Dan hoef ik niet steeds heen en weer,’ zei hij.

We belden terwijl ik de vaatwasser leegde.

‘Hoe tijdelijk is tijdelijk?’

‘Tot we weten wat pap nodig heeft.’

‘En wanneer weten we dat?’

‘Dat weet ik dus niet, Noor.’

Hij zei mijn naam alsof ik dezelfde verkeerde vraag bleef stellen.

Na vier weken reden Ise en ik naar Groningen. Ze had een kleurplaat voor Henk op haar schoot. Ik had broodjes, opladers en een extra trui meegenomen. Halverwege vroeg ze of Groningen eigenlijk nog Nederland was.

‘Ja.’

‘Het duurt wel lang.’

Bij aankomst deed Daan open met een vaatdoek in zijn hand. Hij had een baard. Niet verzorgd. Gewoon niet geschoren.

Ise sprong tegen hem op. Hij tilde haar op en hield haar vast. Ik bleef met de tas op de stoep staan tot hij over haar schouder naar me keek.

‘Kom binnen.’

In de keuken lagen medicijnen naast de suikerpot. Op de koelkast hing een schema met tijden, namen en telefoonnummers. Daans handschrift stond overal.

‘Koffie?’ vroeg hij.

‘Graag.’

Hij wist niet waar de koffiefilters lagen. Daarna wel. Ik zag hoe dat huis langzaam zijn huis werd.

Henk mocht die middag een paar uur naar huis om te oefenen. Een medewerker bracht hem tot aan de deur. Daan hielp hem naar zijn stoel. Ise gaf de kleurplaat.

‘Mooi,’ zei Henk.

Het woord kostte moeite. Ze ging naast hem zitten en vertelde over haar spreekbeurt. Hij luisterde aandachtig. Toen ze een ballon liet piepen, trok zijn mond scheef van het lachen.

Ik ontspande voor het eerst die dag.

Tot Henk naar mij wees.

‘Straks. Ook hier?’

Ik begreep hem niet meteen.

Daan zette een glas neer.

‘Pap bedoelt of jullie vaker komen.’

Henk schudde zijn hoofd. Hij wees naar boven.

‘Wonen.’

Ik keek naar Daan.

‘Wat heb jij gezegd?’

‘Niets concreets.’

‘Maar wel iets.’

Hij trok met zijn duim langs een barstje in het tafelblad.

‘Dat we moeten bekijken wat mogelijk is.’

Ise hield de ballon stil tussen haar handen.

‘Ga ik dan naar een andere school?’

‘Nee,’ zei ik.

Te hard. Henk schrok ervan.

Later stonden Daan en ik in de schuur. Daar konden we praten zonder dat iedereen meeluisterde. Tussen een grasmaaier en lege bierkratten vroeg ik waarom zijn vader eerder over mijn mogelijke verhuizing hoorde dan ik.

‘Omdat hij bang is.’

‘Dan stel je hem gerust met iets wat jij kunt beloven.’

‘Ik heb niets beloofd.’

‘Je hebt hem wel laten hopen.’

Daan wreef over zijn gezicht.

‘Ik probeer iedereen overeind te houden.’

‘Dan moet je mij niet alvast ergens neerzetten.’

We reden die avond terug zonder samen te eten. Daan stopte bij de auto een zak mandarijnen in mijn hand. Dat deed hij altijd voor lange ritten.

Ik wilde hem kussen. Ik wilde ook dat hij eindelijk begreep hoe boos ik was. Dus deed ik geen van beide.

Onderweg sliep Ise. Bij een tankstation keek ik op mijn telefoon.

Mis jullie, stond er.

Ik typte: Kom dan.

Ik verstuurde het niet.

Hoofdstuk 3

Wat hij al wist

De rekening kwam op een dinsdag. Geen dreigende brief. Gewoon een digitale loonstrook in onze gezamenlijke map, waar ik zocht naar gegevens voor de belastingaangifte.

Daans salaris was bijna zeshonderd euro lager.

Ik dacht eerst aan een fout. Toen zag ik het aantal uren.

Achtentwintig.

Hij werkte normaal zesendertig.

Ik belde hem tijdens mijn lunchpauze. Ik stond achter ons kantoor, naast twee containers. Binnen vier minuten moest ik een overleg in.

‘Ben je minder gaan werken?’

Er viel een stilte.

‘Ja. Tijdelijk.’

‘Sinds wanneer?’

‘Deze maand.’

‘Waarom weet ik dat niet?’

‘Ik wilde het rustig bespreken.’

‘Wanneer? Als de huur niet meer afgeschreven wordt?’

‘Zo erg is het niet.’

Daar ging het mis. Niet door het bedrag. Door die zin. Hij had een besluit genomen en bepaalde vervolgens ook hoe ernstig ik dat mocht vinden.

Ik liep niet terug naar het overleg. Ik meldde me bij mijn teamleider en zei dat ik een familiezaak moest regelen. Daarna zat ik twintig minuten in mijn auto zonder ergens heen te rijden.

We hadden spaargeld. Niet veel. Genoeg voor een kapotte wasmachine en een korte vakantie. We hadden geen pot voor een tweede huishouden, extra benzine en minder inkomen tegelijk.

Die avond legde ik alles op tafel. Huur. Energie. Boodschappen. Treinkaartjes. Zijn bijdragen aan Henks boodschappen en kleine aanpassingen in huis.

Daan keek via het scherm mee.

‘Die handgreep bij de douche moest gewoon.’

‘Dat zeg ik niet.’

‘Je zet hem wel op het lijstje.’

‘Omdat we hem betaald hebben.’

Hij zat in Henks keuken. Achter hem liep een klok die ik zelfs door de telefoon hoorde.

‘Ik kan nu niet zesendertig uur werken en alles voor pap doen.’

‘Welke hulp is er aangevraagd?’

‘Er komt thuiszorg als hij naar huis gaat.’

‘En verder?’

‘Daar zijn we mee bezig.’

‘Wie is we?’

Hij gaf geen antwoord.

Na het gesprek stuurde hij me de gegevens van een maatschappelijk werker op de revalidatieafdeling. Ik mocht aansluiten bij het ontslaggesprek. Voor het eerst stond ik ergens bij vermeld.

Ik nam vrij en reed die donderdag alleen naar Groningen. In een kleine spreekkamer zaten Daan, een verpleegkundige, de maatschappelijk werker en ik. Henk werd later gebracht. Hij was moe van fysiotherapie en wilde weten wanneer hij naar zijn eigen stoel kon.

De verpleegkundige legde uit wat thuis wel en niet kon. Hulp bij wassen en aankleden. Controle op medicatie. Een alarmknop. Verdere beoordeling van de woning en ondersteuning via de gemeente.

‘En de avonden?’ vroeg Daan.

‘Daarvoor moeten we samen bekijken wat nodig is.’

Hij knikte meteen.

‘Die doe ik.’

‘Elke avond?’ vroeg ik.

‘Voorlopig.’

De maatschappelijk werker schoof haar schrift opzij.

‘Wat betekent voorlopig voor uw eigen gezin?’

Daan keek naar zijn handen.

Ik was die vrouw dankbaar. Tegelijk schaamde ik me. Blijkbaar had ik een onbekende nodig om mijn vraag normaal te laten klinken.

Na afloop dronken we koffie beneden. Daan vertelde dat hij voorlopig vanuit de noordelijke vestiging kon werken. Zijn leidinggevende had het al geregeld.

‘Nog iets wat je rustig wilde bespreken?’ vroeg ik.

Hij knikte.

‘Ik dacht dat het je zou ontlasten als ik tenminste mijn werk geregeld had.’

‘Je regelt jouw kant. Ik krijg de uitkomst.’

Hij zette zijn beker neer.

‘Ik ben bang dat hij doodgaat als ik weg ben.’

Daar was het. Niet de planning. Niet de uren. Dat.

Zijn moeder was zes jaar eerder onverwacht overleden. Daan had haar laatste telefoontje gemist omdat hij onder de douche stond. Dat feit kwam bijna nooit ter sprake. Toch zat het tussen ons aan tafel.

Ik pakte zijn hand.

‘Dat kun je niet voorkomen door nooit meer weg te gaan.’

‘Dat weet ik.’

Maar hij klonk alsof hij het niet wist.

We spraken af dat hij het volgende weekend naar Rotterdam kwam. Vrijdagavond tot zondagmiddag. Zijn tante Ria zou bij Henk zijn zodra die thuis was.

‘Niet weer afzeggen zonder overleg,’ zei ik.

‘Nee.’

Vrijdag om kwart over acht ging de deurbel. Ise rende de trap af.

Ik bleef boven staan en luisterde naar hun stemmen. Pas toen Daan met zijn tas in onze gang stond, merkte ik hoe gespannen ik op hem had gewacht.

Hoofdstuk 4

Twee nachten thuis

De eerste avond deden we ons best. Dat maakte alles stroef.

Daan had taartjes meegenomen. Ise wilde een spelletje doen. Ik had zijn lievelingseten gemaakt, alsof hij jarig was in plaats van thuis.

Hij vroeg waar de kurkentrekker lag.

‘Nog steeds in de tweede la,’ zei ik.

Hij hoorde wat eronder zat. Ik zag het aan zijn schouders.

Bij het spel liet hij Ise winnen. Ze merkte het en werd boos.

‘Je hoeft niet leuk te doen.’

Daarna ging ze naar bed zonder haar tanden te poetsen. Daan liep achter haar aan. Ik bleef bij het bord zitten en sorteerde kaartjes die niet gesorteerd hoefden te worden.

Later kroop hij naast me in bed. Zijn knie raakte de mijne. Ik schoof niet weg.

‘Ik heb dit gemist,’ zei hij.

‘Ik jou ook.’

We kusten. Even lukte het zonder nadenken. Zijn hand op mijn rug. De bekende manier waarop hij mijn haar uit mijn gezicht streek.

Toen trilde zijn telefoon.

Hij pakte hem meteen.

Het was tante Ria. Henk wilde zijn avondmedicatie niet innemen. Daan ging rechtop zitten en belde. Ik hoorde hem twintig minuten zacht praten.

Toen hij terugkwam, deed ik alsof ik sliep.

Dat was oneerlijk. Ik wist het terwijl ik het deed. Maar ik kon niet nog een keer begrip opbrengen op het moment dat ik zelf iets nodig had.

Zaterdag gingen we naar het zwembad. Ise sprong vanaf de kant in Daans armen. Ik zat met drie bekertjes slappe koffie en limonade aan een plastic tafel. Zijn telefoon lag ernaast.

Het scherm lichtte op. Een herinnering voor een afspraak met de ergotherapeut. Daarna een bericht van zijn werk. Daarna zijn vader.

Daan zag me kijken.

‘Zal ik hem uitzetten?’

‘Dat moet je niet aan mij vragen.’

‘Wat wil je dan?’

Ik wist het antwoord, maar vond het kinderachtig klinken.

Dat hij vanzelf voor ons koos. Voor één middag. Zonder dat ik toestemming hoefde te geven aan de rest van zijn leven.

Thuis ging ik hardlopen. Niet ver. Drie kilometer, met veel wandelen. Toen ik terugkwam, lagen Daan en Ise op de bank. Ze las hem voor uit haar boek. Zijn ogen waren dicht, maar hij luisterde. Bij een verkeerd woord verbeterde hij haar zacht.

Ik bleef in de deuropening staan. Dit was er ook nog. Daar moest ik eerlijk over blijven.

Die avond, toen Ise sliep, maakten we eindelijk een echt overzicht.

Daan zou om het weekend komen. Op woensdag en zondag zou hij op een vaste tijd met Ise bellen. Geen gesprek vanuit een supermarkt of terwijl hij medicijnen sorteerde. Ik zou één keer per maand met haar naar Groningen gaan, als dat paste. Reiskosten gingen voortaan zichtbaar in ons budget.

‘En wij?’ vroeg ik.

‘Ik zit hier toch?’

‘Als ouders. Als planners. Wanneer zijn wij samen?’

Hij keek naar het papier.

‘Donderdagavond bellen. Alleen wij.’

‘Niet alleen over je vader.’

‘Ook niet alleen over wat ik verkeerd doe.’

Dat kwam aan. Ik wilde protesteren. Toen dacht ik aan de kurkentrekker.

‘Goed.’

Zondagochtend liep Ise vroeg onze kamer in.

‘Hoe laat ga je?’ vroeg ze.

‘Na de lunch.’

‘Dus eigenlijk ben je alweer bezig met weggaan.’

Ze ging op het voeteneind zitten. Daan trok haar naar zich toe.

‘Ik kom over twee weken terug.’

‘Zet je dat zwart?’

‘Wat bedoel je?’

Ze wees naar de kalender op de overloop. Sinds de gemiste zondag schreef ik onzekere afspraken met potlood. Alleen dingen die vaststonden kregen zwarte pen.

Daan keek naar mij. Ik keek weg.

‘Ja,’ zei hij. ‘Zwart.’

Na zijn vertrek vond ik in de keuken een gerepareerd kastscharnier. Het deurtje hing al maanden scheef. Onder de fruitschaal lag een briefje.

Ik wil hier niet alleen op bezoek zijn.

Ik ging zitten en las het opnieuw.

Daarna stuurde ik hem een foto van Ise, die met Merel op het balkon bloembakken vulde.

Dit is thuis, schreef ik. Maar thuis heeft je ook nodig op gewone dinsdagen.

Hij antwoordde pas bij een laadpauze.

Ik weet nog niet hoe. Ik wil het wel uitzoeken.

Voor het eerst vond ik een onzeker antwoord beter dan een snelle belofte.

Hoofdstuk 5

Waar is Ise?

Het telefoontje kwam om kwart voor vijf. Ik stond bij de bakker en had net afgerekend.

‘Noor, is Ise bij jou?’

Het was Sanne, de moeder van haar vriendin Lotte. Ise zou daar na school spelen. Ik zou haar om halfzes ophalen.

‘Nee. Bij jullie.’

‘Ze zei dat jij had geappt. Dat ze zelf naar huis mocht.’

Ik zette mijn tas op de toonbank.

‘Wanneer is ze weggegaan?’

‘Een kwartier geleden.’

De afstand naar ons huis was tien minuten lopen. Ik rende naar buiten en belde Ise haar kinderhorloge. Geen verbinding.

Thuis was niemand. Haar fiets stond beneden, want ze was die ochtend lopend naar school gegaan. Ik riep haar naam in het trappenhuis. Belachelijk hard. Alsof ze zich achter de jassen kon bevinden.

Sanne liep vanaf haar huis de route terug. Merel stapte op de fiets. Ik belde twee klasgenoten en daarna Daan.

‘Misschien is ze even naar de speeltuin,’ zei hij.

‘Zeg niet misschien. Bel jij de ouders van Amir en Fien. Hun nummers staan in de groepsapp.’

Ik hoorde mijn eigen stem. Kort. Zonder ruimte.

In haar kamer lag haar rugzak niet. Haar jas was ook weg. Op het bureau lag wel een uitgeprint treinkaartje van ons vorige bezoek aan Groningen. Ise had dat bewaard voor haar plakboek.

Ik pakte het op.

‘Daan,’ zei ik toen hij terugbelde. ‘Ik denk dat ze naar jou wil.’

Hij vloekte zacht.

Ik belde 112. Ik vertelde haar leeftijd, hoe lang ze weg was en waarom ik aan het station dacht. De vrouw aan de lijn stelde duidelijke vragen. Blauwe jas. Gele rugzak. Donker haar tot haar schouders. Geen werkende telefoonverbinding.

Pas bij haar lengte begon ik te huilen.

Ik wist ineens niet of ze één meter vierendertig of één meter achtendertig was. Ik kende haar broodbeleg, haar nachtmerries en haar favoriete sokken. Maar dit wist ik niet precies.

Merel ging naar de tramhalte. Ik moest bereikbaar blijven. Ik liep toch de straat in, tot aan de hoek en weer terug. Mijn handen deden pijn van het knijpen in mijn telefoon.

Na ruim een halfuur belde een onbekend nummer.

Een medewerker op Rotterdam Centraal had Ise bij de toegangspoortjes aangesproken. Ze had gevraagd welke trein naar Groningen ging. Het oude kaartje werkte niet. Ze kende mijn nummer uit haar hoofd.

‘Ze is bij ons. Ze is veilig.’

Ik hurkte midden op de stoep.

Toen ik haar op het station zag, wilde ik schreeuwen. Ze zat op een stoel met haar rugzak op schoot. Naast haar stond een vrouw in uniform.

‘Mama, ik had wel brood meegenomen.’

Dat was het eerste wat ze zei.

Ik knielde voor haar en pakte haar vast. Veel te stevig. Toen voelde ik hoe ze trilde.

‘Je bent terecht,’ zei ik. Verder kreeg ik niets uit mijn mond.

Pas thuis vroeg ik waarom ze was weggegaan.

‘Papa kan niet steeds komen. Dus ik dacht dat ik kon gaan.’

‘Dat kan niet alleen. Je bent negen.’

‘Ik had de route gezien.’

Ze haalde twee boterhammen uit haar tas. Netjes in een trommel. Ook haar tandenborstel zat erin.

Ik keek even naar het raam. Ik moest mijn gezicht terug onder controle krijgen.

Daan kwam die avond. Hij had zijn buurvrouw gevraagd bij Henk te blijven tot Ria er was. Ise lag op de bank toen hij binnenkwam. Ze ging staan, maar kwam niet naar hem toe.

‘Ben je boos?’

‘Ik ben heel erg geschrokken.’

‘Ik ook,’ zei ze.

Hij ging naast haar zitten. We vertelden samen dat dit nooit meer mocht. Dat ze altijd mocht zeggen dat ze hem miste. Dat zij niet hoefde te regelen hoe wij bij elkaar kwamen.

Later zaten we in de keuken. Daan staarde naar de boterhamtrommel.

‘We doen haar pijn,’ zei hij.

‘We hebben een situatie die haar pijn doet. Dat is niet precies hetzelfde.’

Ik verbaasde mezelf met die woorden. Een uur eerder had ik hem alles willen verwijten.

‘Maar we moeten wel iets veranderen,’ zei ik.

Hij knikte.

De volgende ochtend belden we haar leerkracht. Daarna de huisarts voor advies. Niet omdat Ise ineens een probleemkind was. Omdat we niet wilden doen alsof een goed gesprek alles had opgelost.

Ik haalde Daans volgende bezoek van de kalender. Niet om het te schrappen.

We maakten een nieuwe planning. Nu met Ise erbij.

Hoofdstuk 6

Niet alles dragen

De huisarts verwees ons naar iemand van het wijkteam die met gezinnen werkte. Ise mocht eerst alleen met haar praten. Daarna kwamen Daan en ik erbij.

Op tafel lag een tekening. Ons huis links. Henks huis rechts. Daartussen een dikke rode lijn.

‘Dat is geen weg,’ zei Ise. ‘Dat is hoe lang wachten voelt.’

Ik slikte mijn reactie in. Daan schoof zijn stoel dichter naar haar toe.

We kregen geen wonderadvies. Wel vragen waar we thuis steeds omheen waren gelopen. Wat wist Ise zeker? Wat kon veranderen? Welke zorgen hoorde ze zonder dat ze uitleg kreeg?

Te veel, bleek. Ze had ons over geld horen praten. Ze dacht dat Daan misschien niet kwam omdat treinkaartjes te duur waren. Ze had daarom zeven euro uit haar spaarpot in haar rugzak gestopt.

Die avond spraken we af om volwassen problemen niet meer fluisterend in de keuken te bespreken terwijl zij boven zogenaamd sliep. We zouden haar vertellen wat voor haar belangrijk was. Niet alles. Wel eerlijk.

Voor Daan betekende eerlijkheid dat hij naar zijn vader moest.

Ik ging mee. Niet om het gesprek te voeren. Wel omdat ik niet opnieuw achteraf wilde horen wat er besloten was.

Henk zat bij het raam. Het lopen ging beter. Koken lukte niet veilig. Hij vergat soms welke stap hij al had gedaan. De thuiszorg kwam op afgesproken momenten, maar daartussen belde hij vaak Daan. Ook als de afstandsbediening niet werkte.

‘Ik kan hier niet blijven wonen zoals nu,’ zei Daan.

Henk keek naar mij.

‘Zij wil terug.’

‘Ik wil ook terug,’ zei Daan.

Dat ene woord veranderde de kamer. Ook.

Henk draaide zijn gezicht naar buiten.

‘Dan ga je.’

‘Ik wil goede hulp regelen.’

‘Vreemden.’

‘De mensen van de thuiszorg ken je inmiddels.’

‘Niet ’s avonds.’

Het gesprek ging langzaam. Henk zocht woorden. Daan vulde ze te snel in. Twee keer vroeg ik of we even konden wachten.

Uiteindelijk zei Henk dat hij bang was om op de grond te liggen zonder dat iemand hem vond. Geen koppigheid. Gewoon die angst.

Daar konden we iets mee. Niet meteen alles oplossen, wel gerichter vragen stellen. We maakten een afspraak met zijn zorgverleners en de gemeentelijke contactpersoon. Er werd gekeken naar extra ondersteuning, dagactiviteiten en een passende woonplek als thuis te zwaar bleef.

Er waren wachttijden. Formulieren. Een aanvraag die aangevuld moest worden. Ria kon één vaste avond komen, niet drie. De buurvrouw wilde boodschappen meenemen, maar geen persoonlijke verzorging doen.

Voor het eerst zei Daan op zo’n beperking niet automatisch: dan doe ik het wel.

Hij schreef op wat er nog openstond.

Ondertussen gingen wij twee keer naar een relatietherapeut in Rotterdam. De eerste afspraak vond ik verschrikkelijk. Ik hoorde mezelf een lijst voorlezen van gemiste momenten. Daan keek naar de vloer.

‘Wat gebeurt er als hij iets niet kan geven?’ vroeg de therapeut mij.

‘Dan doe ik het zelf.’

‘En laat u daarna nog merken wat u nodig had?’

‘Vrij duidelijk, geloof ik.’

Daan lachte één keer. Ik ook, tegen mijn zin.

We spraken over zijn gewoonte om eerst te handelen en later te vertellen. Over mijn gewoonte om te zeggen dat iets prima was en het daarna alsnog als bewijs tegen hem te gebruiken.

Geen van ons kwam er netjes uit.

Na de tweede afspraak aten we soep bij Rotterdam Noord. We hadden anderhalf uur voordat Ise uit school kwam.

‘Wil je eigenlijk nog met mij verder?’ vroeg hij.

Ik legde mijn lepel neer.

‘Ja. Maar niet alleen omdat we een dochter hebben.’

‘Dat bedoel ik ook niet.’

‘Ik weet het soms niet,’ zei ik. ‘Ik hou van je. En ik ben vaak liever alleen dan teleurgesteld.’

Hij knikte langzaam.

‘Ik durf soms niet te bellen omdat ik weet dat ik weer niets kan oplossen.’

‘Je hoeft niet altijd iets op te lossen.’

We bleven zitten tot de soep koud was.

Zes weken later kwam er voor Henk zicht op een gelijkvloerse woning met zorg dichtbij. Niet onmiddellijk. Niet zijn eerste keus. Hij ging wel kijken.

Toen Daan dat vertelde, zei ik niet dat alles nu goed zou komen.

Ik vroeg wanneer we samen konden gaan kijken.

Hoofdstuk 7

Een gewone dinsdag

Henk verhuisde in november. Het regende hard genoeg om de verhuisdozen slap te maken. Daan en ik droegen ze daarom onder vuilniszakken naar binnen.

De nieuwe woning lag nog steeds in Groningen. Kleiner. Geen trap. Een badkamer waarin hij met hulp beter uit de voeten kon. De zorg was afgestemd op wat hij nodig had. Voor noodgevallen droeg hij een alarmknop.

Hij vond het uitzicht niks.

‘Auto’s,’ zei hij.

‘Bij je oude huis keek je op garages,’ zei Daan.

Henk dacht even na.

‘Eigen garages.’

We moesten allebei lachen. Henk ook, een beetje.

Zijn oude eettafel paste niet. Dat werd nog een ruzie. Niet tussen Daan en mij, maar tussen Henk en iedereen die met een meetlint kwam. Uiteindelijk bleef één extra kast achter en mocht de tafel mee. Scheef door de deuropening. Precies passend tegen de muur.

Ise zette haar kleurplaat op zijn vensterbank. De ballon van haar spreekbeurt had ze vervangen door een klein trommeltje. Henk tikte er met zijn goede hand op terwijl zij een liedje zong dat nergens over ging.

Daan kwam een week later officieel terug naar Rotterdam.

Officieel klinkt groter dan het was. Hij zette zijn tas in de gang. Er zat een vochtige handdoek bovenin. Ik vroeg waarom hij die niet apart had gedaan. Hij zei dat hij haast had gehad.

Toen stonden we elkaar aan te kijken en begonnen te lachen.

Daarna moesten we weer leren samenwonen.

Dat ging niet vanzelf. Ik was gewend alles te bepalen omdat ik alles deed. Daan zette boodschappen op plekken waar ik ze niet zocht. Hij zei dat Ise best iets later naar bed kon. Ik reageerde alsof hij als bezoeker commentaar gaf op mijn werk.

‘Ik ben haar vader,’ zei hij op een avond.

‘Gedraag je dan niet als de leuke invaller.’

Hij liep de keuken uit. Na tien minuten kwam hij terug.

‘Dat was gemeen.’

‘Ja,’ zei ik. ‘Dat was het.’

We praatten verder. Niet soepel. Wel zonder een deur dicht te gooien.

Zijn uren werden weer uitgebreid. Eén dag per week bleef voorlopig vrij voor afspraken rond Henk. Om de drie weken ging hij een weekend naar Groningen. Soms gingen Ise en ik mee. Soms niet.

We hadden minder spaargeld en geen zomervakantie geboekt. De treinritten bleven duur. Ria werd een keer ziek, waardoor Daan toch onverwacht moest vertrekken. Ik werd daar boos om. Daarna maakten we samen een oplossing voor het schoolfeest waar hij zou helpen.

Dat verschil leek klein. Het was groot genoeg.

Ise hield nog maanden in de gaten waar we waren. Als ik later uit werk kwam, moest ik een bericht sturen. Haar horloge werd iedere avond opgeladen. Dat gaf houvast, maar we maakten ook duidelijk dat een apparaat niet alles veilig kon maken. Bij twijfel moest ze een vertrouwde volwassene aanspreken.

Ze sprak nog een paar keer met de medewerker van het wijkteam. Langzaam kwam er minder spanning rond afscheid. Op een zondag zwaaide ze Daan uit en liep daarna meteen naar binnen om haar Lego af te maken.

Ik bleef wat langer bij de deur staan.

‘Wat?’ vroeg Daan.

‘Niets. Ga maar. Bel als je er bent.’

Die donderdagavond gingen we samen wandelen. Onze afspraak voor ons tweeën was gebleven. Soms werd het een gesprek op de bank. Soms een halfuur buiten. Niet bijzonder genoeg voor een foto. Wel iets wat niet automatisch voor andere zaken hoefde te wijken.

Hij pakte mijn hand bij het stoplicht.

‘Denk je nog vaak aan die dag op het station?’

‘Ja.’

‘Ik ook.’

We liepen verder. We hoefden het niet mooier te maken.

Het is nu ruim een jaar na zijn vertrek met die weekendtas. Henk heeft goede weken en slechte. Daan maakt zich nog steeds snel schuldig. Ik word nog steeds kortaf als ik te veel tegelijk probeer te dragen. We herkennen het eerder. Meestal.

Vorige dinsdag kwam ik thuis met hoofdpijn. In de keuken stond een pan rijst. Daan hielp Ise met breuken. Zijn telefoon ging.

Hij keek op het scherm. Zijn vader.

‘Ik bel over tien minuten terug,’ zei hij in een kort bericht. Daarna legde hij de telefoon weg.

Ise schoof haar schrift naar hem toe.

‘Deze snap ik niet.’

Ik hing mijn jas op en pakte drie borden.

Later belde hij Henk. De televisie stond op de verkeerde zender. Ze losten het samen op.

Daarna aten we. De rijst was iets te zacht. Ise vertelde over ruzie op het schoolplein. Daan vroeg mij hoe mijn dag was.

Ik gaf geen automatisch antwoord.

Hij bleef zitten en luisterde.