Psychische gezondheid
Licht aan het eind van november
Dit boek gaat over psychische klachten. Zoek hulp als het onderwerp je raakt.
Hoofdstuk 1
De tussendeur
Op 3 november bleef ik vastzitten tussen twee glazen deuren van het distributiecentrum in Nieuwegein. Niet echt. Mijn pas werkte. Naast de deur zat een groene knop. Toch stond ik daar alsof iemand de uitgang had dichtgemetseld.
Achter me wachtte een chauffeur met een lege koffiebeker.
‘Moet je drukken,’ zei hij.
Ik hoorde hem, maar mijn hand bewoog niet. Mijn hart sloeg tot in mijn keel. De lucht leek ineens te dik om in te ademen.
Mijn naam is Noor van Dijk. Ik was vierendertig en werkte op de retourenafdeling. Acht jaar lang had ik kapotte waterkokers, verkeerd bestelde lampen en incomplete tuinsets verwerkt. Ik kende alle codes. Ik wist welke collega zijn scanner altijd kwijtraakte. Ik was degene die insprong als iemand ziek was.
Nu kon ik niet eens een deur openen.
De chauffeur liep om me heen en drukte op de knop. Koude lucht kwam naar binnen. Ik stapte naar buiten en ging naast een betonnen plantenbak zitten.
Mijn telefoon trilde. Teamleider Erik.
Ik nam niet op.
Er kwam een bericht.
Waar ben je? Die pallet moet vandaag nog weg.
Ik keek naar mijn werkschoenen. Op de rechterneus zat een streep gele verf. Ik probeerde te onthouden wanneer die erop gekomen was. Als ik dat wist, dacht ik, zou mijn hoofd misschien weer normaal worden.
‘Noor?’
Sanne stond voor me. Ze droeg haar veiligheidsvest nog. In haar hand had ze mijn jas.
‘Je bent helemaal wit.’
‘Ik denk dat ik griep krijg.’
Ze hurkte niet. Ze legde geen hand op mijn schouder. Daar was ik haar later dankbaar voor. Ze bleef gewoon staan.
‘Wil je dat ik iemand bel?’
‘Nee.’
‘Kun je opstaan?’
‘Ja.’
Ik kon het niet.
Sanne wachtte. Een vrachtwagen reed achteruit. Het piepen ging dwars door mijn hoofd. Ik drukte mijn vingers tegen mijn oren.
‘Oké,’ zei ze. ‘We gaan even naar mijn auto.’
We zaten twintig minuten op de parkeerplaats. Ze zette de radio uit. Ik telde de naden in het dashboard. Uiteindelijk werd mijn adem rustiger.
‘Dit gebeurt niet alleen vandaag, hè?’ vroeg ze.
Ik keek naar haar autosleutel.
Al weken werd ik om vier uur wakker. Ik at crackers omdat koken te veel stappen had. In mijn appartement in Utrecht lagen zes ongeopende enveloppen op tafel. De was bleef in de machine tot hij zuur rook.
Op mijn werk controleerde ik elke retour drie keer. Daarna nog een vierde keer. Niet omdat ik nauwkeurig was. Omdat ik niets meer vertrouwde wat ik zelf deed.
‘Ik slaap slecht,’ zei ik.
Dat was de kleinste waarheid die ik kon vinden.
Sanne bracht me naar huis. Bij mijn portiek in Zuilen hield ze de motor draaiend.
‘Meld je ziek.’
‘Dan zitten jullie met die pallet.’
‘Wij kunnen een pallet aan.’
Ik knikte alsof dat een ingewikkelde mededeling was.
Boven trok ik mijn jas niet uit. Ik ging op de bank zitten en hoorde de koelkast aanslaan. Daarna de lift. Daarna mijn buurvrouw die haar deur opende en weer dichtdeed.
Om halfzes belde mijn broer Bas.
‘Mam vraagt of je zondag komt.’
‘Ik weet het nog niet.’
‘Je zegt alles af de laatste tijd.’
Ik voelde meteen woede. Fel en handig. Veel makkelijker dan vertellen wat er aan de hand was.
‘Dan kom ik toch niet.’
‘Zo bedoel ik het niet.’
Ik verbrak de verbinding.
Daarna kwam de schaamte. Ik legde mijn telefoon onder een kussen, alsof hij daar niet meer bestond.
Pas om negen uur deed ik mijn jas uit. In de keuken stond een pan met aangekoekte rijst. Ik draaide de kraan open, maar het geluid was te hard. Ik draaide hem weer dicht.
Onder het kussen trilde mijn telefoon opnieuw.
Een bericht van Sanne.
Je hoeft niet uit te leggen waarom. Laat alleen even weten dat je thuis bent.
Ik typte: Thuis.
Daaronder schreef ik: Volgens mij gaat het niet goed.
Ik hield mijn duim boven verzenden. Die tweede zin leek gevaarlijker dan alles wat die dag gebeurd was.
Toen drukte ik.
Hoofdstuk 2
De gele envelop
De volgende ochtend belde ik de huisarts vanuit mijn badkamer. Daar hoorde niemand me door de muur. Dat dacht ik tenminste.
‘Waarvoor wilt u een afspraak?’ vroeg de assistente.
Ik had geoefend. Slecht slapen. Hartkloppingen. Misschien iets met mijn schildklier.
‘Ik trek het niet meer,’ zei ik.
Het bleef even stil.
‘Bent u nu veilig?’
Ik keek naar de vochtplek boven de douche.
‘Ja. Maar ik ben bang.’
Ik mocht die middag komen.
Tot die tijd liep ik door mijn huis zonder iets af te maken. Ik haalde brood uit de vriezer. Legde het op het aanrecht. Zocht sokken. Ging weer zitten. Om twaalf uur vond ik het brood terug, slap in een plas smeltwater.
Huisarts Meijer had een spreekkamer aan de Amsterdamsestraatweg. Ik kende haar vooral van een ontstoken oor en een hardnekkige hoest. Nu schoof ze haar toetsenbord opzij.
‘Vertel maar.’
Ik begon over de deur op mijn werk. Daarna over het slapen. Ik vertelde dat ik soms een kwartier voor het schap met pasta stond omdat ik geen keuze kon maken.
‘Hoe lang speelt dit?’
‘Een paar weken.’
Ze wachtte.
‘Maanden misschien.’
Sinds de zomer, eigenlijk. Eerst had ik gedacht dat ik vakantie nodig had. Tijdens mijn vakantie had ik vooral op bed gelegen. Daarna was er een nieuwe leidinggevende gekomen. Nieuwe targets. Minder mensen. Ik had ja gezegd tegen extra diensten omdat thuis ook niets lukte.
Meijer vroeg naar eten, alcohol en medicijnen. Naar mijn moeder. Naar vrienden. Naar gedachten waar ik liever niet over sprak.
‘Denk je weleens dat je niet meer wilt leven?’
Mijn ogen schoten naar de deur.
‘Als ik daar ja op zeg, wat gebeurt er dan?’
‘Dan praten we daarover. En kijken we wat je nodig hebt.’
Ik kneep mijn handen tussen mijn knieën.
‘Soms wil ik gewoon niet wakker worden. Ik heb niets voorbereid. Maar het komt steeds vaker.’
Ze knikte zonder haast.
‘Goed dat je dat zegt.’
Ik begon te huilen. Niet netjes. Mijn neus liep. Ik kreeg geen hele zin meer uit mijn mond. Ze schoof een doos tissues naar me toe en liet me even.
We spraken af dat ik voorlopig niet ging werken. Er kwam een afspraak met de praktijkondersteuner. Meijer wilde me de week erna terugzien. Ze besprak ook wat ik kon doen als mijn gedachten donkerder werden of ik mezelf niet meer vertrouwde: iemand inschakelen, de huisarts of huisartsenpost bellen. Bij direct gevaar 112.
‘Wie mag vandaag weten hoe het echt met je gaat?’ vroeg ze.
‘Sanne misschien.’
‘En iemand buiten je werk?’
Ik dacht aan Bas. Aan hoe ik hem had afgeblaft.
‘Mijn broer.’
Buiten belde ik hem meteen. Anders zou ik het niet doen.
‘Sorry van gisteren,’ zei ik.
‘Geeft niet.’
‘Nee. Luister even. Ik ben bij de huisarts geweest.’
Hij zei niets tot ik klaar was. Dat was ongewoon voor Bas. Hij repareerde cv-ketels en behandelde de rest van het leven meestal op dezelfde manier: probleem zoeken, onderdeel vervangen.
‘Ik kom vanavond,’ zei hij.
‘Je hoeft niets op te lossen.’
‘Dat weet ik niet zeker. Maar ik kom.’
Hij bracht tomatensoep en vier broodjes mee. Ik vond dat overdreven. Ik at drie broodjes.
Daarna zag hij de enveloppen.
‘Zal ik die openmaken?’
‘Nee.’
Hij liet ze liggen. We keken een programma over mensen die huizen kochten waar wij nooit zouden wonen.
Toen hij opstond, pakte ik de gele envelop van de stapel.
‘Deze dan.’
Het was een betalingsherinnering van de woningcorporatie. Twee maanden huurachterstand. Ik had een automatische incasso teruggeboekt toen mijn rekening te laag stond. Daarna had ik gedaan alsof het probleem zichzelf zou herstellen.
Bas las de brief. Zijn mond werd strak.
‘Waarom heb je dit niet gezegd?’
Daar was hij. De vraag die ik het meest vreesde.
‘Omdat ik wist dat je zo zou kijken.’
Hij legde de brief neer. Ging weer zitten.
‘Oké,’ zei hij. ‘Dat was een rotreactie.’
We zwegen.
‘Morgen bellen?’ vroeg hij toen.
Ik knikte.
Voor het eerst in weken lag er iets op tafel wat niet alleen in mijn hoofd bestond.
Hoofdstuk 3
Niet bereikbaar
De praktijkondersteuner heette Fatima. Ze had een blauwe mok met een barst in het glazuur. Tijdens ons eerste gesprek keek ik daar vaker naar dan naar haar.
‘Wat moet er van jou gebeuren voordat je rust mag nemen?’ vroeg ze.
‘Alles moet af zijn.’
‘Wanneer is dat?’
Ik begreep de vraag. Ik vond hem irritant.
‘Nooit, natuurlijk.’
‘En toch wacht je daarop.’
Ze zei het zonder glimlach. Daardoor kon ik niet doen alsof we samen een slim inzicht hadden gevonden en daarna over iets anders beginnen.
Ik vertelde over de huur. Bas had naast me gezeten terwijl ik belde. Er was een betalingsregeling mogelijk. Ik moest formulieren invullen. Mijn loon liep tijdens mijn ziekte door, maar ik had het overzicht verloren door achterafbetalingen en terugboekingen.
‘Het is zo dom,’ zei ik.
‘Het is een probleem,’ zei Fatima. ‘Dat is iets anders.’
We maakten geen groot herstelplan. Ik moest opstaan, iets eten en elke dag kort naar buiten. Niet om kilometers te lopen. Tot de hoek mocht ook.
Ik lachte schamper.
‘Dat klinkt alsof ik zes ben.’
‘Kun je het nu iedere dag?’
Ik keek weer naar haar mok.
Op 11 november ging ik voor het eerst naar buiten zonder afspraak. Ik liep naar de bakker aan de Edisonstraat. Voor me stond een man die zes verschillende broodjes wilde. Hij veranderde drie keer van keuze.
Mijn rug werd nat. Ik voelde mijn hart versnellen. De deur was achter me. Twee mensen stonden ervoor.
Ik liet mijn mandje staan en ging naar buiten.
Thuis sloeg ik met mijn vlakke hand tegen het aanrecht. Het deed meteen pijn.
Een brood kopen. Dat was de opdracht. Zelfs dat lukte niet.
Mijn telefoon ging. Erik.
Deze keer nam ik op.
‘Hoe gaat het?’ vroeg hij.
‘Niet goed.’
‘Vervelend. Ik hou het kort. We zoeken een retourzending van twee weken terug. Vierentwintig koffiemachines. Jij hebt die verwerkt.’
Ik ging zitten.
‘Welke code?’
Hij noemde een nummer. Ik zag de pallet voor me. Grijze folie. Een afgescheurd etiket.
‘Volgens het systeem staan ze op afvoer,’ zei hij. ‘Maar ze moesten terug naar de leverancier.’
Ik voelde niets meer in mijn handen.
‘Heb ik dat gedaan?’
‘Dat probeer ik uit te zoeken.’
Op de achtergrond riep iemand zijn naam.
‘Kun je morgen even komen kijken? Een halfuurtje.’
‘Ik ben ziek.’
‘Dat snap ik. Maar jij weet waarschijnlijk waar het misging.’
Ik zei dat ik zou nadenken en hing op.
Daarna opende ik mijn laptop. Ik kon niet in het werksysteem. Ik probeerde mijn wachtwoord opnieuw. Toen zocht ik oude mails op mijn telefoon. De letters leken te verschuiven. Misschien had ik voor duizenden euro’s aan spullen laten vernietigen.
Ik stuurde Sanne een bericht.
Weet jij iets van die koffiemachines?
Ze belde meteen.
‘Waarom ben jij hiermee bezig?’
‘Omdat het mijn fout is.’
‘Dat weten we niet.’
‘Erik zegt—’
‘Erik moet het met de mensen uitzoeken die er zijn.’
Ik werd kwaad op haar. Ze begreep het niet. Als ik deze fout niet herstelde, zou niemand me nog terug willen.
‘Laat maar,’ zei ik.
‘Noor. Niet ophangen.’
Ik hing toch op.
Die nacht sliep ik nauwelijks. Ik zag dozen in een pers. Hoorde Erik tegen collega’s zeggen dat ze het hadden kunnen weten. Ik stond om drie uur op en controleerde mijn bankrekening. Alsof daar een antwoord stond.
Om negen uur belde Fatima voor onze afgesproken korte check.
Ik vertelde niets over de bakker. Alleen over de pallet.
‘Wat zou je adviseren als Sanne jou dit vertelde?’ vroeg ze.
‘Dat ze haar mond moest houden tegen haar teamleider en naar de bedrijfsarts moest.’
‘Kun je dat advies zelf gebruiken?’
Samen schreef ik een korte mail. Ik was niet beschikbaar voor werkzaamheden. Vragen over mijn inzetbaarheid wilde ik met de bedrijfsarts bespreken.
Ik las hem zes keer.
Toen verstuurde ik hem.
Er kwam geen boze reactie. Er kwam die dag helemaal geen reactie.
Dat was bijna moeilijker.
Hoofdstuk 4
De stoel naast mij
Op 16 november zat ik in de wachtkamer van de bedrijfsarts. Het kantoor lag op een bedrijventerrein bij Maarssen. Buiten draaide een reclamevlag steeds dezelfde halve slag in de wind.
Bas had aangeboden mee te gaan. Ik had nee gezegd. Daarna had ik hem vanaf de parkeerplaats gebeld.
‘Ik durf niet naar binnen.’
‘Ik ben twintig minuten van je vandaan.’
‘Dan ben je te laat.’
‘Ga vast zitten. Ik kom.’
Toen de arts mijn naam riep, was de stoel naast me nog leeg.
Binnen begon ik meteen over de koffiemachines.
‘Ik weet niet zeker of ik die code verkeerd heb ingevoerd. Misschien wel. Maar er was ook een scannerstoring.’
De arts heette De Wit. Ze liet me uitpraten.
‘Ik ben niet degene die dat onderzoekt,’ zei ze. ‘Ik wil weten hoe het met je gezondheid gaat en wat je op dit moment aankunt.’
‘Erik denkt dat ik best een halfuurtje kan komen.’
‘Wat denk jij?’
Ik wilde het goede antwoord geven. Daar liep ik weer op vast.
‘Ik ben gisteren vergeten mijn boodschappen uit te pakken,’ zei ik. ‘Het ijs lag nog in mijn tas.’
Ze stelde gerichte vragen. Over slapen. Concentratie. Paniek. Over hoe mijn dagen eruitzagen. Ik vertelde ook over de gedachten aan niet meer wakker worden.
Er werd geklopt. De receptioniste stak haar hoofd om de deur.
‘Uw broer is er.’
De Wit keek naar mij.
‘Mag hij erbij?’
Ik knikte.
Bas ging zitten. Hij rook naar kou en motorolie. Ik voelde pas toen hoe gespannen ik was geweest.
De arts adviseerde voorlopig geen werkhervatting. Over een paar weken zouden we opnieuw kijken. Het contact met mijn werkgever moest voorspelbaar en beperkt blijven. Niet steeds onverwachte telefoontjes over fouten en achterstanden.
‘En wat vertelt u aan Erik?’ vroeg ik.
‘Mijn advies over je belastbaarheid. Niet wat je hier allemaal over je klachten vertelt.’
Buiten zakte ik tegen de auto.
‘Ik dacht dat ze zou zeggen dat ik me aanstelde.’
Bas stak zijn handen in zijn zakken.
‘Dat zeg jij vooral zelf.’
Ik wilde hem tegenspreken. Het lukte niet.
We dronken koffie bij een tankstation. Bas kreeg poedermelk op zijn jas. Hij veegde het weg en maakte de vlek groter.
‘Mam weet dat je thuiszit,’ zei hij.
‘Wat heb je verteld?’
‘Dat je ziek bent. Verder moet je het zelf zeggen.’
Mijn moeder woonde in Amersfoort. Ze had dertig jaar in een verzorgingshuis gewerkt. Ze was zorgzaam zolang een probleem zichtbaar was. Koorts begreep ze. Een gebroken pols ook.
Die avond belde ik haar.
‘Je moet niet de hele dag binnen blijven,’ zei ze na vijf minuten.
‘Dat probeer ik niet.’
‘Een beetje ritme. Douchen. Aankleden.’
Ik trok aan een losse draad van mijn trui.
‘Mam, ik weet hoe aankleden werkt.’
Ze werd stil.
‘Ik bedoel het goed.’
‘Dat weet ik. Maar het klinkt alsof ik dit niet probeer.’
Aan de andere kant hoorde ik haar televisie zachter gaan.
‘Wat moet ik dan zeggen?’
Voor die vraag had ik geen antwoord klaarliggen.
‘Vraag misschien wat vandaag moeilijk was.’
Ze aarzelde.
‘Wat was vandaag moeilijk?’
Ik vertelde over de parkeerplaats. Over Bas. Over mijn angst dat ik mijn baan kwijt zou raken.
Ze onderbrak me niet.
Twee dagen later kwam ze langs met een ovenschaal. Ze begon niet op te ruimen. Ze vroeg of ze naast me mocht zitten. Dat vond ik bijna pijnlijker dan ongevraagd advies.
We aten aardappels met prei. Ik proefde voor het eerst in dagen iets anders dan zout.
‘Ik wist niet dat het zo erg was,’ zei ze.
‘Ik ook niet.’
Dat was niet helemaal waar. Ik had het wel geweten. Alleen steeds gedacht dat ik nog één dienst moest doorkomen. Eén rekening. Eén nacht.
Toen ze wegging, vroeg ze of ze donderdag weer mocht bellen.
‘Ja,’ zei ik. ‘Maar niet om acht uur ’s ochtends.’
Ze glimlachte.
‘Halfelf.’
Ik schreef het in mijn agenda. Niet omdat ik bang was het te vergeten. Omdat ik wilde kunnen zien dat er iemand zou bellen.
Hoofdstuk 5
De verkeerde avond
Op 22 november ging het een dag beter. Ik waste mijn haar. Ik liep langs de Vecht en kocht bij een kleine supermarkt brood zonder weg te gaan. Thuis vulde ik twee formulieren voor de betalingsregeling in.
Ik maakte zelfs een foto van de lege afwasbak en stuurde die naar Bas.
Hij antwoordde met een beker-emoji.
Die avond dacht ik dat het ergste voorbij was.
De volgende ochtend kreeg ik een brief van de woningcorporatie. Mijn aanvraag was nog niet compleet. Er ontbrak een bijlage. De achterstand stond opnieuw dikgedrukt op de eerste pagina.
Ik wist dat dit niet hetzelfde was als een ontruiming. Bas had dat uitgelegd. De medewerker aan de telefoon ook. Toch zag ik ineens mijn meubels op straat staan.
Daarna kwam een bericht van Erik.
Kunnen we vrijdag je situatie bespreken? HR sluit aan.
Meer stond er niet.
Ik las ontslag. Ik las fraude. Ik las dat ze die koffiemachines gevonden hadden en dat alles mijn schuld was.
Ik belde niemand.
Dat is het stuk waar ik achteraf het liefst iets verstandigs tussen zet. Dat ik mijn afspraken erbij pakte. Dat ik wist wat ik moest doen. Maar ik deed mijn gordijnen dicht en ging op bed liggen.
Om vier uur werd het buiten donker. Om zes uur lag ik er nog.
De gedachte dat ik niet meer wakker wilde worden, veranderde. Ik merkte dat ik niet alleen rust wilde. Ik begon de gedachte om er helemaal niet meer te zijn als een oplossing te behandelen.
Daar schrok ik van. En tegelijk voelde ik een gevaarlijke kalmte.
Mijn telefoon lag beneden in mijn tas. Ik had hem daar zelf neergelegd omdat ik geen vragen wilde. Nu leek de afstand naar de woonkamer enorm.
Ik stond toch op. Niet omdat ik plotseling vertrouwen had. Ik moest naar het toilet. Op de gang hoorde ik iemand vloeken.
‘Rotding.’
Mijn buurvrouw Els stond bij haar deur. Haar boodschappentas was gescheurd. Een ui rolde tegen mijn drempel.
Ik opende mijn deur.
‘Gaat het?’ vroeg ze.
Ze bedoelde waarschijnlijk of ik niet schrok van het lawaai.
‘Nee,’ zei ik.
Het woord kwam eruit voordat ik een ander kon kiezen.
Els keek naar me. Toen liet ze haar boodschappen liggen.
‘Wat is er?’
‘Ik ben bang om alleen te zijn.’
Mijn benen begonnen te trillen. Ik ging op de vloer zitten. Els bleef even staan, alsof ze moest besluiten wat ze met haar handen moest doen. Daarna ging ze op haar hurken.
‘Wie kan ik bellen?’
‘Mijn broer. Maar eerst... de huisartsenpost, denk ik.’
Ze haalde mijn telefoon. Ik vertelde zelf wat er speelde. De medewerker stelde duidelijke vragen. Of ik alleen was. Of ik dacht mezelf iets aan te doen. Of ik voorbereidingen had getroffen.
Ik antwoordde zo eerlijk als ik kon. Els zat naast me en hield mijn telefoon vast toen mijn hand te veel trilde.
Na overleg met de dienstdoende arts werd een beoordeling geregeld. Bas kwam. Hij had zijn werkbroek nog aan. Hij vroeg niet waarom ik niet eerder had gebeld.
‘Ik ben er,’ zei hij alleen.
Later die avond zat ik tegenover twee medewerkers van de crisisdienst. Ik schaamde me voor mijn vettige haar, mijn sok met een gat en voor het feit dat ik soms gewoon antwoord kon geven. Alsof dat bewees dat ik overdreef.
Ze wilden weten wat er veranderd was. Wat me tegenhield. Wie bij me kon blijven. We bespraken hoe we de nacht veilig konden maken en wat er de volgende ochtend moest gebeuren.
Bas zou blijven. We beperkten samen de toegang tot spullen waarover ik me onveilig voelde. Er kwamen duidelijke belafspraken en een vervolgcontact. Als de spanning opliep of ik mezelf niet meer vertrouwde, zouden we direct opnieuw hulp inschakelen.
Om twee uur waren we thuis.
Bas maakte een bed op de bank. Ik bleef in de deuropening staan.
‘Je moet morgen werken.’
‘Dat regel ik.’
‘Je kunt niet steeds—’
‘Niet vannacht, Noor. Morgen praten we verder.’
Ik ging liggen. De gedachten waren niet verdwenen. De brieven ook niet.
Maar door de muur hoorde ik Bas hoesten. Daarna klikte zijn telefoonoplader in het stopcontact.
Ik bleef luisteren tot ik sliep.
Hoofdstuk 6
Wat er wel lag
De ochtend na de crisis smaakte koffie naar karton. Bas zat aan mijn tafel met zijn laptop. Hij had vrij geregeld. Ik voelde me opgelucht en woedend tegelijk.
‘Je hoeft me niet te bewaken,’ zei ik.
Hij keek op.
‘Ik lees het nieuws.’
‘Je weet wat ik bedoel.’
Hij klapte zijn laptop half dicht.
‘We hebben afgesproken dat je vanochtend niet alleen bent. Als je daar iets anders over wilt, bespreken we dat straks met de huisarts.’
Ik haatte zijn rustige stem. Ik haatte nog meer dat ik die nodig had.
Meijer belde op de afgesproken tijd. Daarna kwam ik naar de praktijk. We bespraken de crisis en mijn klachten opnieuw. Ze dacht aan een depressie met veel angstklachten. Voor verdere behandeling werd een verwijzing gedaan. Er zou een wachttijd zijn. Tot die tijd bleven zij en Fatima betrokken, met extra contact na deze nacht.
We bespraken ook medicatie. Wat het mogelijk kon doen. Wat niet. Dat het effect tijd kostte en dat ik bij onrust of verergering contact moest opnemen. Ik hoefde niet ter plekke enthousiast te zijn.
‘Ik ben bang dat ik mezelf kwijtraak,’ zei ik.
‘Dat gevoel heb je nu ook,’ zei Meijer. ‘We kunnen zorgvuldig kijken wat helpt, en blijven volgen hoe het gaat.’
Ik koos ervoor te beginnen. Niet als laatste redmiddel. Als een onderdeel van iets wat ik niet langer alleen kon dragen.
Thuis lag de brief van de woningcorporatie nog waar ik hem had laten vallen.
Bas raapte hem niet op.
‘Wil je vandaag bellen of eerst eten?’
‘Eten.’
We aten boterhammen met kaas. Daarna belde ik zelf. De ontbrekende bijlage bleek een loonstrook. Ik hoefde geen ingewikkelde verklaring te schrijven. Alleen een bestand te uploaden.
De medewerker wachtte terwijl ik inlogde.
‘Hij staat erin,’ zei ik.
‘Ik zie hem. Dank u.’
Ik begon bijna te huilen om haar gewone stem.
Vrijdag was het gesprek met Erik en HR via beeldbellen. Bas zat in de keuken, buiten beeld. Ik had mijn vragen op papier gezet.
Erik zag er moe uit. Achter hem hing dezelfde scheve kalender als altijd.
‘Allereerst,’ zei hij, ‘die retourzending is terecht.’
Mijn rug werd recht.
De pallet had bij een andere vervoerder gestaan. Er waren twee etiketten gebruikt. Mijn boeking was niet volledig, maar de spullen waren niet vernietigd.
‘Dus het was niet mijn fout?’
‘Niet zoals we dachten. Er zijn meerdere dingen misgegaan.’
Ik wachtte op opluchting. Die kwam niet meteen. Eerst kwam boosheid.
‘Ik heb daar nachten niet van geslapen.’
Erik keek naar zijn scherm.
‘Ik had je er niet op die manier voor moeten bellen.’
Het was geen grote verontschuldiging. Wel een duidelijke.
De medewerker van HR besprak hoe het contact voortaan zou lopen. Eén vast moment per week. Geen opdrachten. Het advies van de bedrijfsarts was leidend voor de werkhervatting.
Toen het gesprek klaar was, riep ik Bas.
‘Ze zijn terecht.’
‘Mooi.’
‘Waarom voel ik me dan nog steeds beroerd?’
Hij schoof tegenover me.
‘Omdat die koffiemachines niet het enige waren, denk ik.’
Die middag kwam Sanne. Ik had haar sinds ons afgebroken telefoongesprek nauwelijks gesproken.
‘Sorry dat ik ophing,’ zei ik.
‘Vond ik niet leuk.’
‘Ik weet het.’
Ze trok haar jas uit.
‘Maar ik ben niet weg.’
Ze vertelde over een collega die per ongeluk zijn lunch in de vriezer had gelegd. Ik lachte. Kort, onverwacht. Daarna voelde ik me schuldig. Alsof ik niet mocht lachen na zo’n nacht.
‘Wat?’ vroeg Sanne.
‘Niks.’
‘Dat gezicht ken ik. Zeg maar.’
Ik vertelde het.
‘Je hoeft toch niet de hele dag hetzelfde te voelen?’ zei ze.
We liepen tien minuten buiten. Bij de kruising wilde ik terug. Sanne draaide gewoon om. Geen aanmoediging om nog even door te zetten.
Thuis schreef ik drie nummers op een kaart naast mijn bed. Bas. De huisarts. De huisartsenpost. Het plan dat we hadden gemaakt legde ik erbij.
Niet onder een stapel. Niet in een la.
Die keer liet ik het zichtbaar liggen.
Hoofdstuk 7
Halfvijf
Op 30 november werd ik om vijf uur wakker. Mijn hart klopte snel. Even dacht ik dat alles opnieuw begon.
Ik deed het lampje naast mijn bed aan en pakte de kaart. Ik hoefde nog niemand te bellen. Dat voelde ik ook. Ik stond op, dronk water en ging met een deken op de bank zitten. De spanning zakte niet meteen. Wel een beetje.
Om acht uur stuurde ik Bas een bericht.
Slechte nacht. Ik heb om elf uur Fatima. Ik red de ochtend.
Hij stuurde terug: Zal ik na het eten bellen?
Ja, schreef ik.
Dat was anders dan vroeger. Toen had ik of niets gezegd, of gehoopt dat iemand vanzelf begreep hoe slecht het ging.
Bij Fatima vertelde ik dat ik boos was op mijn herstel. Op dat woord ook.
‘Iedereen vraagt of het al iets beter gaat.’
‘En wat wil je antwoorden?’
‘Dat ik gisteren mijn tanden niet heb gepoetst. Dat ik vandaag wel hier ben. Kies maar.’
Ze knikte.
‘Dat kun je zeggen.’
We bekeken wat er vlak voor de crisis was gebeurd. De brief. Het bericht van Erik. De gordijnen. Mijn telefoon beneden. Geen enkel ding verklaarde alles. Samen vormden ze een patroon dat ik eerder wilde leren zien.
We schreven geen belofte dat het nooit meer zou gebeuren. Wel signalen. Slechter slapen. Niet eten. Berichten vermijden. Gedachten die steeds smaller werden. En acties die klein genoeg waren om werkelijk te doen.
‘Ik wil niet dat Bas mijn hele hulpverlening wordt,’ zei ik.
‘Dat hoeft ook niet. Juist daarom maken we het netwerk groter.’
We bespraken een lotgenotengroep in Utrecht. Ik hoefde niet meteen mijn verhaal te vertellen. Ik mocht eerst kennismaken. De intake bij de behandelaar zou pas in december plaatsvinden. Dat wachten bleef lastig. Er stond nu wel steun omheen.
Om halfvijf zat ik thuis aan tafel. Buiten was het bijna donker. Het peertje boven mijn aanrecht was al drie weken kapot. Ik had er in het donker omheen gewerkt, met het licht van de afzuigkap aan.
In de la lag een nieuw peertje. Ik had het maanden eerder gekocht.
Ik pakte de keukentrap, zette de schakelaar uit en verving de lamp. Daarna bleef ik even staan met het oude peertje in mijn hand.
Het was geen bijzonder moment. Ik voelde geen golf van geluk. Ik zag vooral kruimels en een vetvlek die ik eerder niet had gezien.
Ik veegde de kruimels weg. De vetvlek liet ik zitten.
Er werd aangebeld. Els stond voor de deur met een ovenschaaltje.
‘Te veel lasagne,’ zei ze.
‘Dat zei je vorige week ook.’
‘Ik ben slecht in hoeveelheden.’
Ik nam het aan.
‘Wil je koffie?’ vroeg ik.
Ze keek even verbaasd. Daarna knikte ze.
We praatten over haar dochter in Zwolle en de lift die alweer raar deed. Niet over die avond op de gang. Toen ze wegging, raakte ze kort mijn arm aan.
‘Je mag ook aanbellen als er geen ui ligt.’
‘Weet ik,’ zei ik.
Deze keer meende ik het.
December werd geen makkelijke maand. Ik kreeg last van misselijkheid na het starten met de medicijnen en besprak dat met Meijer. Het eten ging langzaam beter. Mijn slaap bleef onrustig. Soms zei ik afspraken af. Soms ging ik toch en vertrok ik eerder.
Bij de kennismaking met de lotgenotengroep zat ik dicht bij de deur. Een man genaamd Jeroen vertelde dat hij ooit twee weken zijn post in de oven had verstopt.
Ik lachte niet. Niemand deed dat.
‘Bij mij lag alles op tafel,’ zei ik. ‘Dat zag er alleen normaler uit.’
Hij knikte. Ik hoefde niets verder uit te leggen.
Begin januari besprak ik met de bedrijfsarts een voorzichtige start op het werk. Twee korte momenten per week, met eenvoudige taken en duidelijke grenzen. Geen retouren uitzoeken onder tijdsdruk. We zouden kijken hoe het ging, niet bewijzen dat ik weer de oude was.
Voor mijn eerste bezoek stond ik opnieuw bij de glazen tussendeur. Mijn hand was vochtig. Mijn hart ging sneller.
Sanne wachtte aan de andere kant. Ze stak haar hand op, maar liep niet naar me toe.
Ik drukte op de groene knop.
Binnen vroeg ze: ‘Koffie?’
‘Eerst even zitten,’ zei ik.
We gingen zitten.